Het evangelie naar Marcus

14-06-2010 door Dr. K.D. Goverts

De Evangelisten waren componisten

Als we er op letten hoe Marcus zijn verhaal vertelt, zien we, dat elke evangelist zijn evangelie weer op zijn ei­­gen manier vertelt. Ze ver­tel­len geen àndere dingen, maar ze vertellen de din­­­gen anders, zoals ook een lied op verschil­lende melodieën kan wor­den­­ gezongen.­ Je zou je kunnen afvragen: wat voor partituur had­den­ de evange­­lis­ten dan om een evan­gelie te kunnen componeren? In ieder geval hadden de evangelisten de Tenach voor ogen, dat is wat in­­ de regel – ten onrechte – het Oude Testament wordt genoemd. Bij ons­­ is dat Ge­nesis tot en met Maleachi. Bij de Joden is de volg­orde an­ders en is­­ Kro­nie­ken het laatste boek. De evangelisten zijn aan de hand van de Tenach gaan vertellen over  Jezus. “Aan de hand van Mozes”, zou je ook kunnen zeggen. In feite heeft Jezus heel zijn weg afgelegd aan de hand van Mozes, met­ Mo­zes als leidraad, als pro­gram. Marcus begint zijn evangelie met een proloog. Als iemand een boek schrijft, is het laatste wat hij schrijft: het­ woord voor­af. Het woord vooraf dient meestal als een soort terug­blik.­­ Het woord voor­af is de deur waardoor men het boek bin­nen­komt.­ De­­ pro­­­loog van Marcus omvat de verzen 1-15. In die eerste 15 verzen­­­ zegt hij, wat hij wil gaan ver­tellen. Deze 15 verzen vor­men­­ dus­­ de sleutel tot het boek Marcus. Het NBG wijkt af, daar valt de schei­­ding na vers 13, terwijl deze moet vallen na v.15. 

Begin van het Evangelie

«Begin van het Evangelie van Jezus Christus» Marc.1:1. Merkwaardig om te beginnen met: begin van het Evangelie. Dat lijkt het­ in­trap­pen van een open deur. Maar deze woorden hebben een meer­­waarde. In het Grieks is begin archè, in het Hebreeuws resjit. Mar­cus en al die andere schrijvers van het NT schreven in het Grieks,­ maar dachten in het Hebreeuws. Ze schreven “doorschijnend Grieks”.­ Het He­breeuws was er doorhéén te zien. Het is een soort pa­lim­p­sest.­ Dat is een rol, die na ver­wij­dering van het oude schrift, op­nieuw­ wordt­ gebruikt. Het woord resjit heeft een dubbele betekenis: het kan betekenen: be­gin­,­ maar ook beginsel. Dat woord hangt samen met het woord rosj, wat hoofd betekent. Het hoofd heeft de leiding, het zou ‘kopstuk’ ge­noemd kunnen wor­den.­ W. Barnard spreekt in verband met Genesis van ‘van hoofde af aan’. In de mu­ziek­­­ spreekt men van da capo. Wat is dus het beginsel van het evangelie: evangelie be­te­kent: vreug­­de­boodschap. Dus er staat: het beginsel van de vreugdebood­schap van Je­zus Mes­sias. Die eerste regel bij Marcus is dus puur He­­breeuws. Daar­ is ‘geen woord Grieks bij’. Wat is nu het grondbeginsel van het Evangelie? In de oorspronkelijke tekst stond niet keurig een 2. Ook geen hoofd­let­­ters; of beter: in het begin waren het alléén maar hoofdletters. Vers 1 moet­­ worden dóórgelezen en dan staat er in dat vers:«Gelijk geschreven staat bij de­ pro­fee­t­­ Jesaja».

Vertellen over Jezus aan de hand­ van­­ Jesaja

Dat beginsel is dus: gelijk geschreven staat bij de pro­­fee­t­ Jesaja. Mar­cus gaat dus vertellen over Jezus, maar aan de hand­ van­­ Jesaja. Letterlijk: «Gelijk geschreven staat in Jesaja, de profeet». Av.: «Gelijk geschreven staat in de profeten».

Nu staat hier een zogenaamd mengcitaat. Dat citaat is afkomstig uit Jesaja 40:3, Exodus 23:20 en Maleachi 3:1.

Het­­ is wel beter om die naam Jesaja te laten staan. Het­ maakt het namelijk iets moeilijker (!). Er is een grondregel, die zegt,­­ dat de moeilijkste lezing de meeste kans heeft om ook de oud­ste­­ t­e zijn. Het zou namelijk logischer zijn, als men op de duur iets zou gaan vereenvoudigen in plaats van het moeilijker te maken.

Gelijk geschreven staat’

Dus Evangelie en profeet stemmen met elkaar overeen. Het zijn twee kan­­ten van één verhaal. Er zou kunnen worden gezegd: Jesaja is lees­­wijzer bij­­ Marcus. Je­saja is dus een gids en aan de hand van Je­saja kun je­­ Marcus gaan be­grij­pen. Dat komt niet in mindering op Mo­­­zes. De pro­­­feten hebben steeds weer te­ruggegrepen op de Torah, want profe­tie­­ is toegepaste Torah. De profeten hebben verteld over de gang van het woord van God door de­ geschiedenis heen. Marcus begint met Jesaja 40.

«Zie, Ik zend mijn bode voor uw aangezicht, die uw weg bereiden zal; de­ stem van een, die roept in de woestijn: Bereidt de weg des Heren, maakt­ recht zijn paden»  Marc.1:2.

Stem, woestijn en weg

Stem, woestijn en weg zijn sleutelwoorden. «Bereidt de weg des Heren».

Dat is dus de weg waarlangs Hij Zelf kan ko­men. Wat is nu die woestijn? Hierbij moet worden bedacht, dat we bij­ Je­saja 40 zitten. Dat is de tijd die begint bij het eind van de ba­l­ling­schap.­ Jesaja 40 begint bovendien met: «Troost, troost mijn volk». «Troost, troost mijn volk, zegt uw God…..roept het toe dat zijn lijdens­tijd vol­bracht is»  Jes.40:1,2.

Hij zal u leiden, u vergelden

De boeien breken, die u knelden,

Hij die u uit het diensthuis leidt…

Marcus knoopt dus aan bij het troostboek van Jesaja. Hij zegt: die woes­­tijn is de ballingschap. Dat werd ook vaak met elkaar ver­een­­zel­vigd. “De woestijn van de geschiedenis…” En nu zaten ze in de tijd van Marcus ook in de ballingschap.

