Het evangelie naar Mattheüs

20-06-2010 door Dr. K.D. Goverts

Genesis en Mattheüs      

Van Mattheüs zouden we kunnen zeggen: Wat Genesis is in het eer­ste gedeelte van de Bijbel, is het Evangelie van Mattheüs in het Nieu­we Testament. Ik spreek liever van de Schriften of de Schrift dan van ‘Ou­de Tes­ta­ment’. De bij de Joden gebruikelijke uitdrukking voor het Ou­de Testa­ment is TENACH. De namen Oude Testament en Nieuwe Tes­ta­ment zijn pas in de derde eeuw na Christus gegeven. De Tenach loopt van Genesis tot Maleachi. Het Evangelie loopt van Mattheüs tot Openbaring.

Vertellen en tellen

Er zijn vier evangeliën. Elke evangelist heeft een heel eigen manier om de dingen te vertellen. Men kan de vier evangeliën niet door el­kaar mixen door uit elk evan­ge­lie iets te nemen, het samen te voe­gen en te denken: Nu heb ik het com­plete levensverhaal van Jezus. Op deze manier haalt men juist de mooi­e en fijne puntjes eruit. Elk evangelie heeft een eigen struc­tuur. Evangelisten zijn echte vertel­lers. De Bijbel is geen prekenboek, maar een verhalenboek. God is naar zijn wezen geen prekende God, maar een vertel­lende God. Het vertellen hoort bij het Koninkrijk van God.

D­e Naam van God wordt verteld!

Driemaal wordt vermeld, dat de Naam van God verteld moet wor­den. Psalm 102 vertelt, dat God het zuchten van de gevangenen hoort en dat Hij de ten dode gedoemden gaat bevrijden. «Opdat men de naam des HEREN in Sion vertelle» Ps.102:22. Het hart van het evangelie is, dat de Naam des HEREN ver­teld zal wor­den. Het is als het ware een opsomming van wat er in de naam des HEREN aanwezig is. Wij zijn daar eigenlijk altijd mee bezig. Iets an­ders wordt er niet van ons ge­vraagd. Het werkwoord vertellen heeft zowel in het Hebreeuws als in het Ne­derlands met het werkwoord tellen te maken. Vertellen is een inten­sie­ve vorm van tellen. Het heeft te maken met ver­­­­halen, die sa­men boe­­ken vormen. Deze boeken vormen samen de Bij­bel. «Ik zal Uw naam aan mijn broeders verkondigen» Ps.22:23. In de grondtekst staat vertellen. Jezus heeft de Naam van zijn Vader aan de broeders verteld. Wij heb­­ben dezelfde opdracht gekregen. In Exodus 9:16 zegt God tegen de Farao: «Doch hierom laat ik u bestaan, om u mijn kracht te tonen, opdat men mijn naam vertelle op de gehele aarde». Dan gaat Psalm 8:10 in vervulling: «Hoe heerlijk is uw naam op de ganse aarde». De evangelist Mattheüs laat 28 hoofdstukken lang deze Naam in al zijn veelkleurigheid zien. Hij gaat de naam ontvouwen, onthullen. Ver­tellen is een kunst. De bijbel­schrijvers zijn kunstenaars van top­ni­ve­au. Ze schrijven de dingen niet zomaar achter elkaar op, maar elk evan­­ge­lie is een meesterlijke compositie. Als God in een mensen­le­ven werkt, komt er kwaliteit te voorschijn. Men hoort mensen vaak zeg­gen: “De Heer ziet het hart aan, het hoeft niet allemaal zo goed en zo mooi te zijn. Als men iets voor Hem doet, kijkt Hij of het uit het hart komt”. Dat is echter een halve waarheid. God is natuurlijk blij als het uit het hart van de mens komt, maar men behoort Hem toch het beste te ge­ven wat men heeft. U mag uw talenten gebruiken, want God heeft ze niet voor niets gegeven. Hij legt kwaliteit in elk mens. Onder inspiratie van de Heilige Geest komt die kwaliteit beter uit de verf. De evangelist Mattheüs heeft óók zo’n prachtige compositie ge­maakt. Bij de behandeling van de structuur van Genesis wordt vaak naar de grondtekst verwezen. Hiermee bedoel ik beslist niet dat onze vertaling niet deugt. Het gaat erom, dat hetgeen uit de grondtekst naar voren komt, als een stuk verrijking moet worden beschouwd.

De genesis van Jezus Christus

«Geslachtsregister van Jezus Christus» Matt.1:1a. In de grondtekst staat voor geslachtsregister een interessante uit­druk­king: Boek van de genesis (wording) van Jezus Christus. Het geeft ons een bepaalde aanwijzing. Er ligt namelijk een parallel tussen oer­tijd en eindtijd. De Bijbel begint met een boek dat Genesis heet en het Nieuwe Tes­ta­ment begint óók met een genesis. Mattheüs bedoelt te zeggen: Het evangelie is Genesis opnieuw; de her­schep­ping is de schepping opnieuw. In Psalm 90 staat zo mooi: «Van eeuwigheid tot eeuwigheid zijt Gij God» Ps.90:2. Andere vertaling: «Van oertijd tot eindtijd zijt Gij God!» God heeft in de oertijd gewerkt en Hij gaat ook in de eind­tijd wer­ken. De eindtijd begint in wezen al met de komst van Jezus Chris­tus. Mattheüs begint met de genesis van Jezus Christus. Hij is de twee­de Adam.

Het boek van de verwekkingen

«Dit is het boek van de verwekkingen van Adam (de eerste Adam)» Gen.5:1. In het Hebreeuws:  «Dit is het boek van de verwekkingen (toledot) van Adam». Het woord toledot komt alleen in het meervoud voor. Het thema van het boek Genesis is dus: de verwekkingen van Adam. Adam kan zowel mens als mensen betekenen. Het kan dus ook een col­lec­tief zijn: het mensdom, de mensheid, mensen. Mattheüs begint met het boek van de genesis van de nieuwe mens: J­e­zus Christus. Genesis 5:1 in de Septuagint:  «Het boek van de genesis van de mensen». De Septuagint is de Griekse vertaling van het Oude Testament. Het thema van Mattheüs – de genesis van de nieuwe mens – geldt in het bij­zonder voor de eerste twee hoofdstukken, die vertellen hoe het met Jezus is begonnen. We kunnen een lijn trekken van Genesis 5:1 naar het op­schrift van Mattheüs. De eerste hoofdstukken van Genesis zijn als het ware een voor­woord.

