Het boek Jozua

14-06-2010 door Dr. K.D. Goverts

De context van het boek Jozua

Wanneer we een bijbelboek bestuderen, moeten we eerst de con­text we­ten, waarin dat boek geplaatst is. Dat is het eerste punt dat we voor ogen moeten hebben. Als je de bijbel binnenstapt, moet je weten waar je je ongeveer bevindt op de lijn van al de bijbelboeken. Bij het boek Jozua begint iets nieuws. Voor­af­gaand aan het boek Jozua staan de vijf boeken van Mozes, de Torah. De Torah is een afgerond ge­heel. Hierbij wordt als bekend veronder­steld, dat de Torah niet betekent wet, maar onderwijzing, wegwijzing. De bijbel begint dus met vijf boe­ken onderwijzing; vijf boeken die rich­ting en aanwijzin­gen geven. Daar­bij is het belangrijk, om erop te letten, dat de Torah heel open eindigt. In de Torah wordt voort­du­rend gesproken over het land (eretz). Dat is een van de sleutel­woor­den door heel de Torah heen. Het is het land dat God wil geven aan zijn mensen. In feite begint dat al in Genesis 1, want daar lezen we, dat op de derde dag het droge ‘zich moet laten zien’ (het NBG zegt: te voorschijn ko­men). «En God riep het droge: aarde!» Het woord voor aarde is in het Hebreeuws hetzelfde als het woord voor land. Boven Genesis 1 zou je kunnen zetten: ‘Land in zicht’! Op de der­de dag komt het land te voorschijn. Dat moet je natuurlijk niet lezen als een stuk verleden, maar als iets om van te dromen; er is land in zicht, je krijgt grond onder je voeten. Je krijgt ook een dak boven je hoofd, dat is de hemel, sjamajim. Zo wordt alles toebereid voor de zesde dag, zodat de mens een plaats heeft om te wonen. De Torah begint dus met het land. In het Nederlands zijn we dat begrip enigs­zins kwijtgeraakt, omdat er de ene keer wordt vertaald met aarde en een volgende keer met land. Dan hoor je vaak dat verband niet meer zo. Buber en Rosenzweig hebben dat prachtig opgevangen in hun Duit­se vertaling van de Tenach. Zij vertalen dan dat woord heel vaak met Erdland, ‘aardland’. Dan zitten die beide woorden er in.

Na Deuteronomium 34 komt Genesis 1

De Torah eindigt, en dat is toch ook heel fascinerend, met Mozes. Na­tuur­lijk, zou je zeggen, dat is ook de hoofdfiguur! In het laatste hoofd­stuk van de Torah, in Deuteronomium 34, wordt verteld over Mozes die daar op de berg Nebo staat. Zijn oog was niet verduisterd en hij ziet het land in zijn lengte en in zijn breedte, maar hij mag er zijn voeten niet zetten. Met zijn voeten staat hij buiten en met zijn ogen is hij binnen. Mozes sterft daar en wordt door Godzelf begraven. Hij begroef hem in een dal in het land Moab, tegenover Bet-Peor, en niemand heeft zijn graf geweten tot op de huidige dag.  Deut.34:6.

Mozes wordt door God verzorgd van de wieg tot het graf, zoals je het let­terlijk zou kunnen zeggen. God was al bij hem toen hij daar in zijn bie­­zen kistje lag en God is nu ook bij hem als hij gaat sterven. Wat dan speciaal opvalt is, dat de Torah eindigt met een open slot, Mo­zes die uitziet naar de vervulling van de belofte. Mozes die de belofte nog niet beërfd heeft, het land is nog steeds toekomstmuziek, maar het komt al wel in beeld.

Boven Genesis 1 kun je zetten: ‘Land in zicht’.