Het jaar 70, het rampjaar

Dan komen we op een kernpunt: wanneer is het Evangelie van Mar­cus­­ ge­schre­ven? Bijbelschrijvers schrijven niet tijdloos. Er zijn sterke aanwijzingen, dat­­ het Mar­cus-evangelie is geschreven in of nabij het jaar 70. In het jaar 66 begon de Joodse oorlog, de Romeinen kwamen Jeru­za­lem belege­ren. Van 66-70 werd Jeruzalem door de Romeinen om­sin­­­­geld. Voor Je­ruzalem was het dus een tijd van grote benauwd­heid­.­ In het­ Ro­mein­se Rijk was het een tijd van politieke onrust. De wre­­de keizer Ne­ro had geregeerd van 54-68, daarna kwa­men er vanuit het­­ le­­­ger drie ‘soldaten-keizers’ op. Uiteindelijk is het Vespasi­a­nus, die­­ in 69 zijn regering aanvangt. Voor Vespasianus was het­­ moei­lijk om rust­ te brengen en geloofwaardig te zijn. Hij stuurt zijn­­ zoon Titus naar­ Jeruzalem; Titus was zijn voornaamste veld­heer,­­ later wordt hij ook­ keizer. In het jaar 69 brak er een grote brand­­ uit in Rome, niet te­ verwarren met de beruchte brand onder Ne­­ro,­ waarvan de chris­te­nen­ de schuld kregen. Op het capitool in Ro­­me­ stond een tem­pel van de­ voor­naam­ste Romeinse afgod: Ju­pi­ter.­­ Ook die tempel ging bij de brand­ in vlam­­­men op, hetgeen voor de Romeinen ook een drama was­­. Net een­ nieu­we kei­zer en prompt vliegt de tempel in­­ brand. Dat was een slecht voor­­teken, waar een enorm stuk bi­j­­geloof bij meespeelde. De goden waren boos!­ Nu was er in de­zelfde tijd een­­ voorspelling ge­daan: er zou een vorst­ op­staan in het oosten. Die voor­­spelling gons­de door het Ro­mein­­­se rijk: er komt een vorst uit het oos­­ten en die neemt de touw­tjes­ in han­den. Vespasianus had er dus al­­le be­lang bij om het Jood­se­ land in bezit te hebben. Die opdracht kreeg­­­ Titus dus mee: breek de­ Joodse opstand. In het jaar 70 gaat­­­ dan de tempel in Je­ru­za­lem­ in vlammen op. Dat was dus een reactie op­­­ de ver­woesting van de tem­­pel in Rome. Ook in die tijd was het al zo, dat als er ergens iets gebeurde, de Jo­den­ (of de christenen) daarvan de schuld kregen. Dat was echter voor­­ de­­­ hei­­denen één pot nat. Ze wilden dus de Joodse tempel uit­scha­­­ke­len,­­­ want daar kwam alle el­len­de vandaan. Nog verder in het oos­­ten woon­­­den de Parten, die ook een voort­­durende be­drei­ging voor­­­ het­ Romeinse Rijk vormden. Zij maakten de oost­grens onveilig, zodat de­ Romeinen aan de­­­ oostkant eens goed orde op zaken wilden stel­len.­ Jonathan Ben Zakkai, een Joodse leraar, vroeg of hij de be­le­gerde stad­­ mocht­ verlaten. Hij wilde een school stichten, waarbij hij met zijn­­ vol­­­ge­lingen naar Pella, in ballingschap gaat. Het jaar 70 wordt dus het­­ jaar­­ van de ballingschap en het enige wat de bal­lin­gen nog heb­­ben is­­ de Torah.

Gedenkdag van de ver­woes­ting van de tem­pel

Dan vaardigen de Romeinen een decreet uit, waarin wordt be­paald,­­­ dat­ Jeruzalem voor Joden wordt verboden. Eén dag per jaar mo­­­gen ze­ er nog in om te treuren. Die dag is gedenkdag geworden van­­­ de ver­­­woes­ting van de tem­pel. Op die dag (de 9e van de maand ab)  wor­den­ zowel de ver­woes­­ting van­ de eerste tempel (door Nebukadnes­sar), als­ de ver­­­woes­ting­ van de tweede tempel her­dacht. De Ro­­­mei­nen ston­­­den de Joden dus toe om één dag per jaar te ko­men kla­­­gen. Rome heeft niet begrepen hoeveel kracht juist daarin zat. Na de verwoesting van de tempel is er hier en daar nog een paar jaar door­­­­ge­vochten, totdat in 73 de laatste burcht valt: Massada.

Evangelie op de massagraven van­­­ Jeru­za­lem

In en om Jeruzalem was niets anders meer te zien dan graven. Alle bo­­­men rond­om Jeruzalem waren verdwenen. De mensen die er in­­­ de omtrek nog verblijven, zijn de overlevenden. Marcus gaat zijn verhaal in feite dus schrijven op de massagraven van­­­ Jeru­za­lem, op de puinhopen van de tempel. En te midden van al die­­­ graven gaat Marcus vertellen over het lege graf. Daar eindigt Mar­­­­cus 16 dan mee. En als je het slot van Marcus hebt gelezen, dan ga je weer naar blad­zijde 1.­ Dat doen de Joden met de Torah ook. Dat is een oud-Jood­­­­se ge­­­woonte. Na Deuteronomium 34 ga je weer beginnen bij Ge­­­nesis 1.

De Dag van de vreugde der Wet

Op de “Dag van de vreugde van de Wet”, die gevierd wordt als Deu­te­ro­nomium 34 is gelezen, aan de grenzen van het Beloofde Land,­ be­gin je weer met Genesis 1. In Genesis 1 lees je: land in zicht! Mozes heeft dat land gezien van­­­af de Nebo; zijn oog was niet verdonkerd. Na 120 jaar ziet hij het nog­ he­lemaal zitten. Het eind van Deuteronomium reikt dus naar het­ be­gin van Genesis.

Ook wij mogen zo leven: land in zicht!

Er is een land van louter licht

waar heil’gen heersers zijn.

Nooit gaat de gouden dag daar dicht

in duisternis of pijn.

Maar ach de stervelingen staan

hier huiverend terzij

en durven niet op weg te gaan,

het duister niet voorbij.

De stervelingen durven de oversteek nog niet te wagen.

Een leeg graf te midden van al die graven 

Te midden van al die graven is er een léég graf, Marcus 16 is zo een waar­achtig troostver­haal!­­ Nà het Paasverhaal lees je dan: ‘Begin van het Evangelie, Marcus 1’. Het­­­ Evan­gelie begint dus met Pasen, zodat je ook zou kunnen zeg­gen: ‘be­gin­sel van het Evangelie’. Het beginsel is, dat het dóór­ver­­teld wordt.­ Vertellen te mid­den van de graven. En door dat ver­haal­ is­­ het  mogelijk te over­­leven. Het zijn verhalen om te overleven. Wie ophoudt met­ ver­tel­­len is dood. Het eerste wat Elie Wiesel zegt na de Ho­lo­caust,­ is: “la­ten­ wij elkaar verhalen vertel­len; de theorie kan wach­ten”.­ Marcus gaat te midden van de puinhopen óók verhalen vertel­len. Verhalen na­ de­ 10e ballingschap. Een trieste zaak: tel je ballingschappen één voor­­ één; maar zo­lang er nog verhalen zijn is er hoop, zolang er nog ver­­­halen zijn, is God er nog. Zo hebben ze elkaar ook verhalen verteld, toen ze aan Babylons stro­men­ neerzaten. Toen hebben ze ontdekt: God is de God die mee­gaat,­ Hij laat zijn mensen nooit vallen. Hij gaat met ons mee door de diep­­­ten heen.­ «En zij gingen naar buiten en vluchtten van het graf… want siddering en­ ont­zet­ting hadden haar bevangen» Marc.16:8. Toen hielden ze geen grote evangelisatiecampagne, maar…. «En zij zeiden niemand iets»  Marc.16:8. Dan valt het doek. Het graf was geopend, maar het hart nog niet. In het Grieks staat er zelfs­­ een dubbele ontkenning: «Niemand zeiden ze niets». In het Ne­­­der­lands krijgt het dan een wat andere betekenis. Niemand zei niets­­ te­gen niemand niet. Het was een totaal zwijgen. Het laatste woord van v.8 is ‘bevreesd!’

Troostboek voor de gan­­­se schep­ping

Marcus is niet alleen een troostboek voor de Joden, maar voor de gan­­­se schep­ping, die op de puinhopen zit. Die twee zaken zijn in fei­te­­ precies het­zelfde. Verkondigt het aan de ganse schepping. Want als Je­­ruzalem in puin ligt en de tempel instort, dan stort in feite heel de we­­reld in. Het Heiligdom is bij de rabbijnen de grondslag van heel de we­­reld. Wat God daar deed voor dat ene volk staat model voor wat Hij doet voor­­ álle volken. Zoals Hij zijn weg gaat met Israël, zo gaat Hij zijn weg­­ met alle vol­ken. Dus het heil van dat ene volk houdt het heil in voor­­ al­le volken. Dus als dáár de boel instort, dan stort in feite de boel­­ over­àl in. En dat is dan een indicatie, dat het overál in puin ligt. Want­­ het instorten van de tempel in Jeru­zalem heeft ook te maken met­­ het instorten van de tempel in Rome. Het in­stor­ten van de tempel in Ro­me betekent eigenlijk, dat heel dat Ro­­mein­se Rijk in zijn voegen kraakt; alleen, ze hebben het nog niet in­­ de gaten. Paulus zegt: “Als ze het geweten hadden, hadden ze de Heer der Heer­­lijk­­heid niet gekruisigd”. Er staat een wonderlijke uitspraak in de Talmud: “Toen de gojim (de Romeinen) de tempel verwoestten, zijn de kinde­ren Is­raëls gaan huilen”. De Talmud zegt dan verder: “Als die gojim geweten had­­­­den wat ze gedaan hadden, dan hadden die gojim nog harder ge­huild­­­ dan de kin­deren Is­raëls”. Op de achtergrond hoor je als het wa­re­­ àch­­ter het huilen van de kin­deren Israëls, het huilen van de gojim. Als het huis van God­­ op aar­de verwoest wordt, waar moet je­­ dàn nog wonen! In wezen zijn de­­ Ro­­meinen dan óók dak­loos.­ De volken gaan nòg een keer huilen, dat gáát gebeuren! «Zij zullen hem aanschouwen, die zij doorstoken hebben, en over hem een­ rouwklacht aanheffen»  Zach.12:10.         