Jezus als Koning

In Mattheüs 1:1 worden er meteen twee dingen bijverteld, waardoor wij iets over de structuur en de boodschap van Mattheüs ontdek­ken. Er staat: ‘Van Jezus Christus, de zoon van David’. De reden waarom Mattheüs David eruit haalt is, dat Mattheüs Je­zus heel speciaal als Koning gaat beschrijven. Het is een van de hoofdfacetten van het Mattheüs-Evangelie. Andere evan­gelisten hebben weer een ander accent gelegd. Mattheüs gaat in zijn evangelie ook vertellen wat een koning is. Je kunt Mattheüs alleen verstaan tegen de achtergrond van alles wat er­­aan is voorafgegaan. Alles wat Mattheüs zegt, heeft zijn wor­tels in de Te­nach, in de Schrif­ten, van Genesis tot Maleachi. Van­daar de lijn naar Da­vid en naar Abraham, als vader van alle gelovigen.

De naam Jezus Christus

Het is ook opmerkelijk, dat de naam Jezus Christus slechts twee keer in Mattheüs voorkomt: in Mattheüs 1:1 en in vers 18. Bij Paulus komt deze naam 127 keer voor. Als Mattheüs deze uitdrukking gebruikt, heeft het een bij­zondere gela­den­heid. Het heeft te maken met de Konings­titel van Jezus.

Verwekkingsverhalen

«Abraham verwekte Isaak, Isaak verwekte Jakob, Jakob verwekte Ju­­da en zijn broeders» Matt.1:2. Wij noemen het (helaas) een geslachtsregister, maar het is een ver­wek­­kings­­verhaal. In Genesis 5 komen ook 10 verwekkingsverhalen voor. In Mattheüs 1 zien we een verwekkingsverhaal naar het model van Ge­­­­ne­sis. Er is een belangrijk structuurverschil tussen Lucas en Mat­­theüs. Het verhaal is puur Hebreeuws: de vader verwekt de eerst­­ge­bo­ren zoon. Lucas vertelt het geboorteverhaal van Jezus.  Mattheüs vertelt hoe Je­zus verwekt werd. Jakob verwekte Juda. Juda was niet de oudste zoon van Jakob, maar Ju­­­da had de belofte van het koningschap. Het gaat steeds om de ko­nink­lijke lijn. Er staat iets bijzonders bij: Jakob verwekte Juda en zijn broeders. Een belangrijk punt is, dat koningschap altijd met de broe­ders te maken heeft. In Genesis 49:8 spreekt Jacob de profetische belofte uit: «Juda, u zullen uw broeders loven (of: danken)».

Juda te midden van zijn broeders

Juda betekent: dank of dankzegging. Juda staat te midden van zijn broe­­ders. Het hoogste wat Juda in zijn leven heeft gedaan is, dat hij voor zijn broeders is opgekomen. Juda werd pas écht Juda toen hij het voor Benjamin opgenomen had. Toen Benjamin gevangen moest wor­­­den genomen, zei Juda: «Neem mij maar en laat Benjamin vrijuit gaan». Het ware koningschap is altijd een koningschap te midden van de broe­­­­ders. Juda is helemaal een beeld van Jezus, die ook zei: «Neem Mij maar en laat dezen vrijuit gaan». Jezus nam het op voor de minste van zijn broeders. De volgende uit­spraak staat uitgerekend in Mattheüs. «En de Koning zal hun antwoorden en hun zeggen: Voorwaar, ik zeg u, in zo­ver­re gij dit aan één van deze mijn minste broeders hebt ge­daan, hebt gij dit aan Mij gedaan» Matt.25:40.Jezus wordt koning in de lijn van Juda. Een evan­gelist schreef niet zo­maar wat op, maar elk woord heeft zijn bedoeling. Ook Mattheüs heeft heel goed nagedacht bij wat hij schreef. Als er bij­voorbeeld staat: Ja­kob verwekte Juda en zijn broeders, is dit met voor­­bedachte rade ge­­beurd en niet in de zin van: Juda had ook nog elf broers rondlopen. «Juda verwekte Peres en Zerach bij Tamar» Matt.1:3. Er staat eigenlijk: uit Tamar. De man verwekt de zoon uit de vrouw. Zo wordt dat in het Hebreeuws gezegd. Het is ook zo bij de Vrouw in Openbaring 12. God verwekt zonen uit de Vrouw: uit de Gemeente. Het is van belang dat wij de bijbelse taal verstaan en aanleren, want dat hangt sa­men met de manier waarop God zijn gedachten open­baart. Taal is een van de uniekste gaven van God. Daarom moeten wij nooit slordig wor­den met de taal, want dan krijg je kreten. Devaluatie van de taal is een probleem van deze tijd. Woorden heb­ben niet veel betekenis meer. Ook bij de moderne bijbelvertalingen wordt vaak ge­dacht: Ach, het komt er niet zo precies op aan wat er staat. Op deze manier worden de din­gen vervlakt en de kracht van God gaat er uit. Als God bijvoor­beeld spreekt van ver­wekkingen, dan bedoelt Hij níet ge­­boren worden. Het is Gods bedoeling om uit­drukking te geven aan wat Hij te zeggen heeft. In Mattheüs 1 staan drie reeksen van elk 14 geslachten. «Al de geslachten dan van Abraham tot David zijn veertien geslach­ten en van David tot de Babyloni­sche ballingschap veertien geslachten en van de Babylonische ballingschap tot de Christus veertien geslachten (3x 14 ge­slach­ten)» Matt.1:17

Een periode vóór en een periode ná.

