Het evangelie naar Johannes

20-06-2010 door Dr. K.D. Goverts

Als inleiding op het verhaal van Johannes willen we beginnen met een ge­dicht, geschreven naar aanleiding van 1 Kor.13 vers 12. Maar nu zien wij nog door een spiegel in raadselen, maar straks van aangezicht tot aangezicht… (panim el panim) (1 Kor.13:12). We zien nu vaak alleen nog maar dat raadsel. We kijken tegen een scherm aan, we zien dóór een spiegel. Eigenlijk is dat een merkwaardige zin: is er verschil tussen het kijken ín een spiegel of het kijken dóór een spiegel? Als je in een spiegel kijkt, zie je jezelf. Maar als je nu dóór een spiegel kijkt? ‘Als ik in de spiegel kijk, het kind is dan verdwenen…’Dat heeft ook te maken met 1 Kor.13. Toen ik een kind was, sprak ik als een kind, voelde ik als een kind, over­legde ik als een kind. Nu ik een man geworden ben, heb ik af­ge­legd wat kinderlijk was…   (1 Kor.13:11)

Als je ín de spiegel kijkt, zie je jezelf; als je dóór de spiegel kijkt, zie je al die mensen die je naaste willen wezen.

Evangelie van Jochanan.

Jochanan betekent: de Heer is genadig. Johannes schrijft op zijn eigen unie­ke manier een verhaal. Het wordt meestal dan ‘het vierde Evangelie’ ge­noemd. Het vierde Evangelie is ook nogal afwijkend van de drie voor­gaan­de. Het lijkt wel, of het in die reeks niet past. Er staan veel minder ge­ne­zingsverhalen in; ook minder gelijkenissen. Wel komen er een paar gro­te thema’s aan de orde. Chouraqui zegt in een korte inleiding op het Johannes-Evangelie: Je zou deze vierde beschrijving kunnen typeren als een symfonie. Het Johannes­Evangelie is eigenlijk wat structuur en opbouw betreft een symfonie. Bij een symfonie heb je een grondthema, waaruit twee of drie andere thema’s voortkomen. Het grondthema vinden we in Johannes 1: Het eeuwige Woord. Daar komen dan twee of drie thema’s uit voort, die dan heel de structuur van het Johannnes-Evangelie bepalen. Chouraqui zegt: wat dat betreft lijkt het Johannes-Evangelie op het Hoog­lied. Het grondthema van het Hooglied is de Liefde. Van daaruit krijg je dan ook het thema van de ballingschap en het thema van de nacht. In de nacht zijn de geliefden elkaar kwijt. In wezen zie je diezelfde structuur ook in het Evangelie van Johannes. Ook daar wordt begonnen vanuit de grond­­toon van de liefde. Daar gaat het dan ook over de wereld en over God en de mensheid, die elkaar kwijt zijn. Want de wereld betekent eigen­lijk: God en de mens zijn elkaar kwijt. Meteen in Johannes 1 worden deze grondtonen aangeslagen. Wat dat be­­­treft is Johannes een meesterlijke dirigent. Johannes moet wel heel muzi­kaal zijn geweest. Je zou kunnen zeggen: het is een gave, om zó muzi­kaal te kun­nen schrijven. Je moet het Johannes-Evangelie daarom ook eigenlijk hó­ren. In het monnikendom van de derde en vierde eeuw werd er heel wat in de Bijbel gelezen, maar er werd eigenlijk maar bitter weinig uitgelegd. Lezen was eigenlijk het enige wat ze deden, lezen en voorlezen. Hoe meer je leest, hoe minder je hoeft uit te leggen. Misschien willen wij wel zoveel uit­gelegd hebben, omdat we zo weinig lezen. Wat dat betreft moeten we mis­schien wel een beetje meer monnik worden. Het woord monnik (monachos) betekent eenling, die monniken zijn wat een­kennig. Die willen alleen maar lezen, horen en weer lezen. Hoe meer je uitlegt, hoe meer het gevaar dreigt, dat je van je tekst afdwaalt. Dan ga je steeds meer om je tekst heen praten. Het is dan of je gedwongen wordt te kijken en te luisteren via de ogen en de oren van een ander. Het is zoals bij een gids, die bij een bezienswaardigheid een stortvloed van woorden over je uitstort. Op zich kan het een zegen zijn, als er eens een poosje níets wordt uitgelegd. En dan kun je je afvragen, wat er nu het sterkst in je gedachten blijft hangen: de tekst, of de uitleg van de tekst. Waar heb je ook het meest aan in de kritieke uren? Wat is de diepste grond, waarop je in je onderbewustzijn kunt terugvallen. Soms moet je niet teveel uitleggen. Misschien is dat ook het geheim voor de gemeente van van­daag en morgen. In die oude kloosters werd ook steeds maar weer ge­lezen en uit de Psalmen gezongen.

Chouraqui vertelt: In mijn jeugd zong mijn vader het hele psalmboek door. Dan had hij niet de gelegenheid meer om het ook nog eens uit te leggen. Tenslotte staat er ook: het geloof is uit het hóren, niet uit het uitpluizen. Johannes heeft zijn symfonie geschreven ergens aan het eind van de eer­ste eeuw. De aanhef van Johannes 1 is meteen ook heel anders dan die van de andere Evangeliën. Mattheüs begint met een geslachtsregister; Lu­cas begint met een geboorteverhaal. Johannes gaat helemaal terug, Hij gaat terug naar den beginne, hij gaat terug naar vóór de schepping, hij gaat terug naar prenataal. Hij gaat terug naar de eeuwigheid. ‘Gij die er zijt in de nooit begonnen eeuwigheid’. Johannes gaat terug naar de eeuwigheid, terug uit al de dingen van de tijd, de tijd waarin je soms zo gevangen kunt zitten. Als Johannes zijn Evangelie begint met de woorden ‘In den beginne’, hoor je daar meteen de eer­ste woorden van Genesis in meeklinken: In den beginne schiep God… Daar staat  in het Hebreeuws beresjit. Dat is ook de titel van het boek Genesis. Naar de oude Joodse traditie kregen de bijbelboeken hun naam volgens de eerste woorden. Buber vertaalt ‘Am Anfang’, ‘In het be­gin’. Chouraqui vertaalt: ‘En tete’, ‘van hoofde aan, in het hoofd, het hoofd­stuk’. Johannes gaat helemaal terug naar het begin. Dat is ook heel wezenlijk voor ons in deze tijd. Wat gaat er vooraf aan al onze indrukken en lotge­vallen. Wat gaat er vooraf aan al onze hoogten en diepten, aan al ons wel en wee? Soms, als je een huis binnentreedt, kan er een speciale sfeer han­­gen, omdat er al iemand vóór jou geweest is. Dan word je als het ware welkom geheten door de gastheer, de voorloper. De Voortijdelijke was er al vóór het begin. Hij is de alfa, de aleph, Hij is de eerste letter. Het boek Genesis begint met een beth, beresjit; dan ben je bij de tweede letter van het alfabet. De rabbijnen zeggen: voordat Genesis begint, was er al een eer­ste letter. Johannes begint bij wijze van spreken op die witte bladzijde vóór Genesis 1. Hij begint al vóór de titelpagina. In den beginne, dat is als het ware in alle vroegte, zoals Jezus op de Paasmorgen. De vrouwen lopen door de hof, maar Jezus wás er al. ‘Hij wandelde door de hof, gans alleen’.  Die Ene was er al, voordat er iemand was. Johannes begint eigenlijk met een Paasverhaal. Soms, als kinderen ’s morgens beneden komen, vinden ze de tafel reeds gedekt; moeder was al op. Dat staat zo mooi in Spreuken: Zij staat op, als het nog nacht is…   (Spr.31:15)

Soms is het zo mooi om op een vroege zondagmorgen iets te proeven van de sfeer en de schoonheid van de schepping, voordat er nog iemand ont­waakt is. In een lied staat zo mooi:

Gij gaat in het donker voor ons uit

en niemand stuit uw grote gang,

de eeuwen door, een wereld lang.                                                  

In de nacht is er altijd Één, die jou al voorgegaan is.

Alle dingen zijn door het Woord geworden; de schepping is ontstaan door het Woord. Hij sprak en het was er. In alle vroegte is Hij begonnen te spre­ken. Dat eerste woord van de Schepper moet toch iets adembenemends zijn geweest! Dat was als het ware een stem die de stilte brak. God begint te spreken vanuit een gedachte. Eerst is er de gedachte en dan wordt het woord geboren, maar hoelang is daar niet over nagedacht; eeuwen en eeu­­wigheden! En dan is daar het moment dat de gedachte woord wordt. In oude tradities wordt gezegd: ‘God heeft de schepping gespróken’. An­de­re tradities zeggen: ‘God heeft de schepping geschréven’. Een woord kun je spreken, maar je kunt het ook schrijven. Hij schreef de schepping; en dan zie je daar heel vroeg in de morgen iemand zitten te schrijven. Er wordt een verhaal geschreven, een scheppingsverhaal; en daar kom jij ook in voor. God schrijft een brief; er is nog niets en er is nog niemand, maar straks zul je er wèl zijn. Al schrijvend schrijft God jou te voorschijn. De rabbijnen zeggen: in het begin was er de Torah, dat was de onge­schre­­ven oer-Torah. Later werd die Torah geschreven; en als God dan he­mel en aarde gaat scheppen, kijkt Hij eerst in de Torah, in de blauw­druk. De Torah is Gods handboek. En dan zegt Johannes: Ik ga weer helemaal terug naar het begin. Vooral in deze tijd is het belangrijk om te weten, waar je begin ligt. In een rabbijns verhaal zeggen de leerlingen tegen hun rabbi: Meester, vertel ons eens iets over het einde. En dan antwoordt de rabbi: weten jullie het begin dan al? Als je het be­gin bestudeert, weet je het einde ook, Geef ons eens een bij­belstudie over de eindtijd, en dan krijg je een verhaal over het begin, over de oertijd. In het begin ligt het einde besloten Als je de knop gezien hebt, weet je ook, wat voor bloem eruit komt.

