Het evangelie naar Lucas

20-06-2010 door Dr. K.D. Goverts

Lucas was een Jood      

Een belangrijk uitgangspunt bij deze cursus is, dat Lucas toch wel een Jood moet zijn geweest.Vooral de laatste tijd helt men er bij het theologisch onderzoek steeds meer naar over, om uit te gaan van het feit, dat Lucas een Jood was. Naar alle waarschijnlijkheid was hij een Jood uit de diaspora. Het is zelfs mogelijk, dat hij uit Macedonië kwam. Misschien is Lucas te herkennen in die man uit Handelingen 16, die roept: kom over en help ons. «Er stond een Macedonisch man, die hem toeriep: Steek over naar Ma­ce­donië en help ons».  Hand.16:9. Lucas heeft ook het boek Handelingen geschreven. Juist als het gaat over Macedonië, wordt Lucas heel gedetailleerd. Letterlijk staat er in Han­delingen 16:9 «erbij roepen». Dat is hetzelfde woord dat gebruikt wordt voor de Trooster, de Parakleet. Er zijn heel wat punten, waar je vanaf zou kunnen leiden, dat Lucas van Joodse origine geweest moet zijn. Hij schrijft heel vaak en heel sterk met semitismen, je zou ook kunnen spreken van hebraïsmen. Dat zijn bepaalde kenmerken van het Hebreeuwse taaleigen, die dan in het Grieks weer terugkomen. Grieks, doortrokken met het He­breeuwse idioom. Je zou het ‘doorschijnend Grieks’ kunnen noemen. Je ziet het Hebreeuws er nog doorheen. Nog een punt wat de compositie betreft: Lucas begint en eindigt in de tempel.

Priesters

Lucas 1:1-4 vormt dan het woord vooraf. «Er was in de dagen van Herodes» Luc.1:5. Letterlijk: «er geschiedde» (wajehi). Dat is puur Hebreeuws gezegd. Vaak lezen we dat: ‘de dagen van…’ De Hebreeuwse mens denkt in dagen. De tijd komt altijd naar je toe in dagen. Dagen, de tijd die de mens krijgt op aarde om mens te wor­den. Het waren de dagen van Herodes, en dan zie je de bui al hangen. In die dagen was er een priester. Gelukkig, te midden van al die ko­ningen der aarde heeft God ook nog een priester. Een priester, een ko­hen. In het Frans: een reparateur, een wederoprichter. Of naar het La­tijn: een pontifex, een bruggen­bouwer. In de Bijbel zijn priesters altijd de vertegenwoordigers van Gods ge­duld. Een priester moet steeds weer het gebed en het offer brengen. Al komt iemand vele malen voor zijn zonden een offer brengen, de pries­ter moet zijn geduld bewaren. Het altaar moet altijd klaar blij­ven staan. Een priester kan nooit zeggen: je bent nu al vaak genoeg geweest. Zolang er priesters zijn, is God er nog. Te midden van dat koningschap van Herodes heeft God een pries­ter. Een priester is een teken van God op aarde. Terwille van de priester die dient, bestaat de wereld nog voort. Die priesters ver­zekeren het voortbestaan van de aarde, het voortbestaan van de ge­schiedenis.

Zacharjah en Elisabeth

«Er geschiedde in de dagen van Herodes, de koning van Judea, een pries­ter, genaamd Zacharjah (de Here gedenkt) » Luc.1:5. Zolang God gedenkt, is er hoop. «Hij heeft gedacht aan zijn genade» Ps.98. Als je Zacharjah ziet, zie je Psalm 98 wandelen. Zacharjah vormt als het ware een midrasj op Psalm 98. Als mensen in de Bijbel een naam krijgen, gaan ze een rol spelen in de geschiedenis. «De dagorde van Abia» Luc.1:5. Zijn vrouw was een nakomelinge van Aäron en heette Elisabeth, in het Hebreeuws Eliesjèwa’, wat ‘mijn God heeft gezworen’ betekent. Abia betekent: ‘God is Vader’. De vrouw van Aäron heette ook Elisabeth (Ex.6:22). «Zij waren beiden rechtvaardig voor God  (tsadikiem, dat is ook puur He­breeuws) zij leefden naar alle geboden en rechten (liever dan ‘eisen’) on­be­rispelijk (tamiem)» Luc.1:6. Liever voor onberispelijk het woord gaaf, uit één stuk. Letterlijk staat er niet zij leefden, maar zij wandelden. Hun gang (haliechaah) was in de geboden (mitswot), en in de rechten (misjpatiem). Het lijkt wel of in deze twee gestalten nog eens een keer heel de Torah van Mozes sa­menkomt. Genesis en Deuteronomium in levende lijve.