Een typische manier van denken vanuit Genesis is, dat de geschie­de­nis wordt ingedeeld in een periode vóór en een periode ná. In Genesis 5 zien wij, dat de mens vóór en ná de verwekking van de eerst­geboren zoon leefde. Noach leefde vóór en ná de vloed. Mattheüs 1 spreekt van de tijd voor en na David; de tijd voor en na de Babylonische ballingschap en als hoogtepunt van de tijd voor en van­af de Christus. Er wordt steeds een mijlpaal gezet. De Baby­lo­nische bal­lingschap was ook een diepe insnijding in de tijd. Het evan­gelie heeft helemaal de structuur van Genesis. «Isaï verwekte David, de koning» Matt.1:6. «Josia verwekte Jechonia en diens broeders ten tijde van de Baby­lo­ni­­sche ballingschap» Matt.1:11. Door middel van een extra aanduiding gaat Mattheüs een accent leg­­gen. Hij pakt in 17 verzen de hele geschiedenis in één greep te­za­men. «Jakob verwekte Jozef, de man van Maria, uit wie Jezus geboren is, die Christus genoemd wordt» Matt.1:16. Jammer genoeg heeft men hier ver­taald met geboren worden, maar er staat verwekken. Er moet staan:  «Maria, uit wie Jezus verwekt werd». Er werd verwekt uit Tamar (v.3) uit Ruth (v.5); uit de vrouw van Uria (v.6); en als hoogtepunt wordt er verwekt uit Maria. Het is opvallend dat bij alle voorbeelden de actieve vorm wordt ge­bruikt. Bij Maria ech­ter wordt de passieve vorm gebruikt. Er kon niet staan: Jozef, die Je­zus verwekte. Jozef heeft Jezus niet ver­wekt. God heeft Jezus verwekt. Als God iets doet, wordt vaak de passieve vorm gebruikt. Jezus werd door God, de Vader, uit Maria verwekt.

Verwekt en opgewekt

Er is nog een belangrijke reden waarom men vertalen moet dat Je­zus ver­­wekt werd. Mattheüs legt veel verband tussen het begin van zijn Evan­gelie en het eind ervan. Dat is een van de unieke aspecten van zijn com­positie. Wij moeten gaan proeven hoe prachtig alles is opge­bouwd. Je gaat op deze manier ook ontdekken hoe uniek God in zijn opbouw te werk gaat. Als God iets opbouwt, bouwt Hij voor het leven. God rom­melt niet maar wat aan. We kunnen een heleboel bogen spannen van het begin van Mat­the­us naar het eind van Mattheüs. In Mattheüs 1:16 lezen we, dat Jezus werd verwekt. In Mattheüs 28:7 staat, dat Hij opgewekt is. Het begin en het eind haken op elkaar in. Jezus werd door God ver­wekt en Hij werd door God uit de doden opgewekt. Daarom kan in Mattheüs 1 ook niet gezegd worden dat Jezus ge­bo­ren is, want dan gaat het verband tussen het begin en het eind ver­loren. Een belang­rijk punt is, dat men de Bijbel moet hóren. Als God een woord uitspreekt, heeft dat een bij­zondere geladenheid. De Bij­bel is oorspron­ke­lijk be­doeld om gehóórd te worden.

De structuur van Mattheüs in grote lijnen

Mattheüs 1 en 2                    

De opening van het evangelie. De genesis (wording) van  Jezus.

Mattheüs 3:1 – Mattheüs 16:20     

Het eerste hoofddeel. Dit gaat over de weg van Jezus door Israël en Galilea.   

Mattheüs 16:21 – Mattheüs 25:46  

Het tweede hoofddeel. Dit gaat over de gang van Jezus naar Jeruzalem.

Mattheüs 26 – 28                   

Het lijden en de opstanding van Jezus Christus

Jezus die Christus genoemd wordt

Het eerste hoofddeel eindigt met de belijdenis van Petrus:  «Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God!» De hoofdstukken 3 tot 16 leiden tot deze uitspraak. In hoofdstuk 1:1 en hoofdstuk 18 wordt de naam Jezus Christus ge­noemd. In de slotperikoop (16:13-20) komt uitdrukkelijk aan de or­de wat de naam Jezus inhoudt. De titel van Jezus is nu geprocla­meerd. Er is nu een hoog­tepunt bereikt. Het móest geproclameerd wor­den, want de uit­spraak heeft een bijzon­der strategische beteke­nis. De uitdrukking: «Jezus die Christus genoemd wordt», komt driemaal in Mattheüs voor: In Mattheüs 1:16 en in 27:17 en 11, als Jezus voor Pi­la­tus staat. Er staat eigenlijk:  «Jezus, die Christus wordt gezegd». Dat betekent, dat het uitgesproken wordt. Iets wat over Jezus uitge­spro­ken wordt, heeft een geestelijke waarde. Het is uitgerekend Pila­tus, die dit twee­maal uit­spreekt en hiermee moet erkennen, dat hij met een gezalfde te ma­ken heeft. Petrus is degene, die uitspreekt: «Gij zijt de Christus». Van Simon wordt tweemaal gezegd: «die Petrus genoemd wordt!». Dat staat in Mattheüs 4:18, bij de roeping van de eerste disci­pelen en in hoofdstuk 10:2, bij de uitzending van de apostelen. Petrus zegt: «Gij zijt de Christus». Jezus zegt: «Gij zijt Petrus». Het is woord en wederwoord; een prachtig stuk compositie.

De genesis van Jezus geschiedde aldus

«De genesis van Jezus geschiedde aldus».   Matt.1:18a Het is meer dan alleen maar een geboorte, want de geboorte is slechts een stukje van de genesis. «Terwijl zijn moeder Maria ondertrouwd was met Jozef, bleek zij voor­dat zij gingen samenwonen, zwanger te zijn uit de Heilige Geest» M­att.1:18b. Letterlijk: «Voordat zij samenkwamen, werd zij bevonden zwanger te zijn uit de Heilige Geest». In de eerste twee hoofdstukken gaat Mattheüs vertellen vanuit het mo­­­del van Exodus. Ook Genesis klinkt erin door. De naam Maria is de Griekse vorm van Mirjam. Mirjam bete­kent waar­schijn­lijk: ‘geliefd door….’.  Uiteindelijk kan men zeggen: geliefd door God.  Maria heeft haar naam vanuit Exodus.

Mirjam en Mozes

Mirjam speelt een belangrijke rol rondom de wording van Mozes. Maria speelt een rol rondom de wording van de nieuwe Mozes: Jezus Chris­tus. Mozes is een unieke figuur. Zijn naam betekent: hij die uit het water trekt. Mozes heeft een volk uit het water getrokken. Jezus Christus, de nieuwe Mozes, trekt ook een volk uit het water. Je­zus is de nieuwe uittrekker. Hij trekt een volk uit de zee, uit de diep­te, uit de vloed. Mozes moest als kind eerst zelf door het water heen. En ook Jezus moest door de doodswateren heen.