In de begintijd ligt de eindtijd besloten. Een lied van Johannes de Heer zegt:

Zoals de knop reeds bloem bevat

En het zaad het trots geboomte.

Een Joods filosoof, George Steiner – niet te verwarren met de antroposoof Rudolph Steiner – heeft een boek geschreven onder de titel: De Gram­ma­ti­ca van de Schepping. Op de eerste bladzijde staat dan: Wij zijn het begin kwijt. Misschien is dat wel het meest wezenlijke punt, ook voor de mens van van­daag, dat we het begin kwijt zijn. Als in oude tijden de monniken een boek overschreven, werd van de eerste letter vaak een waar kunstwerk ge­maakt. Men noemde dat een intypist. Dat woord betekent letterlijk: hij be­gint, of het begin. De Middeleeuwse schriftgeleerden markeerden een nieuw hoofdstuk of een nieuw gedeelte met een – soms uitbundig – ver­sier­de hoofdletter. Zo’n beginletter werd dan opgetuigd met afbeeldingen van profeten, draken, mythische dieren of allerlei fantasiefiguren. Dat werd ook wel een initiaal genoemd. Die eerste letter, of dat eerste woord fun­geert dan als een klaroenstoot. W.F.Hermans heeft ooit een studie ge­schre­ven over eerste zinnen van romans. Die eerste zin is dan vaak bepa­lend of de mensen al dan niet doorlezen. George Steiner zegt dus: we zijn het begin kwijt. Misschien moeten we juist in het Johannes-Evangelie ons begin weer gaan ontdekken. En dat zou dan tegelijkertijd een genezingsproces zijn voor de hedendaagse mens.  Er zijn miljoenen mensen in onze West-Eu­ro­pe­se cultuur, die geen benul hebben van hun begin. Dat zijn al die men­sen, die naar de reclame zitten te turen of in een voetbalstadion zitten te joelen. De pijn van de hedendaagse mens is, dat hij altijd maar wordt voort­gejaagd, voortgejaagd als schapen zonder herder, maar ook als scha­­pen zonder begin. Ze zijn als mensen, die in een trein zitten, maar niet meer weten waar ze zijn ingestapt. We zijn het begin kwijt; misschien wordt juist daarom onze West-Europese cultuur zo bepaald door het den­ken over het einde, over het einde der tijden, over de ondergaande zon. En dan zegt George Steiner: het is sluitingstijd. Een basisuitspraak is: God heeft geen begin. Dat is voor ons moeilijk te be­­vatten. Wij kunnen niet denken zonder begin. Vanuit de Bijbel gezien kun je zeggen: God is er altijd geweest, Hij heeft geen begin. Van God kun je zeggen: Hij is de Eeuwige, zonder begin, zonder einde. Het troost­volle hier­van is, dat God voorafgaat aan alle wisselingen. Hij was er al voordat er iets of iemand bestond. Op een gegeven moment is God begonnen met de schepping. Alles wat God gemaakt heeft, heeft dus wèl een begin. Dat is het begin, dat uit Hem is voortgekomen. En toen kwam er een dag, dat God met jóu is begonnen. Jouw begin ligt daarom ook helemaal in Gods handen. De dirigent is er al­tijd al geweest, maar op een gegeven moment begint de uitvoering van het concert. Die dirigent wás er altijd al, maar de orkestleden zaten er mis­schien nog maar een half uur. Die dirigent was er altijd al, vanaf de oor­sprong. De Dirigent is zélf de oorsprong. Daar zit ook iets rustgevends in. Die dirigent of componist komt ook nooit te laat, die is ook niet onderworpen aan de tijd. Aan een beroemd com­po­nist werd gevraagd: U luistert zeker vrij veel naar muziek. Nee, was toen het antwoord, maar ik lees wél veel muziek. Als hij die muziek las, hoorde hij die muziek ook in zichzelf spelen. Hij had de partituur in de hand en wist dan, hoe de muziek klonk. Als God de partituur van de schepping leest, die Hijzelf trouwens heeft ge­schreven, dan hoort Hij de muziek als het ware al klinken. En dan roept Hij al­le zangers en musici op het toneel om te kunnen beginnen. Dat geeft er­gens ook een gevoel van veiligheid. De Meesterdirigent heeft alles in han­den, ondanks alle vreemde dissonanten, ondanks het feit, dat we nu nog door een spiegel in raadselen kijken. George Steiner zegt: In onze dagen kun je een wezenlijke vermoeidheid in het geestelijk klimaat bespeuren. In feite is dat niet zo vreemd, als je be­denkt, wat met name West-Europa in de twintigste eeuw zo allemaal heeft mee­gemaakt. De Eerste Wereldoorlog, daarna de crisisjaren; nauwelijks daar­van bijgekomen de Tweede Wereldoorlog. Toen de koude oorlog met de atoomdreiging en de toename van het terrorisme. En dan kun je je af­vra­gen: hoeveel kan een beschaving verdragen? Hoeveel kan een cultuur dragen? Het is eigenlijk geen wonder, dat de Europese cultuur uit elkaar valt, ook al wordt er gesproken van een Verenigd Europa. Indertijd schreef Spengler zijn boek: ‘De Ondergang van het Avondland’. Dat schreef hij al vóór de Eerste Wereldoorlog; in 1917 is zijn boek toen ver­schenen. Dan zie je, als je om je heen kijkt, de vermoeid­heids­ver­schijn­se­len van een cultuur. Dat is de innerlijke vermoeidheid in het geestelijk kli­maat van ons huidige tijdsgewricht. George Steiner zegt dan: in feite kun je stellen, dat het voor onze beschaving námiddag is. De dichter Hen­drik Marsman schreef al: Wij zijn eeuwen en eeuwen te laat geboren. We leven in een tijd, waarin alles zo snel mogelijk moet. We hebben ge­pre­fabriceerde woningen en instantpudding. Waar men vroeger eeuwen bouw­­de over een kathedraal, moet een kerk nu in een paar maanden over­eind staan. Het is namiddag en de schaduwen worden langer. We lijken ons naar de aarde te buigen, naar de nacht. We willen weten, wat er allemaal achter zit. Wat zit er achter die onmen­se­lijk­heid, achter al die vragen van de twintigste eeuw. Wat er gebeurd is sinds 1914 heeft een enorme schade aangericht aan de menselijke ziel. Twee wereldoorlogen in een vergevorderde beschaving hebben een enor­me schade berokkend aan de ziel van de mensheid. Hoe snel is West-Duits­land er niet bovenop gekomen, althans in economisch opzicht. Men sprak van het Wirtschaftswunder, maar wat was er met de ziel gebeurd?  En dan denk je aan dat woord: Wat baat het de mens als hij heel de wereld wint, maar schade lijdt aan zijn ziel…   (Matt.16:26).Wat gebeurt er vanbinnen? Hoe verwerk je al die trauma’s? We slagen er op geen enkele manier in om te bevatten hoe dat samen kan gaan: de wel­­vaart aan de ene kant van de wereld en de honger aan de andere kant. Honger, aids en andere rampen bedreigen op dit moment een groot deel van de mensheid. En door de massamedia kun je zowel de welvaart als de ellende vlak bij elkaar zien. Misschien is het ook daarom, dat de mo­der­ne mens zo ontwricht is. Wie kan dat bevatten? Wie kan tegelijk de wel­vaart en de ellende in zijn ziel sluiten? En soms komt die ellende en welvaart in één stad voor, of zelfs in één straat. In hoeverre is de mens in staat om die twee dingen tegelijk te beleven? We zijn het begin kwijtgeraakt. Dat is in wezen ook de grondtoon van het­geen we zullen gaan behandelen. Misschien is daarom Johannes 1 ook zo’n belangrijk hoofdstuk. En dan zegt Johannes: In den beginne was het Woord…   (Joh.1:1). Alleen dat ene zinnetje is al  van een grondleggend belang. Dit ene regel­tje zou je eigenlijk overal moeten ophangen, of nog beter: in je hart schrij­ven. In het begin was het Woord, de logos. En dat woord logos geeft een cen­traal begrip aan. Als je spreekt van het Woord, is dat eigenlijk een enigs­­zins beperkte vertaling, een beperkende vertaling. Het woord logos is in het Hebreeuws dabar, in het Aramees is het memra. Dat laatste woord betekent uitspraak, datgene wat gezegd wordt. Goethe heeft van dat woord logos een vertaling trachten te maken en dan noemt hij als betekenissen:

In de eerste plaats is het Woord.

Ten tweede zin. In den beginne was de zin.

Ten derde heeft het de betekenis van kracht.

In de vierde plaats is het daad.

Bij de vertaling kracht denk je aan die kracht die alles draagt, die overal ach­ter zit. Maar dat Woord dóet ook wat, vandaar de vertaling daad. In den beginne was de daad. Breukelman zegt: dat Woord heeft in het Hebreeuws een daadkarakter; het is een daadwoord. Het is een woord in actie, maar tegelijk is het ook een daad met een woordkarakter; het is dus ook een woorddaad. Nu is in onze samenleving vaak het probleem, dat het woord zo gedevalueerd is. Wij hebben vaak teveel woorden, we bulken van de woorden, reclame­fol­ders vol. En al die woorden worden heel snel weer bij het oud papier ge­zet. Op allerlei terreinen worden ontzettend veel wetenschappelijke en on­we­ten­schappelijke artikelen geschreven; bibliotheken vol. En de meeste ko­men in het gunstigste geval bij de tweedehands boekwinkel terecht, bij ‘de Slegte’. De meeste artikelen worden nooit door iemand gelezen. De beste manier om nederig te blijven  is, om datgene wat jij hebt geschreven terug te vinden bij de tweedehands boekhandel, bij ‘de Slegte’. Dat was nou mijn boek, mijn levenswerk, Daar heb ik mijn ziel in gelegd, maar ze konden het aan de straatstenen niet kwijt. Allemaal woorden, woorden, woorden. En bij allerlei gelegenheden zijn er mensen, die het woord willen voeren. Wilt u het kort houden, niet teveel sprekers, geen toespraken graag. En na het laatste woord zijn er altijd nog mensen, die een laatster woord willen uitspreken. De mensheid verdrinkt in woorden en in toespraken. Daardoor zijn we het bijzondere van het woord kwijtgeraakt. En dan komt daar het eeuwige zwijgen, waarin niemand iets zegt.