Onvruchtbaar

«En zij waren kinderloos» Luc.1:7. Kinderloosheid is in de Bijbel een bekend gegeven. Zo waren ook on­vruchtbaar: Han­nah, de moeder van Samuël; de moeder van Simson; Rachel; Re­bek­ka; Saraï.  «Sarah nu was ‘akaraah’» Gen.11:30. Buber vertaalt: Wurzelverstockt. Er kwam geen vrucht uit die wortel, die wortel was ten dode op­ge­schre­ven. Zacharjah en Elisabeth. Op het eerste gezicht lijken het net Abraham en Sarah. Zacharjah en Elisabeth, zij beeldden heel die gang uit van Abraham en Sarah, van de Torah.

Ver in hun dagen

«Zij waren ver voortgeschreden in hun dagen» Luc.1:7. Dus niet, op hoge leeftijd gekomen, zoals het NBG heeft vertaald. Daar heb je weer dat woord dagen. Jammer, dat het NBG dat weer laat ver­dwijnen. Ver in je dagen, is heel iets anders dan op hoge leeftijd. Dagen – dat is de tijd, die God de mens gegeven heeft. «En het geschiedde» Luc.1:8. Er gaat iets gebeuren. Geen Griek zou het in zijn hoofd halen om zo te schrijven, maar Lucas met zijn Hebreeuwse achtergrond wèl.

De tempel als kader

«In de orde van zijn dagmaat» Luc.1:8  (letterlijk). Daar heb je weer dat woord dag. Zacharjah wordt door het lot aan-gewezen en mag de tempel binnen­gaan. Het eerste tafereel bij Lucas vindt hier plaats in de tempel. Het Hebreeuws heeft geen woord voor tempel. Meestal gebruiken ze het woord huis. Hier wordt het Griekse woord naos, woning, gebruikt. Dat hangt sa-men met het woord neioo, of terugkeren. Het oorspronkelijke woord nesjoo, betekent: terugkeren naar huis. Via het Oudgotisch staat het dan in verband met het woord ganisan, wat genezen betekent. Gene­zen betekent dus: naar huis terugkeren, thuiskomen. Als een mens tot op de bodem van zijn ziel is genezen, is dat een thuis­komen. De tempel is eigenlijk de plaats, waar de mens terug mag keren, waar de mens thuis mag komen. Lucas begint met de tempel en eindigt met de tempel. «En zij keerden terug naar Jeruzalem met grote blijdschap en zij wa­ren voortdurend in de tempel, lovende God» Luc. 24:52. Die bijbelschrijvers hebben niet zomaar wat aan elkaar geschreven, zij hebben gecomponeerd. Hier gebruiken ze niet het woord naron voor tempel, maar hieron. Het Grieks heeft verschillende woorden voor tempel. De tempel staat als een soort kader om het Evangelie van Lucas heen. Lucas eindigt in Jeruzalem. Het vervolg van het Evan­gelie van Lucas, Handelingen, begint in Je­ru­zalem, en eindigt in Rome. Het Marcus-Evangelie begint en eindigt in Galilea. In Handelingen krijg je de weg van Jeruzalem naar Rome. Voor Lucas zijn er eigenlijk maar twee steden op de wereld: Jeru­za­lem en Rome. En dat heeft zijn betekenis. Mattheüs heeft aan één boek genoeg, Lucas moet twee boeken schrijven. Aan het slot van Mattheüs staat: «Maakt al de volken tot mijn discipelen» Matt.28:19. «Zie Ik ben met u al de dagen tot aan de voleinding der wereld» M­att.28:20. Daar hoeft geen tweede boek op te volgen. Lucas eindigt met: «En zij waren voortdurend in de tempel, lovende God»  Luc.24:53. Letterlijk: «zegenende God». Lucas eindigt zijn evangelie met mensen, die God gaan zegenen, met men­­sen die de zegen uitspreken.

De indeling van de eerste hoofdstukken

 1: 1-4      Woord vooraf

1: 5-80     Prelude

2: 1-20     Geboorte Messias – de kern

2: 21-40   Naspel (postludium).