Dat zou je ook boven Deuteronomium 34 kunnen zetten. De Torah begint zoals hij eindigt. Dat is natuurlijk ook heel mooi, want op de achtste dag van sukkoth, van het Loofhuttenfeest, krijg je die ge­deel­ten ach­ter elkaar te horen. Dan wordt eerst het slot van Deutero­no­mium gele­zen, Deuteronomium 33 en 34. We zien Mozes dan staan op de berg, kij­kend naar het land dat in beeld komt. Meteen daarna wordt Genesis 1 gelezen. Dus dan ga je van Deuteronomium 34 zo weer Gene­sis 1 bin­nen, en hoor je daarin dat op de derde dag het land te voor­schijn komt. In de synagogale traditie leest men dus van Deutero­no­mi­um 34 naar Genesis 1. Die gedeelten sluiten op elkaar aan. Mozes heeft het land dus niet beërfd. Dat is een belangrijk gegeven; in de Torah wordt het land niet beërfd, maar het wordt wel beloofd. Dus de Torah gaat over mensen die leven in de verwachting. Vandaar dat je ook kunt zeggen: de vijf boeken van Mozes zijn de vijf boeken van de ver­wachting. Het zijn de vijf boeken van het heimwee, van het perspec­tief.

Mozes – de vader van alle onterfden

Daar zit natuurlijk ook nog een andere kant aan. Mozes mocht het land niet binnengaan. Het is merkwaardig dat Deuteronomium in dat ver­band een heel specifieke lijn naar voren haalt. Dat is iets wat vaak wordt vergeten. Als je zegt: waarom mocht Mozes het land niet binnengaan, dan weet bijna iedereen je te vertellen, dat hij eens in zijn drift op een rots had geslagen, terwijl hij tegen de rots had moeten spreken. Dat is één kant van de zaak, dat staat in het boek Numeri. Een ander aspect, en dat blijkt toch vaak wat minder bekend te zijn, maar naar mijn idee min­stens zo zwaar we­gend, is de lijn die Deuteronomium geeft. Mozes ging het land niet binnen, omdat hij plaats­vervangend het lot droeg van zijn volk. Het is goed om dat eens te onderstrepen. In Deuteronomium zien we Mozes heel sterk als plaatsbe­kleder, als degene die lijdt ter wille van zijn volk. Mozes neemt het lij­den van het volk op zich. Het volk dat sterft in de woestijn. In dit verband kunnen we nog een lijn onderscheiden. Op deze manier wordt Mozes de vader van alle onterfden, van al die­genen die geen erf­deel hebben op aarde. Het enige wat ze hebben is de verwachting. En de Torah is voor al die onterfden. Als je daar over door­denkt, kom je op heel wonderlijke punten. God geeft zijn tes­tament voor de onterfden. Dat is precies het omgekeerde van wat je in de normale gang van zaken tegenkomt. Het testament is dan voor de erfgenamen, maar het testa­ment van God is voor de onterfden. God is de God van alle onterfden, van al degenen die buiten de prijzen vallen. Dat vind je ook gesymbo­liseerd in de gestalte van de arme Lazarus uit Lucas 16, dat was ook iemand die buiten de prijzen viel. Lazarus was ook onterfd, op aarde had hij niets. Maar Lazarus komt wel in de schoot van Abraham. De schoot van Abraham is de plaats voor alle onterfden. Mozes wordt dus de vader van al die mensen die geen erfdeel hebben. Voor al die onterfden is bij God een thuis bereid. Zo eindigt de Torah met Mozes, zo eindigt de Torah met de verwach­ting: land in zicht! Dat betekent tegelijk, dat het land nooit je bezit wordt. Het Hebreeuws heeft ook nauwelijks een woord voor bezitten. Bezitten is een typisch westers begrip. Proudhon heeft gezegd: eigen­dom is dief­stal! Dat is natuurlijk een gezegde, waar je eindeloos over kunt puzzelen. Het is geen uitspraak om zonder meer over te nemen, maar het geeft wel te denken. Er zijn er natuurlijk ook die dit omdraaien en zeggen: gestolen goed is eigendom. Wat je dus wel ziet, is dat het beloofde land nooit echt bezit is gewor­den. Het wordt wel beërfd, maar dat is wat anders. Het wordt echter niet ‘bezeten’. Zo eindigt dus de Torah. Het eindigt met Mozes, die met zijn ogen de grens overgaat. De ogen van het heimwee, de ogen van de verwachting. Daarom is het zo mooi dat er van Mozes staat: zijn oog was niet verdon­kerd. Dat geldt niet alleen voor Mozes, maar dat geldt ook voor de To­rah. De Torah wordt ook nooit uitgeblust, want Mozes vertegenwoor­digt in de bijbel altijd de gestalte van de Torah. Het oog van de Torah wordt ook nooit verdonkerd. Dat licht gaat niet uit. Jezus zegt ook: de Torah gaat nooit voorbij. Geen tittel of jota zal er van vallen. De Torah blijft altijd, als een lamp in de nacht, helder branden. De Torah kan 120 jaar worden, zoals Mozes, de limiet die in Genesis 6 aan de mens gesteld werd. Maar ook dan heeft de Torah nog altijd een helder oog. Zoals er ook zo mooi staat in Psalm 19: De bevelen des HEREN zijn waarachtig,  zij verheugen het hart; het gebod des HEREN is louter, het verlicht de ogen.  Ps.19:9.