Nu wacht ik tot Gijzelve spreekt.

Zo vaak ik woorden voor U vond,

heb ik mij in mijn woord vermomd.

De mens zit verstopt en verpakt, vermomd, hij camoufleert zich in al die woor­den. Mooie woorden, mooie preken; o, wat kunt u het mooi zeggen. Zo werd er aan een predikant, die op kraamvisite was,na de beschuit met muisjes gevraagd: Wil dominee nu nog even mooi bidden met het kindje? Niet zomaar gewoon bidden, maar mooi graag. En dan bidt dominee even mooi. En het kindje is weer blij en vooral pappa en mamma zijn dan heel blij.

Spreek Zelf in mij het rechte woord.

Nu wacht ik tot Gijzelve komt.

En spreek, zodat uw knecht het hoort.

Misschien moet het dan heel stil worden. Herman Gorter zei: Hoe stil moet het worden rondom de dichter. Het moet heel stil worden, om echt een woord te kunnen horen. Twee wereldoorlogen zijn gepasseerd, vele rampen zijn voorbijgegaan. Dan moet er toch eindelijk de stilte komen om dat Woord te kunnen ver­staan. En dat moet dan het oer-woord zijn, dat oorspronkelijke woord, waar alle franje vanaf is.Terug naar het scheppingsverhaal, terug naar de tijd vóór het schep­pings­ver­haal. Terug naar vóór de schepping van de wereld en dan horen we weer het Woord zoals in Genesis 1: En God sprak…En dan was er een rabbijn, die als de vorige lezer las: En God sprak, zó verrukt werd, dat hij begon te juichen en te springen, zodat er niet verder kon worden gelezen. En wát God dan verder zei, drong niet meer tot hem door. Uiteindelijk moest men hem dan buiten de zaal zetten, anders kon er verder niets meer gezegd of behandeld worden. God sprak: Er zij licht; dat is het eerste woord. God heeft het eerste woord, Hij heeft het voor het zeggen. Zijn spreken ís zeggen. Het is het machts­woord van een gebieder. Wij zijn hier altijd weer gebonden aan de tijd. Een predikant zei: Hier heb­ben we nog een samenkomst, die aan en uit gaat, maar straks hebben we boven een samenkomst, die nooit meer uitgaat. Zelfs gemeenten zitten, ook op zondag, of juist op zondag, onder de druk van de tijd. Terwille van de tijdsdruk worden de zangdienst en andere activiteiten ingekort. Mis­schien is dat ook wel een vorm van ballingschap. In den beginne was het Woord en het Woord was bij God… (Joh.1:1). Dat woordje bij duidt onder andere op een relatie, die op God gericht is. En het Woord was God. Dit was in den beginne bij God… (Joh.1:1,2). Zo is dus de aanhef als een omsluitend begin. En dat Woord kun je onder­schei­den in drie lijnen of perioden. Eerst de schepping, dan het Oude Verbond en dan het Nieuwe Verbond. Alle dingen zijn door het Woord geworden… (Joh.1:3). Dat is de schepping.

En zonder dit is geen ding geworden, dat geworden is… (Joh.1:2). Dat Woord kon dus vertaald worden met logos of memra, maar het heeft ook te maken met de goddelijke wijsheid. We willen een paar teksten noe­men, die daar mee te maken hebben, waar je dat ook weer in terug­vindt. En dan zul je ook ontdekken, dat Johannes een rijke klankbodem had, een rijke achtergrond.

Door het woord des Heren zijn de hemelen gemaakt,

Door de adem van zijn mond al hun heer… (Ps.33:6). (Al hun legerscharen)

Deze tekst zou je één van de kroongetuigen voor Johannes 1 kunnen noe­men. Dus alles is tot stand gekomen door het Woord. Als je deze tekst naleest in de Septuagint, dan staat daar ook het woord logos.

‘Zijn de hemelen gemaakt’; letterlijk: stevig gemaakt, gegrondvest. Alles is begonnen met het Woord, dat woord wordt parallel gezet met de adem. De Psalmdichter heeft het nodig, om dat hier vast te stellen. Dit is niet zo­maar een theoretische opmerking, het gaat hier niet om een beschouwing. Dit gaat hier veel dieper; de Psalmdichter is ook bezig met heel de ge­schie­­­denis van de volkerenwereld. Daar gaat het ook over in het vervolg van Psalm 33. Hij verzamelt het water der zee als een dam, Hij legt watervloeden in schatkamers op. De ganse aarde vreze voor de Here, al de bewoners der wereld moeten voor Hem ontzag hebben. Want Hij sprak en het was er, Hij gebood en het stond er…  (Ps.33:7-9).

De dichter spreekt hier over de watervloeden, en dat zijn er nogal wat. Het gaat hier over de oervloeden, de tehomoth. De dichter spreekt dan verder over de ganse aarde en al de bewoners van de wereld. Letterlijk staat er: alle ingezetenen van het vasteland.

In vers 10 komt de dichter dan tot de kern, waar het hem om gaat:

De Here verbreekt de raad der volken,

Hij verijdelt de gedachten der natiën…(v.10)

Die Psalmdichter zit daar in Israël, een klein landje, een klein volkje. En hij ziet al die volken en natiën om Israël heen – toen ook al. Die natiën zijn daar aan het plannen en zitten allerlei gedachten uit te broeden; zo staat het er ook letterlijk. En als die volken bezig zijn met die plannen, wordt het de Psalmdichter bang om het hart. Waar gaat dat heen, om maar niet te vragen: waar komt het vandaan? Wat is het einde en wat is het begin? En dan kan de Psalmdichter ook overvallen worden door vermoeidheid. Dat is dezelfde moeheid als aan het eind van de twintigste eeuw, dezelfde uitput­ting. Je wordt moe van al het denken; waar gaat het met al die volken naar toe? Het is al begonnen met de Torenbouw van Babel. Toen ontstonden al die na­tiën; toen verstonden ze elkaar ook niet meer. Je zou dan haast geneigd zijn om te zeggen: de wortels van de twintigste eeuw liggen in Genesis 11. Volken uit voorraad leverbaar. Hoe meer vol­ken hoe meer ellende. Elk volk heeft zo zijn misères en zijn trauma’s. Elk volk heeft zo zijn raad en zijn plannen. Al die mensenkinderen (v.13) heb­ben heel wat plannen en bedenksels. De Here schouwt uit de hemel, Hij slaat alle mensenkinderen gade; (Ps.33:13). En dan komt in vers 16 ook nog het leger ter sprake. Geen koning wordt behouden door een machtig leger, geen held wordt gered door geweldige kracht… (v.16). Het paard komt ook nog ter sprake: het paard faalt ter overwinning, en doet niet ontkomen door zijn geweldige sterkte… (v.17). En dan zegt de Psalmdichter: nu moet ik even terug naar het begin, dat is de sleutel. Vanuit het begin komt alles op zijn plaats. Daarom is  Psalm 33 een soort begin-psalm, je zou het ook een ‘rustlied’ kunnen noemen. Van­uit de oorsprong mag je tot rust komen. Je mag tot rust komen te midden van die watervloeden, waarover in vers 7 wordt gesproken. In de He­breeuw­se Bijbel worden die watervloeden gebruikt als beeld voor de vol­ke­ren. De volkeren zijn als geweldige wateren, de volkerenzee, een oce­aan van natiën, waarvan de golven niet meer zijn te temmen.En dan is daar dat prachtige beeld van de Eeuwige, die daar gaat staan als dirigent op het strand en die daar de volkerenzee tot zwijgen brengt. Hij verzamelt het water der zee als een dam,  Hij legt watervloeden in schatkamers op (Ps.33:7). De volkeren, de oervloeden worden in de schatkamers opgeborgen. De wa­teren van de zee worden verzameld. In het Hebreeuws staat daar het woord kones, waar ook Knesseth vandaan komt. De Knesseth zou je kun­nen vertalen als de volksvergadering. Die volksvergadering wordt dus ge­temd; die vloed wordt getemd tot eb. Al die woeste golven worden tot be­da­ren gebracht. En dat alles met die ene grondgedachte: door het Woord. Door dat Woord is alles tot stand gekomen en door de ruach, door de adem of de Geest van God. Hij staat aan het begin en Hij staat aan het ein­de. Hij is de alpha en de omega. Kleijs Kroon placht er dan bij te zeg­gen: maar God is niet het héle alfabet. Daartussen zitten wel eens letters, waar­van je denkt: die moesten er niet wezen. Je kunt niet zeggen: alles wat er gebeurt is Gods wil, alles wat er plaats­vindt, heeft niet altijd Gods instemming. Maar Hij is wel de Eerste en Hij is ook de Laatste. Hij kan ook die oervloeden temmen. Lucas begint in feite ook met dat begrip logos. Als Lucas zijn Evangelie gaat schrijven, dan zegt hij: er zijn al velen ge­weest, die dat ook getracht hebben. Aangezien velen getracht hebben een verhaal op te stellen over de za­ken, die onder ons hun beslag hebben gekregen, gelijk ons hebben overgeleverd degenen, die van het begin aan ooggetuigen en die­na­ren van het woord geweest zijn…   (Luc.1:1,2)