De rol van Jozef

Jozef hangt er maar niet zo’n beetje bij. Mattheüs legt de nadruk op Jozef, want Mattheüs vertelt de lijn van de ver­­wek­kingen. De evan­ge­­list Lucas legt de nadruk op Maria. Hij ver­telt de geboorte. «Daar nu Jozef, haar man rechtschapen was» Matt.1:19a. Voor rechtschapen staat een grondwoord, dat altijd ver­taald wordt met rechtvaardig: tsaddiq. Jozef was een rechtvaardig man. Dat gaat die­per dan ‘een rechtschapen man’. Bij rechtscha­pen denkt men eerder aan een brave borst of zoiets. In de Bijbel komen we telkens figuren tegen, waarvan gezegd wordt, dat ze tsaddiq zijn. In de Bijbel is een recht­vaardige iemand, die zijn verantwoordelijkheid op zich neemt. Het is een mens, die iets be­te­kent en op een of andere manier zijn plaats in de geschiedenis waar­­maakt. Het gaat om wat hij doet en in elk geval om wat hij is. Wat u bent en wat u doet hangt met elkaar samen. In de Bijbel is dat één geheel. Een tsaddiq laat een spoor na, net zoals God sporen na­laat. Jozef is een tsaddiq, een mens, die zijn plaats in de geschie­de­nis in­neemt. «En haar niet in opspraak wilde brengen, was hij van zins in stil­te van haar te scheiden» Matt.1:19b. Het samenkomen in vers 18 wijst op de gemeenschap tussen man en vrouw. De nadruk valt in vers 19 op ‘in stilte’. Hier is een stuk problematiek aan de orde. Jozef wist nog van niets en de wetten waren streng. Hij wilde Maria niet in het openbaar aan­­kla­gen, maar in stilte van haar scheiden. In Matt.2:7 komt het grondwoord in stilte ook voor.  «Toen riep Herodes de wijzen in het geheim (in stilte)». Herodes wilde in stilte de wijzen raadplegen. In beide gevallen heeft God ingegrepen. Zowel Jozef als de wijzen uit het Oosten kregen een droom. Het gebeurde, omdat God niet wilde, dat het in stilte gebeuren zou. God wilde dat het openlijk, voor de ogen van al het volk zou plaatsvinden. Het lag niet in Gods bedoe­ling dat Jezus in stilte zou worden verwekt. Hij wilde ook niet dat Je­zus in stil­te door Herodes zou worden vermoord. De evangelist Mattheüs vertelt een verwekkingsverhaal en de evan­ge­list Lu­cas een geboorteverhaal.

Lezen is herkennen

Het verwekkingsverhaal van Jezus staat in Mattheüs 1:18-25. Wij moeten elk verhaal in zijn eigen waarde en zelfstandig­heid leren ho­ren. Als we de Bijbel lezen, komt het er op aan dat wij iets gaan her­­kennen. We gaan onszelf herkennen en we gaan het wezen van God herkennen\. Het Griekse woord voor lezen is herkennen. Het Hebreeuwse woord voor voorlezen is roepen, proclameren. Wij zijn bezig met het uitroepen van datgene wat waar is. Als wij iets gaan uitroepen, klinkt het tot in de hemelse gewesten door.

Jozef, een tsaddiq

«Daar nu Jozef, haar man, rechtschapen was» Matt.1:19a. Er staat: rechtvaardig = tsaddiq. Dat woord komt 16 keer in Mattheüs voor. Een tsaddiq is iemand die zijn hele leven in overeenstem­ming met de To­rah, de onderwijzing van God, wil brengen. Hij geeft hiermee te ken­nen, dat hij een navolger van God wil worden en de wegen wil gaan, die God gaat. Het woord tsaddiq speelt in Mattheüs zo’n cen­tra­le rol, dat het reeds in het begin genoemd moest worden. Mattheüs geeft in de eerste hoofdstukken al een samenvat­ting van het hele evangelie. «En haar niet in opspraak wilde brengen, was hij van zins in stilte van haar te scheiden».   Matt.1:19b Letterlijk: «haar heimelijk weg te zenden». Het motief van het wegzenden is in Mattheüs een belangrijk thema en komt in het be­gin al aan de orde. «Maria werd bevonden zwanger te zijn uit de Heilige Geest, voor­dat zij samenkwamen». Matt.1:18b  (letterlijk) Jozef heeft bevonden, dat Maria zwanger was uit de Heilige Geest. Hij heeft gedacht: Als God Maria voor zijn bedoe­lingen wil nemen, om de­ze ten uitvoer te brengen, dan blijft er voor mij maar één weg open: Ik moet Maria aan God teruggeven. Jozef wilde Maria heimelijk wegzenden, omdat hij haar niet in op­spraak wilde brengen. Hij wilde voorkomen, dat er over haar ge­rod­deld zou worden. Niemand zou trouwens iets be­grijpen van een ver­wek­­king uit de Heilige Geest. De evangelist Mattheüs vermeldt niet op wel­ke wijze Jozef erachter gekomen is, dat Maria zwanger was uit de Hei­lige Geest. Ik denk, dat de Geest zelf het aan Jozef heeft ge­open­baard. Het enige wat als argument kan worden aangevoerd is, dat in Lucas staat, dat Maria bezoek van een engel kreeg, die haar toen de ge­boorte heeft aangekondigd. Zij zal dit ongetwij­feld aan Jozef hebben verteld. Jozef heeft geproefd, dat deze verwekking uit de Heilige Geest moest zijn. De grootheid van Jozef, als mens, blijkt uit het feit, dat hij:

1. Eerbied heeft voor het werk van God.

2. Eerbied heeft voor Maria, als vrouw.

Wegzenden

Enkele teksten waarin het woord wegzenden voorkomt:

Uit de Bergrede:

«Er is ook gezegd: Al wie zijn vrouw wegzendt, … om een andere reden dan ontucht, maakt, dat er echtbreuk met haar gepleegd wordt en al wie een weggezondene trouwt, pleegt echtbreuk».  Matt.5:31 en 32. Jezus stelt als één van de grondregels van het Koninkrijk Gods, dat een man zijn vrouw niet behoort weg te zenden, behalve als er spra­ke van ontucht is. «En er kwamen Farizeeën tot Hem om Hem te verzoeken en zij zei­den: Is het geoorloofd om zijn vrouw weg te zen­den om allerlei redenen?» M­att.19:3. ‘Om allerlei redenen’ is een nogal vage uitdrukking. «Jezus antwoordt: Hebt gij niet gelezen».   Matt.19:4aJezus doet een beroep op de Torah. Hier staat het woord herkennen. Je­zus bedoelt: hebben jullie het niet herkend, toen jullie het lazen? We kunnen een bepaalde tekst vele keren lezen. Het gaat erom, dat we ook herkennen wat wij lezen. Jezus zegt: «Mijn schapen horen mijn stem!»  De schapen kennen de stem van de Herder. «Dat de Schepper hen van den beginne als man en vrouw ge­maakt heeft?» Matt.19:4b. Jezus citeert hier Genesis 1. In vers 5 wordt Genesis 2 geciteerd: «Daarom zal een man zijn vader en moeder verlaten en zijn vrouw aan­­han­­gen en die twee zullen tot één vlees zijn» Matt.19:5. «Waarom heeft Mozes dan bevolen een scheidbrief te geven en haar daar­­mede weg te zenden?» Matt.19:7. «Hij (Jezus) zeide tot hen: Mozes heeft u met het oog op de hard­heid uwer harten toegestaan uw vrouw weg te zenden, maar van den begin­ne is het niet zo geweest» Matt.19:8. Wegzenden is een teken van de hardheid van hart! Jezus haakt steeds terug op van den beginne. Het Boek Genesis heet: ‘Het Boek In den Beginne’. Je kunt zeggen: In Ge­ne­sis is het niet zo geweest. We moeten steeds op Genesis te­rug­grij­pen. Jezus deed dat ook! «Doch Ik zeg u: Wie zijn vrouw wegzendt om andere reden dan hoe­rerij en een andere trouwt, pleegt echtbreuk» Matt.19:9. Wegzenden wordt ook in een ander verband genoemd. Mattheüs gaat er als het ware een ander thema mee verbinden, wat er wezenlijk mee te ma­ken heeft. «Bij het vallen van de avond kwamen de discipelen bij Hem en zei­den: De plaats hier is eenzaam en de tijd is reeds verstreken». M­att.14:15 Letterlijk: «Het uur is al voorbijgegaan». «Zend dan de scharen weg, dan kunnen zij naar de dorpen gaan om spij­­­­zen voor zich te kopen». De discipelen adviseren Jezus om de scharen weg te zenden. Het is ei­gen­lijk hetzelfde wat Jozef wilde doen: Maria wegzenden. «Jezus antwoordt: Zij behoeven niet weg te gaan, geeft gij hun te eten» M­att.14:16. Jozef mocht Maria ook niet wegzenden; de man mag zijn vrouw niet weg­zenden. De discipelen mogen de scharen niet wegzenden. In we­zen zijn de scharen met Jezus verbonden zoals de vrouw met de man. De mensen gaan de vrouw van Jezus vormen. De scharen ver­te­­gen­woor­di­gen het volk van God. God zendt zijn volk niet weg, want Hij wil niet dat er echtbreuk met haar gepleegd wordt. (zie Bergrede!) God houdt Zich­zelf aan dat grondprincipe! Het evangelie van Mattheüs is schitterend gestructu­reerd. Veel the­ma’s uit het begin van Mattheüs ko­men aan het eind weer terug. Mattheüs 1,2 en 27,28 vormen een omlijsting, een raamwerk. In het begin van Mattheüs gaat het over het wegzenden en ook in Mat­the­üs 27:15 «.Nu was de stadhouder bij elk feest gewoon een gevangene, ter keu­ze van de schare, los te laten» Er staat: «Weg te zenden!». «Pilatus zeide tot hen: Wie wilt gij, dat ik u zal loslaten, Barabbas of Je­zus, die Christus genoemd wordt?» Matt.27:17 (loslaten = wegzenden) In Mattheüs 27:21 wordt de vraag herhaald. «De stadhouder antwoordde en zeide tot hen: Wie van de twee wilt gij, dat ik u loslaat (wegzend)? Zij zeiden: Barabbas!» Matt.27:21. Een uitgangspunt bij vertalen moet zijn: als er in de grondtekst ver­ban­den lig­gen tussen bepaalde teksten, omdat daar hetzelf­de grond­woord ge­bruikt wordt en je bent je bewust dat het evangelie van Mat­theüs één ge­heel is, dan moet je deze verbanden bij de vertaling ook uit laten ko­men. De verta­lers van het NBG hebben dit verband blijk­baar niet ge­voeld. Zij hebben gedacht: Een gevangene laat je los. Het grondwoord kan ook loslaten betekenen. Ik zeg dus niet dat de me­­thode van het NBG verkeerd is. Maar nu komt het punt aan de or­de wie er moet worden weg­gezonden, Barabbas of Jezus. Barabbas wordt weggezonden. Jezus wordt niet weggezonden, want Hij moet de weg gaan, terwille van zijn Vrouw. Jezus zendt zijn vrouw niet weg en wordt ook zelf niet weg­gezonden. Jezus moet de weg van gehoorzaamheid, de weg van gerech­tigheid, tot het einde toe gaan. Wij zien dus, dat het thema uit Mattheüs 1 in het slot van Mattheüs terugkomt.

Het hele volk als getuige

In Mattheüs 1:19 staat dat Jozef Maria in stilte, heimelijk wilde weg­zen­­den. Koning Herodes wilde heimelijk te weten komen waar Jezus ge­bo­ren was. Het was niet de bedoeling dat dit heimelijk gebeuren zou; het was ook niet de bedoeling dat Jezus heimelijk gedood zou worden. Jezus moest voor het oog van het hele volk terechtgesteld worden. Een van de kernpunten in Mattheüs is, dat het hele volk erbij betrok­ken is. «En al het volk antwoordde en zeide: …Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen!»   Matt.27:25. Niet heimelijk, maar met het hele volk als getuige, wordt Jezus naar het kruis geleid. Deze tekst wordt heel vaak verkeerd uitgelegd. Ik ge­loof, dat wij ook deze tekst in het verband moeten verstaan. De sleutel is: Over wèlk bloed gaat het in deze tekst? Het gaat over het bloed, dat genoemd wordt als Jezus het avond­maal in­stelt. Hij zegt in Mattheüs 26: «Want dit is het bloed van mijn verbond, dat voor ve­len vergoten wordt tot vergeving van zonden» Matt.26:28.