Je ziet een driedeling. Lucas heeft die driedeling vaker. Een voor, een na en midden. In die prelude begint het met twee gestalten, Zachar-jah en Elisabeth. In het naspel krijg je weer twee figuren, Simeon en Anna. Ook van Anna wordt gezegd, dat ze ‘ver op haar dagen’ was. Van Simeon is dat minder zeker. «Nu laat Gij, Here, uw dienstknecht gaan in vrede» Luc.2:29. Men concludeert soms ten onrechte: ‘gaan in vrede’ is sterven. We zien hier twee maal twee getuigen. Die twee getuigen omlijsten de ge­boorte van de Messias. Die tweemaal twee getuigen vormen als het wa­re Israël. De Messias wordt te midden van zijn volk geboren. Niet anoniem, Hij wordt geboren in het huis van de Torah.

De verwekking van Johannes

Lucas 1: 5-80  wordt ook weer in drieën verdeeld.

A. 1: 5-25 

Hier gaat het om de verwekking van de voorloper, Johannes de Do­per. Gabriël komt bij Zacharjah op de plaats van het reukoffer. «En de gehele volksmenigte was buiten in gebed op het uur van het reukoffer» Luc.1:10. Gans Israël staat hier te bidden. Israël wàs nog het enige volk dat bid­­den kon. De Grieken en Romeinen waren min of meer uitgekeken op hun goden. Ook de filosofen propageerden nou niet direkt het bid­den. Israël, het volk van Jakob, het volk dat nog stem had. «De stem is Jakobs stem, maar de handen zijn Esaus handen» Gen.27:22. De heidenen gebruiken hun handen, zij moeten doen. Het volk van God bidt. «Wees niet bevreesd, Zacharjah, want uw gebed is verhoord» Luc.1:13. Blijkbaar hadden ze dus gebeden om nakomelingen. Letterlijk: uw gebed is ingehoord, naar binnen gehoord. God heeft dat gebed binnen gelaten in zijn troonzaal. God hoort een mens niet uit, maar God hoort een mens in. En als je ingehoord wordt, ben je welkom.

Gij zult zijn naam roepen – Johannes!

«En gij zult zijn naam roepen – Johannes!» Luc.1:13. Dus niet zoals het NBG schrijft: ‘de naam Johannes geven’. Je geeft die naam niet, je roèpt die naam. En zijn naam is Jochanan (Hebr.) of Johannes (Grieks). De Grootnieuws-Bijbel heeft: je zult hem Jo­han­­nes noemen. Dan echter heb je toch weer dat woord naam laten ver­dwijnen. Je zult hem niet met een naam noemen, maar met zijn naam. Jo-hannes krijgt niet ‘een naam’, maar hij krijgt zijn eigen naam. Het NBG heeft dus zijn naam onder de tafel laten verdwijnen. Je zult hem noemen, waarmee? Niet met ‘een naam’, maar met zijn naam. Dat is ook een kwestie van ‘Hebreeuws denken’. Die naam hoort bij je. Horen in dubbele zin. Je hòòrt in die naam wie je bent.

A. 1: 5-25.   Dit gedeelte vertelt over de verwekking van de voorloper.

B. 1: 26-56.  Hier zien we de aankondiging aan Maria.

C. 1: 57-80.  Gaat over de geboorte van Johannes.

Johannes de Doper (deel A en C), staat als het ware óm de Messias heen. Johannes staat er omheen, als vriend van de bruidegom. Zo heeft Lucas dat gecomponeerd, de voorloper als omlijsting. Dat zie je  in het groot in Lucas 1-2. Eerst prelude, dan in Lucas 2:1-20 de ge­boorte en dan het naspel. In Lucas 1 heb je twee liederen. De lofzang van Maria, v.46, en de lofzang van Zacharjah, v.68. Let op de omgekeerde volgorde: Zacharjah krijgt het eerst de engel op bezoek. Maar de laatste zingt het eerst. Dat is bijbelse rangorde. Je zou zeggen: Maria gaat pas zes maanden later zingen. Het heeft al­les te maken met het feit, dat Zacharjah de belofte niet geloven kan. Hij is met stomheid geslagen. Pas als de komst van de Messias zèlf wordt aangekondigd, worden de stemmen losgemaakt. Zo gaat Za­charjah, beeld van het hele volk, door een tijd van stilzwijgen heen. Er zijn tijden, dat het volk van God met stomheid is geslagen, dat het niet zingen kàn. Dan is daar dat demamaah, dat stilzwijgen.