Er zijn dus heel wat volgelingen geweest, die getracht hebben een doorlo­pend verhaal over de Messias op schrift te stellen. Letterlijk staat er:..van de dingen, die onder ons voldragen zijn… Die van het begin…Vanaf het begin; ook Lucas laat die toon horen. Hij zegt: als je nu bij Je­zus, bij de Messias wilt komen, dan ga je terug naar het begin. Ooggetuigen en dienaren (dienstknechten) van het woord… Voor ‘woord’ wordt ook hier het woord logos gebruikt. Het waren dus die­na­ren van dat hémelse woord, van het Woord. Ze werden ooggetuigen van de logos, van het ééuwige Woord; ze hebben het eeuwige Woord ge­zien. Het zijn dienaren geworden; ze hebben zichzelf in dienst gesteld van de eeuwige logos, van het goddelijke dabar, van het hemelse Woord. En dat eeuwige Woord kreeg in Jezus, de Messias, gestalte. We hebben Hèm gezien, nu hebben we de logos gezien, we hebben dat goddelijke Woord gezien. Dat Woord vanaf het begin hebben we mogen aan­schou­wen. Dat zijn we gaan navolgen, daar zijn we bij in dienst getreden. Je ziet dus, dat er tussen het begin van het Evangelie van Lucas een pa­ral­lel ligt met de opening van het Johannes-Evangelie. Dat is dan toch wel heel kostbaar, dat je dienaar, dat je getuige mag wor­den van die eeuwige logos. Als je in plaats van logos het woord woord ge­bruikt, dan zit je al met een beperkende uitdrukking. Dan heb je het ge­voel, dat je al een stukje uit de hemel zakt. Dan kom je al een beetje te­recht te midden van alle aardse dingen, te midden van die veelheid van aard­se woorden. Die eeuwige logos was daar vanaf het begin, vóór het begin. Die heeft daar rondgewandeld op de aarde, dertig jaar, drieëndertig jaar. Van die lo­gos wordt gezegd in Johannes 1:14… Het Woord is vlees geworden en het heeft onder ons gewoond en wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van de enig­geborene des Vaders, vol van genade en waarheid… (Joh.1:14). Die logos is vlees geworden. Dat is misschien wel één van de meest in­druk­wekkende uitspraken bij Johannes. De logos is vlees geworden; dat betekent veel meer dan: de logos is mens geworden. Dat begrip vlees om­vat heel dat aardse bestaan. Die onvergetelijke Nieuw-Testamenticus Dodd heeft dat op magistrale wij­ze uiteengezet. Hij zegt in één van zijn boeken: die andere evangelisten zijn veel meer bezig in de tijd, die hebben Jezus ‘neergezet’ in de tijd. Jo­han­nes doet dat niet op die manier. Johannes zegt als het ware: je hebt twee verdiepingen: je hebt de eeuwige wereld en je hebt de tijdelijke we­reld. Je hebt als het ware een bovenverdieping en een beneden­ver­die­ping. Het gaat ook telkens over afgedaald en weer opgevaren, van bene­den en van boven. En de Zoon des mensen moet verhoogd worden. Er is dus steeds sprake van die verticale beweging. Dat staat ook in die tekst uit Johannes 1: En de engelen Gods opstijgen en nederdalen op de Zoon des men­sen…(Joh.1:52). Telkens zie je dus die beweging van boven naar beneden en van beneden naar boven. De bovenwereld is dus die eeuwige wereld en de beneden­we­reld is de tijdelijke wereld. Die benedenwereld, die tijdelijke wereld, is dus het vlees. Dat betekent, dat de bovenwereld binnengekomen is in de be­nedenwereld. Dat is het grandioze van het Johannes-Evangelie. Johan­nes zegt als het ware: daar zitten we dan met z’n allen beneden te wezen; we lijden een kelderbestaan; we zitten ons hele leven in het sou-terrain. Door een klein raampje zie je af en toe een paar benen voorbij komen. Je zit onder je niveau, je zit haast onderaards. Dat is nou het vlees, de bene­den­verdieping, het tijdelijke. Je zit gevangen in de tijd en weet er nooit uit te komen; steeds maar weer de ellende van de dag. Maar Johannes zegt: er komt licht in de duisternis, er komt licht in je kel­der­bestaan. Hij begint in zijn eerste hoofdstuk meteen het licht te procla­me­ren. In het Woord was leven en het leven was het licht der mensen…. En het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet ge­gre­pen… (Joh.1:4,5). Daar zie je, dat het Johannes-Evangelie een symfonie is. Je krijgt in het eerste hoofdstuk al meteen de grondthema’s van het Woord, het Licht en het Leven. Met die drie thema’s kan Johannes voorlopig vooruit, daar kan hij wel een Evangelie mee vullen. Johannes zegt: het Woord wordt vlees, dat wil zeggen: nu daalt de boven­we­reld neer in de benedenwereld. En opeens gaat het licht aan in de kel­der. Want het vlees betekent ook: dat kelderbestaan. Dat is grandioos; Johannes is voortdurend bezig met die tweede etage.

We kunnen in dit gedeelte drie perioden onderscheiden:

 1) De schepping.

 2) Het Oude Verbond.

 3) Het Nieuwe Verbond

Het Oude Verbond begint in vers 4: …het licht der mensen…Dan staat er in vers 5: het licht schijnt in de duisternis; dat betekent: Mozes en de Pro­fe­ten. Vers 6 hoort ook nog bij het Oude Verbond; daar gaat het over Jo­han­nes de Doper. Johannes kwam om van het licht te getuigen; hij was het licht niet. In vers 9 begint dan de derde periode: Het waarachtige licht, dat ieder mens verlicht, was komende in de wereld. Dat is de komst van de Mes­si­as; Hij was het waarachtige Licht. Het Woord als Licht of als Openbaring, zoals dat ook al wordt aangegeven in: Want bij U is de bron des levens, In uw licht zien wij het licht… (Ps.36:10). Johannes denkt dus in die twee etages. Als het Woord vlees wordt, be­te­kent dat: er is hoop voor de kelder. Want dan zal dat licht gaan tot in de uit­hoeken van de kelderverdieping; tot in alle stofnesten van het sou-ter­rain. Dan zou je een loflied kunnen aanheffen: o, alle gij kelderbewoners, ver­heugt u, want de logos is tot u neergedaald met groot licht. Johannes denkt dus verticaal. Die andere drie evangelisten denken meer ho­ri­zontaal, in de tijd: er kwam iemand in de tijd. Maar Johannes denkt ver­ticaal: vanuit de eeuwigheid daalt de logos, het licht, neer. Dat is dus iets dat als een klaroenstoot mag klinken. En het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet ge­gre­pen…  (Joh.1:5). Je kunt deze tekst op een paar manieren verstaan; het kan betekenen: de duisternis heeft het niet begrepen. Het kan ook betekenen: de duisternis heeft het niet overmeesterd. Ditzelfde woord komt in het Johannes-Evangelie nóg een keer voor. Dat is heel ontroerend; maar het komt alleen in bepaalde handschriften voor. En daardoor is het vaak uit de aandacht verdwenen. Het gaat hier om het woord katelaben. En toen het avond geworden was, gingen zijn discipelen naar de zee en begaven zich in een schip over de zee naar Kafarnaüm…(Joh.6:16). En het was reeds donker geworden en Jezus was nog niet tot hen geko­men… (v.17). Het was avond geworden.