Het bloed der verzoening

Jezus had maar één soort bloed: het bloed der verzoening! Jezus heeft geen bloed, dat om wraak roept. De mensen hebben in Mattheüs 27:25 iets uitgesproken, waarvan zij de draag­wijdte niet hebben gekend. Zonder het te weten hebben zij om de verzoening geroepen. De Joden heb­ben profetisch geroe­pen. Ook Ka­jafas besefte niet, dat hij profe­teer­de, toen hij uitsprak: «Gij beseft niet, dat het in uw belang is, dat één mens sterft voor het volk en niet het gehele volk verloren gaat» Joh.11:50. Daarom mag deze tekst: ‘Zijn bloed kome over ons en onze kinderen’ nooit ge­bruikt worden om aan te tonen, dat de Joden daar alle oor­logs­el­lende aan te danken hebben, omdat zij dat over zich hebben ín­ge­roe­pen. Dat is misbruik maken van een tekst en het is godde­loos.

 Zie

«Toen die overweging bij hem (Jozef) opkwam, zie» Matt.1:20a. Het woord zie speelt in Mattheüs een belangrijke rol. Het woord komt in Mattheüs 1:23 terug. «Zie, een engel des HEREN verscheen hem in de droom» Matt.1:20b. De engel des HEREN komt aan het eind van Mattheüs terug, om aan de vrou­wen te vertellen, dat Jezus is opgestaan. Jozef krijgt drie­maal be­zoek van de engel des HEREN, namelijk in Matt.1:20 en in 2:13,19. Het menselijk handelen van Jozef wordt dienstbaar aan het hande­len van God. In Mattheüs 1 vertelt de engel des HEREN, dat de verwekking van Jezus uit de hemel is. In Mattheüs 28 vertelt de engel, dat de opstanding van Jezus uit de he­mel is. In beide gevallen gaat het om de bekrachtiging vanuit de hemel van wat er rondom Jezus is geschied.

In de droom

Het woord droom komt vijfmaal aan het begin van Mattheüs voor en één maal aan het eind. Mattheüs 1:20; 2:12, 13, 19, 22 en in 27:19. In het lijdensverhaal van Jezus krijgt de heidense, onbe­kende vrouw van Pilatus een droom. «Terwijl hij (Pilatus) nu op de rechterstoel zat, zond zijn vrouw hem de boodschap: Bemoei u toch niet met die rechtvaardige (tsaddiq), want ik heb heden in een droom veel om Hem geleden» Matt.27:19. Deze vrouw, waar wij zelfs de naam niet van kennen, heeft in de geest ge­zien, dat Jezus de Messias was. Zij heeft het lijden, dat Je­zus ging door­maken, aangevoeld. In het begin van Mattheüs zien wij Jozef als de tsaddiq en aan het eind Jezus als de tsaddiq. «Een engel des HEREN verscheen hem in de droom en zeide: Jozef, zoon van David»  Matt.1:20b.

Vrees niet

Jozef wordt meteen in verband met David, de koning ge­plaatst. «Schroom niet Maria uw vrouw tot u te nemen». Matt.1:20b Er staat eigenlijk: «Vrees niet!»… Ook het vrees niet komt weer aan het begin en aan het eind van Mat­theüs voor, namelijk ook in Mat­theüs 28:5. Het motiefwoord in het verdere van het verhaal is tot u nemen. De taak van Jozef is, dat hij Maria een aantal malen tot zich moet ne­men. D­aarmee doet hij wat God van hem verlangt. Het is de rol van Jozef in het verhaal van God. Het slaat niet op de geslachtsdaad, maar het huwelijk moet door­gaan, Jozef moet Maria als vrouw nemen. De geslachts­daad komt pas aan de orde als Jezus geboren is.«Want wat er in haar verwekt is, is uit de Heilige Geest» Matt.1:20b. «Zij zal een zoon baren en gij zult Hem de naam Jezus geven». M­att.1:21a. Letterlijk: «En gij zult zijn naam roepen Jezus».

Het roepen van de naam

Het is van groot belang om hier letterlijk te vertalen. In het NBG staat: de naam van Jezus en in de grondtekst staat: zijn naam. Wát houdt zijn naam in? Als in de bijbel een naam geroepen wordt, is dit vaak pro­fetisch. De naam wordt vanuit de hemel vastgesteld. De vader neemt het kind in de armen en roept de naam uit over het kind. Zonder de naam is de geboorte niet af. Het roepen van de naam vol­tooit de wording van een wezen. Daarom moet ook de wording (gene­sis) van Jezus voltooid worden met het roepen van zijn naam. Het is de naam, die bij Hem hoort, de naam, die Hem past en die Hij met ere dragen zal. Alleen omdat een wezen een naam heeft, kunnen andere wezens hem gedenken. Gedenken is één van de belangrijkste dingen, die in de Bij­bel worden verricht. Gedenken is niet hetzelfde als herdenken. Er wordt meteen bijverteld wat Zijn naam inhoudt: «Want Hij is het, die zijn volk zal redden van hun zonden» Matt.1:21b. Er staat eigenlijk: «bevrijden van hun zonden» Bevrijden hangt samen met de naam Jezus: Jeshua. Werkwoord: Jasja.