Het lied van Mirjam

De Hebreeuwse naam voor Maria is Mirjam. Zo gaat een naam soms  een weg door de ballingschap. In het Grieks is het Mariam. Maria is de Latijnse naam. In Exodus stond ook een Mirjam te zingen, het lied bij de zee. Mir­jam stond bij het riet (suf), om te zien, wat er met haar broer­tje zou gebeuren. Later staat ze bij de oever van de zee, ook weer bij het riet. Bij de Jam Suf, de Rietzee. Dan ziet ze, hoe haar broertje het hele volk door de zee heeft geleid. Dan zingt ze. Inmiddels was ze toen al meer dan tachtig jaar oud.

De betekenis van liederen in de Bijbel

Veel dingen uit Lucas 1 vind je terug in de Lofzang van Hannah, in 1 Sa­­muël 2. Daar zie je drie gestalten, Miriam, Hannah en Maria, die in elkaars verlengde zingen. Alle drie zingen ze op dezelfde grondthe-ma’s. Aan het eind van Lucas 1 komt dan de lofzang van Zacharjah. Als er plotseling een stuk poëzie tussen een stuk proza komt in de Bijbel, dan heeft dat altijd zijn betekenis. Zo heb je midden in Jesaja  een lied, het lied van Hizkia. Zo’n lied heeft dan heel sterk een on­der­strepende functie. Als je het thema van die twee lofzangen aan het begin van Lucas ziet, dan zie je, dat het daar in heel Lucas om gaat. Zo’n lied zegt ‘op een verhoogde toon’, waar het in heel dat gedeelte om gaat. Zo’n lied is een extract, het is ‘verdicht’, het is een gedicht. Een lied onthoudt bovendien gemakkelijker, het heeft te maken met oude mondelinge tradities. In onze Middeleeuwen speel­den barden, minstreels en troubadoers in dat opzicht ook een belangrijke rol. Vroeger leerde men veel liederen uit het hoofd. Als je die liederen uit Lucas 1 in je hoofd hebt, dan klinken die nog door, als je Lucas 24 leest. Liederen moet je trouwens vaak niet ‘in je hoofd’ hebben, maar in je hart. Par coeur, zoals de Fransen dat uitdrukken.

De lofzang van Maria. Lucas 1: 46-56

Als je de lofzang van Maria vergelijkt met de lofzang van Hannah, dan zie je, dat Maria één regel zelf heeft bedacht. Al het andere komt uit Tenach. En die ene regel is vers 49. «Van nu aan zullen mij zalig prijzen alle geslachten». De originaliteit van een schrijver ligt in de manier waarop hij uit­spra­­ken van anderen samenvoegt en componeert. Elk lied is weer een recycling en elke lezing is weer een hèrlezing. In de oorspronke-lij­ke zin van het woord betekent lezen ook: samen­sprokkelen, verge-lijk ‘aren lezen’. Wie aren leest, brengt in een schoof bijeen. Die aren worden opnieuw gegroepeerd tot een zinvol en harmonisch geheel. Je hebt dus de rol van de tekst. Maar vooral de laatste tijd wordt er ook meer nadruk gelegd op de rol van de lezer. Iedere lezer doet iets met een tekst. Niemand leest helemaal blanco. Je hebt al­tijd wel iets in je achterhoofd. Dat is nog sterker het geval bij ver­ta­len. Het is ook nodig, dat de Bijbel in het Hebreeuws denken wordt over­­gezet, in het Maleis denken, in het Friese denken. Tom Naastepad zei: het brood wordt vermalen tussen onze tanden. Het woord moet brood worden. Jezus is het brood, en Hij wil gegeten worden…neemt en eet. Zijn lichaam wordt brood en zijn bloed wordt wijn. Het woord wordt verbrijzeld tussen die Griekse, Romeinse en Frie­se tanden. We ne­men die naam van Jezus op onze lippen. Zo wordt Hij verbrijzeld en verbroken. Maar, onze mond gaat dan wel staan naar die naam. Maria zingt haar lofzang, en in die ene regel is ze heel origineel. «Heeft zich verblijd over God, mijn Heiland (Sotèr)».  Luc.1:46. Heiland = Bevrijder. Sotèr = redder, heelmaker. Hebreeuws: Masjie ’ach.

De laatsten worden de eersten

Wat in de lofzang van Maria speciaal opvalt is die omkering. Het on-derste komt boven: «Hij heeft een krachtig werk gedaan door zijn arm, en Hij heeft hoog­moedigen in de overlegging huns harten verstrooid; Hij heeft machti­gen van de troon gestort en eenvoudigen verhoogd, hongerigen heeft Hij met goederen vervuld en rijken heeft Hij ledig weggezonden». L­uc.1:51-53

De zaak gaat op zijn kop.

Machtigen – eenvoudigen.

Hongerigen – rijken.