Storm op het Meer, jawel, ook bij Johannes. Het was avond, toen ook al, net als in West-Europa. De discipelen hadden er ook last van. Het was avond geworden, het was laat geworden. Letterlijk staat er:…de leerlingen daalden af naar de zee…Ook de leerlingen gaan naar beneden, naar de benedenverdieping. Dat woord afdalen heeft dus steeds een meer­waar­de in het Johannes-Evangelie; je hoort in dat woord verschillende dimensies meeklinken. Ze gaan naar de overkant van de zee naar Kafarnaüm, naar het dorp van de vertroosting. En het was reeds donker geworden. Letterlijk staat er: duisternis was reeds geschied. Nu zijn er bepaalde handschriften, die er hier nog een regeltje bij hebben. In het Griekse Nieuwe Testament staat dat in een noot onderaan de blad­zij­de. Dat ene regeltje luidt:…en de duisternis had hen gegrepen…De dis­ci­pelen in het schip werden dus door de duisternis gegrepen. Die dis­ci­pe­len krijgen het Spaans benauwd. Hier staat precies het tegenovergestelde van wat er in Johannes 1 staat: de duisternis heeft het licht níet gegrepen. Hèm kunnen ze niet krijgen. Maar op dat moment, heel de toenmalige gemeente in één bootje, heeft de duisternis hen gegrepen. Zij zaten ook in de kelder; de zee is de onder­ste verdieping. In die oude beelden zie je dat terug: eerst had je de hemel, dan de aarde en dan de wateren onder de aarde. De duisternis had hen gegrepen; ze zaten helemaal ingepakt in de duisternis; gevangen in de nacht. Johannes heeft dat natuurlijk met voorbedachten rade zo geschreven; de discipelen, ingepakt door de duisternis, Toen Johannes zijn zesde hoofd­stuk ging schrijven, wist hij nog drommels goed, wat er in hoofdstuk 1 stond. In Johannes 1, in de ouverture, in de toonzetting, heeft Johannes gezegd: de duisternis heeft het niet gegrepen. Maar, zegt Johannes, in die benedenverdieping kan wel zo het een en an­der gebeuren. Daar kan het zijn, dat die duisternis je helemaal te pakken heeft. In die duisternis zie je niets meer, en je denkt: is dit het nu? Je zit in die gesloten kelder achter gesloten deuren. En dan heb je het gevoel, dat je nooit meer boven zult komen. En het wachten is op de schipbreuk, wach­ten op de klap, wachten op het einde. Maar dan zegt Johannes: weet je het nog, we zijn begonnen met een lied, want Johannes 1:1-18 is eigenlijk een lied. We zijn begonnen met een gezang en we hebben gezongen over die eeuwige logos. En die eeuwige logos is het Licht en de duisternis kon Hèm niet grijpen. Ook al gebeurt het daarom in de tijd, dat die duisternis jou misschien te pakken neemt, onze eeuwige mens kan niét gegrepen worden. Dat kan een mens troost geven. Hoe vaak zie je niet, dat een kind van God wel eens door die storm en door die nacht heen gaat, ingepakt door de duisternis. Amy Carmichael vertelt in haar onvergetelijke boek: ‘God by Moonlight’: Het is wel gebeurd, dat we stonden bij het sterfbed van een kind van God, en dat dan de doodsstrijd toch heel zwaar was. Je hoopt dan, dat zo’n vrouw met een loflied op haar lippen naar de Heer kan gaan. Maar als er dan alleen maar wanhoop en duisternis is – ondanks gezamenlijk gebed – voel je je dan heel machteloos. Maar nochtans, ondanks dat, blijven we ge­loven, dat de eeuwige mens niet door de duisternis kan worden gegre­pen. Dat is ook wat Johannes hier beschrijft. Dat schip van de tijd gaat soms door de golven heen, of misschien wel onder de golven door. En soms denk je dan: waar is dan het geloof van die mens; en dan komen de kwa­de dagen en de donkere uren. Dat is ook wat Prediker 12 zegt: Gedenk dan uw Schepper in uw jongelingsjaren, voordat de kwade dagen komen en de jaren naderen, waarvan gij zegt: Ik heb daarin geen behagen……en er verschrikkingen op de weg zijn, de amandel­boom bloeit, de sprinkhaan zich voortsleept en de kapperbes niet meer helpt………….. (Spr.12:1vv). Als al die dingen dan plaatsvinden, dan zit je in Johannes 6, dan zit je in de storm, dan ben je ingepakt door de duisternis. Maar toch, in Johannes 6 mag je ook terugdenken aan Johannes 1. Johannes 6 wordt overstraald door Johannes 1. Als je in die storm zit, kun je dat nauwelijks bevatten; al­les schijnt daarmee in tegenspraak te zijn. En dan is het genade, als je er iets van mag bevatten. Dat is dan ook een wonder, dat een mens veel meer zegt, dan wat hijzelf kan bevatten of begrijpen. Het wonder is, dat Johannes 6 wordt over­straald door Johannes 1. De discipelen zitten in de storm en dan zien ze Hem gaan over de zee. De logos gaat over de zee. Het eeuwige Woord schrijdt over de wateren. De discipelen ervaren de angst en de verbijstering en dan horen ze die stem: Ik ben het, weest niet bevreesd. Dat is dan de logos, het eeuwige Woord. Dat is de bovenverdieping, die de benedenverdieping in bezit neemt. “We zullen niet ophouden met te verkennen. En het einde van al onze ver­kenningen zal zijn, daar aan te komen waar we begonnen en die plaats voor het eerst te kennen”. Dat is de vertaling van een gedicht van P.S.Ellioth. Dit zou je ook boven Johannes 1 kunnen zetten. De logos is dus de bovenverdieping. Het leven was het licht. De oude Grieken spraken ook al over de logos. Herakleitos is daar als een van de eersten mee bezig geweest. Dat was zo ongeveer in de zesde eeuw voor Christus. Deze Griekse wijsgeer uit Efeze zei: de logos is de wet­­matigheid in de dingen. Er gebeurt van alles, maar in en achter  al die din­gen zit een bepaalde grondwet, een dragende wetmatigheid. Daarom ge­beurt alles zoáls het gebeurt. Er is een orde in de natuur in de kringloop van worden en vergaan. Dat zou je dus de definitie van de logos kunnen noemen, althans in het denken van de oude Grieken: De orde in de kringloop van worden en ver­gaan. Zo zit er een bepaalde orde in het verloop van de seizoenen. Al het heden wordt verleden…Er zit ook een bepaalde structuur in dat worden en ver­gaan. Je zou kunnen zeggen: een soort oergegeven, een oerstructuur. Het is zo merkwaardig, dat juist de Duitsers zo op zoek zijn naar dat oer­gegeven, aldus zegt George Steiner. Dat is ook een typisch Duitse manier van zeggen: het Urwort. Misschien ook juist vanuit heel de frustratie van de geschiedenis; wat is er nu echt, wat is er authentiek, wat is er blijvend. Want de logos is dus het ene blijvende in de vlucht der verschijnselen. Al die verschijnselen komen en gaan, alles komt en gaat, maar de logos is het blijvende, de grondleggende kracht. In een lied wordt zo merkwaardig gezegd: alles komt en gaat totdat het voortbestaat. Dat is ook iets om over na te denken. Alles wacht op dat blijvende; zou­den wij ook eenmaal blijven……….. De logos is de zin van het wereldgebeuren. En Herakleitos zei: dat is de logos. Dat woord logos wordt ook wel vertaald met ‘de Rede’, dat is de god­delijke gedachte, de Wereldrede. Bolland, die vroegere filosoof uit Lei­den, placht dat dan ook te zeggen: alles is redelijk. (nou ja, alles…). Ach­ter heel die schepping zit toch een Wereldrede, ‘God is redelijk’. Dat zie je niet altijd, dat is niet altijd inzichtelijk, dat kun je niet zomaar narekenen. Dat kun je ook niet zomaar als een tekst aan iemand meegeven, daar moet je toch wel heel voorzichtig mee zijn. In den beginne was het Woord, in den beginne was daar die goddelijke ge­­dachte. En die logos schijnt in de duisternis. Dat geestelijk licht schijnt voor alles en allen. De zon schijnt evengoed voor de blinden als voor zien­den. Die logos is in al het geschapene onbewust aanwezig. Dat is het waar­achtige licht, dat ieder mens verlicht. De goddelijke genade maakt dat licht dan tot kennis, tot innerlijk weten in het hart. Want het doel is, en dat staat dan in:

Hij kwam tot het zijne, en de zijnen hebben Hem niet aangenomen… (Joh.1:11).

De wereld dankt immers haar oorsprong aan Hèm!

Dan mag je ingeleid worden, ingewijd; dat is dan ook wat er staat in:

Doch allen, die Hem aangenomen hebben, hun heeft Hij macht gege­ven om kinderen Gods te worden, hun, die in zijn naam geloven… Die niet uit bloed, noch uit de wil des vlezes, noch uit de wil eens mans, doch uit God geboren zijn… (Joh.1:12,13). De zijnen heeft in de eerste plaats betrekking op Israël. In het Johannes-Evangelie heeft het ook heel specifiek betrekking op Juda, want Jezus kwam uit de stam van Juda. Vandaar dat Johannes het ook heel in het bij­zon­der gaat toespitsen, en in de vertaling is dat dan meestal weergegeven met de Joden, op de Judeeërs. Want het gaat heel concreet, heel spe­ci­fiek, over de mensen van Juda. Anders loop je het gevaar, dat je een be­paal­de beeldvorming in de hand werkt. Vroeger had je een kinderbijbel, waarin dat nog eens extra werd aangedikt. Dan kon je de kinderen voor­le­zen over ‘de boze Joden’; en toen werden de boze Joden nog bozer. Als je de kinderen dat regelmatig voorleest, heb je weer jaren nodig om het weer recht te zetten. Het gaat in het Johannes-Evangelie in dit verband dus niet om de Joden als de bevolking van heel Israël, maar specifiek om de Judeeërs. Dat be­te­kent dan ook niet, dat die Judeeërs als bevolkingsgroep de grote boos­doe­ners zijn. ‘De Judeeërs’ staan dus voor Juda; Juda staat voor ‘de zij­nen’. Zij vormen het symbool voor het verzet vanbinnen uit. Je moet dit dus niet gaan lezen in de zin van dat hier van een heel volk spra­­ke zou zijn, anders dreigt al gauw een anti-Joodse gedachtegang. Dan zou je bepaalde groepen of mensen erop aankijken, alsof díe het ge­daan zouden hebben. Juda staat dus model voor alles wat ‘het niet pakt’, voor degenen die het ook niet grijpen, die op de een of andere manier geblokkeerd zijn. We gaan nog enkele teksten bekijken over die logos. Er zijn namelijk com­men­taren, die zeggen: in het Johannes-Evangelie gaat het in hoofdstuk 1 over de logos, die Wereldziel, die Wereldrede die al het geschapene door­trekt, en die zich dan ook manifesteert in de Messias, maar daarna, na Jo­han­nes 1 komt de logos niet meer voor. Maar, als je het goed gaat lezen en goed gaat horen, kom je tot de conclu­sie, dat deze redenering onjuist is. Die logos komt na Johannes 1 nog wel de­gelijk voor. Gij hebt nooit zijn stem gehoord of zijn gedaante gezien. En zijn woord hebt gij niet blijvend in u, want die Hij gezonden heeft, gelooft gij niet…   (Joh.5:37,38). Hier staat weer hetzelfde woord logos. Dus je kunt ook vertalen, door het niet te vertalen: …zijn logos hebt gij niet in u, blijvende… Dus de mens die gelooft, heeft die logos in zich, dat goddelijke woord, die god­delijke rede. Maar de mens die niet gelooft, die dat woord afwijst, die heeft de logos niet blijvend in zich. Dan voel je, dat als je het op díe ma­nier hoort, dat dit opeens een meerwaarde krijgt. Het gaat er niet alleen maar om, dat je een bepaalde tekst niet in je hebt, of dat je het woord niet in je hebt, maar dat je die goddelijke logos niet in je draagt. Maar omge­keerd, als je wél gelooft, dat die logos in jóu mag zijn. Heilig hen in uw waarheid; uw woord is de waarheid… (Joh.17:17). Hier kun je dus ook weer onvertaald zeggen: uw logos is de waarheid. Dat is die logos uit hoofdstuk 1:1, die was in den beginne, die gekomen is van­uit de bovenetage naar de kelder. Uw logos, uw wereldrede is de waar­heid. Hierbij zij opgemerkt, dat het begrip waarheid bij Johannes een heel be­lang­rijke rol speelt. We denken dan ook bijvoorbeeld aan het proces bij Pon­tius Pilatus, waar ook het begrip waarheid ter sprake komt. In feite kun je zeggen, dat in die oude bronnen, zoals onder andere in Spreu­ken 8, het begrip wijsheid sterk naar voren komt. In Spreuken 8 lezen we over de wijsheid, die er voor oude tijden reeds was; die wijsheid was al bij de Schepper, voordat de wereld begon. Die wijsheid was betrokken bij de schepping.

Zij wacht, waar de wegen zich scheiden,

zij komt en zij klopt aan de poort.