Opdat vervuld zou worden

«Dit alles is geschied, opdat vervuld zou worden hetgeen de HERE door de profeet gesproken heeft» Matt.1:22. Een speciaal kenmerk van Mattheüs is, dat hij twaalf vervullings­ci­ta­ten geeft. Twaalf keer wordt gezegd:  «Het woord van de profeten is vervuld». Met deze twaalf vervullingscitaten wil Mattheüs heel dui­delijk laten zien, dat Jezus de vervulling is van de Tenach, de Schriften. Mattheüs 1:22 is de eerste vervullingstekst en heeft betrekking op de geboorte. Er zijn 9 teksten, die allemaal betrekking hebben op de verschij­ning, het spreken en het handelen van Jezus. Zij worden allen inge­leid met «opdat vervuld zou worden». Verder zijn er nog twee citaten, die een iets ander karak­ter hebben en wor­den ingeleid met: «Toen werd vervuld». Wij vinden deze twee cita­ten in Mattheüs 2:17,18 en in 27:9. Ook weer aan het begin en aan het eind van Mattheüs. Beide teksten beginnen met:  «Toen werd ver­vuld hetgeen gesproken is door de profeet Jeremia». Deze teksten heb­ben betrekking op het handelen van Hero­des bij de kin­dermoord van Beth­lehem en op het handelen van Judas ten op­zich­­te van Jezus: de moord op Jezus. Ook hier gebeurt het één aan het begin van Mattheüs en het ander aan het eind daarvan. Mattheüs is de enige schrijver in het Nieuwe Testament, die uit­druk­­ke­­lijk de pro­feet Jeremia noemt. Jeremia is speciaal de profeet van de bal­ling­schap en het lijden. Daarom is het ook heel sprekend, dat deze twee tek­sten met Jeremia verbon­den worden.

Zijn naam roepen Immanuël

«Zie, de maagd zal zwanger worden en een zoon baren, (J­es.7:14) en men zal Hem de naam Immanuël geven». Matt.1:23. Letterlijk: «En zij zullen zijn naam roepen Immanuël». In Mattheüs 1 staat:  «Gij (Jozef) zult Zijn naam roepen Jezus».   Matt.1:21 Jozef begint met het roepen van de naam Jezus: Bevrijder. De uitwerking hiervan is, dat zij, de volken, zijn naam zullen roe­pen: I­m­­ma­­nuël. Het begint in het ene volk en heeft zijn weerslag op de volkeren. De vol­­ke­ren zullen gaan roepen Immanuël, God met ons, als die bevrij­ding in dat ene volk gestalte krijgt. «De naam Immanuël geven, hetgeen betekent: God met ons».  M­att.1:23b Er staat: «Met ons is God».

Jozef vervult zijn opdracht

«Toen Jozef uit zijn slaap ontwaakt was». Matt.1:24a Letterlijk: «Hij werd uit zijn slaap gewekt». Hier wordt hetzelfde woord gebruikt als bij Jezus, die uit de doden werd opgewekt. «En hij deed zoals de engel des HEREN hem bevolen had».  Matt.1:24 Hiermee vervult Jozef de wil van God en wordt een ware recht­vaar­di­ge. Zijn éigen wil was: Maria wegzenden.  Góds wil was: Maria tot je ne­men. «En hij nam zijn vrouw tot zich» Matt.1:24. «En hij had geen gemeenschap met haar voordat zij een zoon ge­baard had».  Matt.1:25 Letterlijk: «En hij bekende haar niet totdat zij een zoon gebaard had». (­grondwoord kennen) Jozef moest zijn hele opdracht vervullen. Zijn eerste opdracht was: «Neem Maria tot je!» Zijn tweede opdracht was: «Roep die naam!» Daarom eindigt het in vers 25 met: «En hij riep zijn naam Jezus». Daarmee is de genesis van Jezus, de wording van zijn wezen, vol­tooid.

Mattheüs 2

De wijzen uit het oosten

«Toen nu Jezus geboren was te Bethlehem in Judea» Matt.2:1a. Grondtekst: «Toen nu Jezus verwekt was». Het gaat bij Mattheüs immers om een verwekkingsverhaal. «In de dagen van koning Herodes» Matt.2:1. In de Bijbel wordt altijd gesproken over tijd en plaats. ‘Te Bethlehem in Judea’: plaatsaanduiding. ‘In de dagen van koning Herodes’: de tijdsaanduiding. Grondtekst: «In de dagen van Herodes, de kóning». Het accent valt op koning. De vraag is nu of Herodes de wáre koning is. Welk koningschap is het wáre Koningschap? We zien hier de con­trast­werking. «Zie,wijzen uit het oosten kwamen te Jeruzalem» Matt.2:1. «En vroegen: waar is de Koning der Joden, die geboren is?». M­att.2:2a. Grondtekst: «Waar is de geboren Koning der Joden? (der Judeërs)». Joden en Judeërs is in de grondtekst hetzelfde begrip! «Want wij hebben zijn ster in het oosten gezien»  Matt.2:2b. Grondtekst: «Wij hebben zijn ster in de opgang gezien». De ster was kennelijk aan het opgaan. «En wij zijn gekomen om Hem hulde te bewijzen». Matt.2:2b. Grondtekst: «Om Hem te aanbidden». Hulde bewijzen doen we bij allerlei gelegenheden, maar aanbidden gaat veel dieper. Hulde bewijzen dient in Mattheüs altijd met aanbid­den ver­taald te wor­den. We moeten deze lijn aanhouden vanaf de wijzen uit het oosten tot na de opstanding van Jezus. De wijzen, de magiërs (magoj). We moeten aan het woord magiër niet al te zwaar tillen, want alles wat uit het oosten kwam, was met de magie ver­want.

Vergelijk in dit verband:

astronomie – sterrenkunde (puur wetenschappelijk)

astrologie – leer van de sterren, in de zin van sterren­wichelarij.

Bij ons zijn dat verschillende zaken, maar vroeger liep dat door el­kaar heen. Hoe kón het ook anders in de heidenwereld. De drie ma­gi­ërs wa­­­ren de wetenschappers van die tijd. Zij waren het hoogste, dat de hei­denwereld kon voortbrengen, zoiets als de waarzeggers aan het hof van de koning, in het boek Daniël. Deze magiërs komen als verte­gen­woor­digers van de heidenwereld. Zij ko­men namens de heidenwereld aan­bidden.

De Koning der Joden

Ze vragen: «Waar is de geboren Koning der Joden?» Aan het eind van Mattheüs vraagt de heidense Pilatus:  «Zijt Gij de Koning der Joden?»   Matt.27:11. En in dan wordt boven het hoofd van Jezus de beschul­diging aan­­ge­bracht: «Dit is Jezus, de Koning der Joden» Matt.27:37. Juist als Koning der Joden is Jezus Heer over de heidenen. Juist in de con­centratie op één volk, komen de heidenen in het gezichtsveld. Juist het particularisme houdt het universalisme in. Vergelijk daarmee Abraham: «In u zullen alle geslachten der aarde geze­gend worden» Gen.22:18.