Dat lied is de toonzetting voor heel Lucas. Juist in Lucas kom je steeds die tegenstelling tegen van rijken en armen. Maria zingt en wàt zij zingt, gaat gebeuren. Zij zingt profetisch. “De laatsten worden de eersten, wie knielde krijgt een kroon”. «En nederen verhoogd» Luc.1:52. Liefst nederen in plaats van nederigen. Het gaat om degenen, die ne­der, die laag waren. Vergelijk ook vers 48: «Hij heeft omgezien naar de nederheid van zijn dienstmaagd» Luc.1:48. Het gaat er niet om, dat Maria nederig zou zijn, maar om het feit, dat ze laag zit. Het gaat hier niet om een gevoel, zelfs niet om een hou-ding, maar om een positie. Ze zit op de onderste trede van de trap. Dat betekent beslist niet, onontwikkeld, kijk maar naar haar lof-zang. Het gaat om een sociaal-maatschappelijke situatie. Maria is, zo­als de Tenach zegt: een ‘ani. Meestal vertaald met de ellendige. «Al ben ik ellendig en arm, de HERE gedenkt mijner» Ps.40:18. Ellendig is in dit verband dus niet zozeer een gevoelskwestie. Letterlijk staat er: neergebogen. Neergebogen onder de machtheb­bers. M­achthebbers, zowel in de natuurlijke als in de geestelijke wereld. Het zijn altijd de kleintjes die niet aan bod komen. In al die syste-men kunnen de kleintjes hun stem niet verheffen. In de berijmde ver­sie van de lofzang van Maria heeft men het heel juist vertaald:  ‘Die in haar lage staat’.  En dan staat er zo mooi: «En Ik zal mijn hand keren tegen de kleinen» Zach.13:7. Beter vertaald:  «Wenden naar de kleinen». In al die machtssystemen kunnen de groten niet op de kleintjes let­ten. De Farao kon ook niet op die kleintjes letten. Die waren goed om een piramide te bouwen. Juist de God van Israël heeft oog voor het kleine, het verachte. Daarom kiest Hij ook juist Israël uit. «Veeleer zijt gij het kleinste van alle volken» Deut.7:7. In Exodus werden de Israëlieten meestal Hebreeërs genoemd. Dat was een soort ‘tussen de wal en het schip klasse’. Een soort import, gast­arbeiders, asielzoekers. Als je daar te veel van kreeg, dan moest je daar ­iets aan doen, vond de Farao.

Armen en rijken bij Lucas

Speciaal Lucas heeft het vaak over armen en rijken. Alleen Lucas heeft de gelijkenis van de rijke dwaas. Ook alleen bij Lucas de rijke man en de arme Lazarus. Alleen in Lucas de rijke rentmeester. Het heeft te maken met het Hebreeuwse denken, dat nogal sterk werkt met contrasten. Die tegenstelling tussen rijk en arm zie je ook in het boek Spreuken. Ook is het heel typerend voor de Torah. In Deuteronomium wordt heel wat keren gezegd: je moet aandacht hebben voor de zwakke, voor de arme. «Gij zult uw hand wijd openen voor uw broeder, voor uw ellendige en uw arme in uw land».  Deut.15:11. Met nadruk wordt hier in de grondtekst steeds dat woord uw ge­bruikt. Het NBG heeft dat helaas weer wegvertaald. Het is niet ‘de ar­me’, maar het is jouw arme. Je kunt niet zeggen: die armen zijn er nu eenmaal, moeten ze eventueel maar naar de Bijstand gaan. Het zijn jouw armen en ze zijn in jouw poorten. De SV heeft dit dus beter vertaald. «Zijn barmhartigheid van geslacht tot geslacht voor wie Hem vrezen» Luc.1:50. «Zo machtig is zijn goedertierenheid over wie Hem vrezen».  Ps.103:11

Verbondstrouw en barmhartigheid

In deze teksten staat het woord chèsed, is verbondstrouw. Dit woord komt vijfmaal voor in Lucas 1. Het is een sleutelwoord. In het Duits komt dat woord nog beter tot zijn recht. Het wordt daar vertaald met een woord, dat het verband aangeeft tussen een leenheer en een leen­man. Die leenman kan op die leenheer re­kenen. Als ze jou aan­vallen, kom ik je te hulp. In die barmhartigheid speelt ook  het woord rachamiem mee. Dat hangt samen met rèchem, wat moederschoot be­tekent. Barmhartigheid wordt eigenlijk geboren uit de moeder­schoot van God. Die barmhartigheid zien we terug in de lofzang van Zachar­jah.