Zij is op de hoogten getreden,

zij roept op de pleinen der steden

 en al wie oren heeft hoort.

Spreuken 8 is een prachtig gedeelte over de wijsheid. In het Hebreeuws wordt wijsheid weergegeven met chogma, in het Grieks met sophia. Heel Spreuken 8 gaat dus over die wijsheid, maar dan in het bijzonder van­af vers 22, waar die scheppingshymne begint.

De Here heeft mij tot aanzijn geroepen

als het begin van zijn wegen,

vóór zijn werken van ouds af.

Van eeuwigheid aan ben ik geformeerd,

van den beginne, eer de aarde bestond,

Toen er nog geen oceaan was, ben ik geboren,

toen er nog geen bronnen waren, rijk aan water.

Eer de bergen omlaag gezonken waren,

vóór de heuvelen ben ik geboren;

toen Hij het aardrijk en de velden nog niet had gemaakt.,

noch de eerste stofdeeltjes der wereld.

Toen Hij de hemel bereidde, was ik daar;

toen Hij een kring trok op het oppervlak van de oceaan,

toen Hij de wolken daarboven bevestigde,

en de bronnen van de oceaan met kracht opborrelden,

toen Hij aan de zee haar perk stelde,

opdat de wateren zijn gebod niet zouden overtreden,

en Hij de grondslagen der aarde bepaalde,

toen was ik een troetelkind bij Hem,

ik was een en al verrukking dag aan dag,

te allen tijde mij verheugend voor zijn aangezicht,

mij verheugend in de wereld van zijn aardrijk.

en mijn vreugde was met de mensenkinderen.

Nu dan, zonen, luistert naar mij,

want welzalig zijn zij die mijn wegen bewaren.

Hoort naar de vermaning, dan wordt gij wijs,

slaat haar niet in de wind.

Welzalig de mens, die naar mij luistert,

dag aan dag wachthoudende aan mijn deuren,

bewakende de posten van mijn poorten.

Want wie mij vindt, heeft het leven gevonden,

hij heeft van de Here welgevallen verkregen.

Maar wie mij mist, doet zijn leven geweld aan;

allen die mij haten, hebben de dood lief. (Spr.8:22vv).

Nu kom je in heel wat van die tradities die goddelijke wijsheid tegen. Dat staat dus eigenlijk parallel aan elkaar: logos, wereldrede; dabar, dat is het woord. En dan de chogma, de goddelijke wijsheid, die daar is, zo staat het zo mooi in Spreuken 8:30, bij de Vader, spelende voor zijn aangezicht. De wijsheid van vóór de tijden en van vóór de scheppingsdagen. En nu zegt Johannes in zijn Evangelie: ik spreek niet over de wijsheid, want het woord sofia komt bij hem eigenlijk nooit voor, maar ik spreek over de waarheid, zegt Johannes. Dat is in wezen een synoniem. In Spreuken en in al die tradities is het de wijsheid, bij Johannes is het de waarheid, maar het gaat over hetzelfde begrip. In het Grieks is het woord dat met waarheid is vertaald: aletheia , wat let­ter­lijk betekent: onverborgenheid  (a-letheia). Aletheia betekent, dat de din­gen open komen te liggen, dat de sluiers eraf gaan. Dat betekent: een on­bedekt gelaat, niet langer weggestopt of inge­pakt. Dit was dus naar aanleiding van Joh.17:17…uw logos is de waarheid…Wie Mij verwerpt en mijn woorden niet aanneemt, heeft een, die hem oordeelt: het woord, dat Ik heb gesproken, dat zal hem oordelen ten jongsten dage… (Joh.12:48). ‘Wie mijn woorden niet aanneemt’; hier staat dan rèmata (meervoud van rèma). Dat zijn dus de concrete woorden, de uitspraken. ‘Het woord, dat Ik heb gesproken’; en hier staat het woord logos. ‘Ten jongste dage’ kun je ook vertalen met ‘in de uiterste dag’. Hier, in deze tekst, gaat het dus ook weer over dat oerwoord, die Wereldrede, waarmee het is begonnen. En Hij sprak tot hen vele dingen in gelijkenissen en zeide: Zie, een zaaier ging uit om te zaaien…   (Matt.13:3). We lezen dan in de oorspronkelijke tekst, en misschien is dat toch nog wel iets sterker:…zie, uitgegaan is de zaaier om te zaaien…Dat de heeft hier toch wel een extra waarde. En dat De moeten we eigenlijk met een hoofdletter schrijven, de zaaier is God. Uiteindelijk is er maar één zaaier en dat is de Eeuwige; Hij gaat uit om te zaaien. Als je het zo beschouwt, krijgt dit verhaal al meteen een extra diepgang. Je ziet dan heel die gang van De Zaaier door de wereld; door de wereld gaat een Woord. Gij nu, hoort de gelijkenis van de zaaier…Bij een ieder, die het woord van het Koninkrijk hoort en het niet verstaat, komt de boze en rooft wat in zijn hart gezaaid is: dat is de langs de weg gezaaide… (Matt.13:18,19).Hier staat weer het woord logos. Ze horen dus de logos van het Koninkrijk. De logos van het Koninkrijk wordt dus gezaaid, dat eeuwige woord, dat grondwoord van de hele schepping. Dat grondwoord van de schepping is dus tegelijk ook het grondwoord van het Koninkrijk. Dat kan zelfs bete­ke­nen:…de logos, die het Koninkrijk is…De logos is dus het wézen van het Koninkrijk. Daar waar de logos, de eeuwige Rede van God, wordt gezaaid, daar wordt het Koninkrijk gezaaid; dat valt dus samen. Dat gaat dus veel dieper dan dat je zegt: Jezus ging preken over het Koninkrijk. Dan ga je het in wezen totaal banaliseren. Je kunt inderdaad honderden preken over het Koninkrijk houden.Tenslotte had je vroeger in Middelburg een domi­nee Smytegelt, die honderd vijfen­veer­tig preken hield over ‘het gekrook­te riet’. Over het Koninkrijk kun je nog wel méér preken houden dan honderd vijfenveertig; zeker Jezus. Als er íemand kon preken, was Hij het wel. De Eeuwige Zelf gaat door de wereld en zaait die eeuwige logos in de aar­de. Hij zaait het licht in de kelder. Psalm 97 zegt ook: Het licht is voor de rechtvaardige gezaaid, En vreugde voor de oprechten van hart…   (Ps.97:11). Dat is een van de mooiste teksten van de Bijbel. Het licht wordt gezaaid. Arnold Schönberg, die Joodse componist heeft dit gezien. Dat komt dan tot uiting in zijn geschriften; zo heeft hij bijvoorbeeld geschreven over Mo­zes en Aäron. Mozes is heel rechtlijnig en heeft steeds getracht het volk naar boven te trekken. Aäron is meer de man van het compromis en het begrip, die begrijpt wat de mensen doormaken. Maar één van de hoogte­pun­ten, misschien moet je zeggen één van de dieptepunten bij Schönberg is dan, dat Mozes uitroept: Das Wort, das Wort; het Woord, dat mij ont­breekt. Mozes weet niet meer wat hij zeggen moet, hij kan het juiste woord niet vinden. Schönberg is daarmee bezig geweest, jarenlang; en op het laatst van zijn leven heeft hij gezegd: ik wil priester worden voor de kunst. En toen is hij, net als Mozes, in het zicht van de haven gestorven, want hij heeft Jeruzalem niet bereikt. Arnold Schönberg heeft ook het gebed van de Grote Verzoendag op muziek gezet, het Kol Nidre; al die geloften die we hebben gedaan, we geven ze aan U terug, wilt U ze van ons afnemen? Hij heeft daar toen ook in gezet: het licht wordt gezaaid voor de recht­vaar­di­ge. Hij heeft er toen ook nog één regen bij gezet: het licht wordt ook ge­zaaid voor degene die terugkomt. Het licht wordt gezaaid voor de Verloren Zoon; het licht wordt gezaaid voor degene, die terugkeert naar het Vader­huis. Kinderen, kom naar huis, kom terug naar de Vader, dan wordt het licht gezaaid voor jou. Arnold Schönberg heeft toen gezegd: ik zet dit ook op muziek; maar ik wil niet, dat het uitgevoerd wordt in concertgebouwen. Het moet ten gehore worden gebracht in de synagogen, als een gebed. Het is geen amusement voor de concertgangers, maar het is voor de de­ge­nen, die bidden. Het is voor de mensen die bidden, het is voor de men­sen die zoeken naar verzoening. Het licht wordt gezaaid; het Woord wordt gezaaid. Eigenlijk is er maar één Zaaier, en dat is Godzelf. Nog duidelijker wordt dit, als je het leest in de paralleltekst. Zijn discipelen vroegen Hem, wat de bedoeling van deze gelijkenis was… En Hij zeide: U is het gegeven de geheimenissen van het Koninkrijk Gods te kennen, maar aan de anderen (worden zij gepredikt) in gelij­ke­nissen, opdat zij ziende niet zien en horende niet begrijpen…Dit is de gelijkenis: Het zaad is het woord Gods… (Luc.9-11). In dat laatste vers wordt dus weer het woord logos gebruikt. God is de Zaaier. Het zaad is die eeuwige logos uit Johannes 1:1. Het zaad wordt ge­zaaid vanuit de hemel in (op) de aarde. Daar moet het zaad dan landen en vrucht dragen. Dat zaad is het begin, het beginsel. En dat begin wordt gezaaid in mensen van het einde. Het begin wordt in je hart gezaaid; dat is de eeuwige orde van God. Dat zaad is onvergankelijk zaad, dat is ook het zaad der wijsheid. Zo zie je, dat in veel meer teksten dan vaak gedacht wordt, dat begrip lo­gos voorkomt. Dat begrip wordt meestal weergegeven met woord of Woord. Daardoor wordt dat begrip logos als het ware ondergeschoffeld en verdwijnt het min of meer. Dan wordt dat begrip woord als het ware.een beetje allerdaags en nietszeggend. Maar er staat dus logos, en dat is niet allerdaags en het is veelzeggend. In een bepaalde zin kun je zeggen: God zaait Zichzelf, Hij zaait zijn eigen wezen. En Hij was bekleed met een kleed, dat in bloed geverfd was, in zijn naam is genoemd: het Woord Gods… (Op.19:13). Ook hier weer het woord logos. Zo’n tekst krijgt veel meer diepgang in je den­ken, als je aan het begrip logos erbij betrekt. Hier heeft het NBG het dus wèl met een hoofdletter gezet. Je zou dus in feite op veel meer plaat­sen een hoofdletter kunnen zetten. Als een rode draad loopt dat begrip lo­gos door diverse bijbelboeken heen. De naam van de ruiter op het witte paard is dus ook: logos. Dan voel je ook hoe kostbaar dat is; dat is het be­gin, het begin van alle dingen. Het is het begin, dat tegelijk het einde in zich draagt. De logos gaat zijn weg over de aarde; dat is de weg van het zaad. De weg van het zaad is vaak heel onopvallend, dat is ook de weg van het sterven. De graankorrel valt in de aarde en sterft; alleen als de graankorrel sterft kan zij veel vrucht dragen. Zo ging het ook bij Jezus, Hij ging de weg van het sterven. ‘Wij moeten de aarde vergeven, dat zij ons sterven laat’. De graankorrel valt in de aarde, en dat gaat heel onopvallend; dat is hele­maal geen spectaculaire weg. Als de Zaaier uitgaat om te zaaien, als de boer over de akker gaat om te zaaien, is er vaak niemand die daar op let. In stilte en verborgenheid gaat de Zaaier zijn weg. Zo gaat de Zaaier over deze wereld en Hij zaait de logos. Dat is een ver­bor­gen weg; ook vaak een eenzame weg. En Psalm 126 zegt:

Wie met tranen zaaien,

Zullen met gejuich maaien.

Hij gaat al wenende voort,

Die de zaadbuidel draagt;

Voorzeker zal hij komen met gejuich,

Dragende zijn schoven…   (Ps.126:5,6).

De Eeuwige zaait zijn tranen in de aarde. Dat is dan ook het geheim van God als Zaaier: Hij gelooft in zijn eigen zaaisel, want komen zál Hij, dra­gen­de de oogst. Hij gelooft, dat het zaad der eeuwen zijn opbrengst zal ge­­ven. Het gewas zal vrucht opbrengen; het zal voldragen worden, ook al is het door pijn en door raadselen heen. ‘Want al wat in de aarde viel moet zwijgen, want het land ligt stil’. Als je over een akker loopt, hoor je het zaad inderdaad niet, en je ziet het ook niet. Je ziet alleen maar een zwarte aarde, het lijkt een doods land. En of daar ergens onder die kluiten ook nog graankorrels verborgen liggen, wie zal het zeggen. En toch…want de tijd zit daar dan weer tussen, de tijd zit ons vaak dwars. De tijd is ook de ballingschap, dat is wat Johannes de wereld noemt. De tijd verduistert vaak onze blik, want in de tijd gebeurt er zoveel, dat de zaken scheeftrekt. De tijd pakt ons ook vaak zoveel af; de tijd heelt ook niet alle wonden, nee, de tijd sláát vaak zoveel wonden. En dan slaat vaak de verbijstering toe door een gemis. De tijd drijft vaak ook dingen of mensen uit elkaar, de tijd kan soms een wig drijven in waardevolle relaties. Dat lied van Tom Naastepad zegt het ook:

Een vreemde bodem is de tijd

Die van uw aangezicht ons scheidt.

De tijd is een vreemde bodem, een hele rare akker. De tijd is de meest waan­zinnige aardbodem die je kunt bedenken. De tijd slaat je van alles uit handen. De tijd kan als een soort demon zich manifesteren. Soms ga je dan een gevecht aan met de tijd; vaak wordt die strijd verloren. Dan komt de weemoed, omdat het anders is gegaan dan je verwacht of gehoopt had. We lijden vaak aan de tijd; we willen de klok graag terugdraaien en op zoek gaan naar dat begin, dat pure begin. Mensen, denkers hebben altijd weer geprobeerd om de weg terug te vinden. Steiner noemt dat het obsessieve teruggaan naar de bron. Dat wordt voor de mens dan een ob­ses­sie: kun je nog terug bij de bron ko­men; kun je nog terug naar de tijd vóór de tijd. Is er een grondslag, die je terug kunt vinden? Kun je dat licht vinden dat gezaaid is? In de gelijkenis staat dus: God zaait het woord. Misschien zaait Hij wel de tranen. En toch zijn die tranen niet tevergeefs. Als je Johannes 1 wil samenvatten in een vraag, zou je onder andere kun­nen zeggen: waar ligt je begin. Je begin ligt in dat eeuwige Woord, in die god­delijke bron, de wijsheid die van God is uitgegaan. Want het Woord des kruises is wel voor hen, die verloren gaan, een dwaasheid, maar voor ons, die behouden worden, is het een kracht Gods… (1 Kor.1:18). Als je deze tekst weer op je in laat werken, zoals er oorspronkelijk staat, dan wordt er eigenlijk dit gezegd:…de logos van het kruis… Je voelt, dat dit ook weer een laag dieper gaat. Dat heeft dan toch ook te maken met die eeuwige logos, die het kruis ís. Niet alleen maar de Gekruisigde, maar de logos, die ín het kruis ligt besloten. Daarin ligt dat geheimenis van God, daarin ligt de verlossing, de bevrijding, daarin ligt het herstel van de hele schepping. Daarin ligt ook de wederoprichting van alle dingen.

Dat is de Heiland Zelf. Dat is Degene, die het plan van God draagt en be­ves­tigt en die het ook uitvoert. Daar ligt heel het koninklijke plan van God in besloten. Het Woord van het kruis. Dat is niet alleen maar een preek over het kruis; dat is de logos, die het kruis op zich neemt. Hij, die draagt tot het einde en alles tot voltooiing brengt, door de diepte heen.

Johannes 1.

Johannes zegt in dit hoofdstuk: mensen, hier ligt uw begin. Dit is de basis van ons leven. Je zou het kunnen samenvatten als: Ken uw begin. Weet, waar je vandaan komt. Veel mensen zijn tegenwoordig op zoek naar hun wortels, naar hun oorsprongen. En dan gaan ze hun stamboom uit­zoeken. Tot hoever kun je dan teruggaan? Als je geluk hebt tot mis­schien het jaar 1600. Misschien kom je terug tot in de tijd van Luther en Cal­vijn. Je kunt ook je geestelijke wortels gaan opzoeken, dan kom je misschien ook terecht bij Luther of Calvijn. Als je nog verder teruggaat, kun je zeggen: ik stam van de Germanen af. Je kunt misschien nóg verder teruggaan. In de Joodse traditie wordt dan ge­zegd: ik ben een tijdgenoot van Abraham. Elke Jood gaat terug tot Abra­ham; Abraham is onze vader. Je kunt misschien teruggaan tot de Adam, tot de mens, tot Genesis. Johannes zegt: ik ga nog verder terug; ik ga terug tot dat allereerste begin: in den beginne was het Woord. Dan landen we in die logos van Licht. Uiteindelijk kom je uit die eeuwige liefde, uit dat liefdehart. Dat is dat raadsplan, dat geheim, dat God van eeuwigheid bedacht heeft. We zijn het begin kwijt. In Johannes 1 hebben we ons begin weer gevonden. Zoals alles op aarde overal verlicht wordt door dezelfde zon, zo dringt  Gods ge­na­de overal in deze wereld door. De psalmdichter zei al: niets blijft ver­bor­gen voor de gloed van die ene zon. Van het ene einde des hemels is haar opgang en haar omloop tot het an­dere einde; niets blijft verborgen voor haar gloed (Ps.19:7). Die zon gaat over de hele aarde en overal dringt dat zonlicht door. Uitein­de­lijk zal heel de aarde verlicht worden door het licht van de Eeuwige, de bron van alle licht. Dat is ook waar Johannes 1 mee begint:

In het Woord was leven en het leven was het licht der mensen; (Joh.1:4). Niets blijft verborgen voor die zon, die als een bruidegom uitgaat, zoals Ps.19 dan zegt. Als je zo bezig mag zijn met het eeuwige woord, dan wórdt je ook ge­plaatst in de eeuwigheid. Dan ben je als het ware “buiten de tijd”. Vroeger werd gezegd, als iemand gestorven was: die is uit de tijd. Maar ook nu kun­nen we al even “buiten de tijd”zijn. Want als je in het Woord bent, heeft de tijd geen vat op je, dan ben je onttrokken aan de tijd, onttrokken aan de erosie, onttrokken aan de “tand des tijds”, onttrokken aan datgene wat je steeds weer tracht te beïnvloeden. Dan kom je in dat licht dat alles door­dringt. De naam Johannes, Jochanan op zijn Hebreeuws, betekent: de Heer is genadig. Het is net alsof die naam al alles bevat en omvat. Let erop: er staat: Adonai is genadig. Dat betekent, dat er in het begín al die genade was. Genade is niet een verschijnsel, dat pas later zich voordoet. De genade is niet iets, wat er in de loop van de tijd is bijgekomen. Genade is niet een product van de tijd. Het is niet zo, dat de genade door de tijd is ge­maakt. Niet door de dagen, die “zo kwaad”zijn, niet door alle el­lende die in de wereld is, heeft God besloten: nu zal Ik maar eens ge­na­dig worden. Dan zou genade iets zijn, waarvan je zegt: eerst was het er niet, toen was het er nog een hele poos niet, ze hebben het er eeuwen­lang zonder ge­daan. De genade is niet ontstaan vanuit de ellende, maar de genade wás er al; de genade is er altijd al geweest. De genade was er altijd al in het wezen van God, in het hart van de Eeuwige. De genade is verweven met het ka­rak­ter van God. En juist omdat God van meet af aan genadig ís, krijgt ook niemand het eruit. Wat vanuit de tijd ont­staat, gaat ook mèt de tijd weer voorbij. Maar de ge­na­de, die er al vanaf de eeuwigheid was, gaat daarom ook nooit voorbij. Hij die was en die is en die eeuwig wezen zal wás genadig, ís genadig en zal altijd genadig zíjn. En in Exodus 34 is Hij het zelf, die ook op die manier zijn naam uitroept. Dan staat Mozes daar in die rotsholte, in die grot; dat is ook zo`n oerbeeld. Heel vaak kregen mensen openbaringen in een grot. Mozes staat daar in die grot; dan gaat de Eeuwige voorbij en roept de naam uit die Hem eigen is. En daar hoort dan ook de genade en de barmhartigheid bij. De Here ging aan hem voorbij en riep: Here, Here, God, barmhartig en genadig, lankmoedig, groot van goedertierenheid en trouw,..(Ex.34:6). God roept hier zijn eigen naam uit. “O, Heer, Gij zijt weldadig”, zo begint Psalm 6  in de oude berijming. Het is jam­mer, dat ze daar verder zo`n triest couplet aan vastgeplakt hebben, maar de beginregel is prachtig. Je zou dus kunnen zeggen: in den beginne was de genade. Dat zegt de naam “Jochanan” al. Die genade was er dus al van meet af aan. God droeg die genade ín zich; dat was zijn karakter. De genade is niet iets, dat er later bij God is bijgekomen.