Een plaats voor je tra­­­nen

Bij Israël gebeuren deze dingen eerder, bij de heidenen komt dat al­tijd­­­ wat la­ter. Zo was het ook in Exodus: de kinderen Israëls ween­den­­ om hun kinde­ren, die in de Nijl waren verdronken. Daarna staat er:­­­­ er zal een groot ge­schrei zijn in het land Egypte. Dan sterven de eerst­­­­­­­ge­bo­re­nen. Zolang er nog tranen zijn, is nog niet àlles hard ge­wor­­­den. Marcus is een troostboek voor de Joden, maar tegelijk voor al­le crea­tuur, waaraan het verkondigd wordt. Te midden van al die gra­­­­ven is daar het lége graf. Daar vindt de mens een plaats voor zijn tra­­­nen. En nà Marcus 16:8, als er een plaats gevonden is voor die tra­­­­­nen, begint Marcus 1, dan begint het evangelie.

Gods huis op aarde

In het Hebreeuwse gedachtenpatroon laat men de tijden in elkaar schui­­­­­ven. Mar­cus laat dus het gebeuren rondom Jezus en de ver­woes­­­­­ting van de tempel in elkaar schuiven. Jezus wordt ter dood ver­­­­­­­­oordeeld en ook ter dood gebracht, ook in naam van het Romein­se­­­ Rijk. Hij is de tem­pel, die wordt afgebroken. En dan zie je het voorhangsel scheuren. Dat betekent niet, dat­­ de­­ tem­­pel van Jeruzalem geen functie meer heeft, maar dat hij juist­­­ open­­gaat, zodat het wordt: vrij entree! Jezus maakt dus een weg door­ na­mens­­ een heel volk. Wat er met Hèm gebeurt, gebeurt met­ het he­le­ volk. De rabbijnen zeggen: “De laatste verlosser zal zijn zoals de eerste”.  Dus als je wilt weten, hoe de laatste verlosser zal zijn, kijk dan naar de­­ eers­te. De eerste verlosser was Mozes, die het volk uit Egypte leidde. Hij staat­ model voor de uitèindelijke bevrijding en zó gaat Je­­zus het dus óók­­ doen. De tijden schuiven dus in el­kaar. Dat hangt dus samen met­ de­­ opvatting van de geschiedenis bij­­ de an­tieke mens. Geschie­denis is geen­­ eindeloze herhaling, daar zit­­ een lijn in; in de­ ge­schie­denis zit een­ bepaal­de­­ perio­die­ke terugkeer. Er zijn bepaalde patronen in de tijd,­ die weer terug­ko­men. God heeft zevenmaal een huis op aarde gehad. Ze zijn ook weer alle­maal­­ ver­dwenen. De tabernakel in de woestijn, de tent in Gilgal, het hei­­ligdom in Silo, nog een tent van David, de tempel van Salomo, van Ze­­­rubbabel, de tempel van Herodes. Zeven keer heeft God een huis ge­had.­­ Je ziet dus een bepaald patroon, dat zich herhaalt. Wij zien uit naar het achtste huis. Acht is het getal van de nieu­we schep­­­­­­ping. Het is nog niet helemaal te bevatten, hoe dat huis zal wor­­den,­ maar we zien uit naar dat huis dat komt. Daar­­om eindigt het boek Openbaring ook met het Nieuwe Je­ruza­lem, dat heel­ de geschiedenis in zich opneemt. «Zijn huis zijn wij, indien wij de vrijmoedigheid en de hoop, waarin wij roe­­men, tot het einde onverwrikt vasthouden» Hebr.3:6. God woont nu in een huis nièt met handen gemaakt. En dan eindigt het­­ boek Openbaring: «Zie, de tent van God is bij de mensen» Openb.21:3. Er blijft natuurlijk een heel stuk verwachting, tot dat huis compleet is geworden.­­ Wat dat betreft, zitten we tussen de tijden. Op het ogen­­­blik is er ook­­ nog heel wat geestelijke dakloosheid. Er zijn zoveel mensen en volken, die ont­heemd­­ en ontworteld zijn. Vandaar dat we kunnen zeggen: we zijn op­­ weg naar dat achtste huis. De rabbijnen zeggen: de sjechina is ‘God in ballingschap’. Overal waar­­ de­ ballingen zijn, is God ook; God in mensen. Daarom worden die­­ bal­­­lingen ook uitgestrooid over heel de aarde.

Wij­­ mo­gen vertellers zijn

Ie­der gelovige kan ook zijn verhaal vertellen. Dat verhaal gaat door, en­­ wij­­ mo­gen vertellers zijn. Het is een levend woord en het komt ook­­ tel­­kens weer in levens van mensen tot gestalte. Dat heeft al­les­ te ma­­ken met gedenken. Je gaat de verhalen vanouds opnieuw beleven.­ Wat je vandaag beleeft, wordt weer opge­nomen in het boek van­­­ God, dat is het Boek des levens. Aan het slot van Johannes staat­­:­ als je al die verhalen zou vertellen, zou de wereld de boe­ken­­ niet­ kunnen be­vatten. Die boeken in Openbaring 20 wor­den ge­­opend en­ die boeken zijn wìj. Dan gaan al die levensverhalen o­pen,­ ook de ver­ha­len­ van die men­sen, die niet met God gewandeld hebben. Ie­der­­ mens heeft­ zijn ver­haal, ieder mens ìs een verhaal. God zamelt al die­­ ver­ha­len ìn. Elie Wiesel zei: God heeft de mens gemaakt, omdat Hij­­ dol is­ op verhalen. De opzet van de duivel is juist om die verhalen stop te zetten, om de ge­­­­schie­denis stil te zetten: het boek gaat dicht. Maar God zegt: het boek­­ gaat open! «Gelijk geschreven staat in Jesaja, de profeet» Marc.1:2. Dan volgt een citaat en de zin loopt door in v.4: «Geschiedde het…..(en als dat er staat gebeurt er echt iets)…….dat Johan­nes­­ doopte in de woes­tijn». Alleen al in de Tenach staat 430 keer: “En het geschiedde”. Het geschiedde dus, zoals het stond bij Jesaja. In Jesaja is het ge­schre­­ven en nu gaat het geschieden. Het is ge­schreven en het is ge­schied.­­ Er ge­schiedt dus iets, omdat er iets geschreven is. Je zou kun­nen zeggen: Het is geschreven: (dus) het is geschied. Er is dus geschreven: Het is geschied! In dat schrijven gebeurt al wat. Dat schrijven is eigenlijk al geschie­de­­­nis. Reeds op het moment, dat ze gaan schrijven: Jesaja, Jeremia, pro­­­feten en ook die ballingen, op dat moment maken ze geschiede­nis.­­ Marcus zit daar ook te schrijven, te midden van de dood. En op­ het­ moment dàt hij schrijft, komt er leven. Hij schrijft als het wa­re­ het­ le­ven te voorschijn. Schrijven is niet zomaar een dode bezig­heid.­ Hij­ schrijft ten leven en mensen worden inge­schre­ven. Mar­cus ­schrijft te midden van de dood. Stel je voor: een gevangene krijgt­ een brief, dat verwekt een stuk leven. Als ze aan je schrijven, wordt­­ er aan je gedacht.