Enige kenmerken van de vier evangeliën

Het Lucas Evangelie is het Evangelie van de barmhartigheid. Mattheüs vertelt het Evangelie van de gerechtigheid. Marcus zou je kunnen typeren als het Evangelie van de weg. Het is de weg, die de Messias gaat. Of ook: de Knecht des Heren. Bij Johannes is vooral de Zoon, de Zoon des Mensen. Dat is een kern­ge­dachte. Het Johannes Evangelie vertelt van de Waarheid. Waarheid in de zin van onver­borgenheid, de waarheid komt aan het Licht. In de zin van waar­heid die geneest, waarheid die vrijmaakt.

Het kwaad zal op iemands hoofd terugkeren

Vaak zegt men: Zacharjah werd voor zijn ongeloof gestraft met stom­heid. Hierbij moet je wel verschillende dingen onderscheiden. Het He­­­breeuwse denken sprèèkt niet zozeer over straf. Het Hebreeuws heeft in feite geen woord voor straffen, wel voor corrigeren of terecht wijzen. Dus: de rechte weg wijzen. Men kent wèl de gedachte, dat de daad het gevolg al in zich draagt. Een daad heeft iets in zich, je zou kunnen zeggen: een daad is een zaad. Wat je zaait zul je oogsten. Een daad heeft een bepaalde sfeer in zich, dat een bepaald lot bewerkt. Een typisch Hebreeuwse uit-drukking is dan ook: het kwaad zal op iemands hoofd terugkeren. Wat je doet, gaat een bepaald leven leiden. Gelukkig zie je dan, dat God altijd nog bij machte is, een bepaalde kettingreactie te doorbreken. Hij kan een bepaald lot keren. Je bent niet zomaar overgeleverd aan het noodlot. God kan die ban, die cir-kel doorbreken. Dat is ook één van de kernpunten van het Evan-gelie: de cirkel wordt doorbroken. Boontje komt niet altijd om zijn loontje. De ijzeren wetten van oor­zaak en gevolg hebben niet het laat­­­ste woord.

Waaraan zal ik dit weten

«Waaraan zal ik dit weten? Want ik ben een oud man en mijn vrouw is ver op haar dagen gekomen» Luc.1:18. Deze vraag is dezelfde als in Genesis 15: «Waaraan zal ik weten» Gen.15:8. Zo luidde ook de vraag van Abraham. Zacharjah gaat letterlijk Abraham citeren. Maar als hij Abraham ci­teert, had hij ook kunnen weten, hoe het Abraham en Sarah verder was vergaan. Het antwoord op zijn vraag had Zacharjah in Genesis kunnen vinden. Genesis betekent nog altijd geboorte. Zacharjah had dus in dat verhaal van Abraham en Sarah moeten ‘gaan staan’. Dan had zijn verhaal in Genesis gestaan.

Gij zult zwijgend zijn

«Gij zult zwijgend zijn en niet kunnen spreken, tot de dag toe, dat de­ze dingen geschieden, omdat gij in mijn woorden niet geloofd hebt» L­uc.1:20. Wat Gabriël hier zegt, is meer het constateren van een feit, dan een verwijt. Dit hangt ook samen met het feit, dat engelen geen zonden kunnen vergeven. Vergelijk ook:

Vergeven en dragen

«Neem u voor hem in acht en luister naar hem, wees tegen hem niet wederspannig, want hij zal uw overtredingen niet vergeven» Ex. 23:21. Letterlijk: «Hij zal uw zonden niet dragen». Vergeven en dragen is hetzelfde woord in het Hebreeuws. Een engel kan dus niet zeggen: ik neem het wel op me. Dat is bij God en vooral bij de Messias gelukkig wel anders. Een engel heeft geen draag-kracht. Ze kunnen alleen de woorden van God dragen. Een engel kan niet het falen van een mens dragen. Zacharjah ontvangt die woor­­­den van de engel niet, en die engel kan dat niet dragen of ver-geven. Engelen zijn in die zin geen priesters.

Een tijd van zwijgen

«Gij zult zwijgend zijn».