Herodes roept de wijzen

«Toen koning Herodes hiervan hoorde, ont­stelde hij en geheel Jeru­za­­lem met hem»  Matt.2:3. Heel Jeruzalem stelde zich aan de kant van Herodes.

«En hij liet al de overpriesters en schriftgeleerden van het volk ver­ga­deren en trachtte van hen te verne­men, waar de Christus verwekt (niet: geboren) zou worden. Zij zeiden tot hem: Te Bethlehem in Judea, want al­dus staat geschreven door de profeet:

«En gij, Bethlehem, land van Juda, zijt geenszins de minste onder de lei­­­ders van Juda, want uit u zal een leidsman voortkomen, die mijn volk Israël weiden zal».

«Toen riep Herodes de wijzen in het geheim (heimelijk) en deed bij hen nauw­keu­rig navraag naar de tijd, dat de ster geschenen had. En hij liet hen naar Bethlehem gaan en zeide: Gaat en doet nauwkeurig onder­zoek naar dat kind; en zodra gij het vindt, bericht het mij, opdat ook ik hem hul­de ga bewijzen (lees: aanbidden!)» Matt.2:4-8. Herodes wilde nauwkeurig de tijd en de plaats te weten komen om op tijd ter plaatse te kunnen zijn, om te aanbidden, met een onop­rech­te be­doeling. «Zij hoorden de koning aan en reisden weg; en zie,(!) de ster, die zij had­den gezien in het Oosten, ging hun voor, totdat zij kwam en stond bo­ven de plaats waar het kind was» Matt.2:9 De ster komt uit de Torah, de onderwijzing van God. «Een ster gaat op in Jacob».  Num.24:17 De ster is de vervulling van Numeri 24. Bileam, die de ster heeft ge­zien, was ook een heidense waarzegger, een magiër. «Want er bestaat geen bezwering tegen Jakob, noch waar­zeg­gerij te­gen Israël» Num.23:23.Bileam wordt profeet en ziet de ster profetisch. De wijzen uit het Oos­ten zien de ster opnieuw. Bileam moet tegen wil en dank Israël ze­ge­nen en wordt daardoor tot een profeet. «Dan zal Edom een veroverd gebied wezen» Num.24:18a. Het is opmerkelijk, dat Herodes een Edomiet is. Door de ster uit Ja­kob wordt Herodes ‘veroverd gebied’. Als de ster in Jakob opgaat, wordt tegen Herodes gericht uitgeoefend. De ster uit Jakob is het ge­­richt tegen Edom. Herodes was niet de recht­matige koning van Is­raël. Herodes heeft geconcludeerd: ‘Een koning? Daar gaat mijn troon!’ Vandaar de strijd tegen Jezus. Het heil is voor Israël: «Volk Israël».   Matt.1:21 De volken zullen gaan roepen: «Immanuël: met ons is God!» Het opgaan van de ster uit Jakob is een doorkruising van het den­ken van die tijd, de tijd van de astrologie.  God doorkruiste de sterren­he­mel.

En zij aanbaden Hem

«Toen zij de ster zagen, verheugden zij zich met zeer grote vreug­de». M­att.2:10
Matt.28:8 «Grote blijdschap» is er bij de vrouwen bij de op­standing van Je­zus. Ook hier zijn begin en eind weer hetzelfde. Bij Mattheüs is er steeds grote vreugde over wat God doet.  (zie ook Mattheüs 13:44). «En zij gingen het huis binnen en zagen het kind met Maria, zijn moe­der, en zij vielen neder en bewezen hem hulde» Matt.2:11a. Ook hier weer: zij aanbaden hem. Hier komt duidelijk naar voren, dat een mens pas aanbid­den kan, als hij bekeerd is. Iemand, die beze­ten is kan niet aanbid­den. Mattheüs is hier zeer nauwkeurig in. Bij de ma­­giërs heeft dus een be­kering plaatsgevonden, want zij komen met grote vreugde. «En zij ontsloten hun kostbaarheden en boden hem ge­schen­ken aan: goud en wierook en mirre» Matt.2:11b. Hierin ligt een diepe betekenis. (zie ook Psalm 72:10,11,15). Het gaat hier over de waarachtige Koning, de Koning der gerechtig­heid. In Mattheüs gaat het over de rechtvaar­dige Koning. Psalm 72 is de wezen­lij­ke ach­tergrond van Mattheüs. De heidenen komen Hem die hulde brengen. Zij handelen in over­een­stem­ming met de Schriften. Mirre komt ook nog eens aan het eind van Mattheüs voor. (Matt.26:7). Een vrouw zalft Jezus met mirre uit een al­bas­ten kruik. Mattheüs 26:12 zegt, dat zij dit deed ter voorbereiding van de begra­fenis. Wij zien hier de verbinding van verwekking naar lij­den en ster­ven.

In de droom gewaarschuwd

«En van Godswege in de droom gewaarschuwd om niet tot Hero­des te­rug te keren, trokken zij langs een andere weg naar hun land te­rug» M­att.2:12. De parallel: Jozef krijgt een droom en de wijzen krijgen een droom. De wijzen ontvangen de waarschuwing, om niet naar Herodes terug te keren. Voor: «Zij trokken langs een andere weg naar hun land te­rug»  staat weer het grondwoord uitwijken.

Uitwijken

Uitwijken is een motiefwoord, dat door de eerste 16 hoofdstukken van Mat­­theüs heenloopt. Het heeft heel wezenlijk met de voortgang van het evan­gelie te maken. Het lijkt of er steeds verder wordt uitge­we­ken. Wij den­ken dan, dat er terrein moet worden prijsgegeven. H­et tegen­deel is echter waar. Een van de thema’s in Mattheüs is: Hoe meer er wordt uitgeweken, des te meer het evangelie zich baan­breekt. Het is de weg waarlangs het Koninkrijk Gods gaat komen. «Toen zij weggetrokken (uitgeweken) waren, zie,…!»  Matt.2:13a. Het blijkt, dat het werk van de tegenstander door een god­delijk zie wordt doorkruist.

De volledige studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds 

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

410642 bezoekers sinds 07-06-2010