Het optreden van Johannes de Doper

«Geschiedde het, dat Johannes doopte in de woestijn» Marc.1:4. Jesaja spreekt van een stem in de woestijn. Johannes wórdt die stem­ in­ de woes­tijn. Als je Johannes ziet, zie je die stem. De woes­­tijn­ is­ die balling­schap. De woestijn speelt een belang­rijke rol in­ het­ Mar­­cus-evangelie. Het ge­hele Beloofde Land was in­derdaad tot een­ woes­tijn ge­­worden.

Johannes, de eerste bloem in de woestijn.

De dorre vlakte der woestijnen

Zal zich verblijden eindeloos;

De zandzee zal herschapen schijnen,

Want bloeien zal zij als een roos….

Hij predikte de doop van de bekering, de tesjubah, de omkeer. Tot­ ver­geving van zonden… Marcus heeft dit aan het begin, Mattheüs zet­ dat aan het eind.

Nu eerst de structuur van de eerste 15 verzen.

v.2. «Er is geschreven».

v.4. «Geschiedde het».

v.9. «en het geschiedde». In v.9 loopt de zin van v.4 dus eigenlijk verder. In v.9 begint dus in fei­­­te geen nieuw gedeelte, ook al hebben de vertalers dat er wel bo­ven­­ gezet. Vers 9 moet dus met een kleine letter worden gelezen. Er gaan dus twee dingen geschieden vanuit wat geschreven is in Je­sa­­­­ja. Ten eerste dat Johannes gaat dopen en ten tweede dat Jezus uit­­ Galilea kwam en Zich lìet dopen. Dus vanuit Jesaja komen er twee­­ geschiedenissen op gang. In feite is het één geschiedenis. Dat ‘eerste geschieden’ loopt dus van v.4-8. Het ‘tweede geschieden’ loopt van v.9-15. «En het gehele Joodse land liep tot hem uit en alle inwoners van Jeru­za­­lem, en zij lieten zich dopen in de rivier de Jordaan onder belijdenis van hun zon­den» Marc.1:5. Met het Joodse land wordt hier Juda genoemd. Heel het Joodse land en­ heel Je­ruzalem gaat de woestijn in. De geschiedenis begint op­nieuw.­­ Bij Exodus, bij de uittocht, moesten ze ook de woestijn in en ­ later moesten ze ook door de Jordaan. Ze moeten dus eigenlijk allemaal door de Jordaan om het land te be­er­­ven.

«Onder belijdenis van hun zonden».

Om heel die pijn en dat falen uit te wissen. «En Johannes was gekleed met kameelhaar» Marc.1:6. Dat is weer een stukje Midrasj. Op deze manier wordt aangegeven: hier­­ staat Elia. Johannes was een type zoals Elia. «Zie Ik zend u de profeet Elia…..hij zal het hart der vaderen terugvoe­ren tot de kinderen»  Mal.4:5. In ‘Jezus Sirach’ (een apocrief boek; 200 v.C.) staat: «Hij zal de stammen van Israël terugbrengen»  (=herstellen). Die mantel was dus teken van een nieuwe tijd, een profetisch beeld. Elia­ (zie 2 Koningen 1:8) wordt steeds de Tisbiet genoemd. In het He­breeuws:­ Tisjbi’. Dat woord wordt ook in verband gebracht met de­ tesju­­bah. Hij is dus de man van de omkeer, Johannes de Doper is­ ook­­ de­ man van de te­rugkeer. Een dergelijk gegeven met plaatsnamen noemt men wel: theografie. Bij­­­ veel namen in de Bijbel, ook aardrijkskundige namen, gaat het vaak­­­­ niet zozeer om hoe heet dat of waar ligt dat, maar: wat verte­gen­­­­­woordigt die naam, welk principe zit erin.

De Zoon des mensen

Jezus was honderd procent mens. Anders zou het Evangelie ook in de­­­ lucht komen te hangen. Het was juist de bedoeling, dat een ‘Ben A­dam’, een mensenzoon, de weg zou gaan van heel de Torah. Jezus heeft­­­ juist als mèns bewezen, dat dit kan. Wanneer Jezus op het wa­ter­ wan­­­delt, laat Hij daarmee ook zien, dat het mogelijk is voor een mens­­­­ om het kwaad onder de voeten te krijgen. Zo is Hij ook de eerst­­­­­­­­ge­bo­re­ne van vele broederen. Het is opvallend, dat Jezus steeds spreekt van “de Zoon des Men­sen”­ en niet:­ Ík ga dit of dat doen. Eénentachtig keer wordt ge­zegd: ‘De Zoon­ des­­ Men­sen’.­ Natuurlijk is Hij wel de unìeke zoon. Hebreeën 6 zegt: Hij is de voorloper. «Waarheen Jezus voor ons als voorloper is binnengegaan» Hebr.6:20. In de weg van het lijden is Jezus natuurlijk volstrekt uniek. Als er­ ­ ge­zegd wordt:­ “Jezus was uit God geboren”, kan worden gezegd: ‘wij zijn­ ook uit­ God­ geboren’. Door de Vader werd Hij natuurlijk vol­ko­men­­ ge­hei­ligd, totdat Hij Zichzelf kon heiligen. Hij is in alle be­proe­vin­­­gen en­ ver­zoekingen ons gelijk geworden. Het gaat wat betreft je afkomst niet zozeer om de bloedverwantschap als­­ wel om de geestverwantschap. Niet zozeer om de bloedverwant­schap, maar of je hetzelfde verhaal kent. Je bent geboren vanuit de Paas­nacht en van daaruit ben je geest­ver­­­want. De Bijbel is geen bio­­lo­­gie­boek. Het gaat er dus niet zo­­zeer om,­­ of je biologisch ergens van­­­­­daan komt. Het gaat er­om waar je met je hàrt vandaan komt. God­ heeft van meet­ af aan voor ogen gehad, dat­­ die tota­le gave mens er­uit zou ko­men.­

 De laatste Adam

«De laatste Adam een levendmakende geest» 1 Kor.15:45. Letterlijk: «De eschatos adam». Letterlijk: «De laatste mens». Dat moet natuurlijk niet biologisch worden opgevat; daarna komen er­ na­­­tuur­lijk nog meer mensen. Letterlijk staat er: «De uiterste mens»­ De­ eschatologie is de leer van de ‘uiterste dingen’, de laatste din­gen. H­­et­ is dus de mens van het eindstadium. De mens zoals God hem­ uit­­eindelijk voor ogen had.

Tom Naastepad zegt in een lied van Jezus:

“De jongste zoon van A­dam”.­­ In Jezus komt dat menszijn helemaal uit de verf. Adam was ge­­vallen, Jezus had ook kunnen vallen, dat ri­sico zat erin. Die laat­ste­­ mens kwam door de ver­zoe­kingen heen en dan wordt Hij de eer­s­­te. Zo wordt die laatste de eer­ste van de nieuwe mensheid. De verzoekingen, die Jezus heeft moeten ondergaan waren ook niet zo­­­maar­ een show, waarbij de goede afloop al bij voorbaat vaststond. An­­­­ders zou het alleen maar een toneelstuk zijn geweest. Hij heeft ook­­ gehoor­zaamheid moeten léren.

 Tijd bestaat uit ‘hartsmomenten’

«En het geschiedde in die dagen» Marc.1:9. Welke dagen dan? De bijbelse mens denkt altijd in dagen. Tijd wordt­ al­­tijd uit­gedrukt in dagen. Het gaat dus niet zozeer om de ka­len­­der­tijd,­ maar het gaat om gevulde tijd. Iemand noemde dat harts­mo­men­­­ten, hartetijd. Tijd bestaat uit hartsmomenten, momenten, waarin de tijd geladen wordt.­ Dan wordt onze tijd Gods tijd.

Verteltijd en vertelde tijd

In verhalen wordt verteltijd en vertelde tijd onderscheiden.