Daarin is Zacharja ook tegelijk beeld van een heel volk. Israël is vaak een zwijgend volk geweest. Dan heb je niets meer te zeggen. Dat is ook een vorm van ballingschap. Dan heb je geen stem meer, je bent  uitgepraat. En moet je zwijgen tot… «De dag dat deze dingen geschieden zullen» v.20. En wonderlijk, juist door zijn zwijgen wordt Zacharjah een teken. D­at is niet zozeer een straf als wel een symbool. We leven soms in een ‘zwijgende tijd’. André Nehèr spreekt van de ballingschap van het woord. Als Israël in ballingschap gaat, gaat het woord in balling­schap. Zo is het vaak ook met de kerken gegaan in de loop van de eeuwen. Dan is daar een tijd van zwijgen. Soms moet je door een tijd van zwijgen heen tot de dag, dat die dingen gaan ge­schieden. «Een tijd om te zwijgen en een tijd om te spreken» Pred.3:7. Ook Ezechiël moest soms zwijgen. «Tot de dag dat de wachter komt en zegt: Jeruzalem is gevallen». «En uw tong zal Ik aan uw verhemelte doen kleven» Ez.3:26. Geroepen tot profeet en je hoort meteen niets meer! Je zou haast zeg­­gen: einde van de preek. Ezechiël (3:15) zit daar verbijsterd neer te midden van de ballingen. «Zij begrepen, dat hij in de tempel een gezicht gezien had» Luc.1:22. Dan kun je je afvragen, hoe wisten ze dat. Misschien straalde zijn ge­­laat wel. Soms kun je aan iemand zien, dat hij wat gezien heeft, dat hij ‘achter de schermen’ heeft gekeken. «De dagen van zijn liturgie zijn vervuld» Luc.1:23. Als de dag van de geboorte, van de vervulling, aanbreekt, dan kan Za­charjah weer spreken. Dat is met ons misschien ook zo. Mis-schien is er een tijd, dat het volk van God niet kan spreken. Jozef heeft ook lange tijd moeten zwijgen in de gevangenis. Mozes heeft ook veertig jaar moeten zwijgen in Midian. Dat is in zekere zin een ‘broedtijd’. Een tijd, dat het woord wordt uitgebroed. Die woorden zijn voor­lopig opgeborgen. «In zijn pijlkoker stak Hij mij» Jes.49:2. Je ziet het ook in het beeld van het zaad.

Het zaad dat in de aarde viel

moet zwijgen en het land ligt stil.

Het zaad zwijgt, het lijkt de ballingschap wel. Zacharjah moet de bal­lingschap uitbeelden. Hij moet zwijgen. Hij moet die wachttijd uit-beel­den. Pas na die stilte komt het zaad op. Dan zal het vrucht dra-gen in onvergankelijkheid.

Wees gegroet, gij begenadigde

«Wees gegroet, gij begenadigde, de Here is met u» Luc.1:28. Die groet is ook weer een midrasj. Deze prachtige begroeting is in som­­mige vertalingen wel erg pover weergegeven. Zo heeft de ‘Groot Nieuws Bijbel’: «De engel kwam binnen en zei: dag Maria». Dan heb je de neiging om te zeggen: de groeten! ‘Wees gegroet’. In de grondtekst staat letterlijk: ‘Verheug u’. Daarin hoor je Sefanja 3 en Zacharjah 9 meeklinken. «Jubel luide, gij dochter van Sion; juich» Zach.9:9. «Jubel, dochter van Sion, juich, Israël; verheug u en wees vrolijk van gan­ser harte, dochter van Jeruzalem» Sef.3:14. Maria is op dat moment dochter van Sion, of van Jeruzalem. Als je dat goed vertaalt, kun je de profetenstemmen erin horen. Deze tek-sten worden juist gesproken tegen Israël in de ballingschap. Die bal-lingen hadden het niet breed, die waren ook in ‘hun lage staat’. De vertaling ‘Wees gegroet’ is in feite al een verzwakking. «Hoe zal dat geschieden» Luc.1:34. «Geen woord, dat van God komt zal krachteloos wezen» Luc.1:37. Het antwoord aan Maria wordt gegeven met de woorden uit Genesis 18:14 uit het verhaal van Abraham. «Zou voor de Heer iets te wonderlijk zijn» Gen.18:14. Maria zingt haar lofzang. Je kunt zingen als daar iets is van geloof. Maar soms zingt een mens tegen zichzelf in, in die zin, dat je boven jezelf uit zingt. Soms ben je in je lied verder dan je voor je gevoel bent. Het lied wordt ergens geboren. Soms kun je jezelf op weg zin-gen naar het geloof. Je begint te zingen zonder te weten waar je ko­men zult, net als Abraham. W.Barnard heeft prachtig geschreven over het verband tussen loven en geloven. Daar ligt in het Nederlands vanouds ook een verband. Liefhebben heeft hier ook mee te maken, lieven en loven.