Johannes zegt dan in vers 1 van hoofdstuk 1: We moeten terug naar het be­­gin. Dat is dat grootse begin ook van zijn Evangelie. In den beginne was het Woord. God heeft het eerste woord, daarom heeft Hij ook het laatste woord. “Wat Hij van oudsher zeide, wordt aan het eind der tijden in heel zijn rijk gehoord.”  Dat is iets om gefascineerd naar te kijken: God spreekt een woord, dat woord dat gaat en dat gaat en uiteindelijk zal dat in heel het wereldrijk gehoord worden. Het is als een echo, die zich voortplant. Of als een steen, die in een vijver wordt gegooid en die steeds wijder wor­den­de kringen veroorzaakt. En al die kringen worden veroorzaakt door één steen. Een groot aantal kringen, tot aan de randen van de vijver, tot aan het uiterste van de aarde. Dat ene woord dat plant zich voort in eindeloze weerklanken, in een on­ein­di­ge reeks van echo’s. De Naam plant zich voort, zoals er ook staat in: En geloofd zij zijn heerlijke naam voor eeuwig, en zijn heerlijkheid ver­vulle de ganse aarde.   (Ps.72:19). Dat ene pluisje van de paardebloem geeft misschien het volgend jaar een tuin vol met paardebloemen. Daar hoef je zelf ook verder niets aan te doen. Dat kleine pluisje doet zijn werk wel. En zo is het ook met dat Woord van den beginne. In den be­gin­ne was het Woord. Af en toe moet je dat eens in beelden overzetten. Miskotte zegt: ”als je gaat vertalen, als je woorden gaat vertalen, betekent dat eigenlijk: overzetten.” Je brengt die woorden naar de overkant, zoals bij een veerpont, en daar worden ze opnieuw gehoord. Zo is God in feite al eeuwenlang bezig om zij woord over te zetten. Hij zet zijn woord over van de hemel naar de aarde; Hij zet zijn woord over van het Hebreeuws in het Grieks; van het Grieks in het Latijn. Hieronymus is degene geweest, die het Grieks in het Latijn heeft overgezet. Toen het gereed was, vond hij dat het toch nog beter had gekund.  Hij is toen naar Jeruzalem gegaan om aan de rabbijnen advies over de vertaling te vragen. De rabbijnen hebben hem toen licht gegeven, toen hij zocht naar dat woord van den beginne. Zo kwam Hieronymus steeds dichter bij dat begin, toen begon hij steeds meer te verstaan van het hart van het woord. Hij zegt dan ook bij zijn ver­ta­­ling van de Psalmen in Psalm 92: nu voel ik me net als een boom die is overgeplant aan het water, nu ben ik bij de bron. Hij werd zelf ook over­ge­zet. Zo is God al eeuwenlang bezig om woorden over te zetten en ook om men­sen over te zetten. Paulus zegt dat ook: Hij heeft ons overgezet vanuit de duisternis in het Koninkrijk van de Zoon van zijn liefde. “Schipper, mag ik overvaren?” Daar zit het hele Evangelie in. “Moet ik dan ook tol beta­len?” Nee, dat is al betaald. Zet me dan maar over met heel mijn hart en heel mijn ziel. En uiteindelijk wordt heel de schepping overgezet; scheepje onder Jezus` hoede. Ook Noach was al bezig met het overzetten van de schep­ping. Dat was het beeld en straks komt de werkelijkheid. Alles wordt over­geplaatst, en onderweg raakt er niets kwijt. Johannes zegt dus: nu ga ik weer terug naar het begin. Hij schrijft dat in het Grieks, maar eigenlijk staat het er in het Hebreeuws. Dat maakt dan in fei­te ook niet meer uit; het Grieks wordt het voertuig voor het Hebreeuws. Het Grieks wordt het middel om het Hebreeuws naar de overkant te bren­gen. Johannes gaat helemaal terug naar het begin. Als dat Woord daar nu is in het begin, dan is God de Eerste. En niemand kan dat dan nog onge­daan maken. Dan staat Hij aan het allereerste begin. Het waarachtige licht, dat ieder mens verlicht, was komende in de we­reld (Joh.1:9). Het waarachtige licht; en waarachtig is eeuwig. Dat is niet onderhevig aan de tijd, daar kan de tijd niets mee doen, dat licht slijt niet. Dat is het licht van­­af den beginne, dat is het oerlicht, het oerwoord. Ieder mens wordt ver­licht; maar dat wordt nog niet door een ieder gezien. Nu kun je deze tekst (vers 9) ook nog anders lezen: Het waarachtige licht, dat ieder mens verlicht, die komt in de wereld.

Dan gaat het dus over de mens die ter wereld komt. Bij ieder mens die ter we­­reld komt gaat dat licht schijnen. De rabbijnen zeggen: de mens is “een-in-de-wereld-komer”. Wij spreken dan wel eens van “een wereld­bur­ger”. Dat is ook het eerste wat je van een mens meemaakt: hij komt ter we­­­reld. En elke ter-wereld-komer krijgt dat licht. En in een bepaalde zin kun je ook zeggen: als zo`n kindje ter wereld komt, is het nog helemaal licht. Daar is het licht van God. Zo`n kind is nog helemaal puur en onbe­smet; daar zit nog geen duisternis in. Dat kleine pasgeboren wezentje komt nog helemaal van God vandaan. En dan zegt Psalm 139: Uw ogen za­gen mijn vormeloos begin (mijn golem). En de ogen van God zijn het licht waarmee Hij naar je kijkt, het genadige, zachte licht. Dat zachte licht mag over dan kindje stralen. Dus voor ieder mens die in de wereld komt, straalt daar van God uit dat genadige licht. Soms kun je ook merken, dat klei­­ne kinderen daar nog helemaal ontvankelijk voor zijn. Die hebben nog niet allemaal die barrières, die hebben nog niet al die dogma’s, die heb­ben geen last van allerlei theorieën en beschouwingen. Voor zodanigen is het Ko­ninkrijk; die horen gewoon nog helemaal bij Hèm. Er was het waarachtige licht, dat ieder mens verlicht, die komt in de wereld.   (Joh.1:9 – grondtekst). Deze tekst haakt in feite in op de eerste tekst, waar staat: …In den be­gin­ne was het Woord….Daar heb je datzelfde was; dat ook iets heeft  van het tijd­loze. Wij spreken dan van een onvoltooid verleden tijd, maar in het Grieks drukt dat een toestand uit, een status. In den beginne was het Woord; dan heeft het niet zo veel zin om te vragen: wanneer dan en wan­neer begon dat dan? “Dat ieder mens verlicht”.  Daar valt niets en niemand buiten. Maar dat is dat genadige licht. Dat is niet een licht, dat je overweldigt. Dat licht zal gaan tot het uiterste van de aarde en het zal gaan tot de uitersten van het hart. Hij was in de wereld, en de wereld is door Hem geworden, en de we­reld heeft Hem niet gekend.   (Joh.1:10). Je kunt ook vertalen: Het was in de wereld; het was in de kosmos. Steeds komt dat woord geworden naar voren. Ook in het zesde vers is dat het geval. Er staat in onze vertaling dan: Er trad een mens op, maar letterlijk staat er: Er is een mens geworden. Johannes wil zeggen: vanuit dat Woord gaat van alles worden. Wij zeggen wel eens: laat het maar geworden, maar in feite is het dat ook: laat het maar geworden. Want het Woord is zaad en dat zaad zal beslist wel wat voort­brengen; dat zaad zal vrucht dragen. Dat zaad is in de eerste plaats de hele wereld, de hele kosmos die wordt voortgebracht door dat woord. Maar door datzelfde woord wordt ook een mens voortgebracht, zoals Jo­han­nes de Doper in vers 6. Het is zinvol om op die manier ook naar jezelf te kijken en te bedenken: ik ben niet zomaar een toevallig product van mijn vader en mijn moeder. Ik ben zelfs niet zomaar een schepsel, maar het gaat dieper. Je bent ge­wor­den door het woord; God heeft je gewìld! Alles wat is, is door het woord ge­worden. Dat is de wordingsgeschiedenis van de kosmos, de wor­dings­ge­schiedenis van de mens. Door Hem is heel die kosmos geworden. Door Hèm ben jíj geworden, door Hem ben je te voorschijn gebracht. Tegenwoordig noemen ze dat procestheologie; daar zit toch ook wel iets moois in. Heel dat proces van worden komt voort uit dat ene woord. In feite hoef je dus alleen maar dat woord leren verstaan; spreek Zelf in mij het rechte woord, nu wacht Ik tot Gijzelve komt. Dat woord wordt gesproken in de stilte, in de stilte van het hart.

De volledige studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds 

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

384027 bezoekers sinds 07-06-2010