Zo wordt het hele verhaal van koning Omri in vijf verzen verteld. Po­li­­­tiek gezien was Omri een heel belangrijk koning. De vertelde tijd is zijn­ regering: 12 jaar. De verteltijd is vijf verzen. Aan Elia worden zes hoofdstukken gewijd. Aan Achab wordt nog­al wat­ aandacht besteed in de Bijbel, niet omdat hij zo belangrijk was­,­ maar­ omdat het een tegenspeler was van Elia. Achab komt dus als een ‘contrastfiguur’ in beeld. Zo worden ook bij Abra­ham bepaalde momenten heel breed uitgewerkt, bijvoorbeeld de gang­ van­­ Abraham en Isaak naar Moria, dat waren drie dagen. Maar er­ is een­ periode van dertien jaar in het leven van Abraham, waar­o­ver­ niets­­ wordt gezegd. Aan het eind van Genesis 16 is Abraham 86 jaar­ oud­ en­ één vers verder is hij al 99 geworden.

Achttien jaar naar de synagoge

Bij Jezus zie je, dat er van zijn 12e tot zijn 30e jaar niets wordt ver­meld.­­ Er is een verborgen aanwijzing over die achttien jaar te zien in: «Hij ging volgens zijn gewoonte….naar de synagoge» Luc.4:16. Jezus heeft dus achttien jaar gehoord. Achttien jaar: zes maal drie. Vaak­ was het zo, dat men in de synagoge in drie jaar de boeken van Mo­­zes­ doorlas. Zo heeft Jezus dus in die achttien jaar zes keer de To­­­­rah ‘doorgehoord’ en dan komt de zevende cyclus. Dan mag Jezus­ be­ginnen met spreken. Jezus heeft Zich in die achttien jaar ‘vol­­­ge­hoord’. En toen kwam het eruit.

«Stond Hij op om voor te lezen»  Luc.4:16.

Dat is zijn opstanding en als Hij gaat voorlezen, gebeurt het ook, want­­­ dan zegt Hij: «Heden is dit schriftwoord voor uw oren vervuld» Luc.4:21. Bij de zevende cyclus gaan, net als bij Jericho, de muren vallen. «Er was een vrouw, die reeds achttien jaren een geest van zwakheid had…­en zich in het geheel niet kon oprichten» Luc.13:11. Achttien jaar een geest van zwakheid. Die vrouw is symbool van heel­ het­ volk. Daarom kan Jezus zeggen: «Vrouw, gij zijt verlost». Jezus heeft die achttien jaar gelezen, gehoord, gezongen en het is zìjn­­­ ver­haal geworden. Lezen is herkennen. Hij leest en wordt gelezen. Hij heeft achttien jaar­­ gelezen en nu kan Hij zèlf gelezen worden. Dan is Hij het Woord ge­­­wór­den. Genezing zal vooral geschieden vanuit de ontferming. Iemand zei: “Ont­­­­ferming is de voedingsbodem voor alle gaven”. De vijf boeken van Mo­­zes zijn de vijf boeken van de ontferming. Vanuit die ont­fer­ming­­ komt­ de genezing. Genezing is vaak een zaak van binnenuit. Voor­­­ Je­zus was dat genezen ook niet een vanzelfsprekende zaak, die Hij­­ wel eventjes afhandelde. Hij moest Zich ook helemaal één maken met de mensen. Vanuit die ont­­ferming komt het herstel.

En het geschiedde in die dagen

«En het geschiedde in die dagen»  Marc.1:9. Dat is een typerende Hebreeuwse uitdrukking. Daarom kan de vraag wor­den gesteld:­­ welke dagen zijn dat? Er is net verteld over Jo­han­nes­ de Doper, het­­ zijn dus de dagen van Johannes de Doper. Jezus wordt­ hier ge­zet­­ in het kader van Johannes de Doper, in het kader van die om­keer.­­ In die dagen, in die omkeer, in die woestijn, daar gaat het dus ge­­schieden. Men kan ook zeggen, dat het terugslaat op vers 2. Dat zijn de dagen waar­­over­ Jesaja spreekt. Het zijn de dagen van de ballingschap en van­­­ de terugkeer, het zijn de dagen van de vertroosting. Marcus doet het net andersom als Mattheüs. Marcus plaatst Jezus in de dagen van Johannes de Doper. Mattheüs plaatst­­ Johannes in de dagen van Jezus. Mattheüs gaat eerst vertel­len­­­ over de genesis (letterlijk) van de Messias. Daarover vertelt hij twee­­ hoofdstukken lang en dan zegt hij: «In die dagen trad Johannes de Doper op»  Matth.3:1.

Johannes wordt dus gezet in de genesis van de Messias. In Marcus zien we in het kader van die omkeer de Messias aan­tre­den.­

Van Galilea naar Judea

In de verzen 9-15 zit in feite reeds het hele Evangelie van Marcus. Heel­­ die gang, hier in een paar verzen, wordt later weer voltrokken in de­­ komende hoofdstukken. Hij verlaat Galilea (v.9), gaat naar Judea en­ later zal Jezus dat ook weer doen. Hier zie je dat dus in de kiem reeds gebeuren. Later zal Jezus in Ga­­li­­lea be­ginnen; dan gaat Hij naar Judea en daar zal Hij ook ster­ven. Die­ gang­ naar Judea wordt dus zijn dood. Die doop loopt dus pa­ral­lel­ met­ zijn dood. Hij wordt “gedoopt in de dood”. Wat hier dus in een paar verzen gebeurt, zal straks dus in zestien hoofd­­stukken gebeuren.

«Ging Jezus naar Galilea om het evangelie Gods te prediken» Marc.1:14. Na zijn doop dus veertig dagen in de woestijn en daarna: Galilea. Na zijn­­ sterven is Jezus drie dagen in het dodenrijk, dat loopt parallel met­ de woestijn. En daarna… «Dat Hij u voorgaat naar Galilea»  Marc.16:7.

Midrasjim

Het woord Midrasj houdt verband met het Hebreeuwse woord da­rasj,­ wat­ betekent: zoeken, onderzoeken. Bet ha-midrasj is de naam, die men wel voor de synagoge gebruikte. Dat woord betekent: Het­­ huis van de onderzoeking. De teksten van de Bijbel zeggen: darsjenu = onderzoek ons. Midrasj omvat een heel scala van literatuur. Het is ook een manier van­­ denken over de Schrift. Je kunt ook zeggen: het is de manier, waar­­­­mee het NT. omgaat met het OT. Het is een bepaalde manier van­­ uitleggen. Het is ook een geesteshouding. Nieuwe verhalen wor­den­­ ont­­worpen vanuit het omgaan met de Schriften. Dat nieuwe ver­haal­­ maakt het bijbelse woord relevant voor nù. De eerste vorm van Midrasj is de gelijkenis (masjal). Jezus vertelde ook­­ vaak in gelijkenissen. Masjal kan ook spreuk betekenen. De gelijkenis in zijn kortste vorm is­­ een spreuk. Het boek Spreuken heet in het Hebreeuws ook Mas­ja­lim.­ Masjal wordt ook wel vertaald met heersen. Heersen in­ de be­­te­ke­nis van: verantwoordelijk zijn voor, ergens voor stáán. Als­ ie­mand­ er­gens voor staat, kan het zijn, dat die persoon ergens ver­ant­woor­­de­­lijk voor­ is, maar het kan ook een vergelijking inhouden. Bij­voor­­­beeld:­ bloem staat voor schoonheid of sterren staan­ voor en­ge­len.­ Het basisdoel van de Midrasj is dus: de Schrift toegankelijk te ma­ken,­­ een handvat voor de Torah te zijn.

Handvatten zijn nodig.

1. Om leemten op te vullen in het bijbelverhaal. Soms worden din­gen­­ overgeslagen of niet uitgelegd. Erich Auerbach heeft daar een schit­­­te­rend stuk over geschreven. Dat gaat over de gang van Abra­ham­ met Isaak naar Moria. Hij zegt: “Bijbelverhalen zijn beladen met­ ach­ter­grond”. Bij het genoemd verhaal wordt bijvoorbeeld niets ge­zegd­ over wat ze allemaal besproken hebben onderweg, althans nau­we­lijks. In de verhalen over Jezus wordt verhoudingsgewijs ook­ wei­nig­ ge­zegd. Marcus heeft slechts 16 hoofdstukken over drie jaar.