In Nazareth, waar Hij opgevoed was

In Lucas 4 lezen we de beschrijving van de eerste toespraak van Je­zus in Nazareth. Dat is eigenlijk het program, het program van heel het evangelie. Daar gaat het dan gebeuren, als Jezus de profetie van Jesaja gaat lezen en gaat toepassen. «En Hij kwam te Nazareth, waar Hij opgevoed was» Luc.4:16. Ook te vertalen: waar Hij gevoed was. Daar in Nazaret had Jezus zijn voedingsbodem ontvangen. «En Hij ging volgens zijn gewoonte op de sabbatdag naar de synago­ge» Luc.4:16. Volgens zijn gewoonte! Dat waren die achttien stille jaren tussen zijn twaalfde en dertigste jaar. Achttien jaar heeft Jezus gehoord.

Hij gaat de synagoge ootmoedig in en uit

Zijn schouders zijn gebogen

Voor wie het boek ontsluit.

Aan wie heeft God gegeven

een hart om te verstaan

Om woordelijk te leven

en dankbaar voort te gaan.

Een man roept ‘Abba, Vader’,

Hij is een zoon der wet.

De jongste zoon van Adam:

Jezus van Nazareth.

Hij luistert met de schare

en zingt het oude lied

van sluipende gevaren

op eigen grondgebied.

De haat der goddelozen

o zaad van Abraham,

Hij kiest en wordt gekozen

voor God als offerlam.

Hij leest en wordt gelezen

Een stem tot bloedens toe,

Om woord voor woord te wezen

Wat God met ons wil doen.

Wij kinderen van Adam,

wat hebben wij gehoord?

Wij roepen ‘Abba, Vader’, dat is ons enig woord.

Jezus leest voor in de synagoge,

Hij leest en wordt gelezen.

Het Kerstverhaal

Luc. 2: 1-20. Dit gedeelte is ook opgebouwd uit drie fragmenten. Die compositie kun je herkennen aan drie keer: En het geschiedde…

En het geschiedde     Vers 1-5

En het geschiedde     Vers 6-14

En het geschiedde Vers 15-20. Het NBG verdeelt het verhaal ten onrechte in twee gedeelten. In v.21 begint een volgend stuk; het naspel. «In die dagen, dat er een dogma uitging vanwege keizer Augustus, dat de gehele bewoonde wereld (oecumene) moest worden ingeschreven» L­uc.2:1. Het Romeinse Rijk was de gehele bewoonde wereld, zo dacht men in Rome. Daarbuiten bestond in feite niets meer. De gehele aarde is aan Rome onderworpen. In latere tijd werd dat ook van Oostenrijk ge­­zegd: het gehele aardrijk is Oostenrijks onderdaan. «Ingeschreven…inschrijving…laten inschrijven…te laten inschrijven»  L­uc.2:1-5. Iedereen had het over de inschrijving. Het gehele rijk gonsde van de inschrijving. «De HERE telt bij het opschrijven der volken: deze is daar geboren» Ps.87:6. God heeft ook een inschrijving, zijn ‘burgerlijke stand’. Lucas   2:1     …de hele bewoonde wereld…

2:2     …Syrië…

2:3     …eigen stad…

2:4     …Jozef en Maria.

Je ziet in deze tekst, hoe het beeld steeds meer wordt ingeperkt. Het begint heel wijd: de hele bewoonde wereld en dat wordt gecon­cen-treerd naar twee mensen. «Naar de stad van David» Luc.2:4. In de regel is Jeruzalem de stad van David. Hier is het Bethlehem. Dat geeft een verrassingseffect. De eerste vijf verzen beschrijven de we-reld­geschiedenis. In v.6-14 krijg je de geschiedenis van God, dus vanuit de hemelen. D­at is het tweede gedeelte van dit verhaal.

De dagen worden vervuld

«Dat de dagen vervuld werden» Luc.2:6. Daar heb je weer die Hebreeuwse dagen. In Genesis zie je al steeds die uitdrukking: «De dagen worden vervuld». De dagen worden volgemaakt. Jakob zegt op een gegeven ogenblik tegen Laban: «Geef mij mijn vrouw en kinderen, want de dagen zijn vervuld». Dan kun je niet vertalen met: «Want de tijd is om».  Dat is iets totaal anders. Als de tijd om is, ga je inpakken en wegwe-zen; maar als de dagen vervuld zijn, gaat het gebeuren! Als de dagen vervuld zijn, gaat het beginnen; als de tijd om is, houdt het op.

De volledige studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds 

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

391322 bezoekers sinds 07-06-2010