In die verhalen zit een enorme dieptewerking.

2. De Midrasj wil de stijl en de zinsbouw verduidelijken.

3. De Midrasj wil het bijbelwoord actueel maken. Wat heeft het ver­haal­ voor déze tijd te zeggen.

Bewaren wat er staat, maar ook her­schep­pen. De tekst is een textuur, een weefsel. Soms kunnen de leemten van een­­ tekst worden opgevuld met een andere tekst, of de gegevens van die tekst. Tek­s­­t­en gaan een gesprek aan met elkaar. Men noemt dat interteks­t­u­­aliteit. Aan de ene kant dus het opvullen van leemten en aan de an­­dere kant teksten openhouden. Het gaat er bijvoorbeeld niet zo­zeer­­ om, om te weten: hoe zag het huis van Jezus van Naza­ret er­uit,­­ maar meer om te weten: hoe kom ik daar binnen. Niet de fei­ten, maar­­ de dynamiek. Bijbelverhalen zijn geen gesloten, maar open verhalen. Wij mogen ook­­ daarin binnenkomen, zodat er her-interpretaties ontstaan. De be­­­­te­ke­­nis van een tekst wordt opnieuw in een verband gezet. Dat doet Marcus ook, hij pakt de stem van Jesaja en dan wordt  dóór­­ de stem van Marcus de stem van Jesaja gehoord. Het is een nieuw-­oude stem.­­ Het is het oude woord – nieuw. Een stem uit het he­­den, die de ou­­de­ taal weer onder woorden brengt. Men noemt dit wel­ binnen-bij­­belse exe­gese. Marcus legt Jesaja uit en Jezus heeft de­ Torah en­­ de Pro­feten uitgelegd. Zo geeft Jezus ook midrasj aan de Em­­­ma­üs-­gan­gers.

Jezus is de Midrasj van God

In feite is Jezus de Midrasj van God. «Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, die aan de boe­zem­ des Vaders is, die heeft Hem doen kennen» Joh.1:1. Jezus is de exegese van de Vader. In deze tekst staat ook letterlijk: «Heeft Hem geëxegetiseerd». Jezus was­­ zijn hele leven bezig de Vader uit te leggen. Er kan een aanleiding zijn van buitenaf, zoals de verwoesting van de tem­­­pel, om bepaalde teksten te herinterpreteren. Men gaat opnieuw for­­­­mu­leren wat men gelooft. Op de puinhopen wordt een nieuwe uit­leg­ ge­­­bo­ren. Hoe moeten bijvoorbeeld de offers worden verstaan, als de­ tempel er niet meer­­ is. Toen hebben ze gezegd: nu we die offers niet­ meer kunnen bren­­­gen, gaan we ze voorlezen. Zo werd Leviticus een­ boek om voor te­­ le­zen, de offers zijn dan de gebeden. De Midrasj heeft ook als taak de kloof tussen mensen te over­brug­gen.­­ Er ontstaat een gesprek tussen teksten en er ontstaat een ge­sprek­­ tus­sen gelovigen. De rabbijnen konden van mening met el­kaar­­ ver­schil­len, zonder dat ze elkaar eruit smeten. Er wordt gezegd: ie­­de­re tekst is een absorptie, een opzuiging en een omvorming van an­­de­re tek­sten. Elke tekst bouwt voort op andere teksten. Met het doen­ van een­­ uit­spraak wordt nooit iets totaal nieuws gezegd. Latere teksten herinterpreteren en herschrijven dus de vroegere en dat­­­ kan op vele manieren: door een gelijkenis, een spreuk, of een ver­­­­­­haal. Als gevolg van het naast elkaar zetten van twee teksten ont­staat een derde tekst. De Midrasj is er niet op uit de tekst op te sluiten in één uitleg, maar om­­ de tekst te òntsluiten. Midrasj laat niet een stem zwijgen, maar laat­­ juist verschillende stemmen spréken. De Torah is een nooit eindigend verhaal. Een voorbeeld van een Midrasj is de kameelharen mantel. Door­­ dat te zeggen plaatst Marcus Johannes de Doper in een be­paald­ ka­der.

De hemel scheurt; het voorhangsel scheurt

«Toen Hij uit het water opsteeg, zag Hij de hemelen scheuren en de Geest­ als een duif op Hem nederdalen»  Marc.1:10.

‘De hemelen scheuren’. En dan denk je meteen ook aan Jesaja 64.

«Och, dat Gij de hemel scheurdet, dat Gij nederdaaldet»  Jes. 64:1.

Deze tekst uit Jesaja staat in het kader van een heel lang balling­schaps­­­gebed. Dat begint in 63:7 en loopt door tot 64:12. Dat is het ge­bed opdat­­ de hemel mag scheuren, opdat het gordijn open mag gaan en de ver­­bor­gen wereld geopenbaard zal worden. In de ballingschap werd juist ge­­zegd: die hemelen zijn als een wolk, ondoordringbaar voor het ge­bed.­­ Het woord scheuren komt in Marcus tweemaal voor. Als er zo’n woord­­ wordt herhaald, wordt er iets specifieks mee bedoeld. Dat woord­ staat dus hier aan het begin en aan het eind van Marcus: «En het voorhangsel van de tempel scheurde in tweeën van boven tot be­ne­den»  Marc.15:37. Aan het begin scheuren de hemelen en aan het eind scheurt het voor­­hang­sel.­­ Als je Marcus hebt uitgelezen en je begint weer opnieuw, kom je­­ dat­ woord dus weer tegen. Dat heeft alles te maken met het­­ bal­ling­­­schaps­gebed. Er gaat dus tweemaal iets scheuren. Er zijn meer overeenkomsten tussen het begin en het eind van Mar­cus. «De Heilige Geest daalt neer» Marc.1:10. «En Jezus slaakte een luide kreet en gaf de geest» Marc.15:37. Dat woord heeft ook weer alles te maken met roeach (pneuma in het Grieks).­­ Je zou bijna kunnen vertalen: «Hij blies de adem uit». In­ Marcus 1 daalt de adem van God óp Hem en in Marcus 15 blaast Hij­ de­­ adem uit.

Deze mens was een Zoon Gods

«Een stem kwam uit de hemelen….Gij zijt mijn Zoon, de geliefde» Marc.1:11.

«Toen de hoofdman, die tegenover Hem stond, zag, dat Hij zó de geest­ ge­ge­ven had, zeide hij: Waarlijk, deze mens was een Zoon Gods» Marc.15:39. We horen in het begin dus een stem uit de hemel en aan het eind een­ stem­ vanaf de aarde. Die hoofdman staat daar namens de gojim, na­­mens­ de volkeren. Stem en tegenstem. De stem is ‘geland’. Eindelijk heeft die stem weerklank gevonden. Vergelijk de duif, die ein­delijk weer rustplaats vindt voor ‘het hol van haar voet’. Zo roepen die teksten elkaar op.

In beide gevallen wordt er ook gesproken over iets dat neerdaalt.

«De Geest in de gedaante als een duif» 1:10.

«Het voorhangsel» 1:38.

In beide gevallen is Elia symbolisch aanwezig. «In de gedaante van Johannes de Doper» 1:6. «Hij roept Elia» 1:35. 

De dochter van de stem

«Zie, Ik zend mijn bode»  Marc.1:2.

Deze tekst is een mengcitaat. Zie het eind van Maleachi.

Maleachi be­­­te­kent letterlijk ‘mijn bode’.

Malach = bode.          

Malachi = mijn bode.

Je zou dus kunnen zeggen: «Zie, Ik zend Maleachi». Maleachi, de laatste profeet en daarna kwam er niets meer. De Tal­mud zegt:­­ toen­ werd de geest der profetie teruggetrokken. Na Maleachi kon God alleen nog spreken door middel van een bat qol.­­ Dat is: een stem. Letterlijk: de dochter van de stem. De doch­ter­­ van­ de stem is de echo en dan wordt wel gezegd: die stem van God­­ is­ juist te horen op de ruïnes, op de puinhopen. De bal­ling­schap­­ van Je­­ruza­lem begon ook in de ruïnes. Ze hebben gebeden op de­­ puin­ho­pen.­ Juist in die ruïnes kon de stem van God soms worden ver­no­­men,­ daar wilde God opnieuw gaan spreken. «Toen er een stem nederklonk uit de hemel» Dan.4:31. Het gaat hier over de hoogmoed en de waanzin van Nebukadnessar. Hier­­ zien we een voorbeeld van zo’n bat qol.

De verzoeking in de woestijn

«En terstond dreef de Geest Hem uit naar de woestijn» 

De rabbijnse Messiasverwachting

In de rabbijnse overlevering wordt de Messias óf ‘Zoon van David’ ge­noemd, óf ‘Zoon van Jozef’. Zoon van David heeft meer te maken met de Hersteller en Zoon van­ Jozef heeft meer te maken met het lijden.

Een rabbijnse overlevering zegt: “De Messias zal te horen krijgen, dat Hij­ onder een ijzeren juk gebukt zal gaan van­we­ge de zonden der men­sen”, waarop de Messias zegt: “Heer der Wereld, met blijdschap in­ mijn ziel en vreugde in mijn hart neem Ik het op Mij. Maar op één voor­waarde: dat niemand uit Israël te gronde zal gaan. En dat niet­ al­leen zij, die nu leven in mijn dagen worden gered, maar ook zij,­ die verborgen zijn in het stof vanaf de dagen van Adam tot nu. En niet alleen zij, maar ook de misgeboorten. En dat zij niet alleen worden ge­red in mijn dagen, maar ook allen die U in ge­dach­ten had om te scheppen”. In de Joodse overlevering heeft men dus wel degelijk weet gehad van de­ lijdende Messias. Hij wordt dan De Zoon van Jozef of De Zoon van Efraïm genoemd. Hier wordt Hij dus aangesproken als Zoon van David. De Zoon van Da­vid krijgt ook de sleutel van David. Meteen na die stem in v.11 volgt het uitdrijven naar de woestijn. Je­zus ging dus de ballingschap in. Als Jezus die stem heeft gehoord, gaat­ Hij op weg om de weg te bereiden. Dat stond er immers: bereid in­­ de woestijn een weg. Hij gaat de weg bereiden voor zijn Vader. Een­ rabbi zei: “Ik ging in een ruïne en ging daar bidden. En ik hoor­­­­de een stem. En die stem kirde als een duif”. En hier zien we, hoe­­ die stem als een duif neerdaalt. Die stem zegt dan tot die rab­bi:­­ “Je­ moet niet bidden in een ruïne, maar je moet op weg gaan”. Je zou kunnen zeggen: aan de hand van Jesaja drijft de Geest­ Jezus aan.­­ In de ballingschap, in de woestijn, komt ook de con­­frontatie met­­ de verzoeker, met de satan, de hinderaar, de dwars­bomer, zoals die­­ naam betekent. Veer­tig dagen en veertig nachten staat er. Dat is de weg van Israël, dat­­ is ook de weg van Elia naar Horeb. Jezus gaat de weg van Mozes en­­ de profeten. Zo wil God de Nieuwe Mens presenteren aan het rijk der­­ duisternis. Deze Mens kan het aan. Voor Zichzelf had Jezus die weg al afgelegd. Dat waren die achttien jaar.­­ Maar nu moest Hij de weg voor de anderen nog vrijmaken. Je­zus wòrdt eigenlijk het volk. Jezus belichaamt gans Israël. In Genesis 1 zien we ook hoe die weg wordt bereid en dan speciaal die­ eer­­ste drie dagen. Eerst de scheiding tussen licht en duisternis; dan­ de­ scheiding tussen de wateren en op de derde dag komt de aar­de te voor­schijn. Je zou kunnen zeggen: die eerste drie dagen is er het­ ge­­vecht­ met de chaos. Op de vierde dag kan het beginnen, op de­­ vier­­de dag begint het pas goed. Op de vierde dag kan het echte le­ven­­ be­gin­nen. De eerste drie dagen is er ‘het puin ruimen’ van de ballingschap, het­ puin­ van de chaos.

«In het vijfentwintigste jaar van onze ballingschap» Ez.40:1. In het 25e jaar is daar die nieuwe tempel. Dat is de helft van vijftig. Op­­ de helft breekt het eindelijk door. Zoals de achtste dag het begin is­ van een nieuwe schepping. Woensdag begint de tweede helft van de week. Dan wordt de tijd over­­­­­­­­zichtelijk, menselijk. In het boek Jubileeën (een van de apo­crie­fe­ boe­ken) staat, dat de uittocht op een woensdag was. Dit moet na­tuur­­­lijk niet kalendermatig worden bekeken. Na drie dagen chaos komt dan eindelijk de doorbraak. De uittocht is een­­ scheppingsverhaal en de schepping is een uittocht. Genesis 1 is een­ uit­tocht uit de chaos en Exodus is een wording. Genesis is een Exo­dus,­ Exodus is een Genesis. «En Hij was bij de wilde dieren, en de engelen dienden Hem» Marc.1:13. Dat kun je ook weer verstaan vanuit het jaar 70. Tussen de puin­ho­pen­­ van­ Jeruzalem waren er alleen nog de wilde dieren. Een soort voor­­sta­­di­um eigenlijk, Jezus in de prehistorie. Hij bevindt Zich daar in­­ een vóór-menselijke, pre-humane tijd. Het menselijke moet nog ko­­­men. Hij­­ is de eerste mens van de nieuwe schepping, een eers­­te­ling te mid­den van het ‘geboefte en het gebeeste’. Dat houdt ook de totale eenzaamheid in. Net als voor Jeruzalem in­ het jaar 70, een­­ plaats van hyena’s en jakhalzen. Als het men­se­lij­ke­ weg­gaat, ko­­­men de beesten terug. «Jeruzalem tot puinhopen gemaakt…het gevogelte des hemels (“…en gier­ en kraai en raven…” )…het gedierte des velds» Ps.79. Jezus te midden van het woestijn-gedierte. En dan vraag je je af: is de­­ mens er toen al geweest of moest hij nog komen?

Genesis 1, die dag moet eenmaal komen

Juist in de ballingschap zijn ze Genesis 1 gaan redigeren en com­po­ne­­­ren.­ Dat was hún verhaal, want de schepping, waarover Genesis 1

spreekt,­­ komt! Het is dus niet de vraag: hoe ver ligt dat àchter ons,­­ maar­­ hoe ver ligt dat nog vóór ons. We zitten in zekere zin nu im­mers­­ in­ de chaos, in het ‘woest en ledig’. Mensen, wanneer komt de eers­­te dag!­ Daarom zijn we nu in die zevende dag, die sjabbat, dan houden we sa­­­­men­komst. Dan gaan we Genesis 1 lezen en gaan we door tot Deu­te­ronomium 34. Dan zitten we nòg in de woestijn, maar dan be­gin­nen­ we weer­ bij Genesis 1. We lezen net zolang, tot er land in zicht­ komt.­ Ze lazen zichzelf naar Genesis 1 toe. Want ze zeiden:

Genesis 1, die dag moet eenmaal komen,

Mensen, komt uw lot te boven,

Er wacht na dit een ander uur.

Gij moet op het wonder hopen

dat gij oplaait als een vuur.

Want de Geest zal ons bestoken,

nieuw wordt alle creatuur!

Zo kun je jezelf er naar toe lezen. Dat deed Jezus ook. Achttien jaar had­ Hij het gelezen en toen wàs Hij­ er. Hij was er vol van en nu moest­ het eruit. «En de engelen dienden Hem» Marc.1:13. Het woord dienen heeft in het Marcus-Evangelie ook een be­lang­rij­­ke­ be­tekenis. «De Zoon des Mensen is niet gekomen om gediend te worden, maar om­ te­ dienen» Marc.1:45. De kernvraag bij Marcus is dus: kan een mens overleven in de woes­tijn?­ Jezus heeft dat veertig dagen uitgetest. Kan iemand overleven in­ de ont­luis­­­terde streken van Judea? Dan kan in dit verband ook be­grepen worden:­­ «De zon zal verduisterd worden en de maan zal haar glans niet ge­ven» Marc.13:24. In Marcus 1:3 is er die stem in de woestijn en in v.11 die stem uit­­­ de he­­­­­melen. Die stemmen haken op elkaar in. God heeft als leid­raad,­­ als­ blauwdruk zou je kunnen zeggen, de Torah. Dat is zijn schep­­­­pings­­model.

Jezus wordt tot zoon verwekt

«Gij zijt mijn Zoon, de geliefde; in U heb Ik mijn wel­behagen» Marc.1:11. Dit is een mengcitaat. «Gij zijt mijn knecht, in wie Ik een welbehagen heb»  Jes.42:1.

Jesaja 42 is weer een ballingschapgedeelte; daar wordt de knecht­­ ge­institueerd en die knecht is de Messias. «Neem toch uw zoon, uw enige, die gij liefhebt» Gen.22:2. «Mijn zoon zijt gij; Ik heb u heden verwekt» Ps.2:7. Deze laatste tekst grijpt terug naar de parallel-tekst in Mattheüs. Jezus wordt tot zoon verwekt bij de doop in de Jordaan. Hij wordt daar­­­ als het ware tot Zoon beroepen. Die stem spreekt dus vanuit de Torah, vanuit de profeten en vanuit de­­­ Psalmen. Dat is de driedeling van de Hebreeuwse Bijbel. De stem­­ geeft­ dus eigenlijk een Midrasj op de Schriften. Er komt dus een­­ Mi­drasj­ uit de hemel. De stem is de echo op de Pro­feten, de Psal­­men en Mo­zes. De weg van de Messias loopt dus in vele dingen parallel met de weg van­­­ Israël. Het lijden van Israël heeft alles te maken met het lij­den­­ van­ de Messias. Het kan zelfs niet van elkaar worden gescheiden. Zo is­ Je­saja 53 de lijdensweg van de Messias, maar het is ook de lij­dens­­weg van­ Is­­raël.

Methoden van de Midrasj

Eén van de manieren, die de Midrasj gebruikt, is het citeren van een tekst­­ uit de Tenach. Een tweede manier is het oppakken van een thema. Zo bijvoorbeeld Za­­charias en Elisabeth in Lucas. In dit verband staat er zo mooi: «Ze waren ver op hun dagen gekomen». Bij deze geschiedenis ontstaat ogenblikkelijk de associatie: Abraham en­­­ Sarah. Oók ver op hun dagen en óók geen kinderen. Hetzelfde doet Mattheüs. Jezus, dat is Mozes opnieuw. Mozes op de­­ berg­ en Jezus op de berg. Die berg heeft ook weer een Midrasj­func­­­tie.­­ De berg van de geboden, de berg van de onderwijzing, de To­rah.­­ Zo’n­­ berg heeft dus een verwijzende functie. We zien­­ een identificatie van­­ personen. Elia en Johannes de Doper; Mo­zes­ en Jezus. Paulus wijst­­ naar Hagar en de Sinaï als het wet­ti­sche.­ Galaten 4 is in feite een­ Abra­ham-Midrasj. Het derde punt was dus de identificatie van personen. Het is bij deze punten dan ook nooit òf-òf, maar èn-èn. Als God gaat spreken, spreekt Hij dóór mensen. God spreekt maar niet­­ ins blaue hinein; anders was Hij ook niet de God van Israël. De God van Israël spreekt juist met de warmte van mensenwoorden, met­­ emoties. God spreekt de taal van mensen.

Uitgangspunten bij de compositie van Marcus

De rabbijnen zeggen zelfs: God gaf de wet vanaf de Sinaï in 70 talen,  70 is het getal van de volkeren. Als Marcus gaat schrijven, betekent dat niet: verstand op oneindig  en­­ God houdt zijn pen wel vast. Het is geen automatisch schrift, dat is­ voor­­ spiritisten. God werkt echter altijd samen mèt jou. De mens heeft­­­­ dus ook zijn inbreng. Marcus heeft dus ook bewust gecom­po­neerd.­ Elke ge­schiedschrijver heeft zijn eigen interesse, geen en­ke­­le ge­­schied­schrijver noteert álles. Marcus is dus gaan com­­poneren van­­­uit zijn interesse en ook vanuit de situatie, waarin hij­­ verkeerde. Die­ situatie werd bepaald door de puinhopen van Jeruzalem. Daarbij na­tuurlijk ge­leid­­ door Torah en Profeten en dat alles onder leiding van­ de Heilige Geest.­ Ook zal elke prediker, indien mogelijk, inspelen op een bepaalde, op een­­­ plaatselijke situatie. Bij Marcus zijn dat de grootheden: Tenach, puinhopen van Je­ru­za­lem,­ Jezus de Messias; en dan is hij er zelf ook nog. Ook houdt een schrijver natuurlijk rekening met het taalveld, waarin hij­­ spreekt. Een­ evangelist op straat heeft een ander taalgebruik dan wat­­ door­gaans­ ­in gemeenten wordt gebezigd. Het spreken vindt in een bepaalde con­­text plaats­. God wil juist mènsen hebben, geen engelen. Engelen hebben niets­­ mee­­­gemaakt op dat gebied. «Want niet aan engelen heeft Hij de toekomende wereld on­der­wor­pen» H­ebr.2:5.

Als met Maleachi de geest van de profetie gaat zwijgen, dan kun je zeggen, dat met de komst van de Messias de geest der profetie weer­ te­­rug­komt.

De balk moet uit het huis

De rabbijnen vertellen de volgende midrasj:

Een man heeft een balk ge­­stolen uit het huis van zijn buurman. Die balk­ heeft hij ge­bruikt­­ om­ zijn eigen huis te bouwen. Op Grote Ver­zoen­dag moest dat­ ech­ter de wereld uit zijn. Die man wil dat recht gaan­ zetten. Hij gaat­ om raad naar de beroemde Hillel. Hillel zegt: be­taal die balk aan de­­gene, waar­van je hem hebt gestolen. Voor de ze­kerheid gaat de man­­ ook nog naar de strengere Sjammaï. Die zegt: je­ moet die balk uit­­ je eigen huis halen. Die man is bang dat nu zijn huis­ zal in­stor­ten.­­ Sjammaï zegt echter, dat hij dat er maar voor over moet­ hebben. Je­­ moet die balk terugbrengen, ook al stort jouw huis in.­

In dit ver­­­haal­ zit een diepe symboliek. Wie had er nu gelijk: Hillel of Sjam­­maï?­­ En dan zeggen de rabbijnen: volgens de Torah heeft Hillel ge­­­lijk:­ terugbetalen! In de dagen van de Messias heeft Sjammaï echter gelijk, in de dagen van­­­ de Messias gaan de dingen zwaarder tellen. Na de Tweede Wereldoorlog besloot Duitsland onder Adenauer scha­de­­­­­vergoeding te gaan betalen, de ‘Wiedergutmachung’. André Ne­her­­ zegt:­ dat is volgens de regel van Hillel, maar dat is niet vol­­doen­de. Met­­ geld alleen is ‘wieder gut machen’ niet mogelijk. Hier moe­­ten­ de re­­­gels­­ van Sjammaï gaan gelden, de regels van de Mes­si­aan­se da­­gen. De balk moet uit het huis. Duitsland is intussen weer “Groot-­Duits­land” geworden, maar wel steekt het neo-nazisme de kop­ op.­

De balk moet uit dat huis.

De Messiaanse dagen beginnen met Jezus. Jezus heeft zijn huis la­­­­ten­­ afbreken. Haal de balk er maar uit, die balk werd een kruis­­­­hout. Zo­ liet Jezus zijn eigen leven afbreken. Breekt deze tem­pel­­ af….  Soms moet er een huis afgebroken worden om iets te kunnen op­bou­wen.­­­ Soms staan er nog heel wat huizen overeind, die nog moeten wor­den afgebroken. Op de puinhopen wil God zijn huis bouwen.

De volledige studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

391574 bezoekers sinds 07-06-2010