Dat wordt ook zo mooi gezegd in het oude lied van die Engelse zanger Isaäc Watts:

O laat ons staan als Mozes hier,

hoog in Uw zonneschijn

en geen Jordaan,

geen doodsrivier zal scheiding voor ons zijn.

Mozes keek met zijn heldere blik over de Jordaan heen en met zijn ogen was hij zijn tijd vooruit. Hij gaat met zijn ogen over de grens van dood en doem en ondergang.

Mozes mag het land niet binnengaan

Het verdriet in de harten van de kinderen Israëls was eigenlijk al tot een vaste vorm geworden; het was gestileerd, het was gestold. Het was niet meer wat ze beleefd hadden, het was stereotiep geworden in de harten van de tweede generatie. Hoe griezelig eenzaam zou Mozes geworden zijn in het land Kanaän. Hij zou een soort levend monument gewor­den zijn. Van: hé, daar heb je die oude man ook nog; die man van vroeger. Mozes had het nog meegemaakt, de ruwe rauwheid van de wondpijn en de angst die hij toen dag en nacht met zich meedroeg. De pijn van de lange woestijntocht, waarover hij nog nauwelijks met iemand praten kon, of desnoods over zwijgen kon. Mozes had niemand om mee te praten en niemand om mee te zwijgen. Voor dit alles behoedde hem de Heer. God heeft gezegd: Mozes, dat zal Ik je niet aandoen, dat je jezelf als het ware overleeft. Hoe goed was het van God om zijn levensadem mee te nemen, nadat hij het land had ge­zien.“Want overleven is ongeneeslijk. De overlevende heeft levenslang”. Dat zien we ook terug in Deuteronomium 34, het laatste hoofdstuk.  Daar zien we een stukje tederheid van God. God zegt tegen Mozes: Jon­gen, nu is het genoeg, zo is het goed, verder hoeft niet. Met zijn ogen was Mozes al in het land, maar met zijn voeten niet. Al­leen zijn voeten konden niet meer meekomen, maar zijn ogen waren al binnen en met zijn hart was hij er in. ‘Laat ons het land zien van ons hart’. Mozes was met zijn hart al binnen. Ja, zijn voeten komen achteraan, maar dat krijg je als wat ouder wordt. Dan willen je voeten niet zo snel meer. Maar met zijn ogen heeft hij het land gezien.

De indeling van de Joodse Bijbel

Als je dan Deuteronomium 34 gehad hebt, krijg je dus het boek Jozua. Alleen, Jozua is een ander soort boek. We zitten dan niet meer in de Torah. Jozua hoort volgens de Joodse canon bij de profetische boeken. Je hebt dus in de Joodse canon twee categorieën profeten: de zo­genaam­de vroegere profeten, de nebi ’im resjonim. Hiertoe behoren: Jo­zua, Rich­te­ren, Samuël en Koningen. Tot de latere profeten, de nebi ’im acharonim behoren: Jesaja, Jeremia, Ezechiël en de 12 kleine profeten.

In de Joodse canon kun je dus drie cirkels onderscheiden:

1. De Torah

2. De Profeten.

3. De Geschriften (Ketubim).

Tot de Geschriften behoren: Richteren, Ezra, Nehemia, Esther, Job, Psal­men, Spreu­ken, Prediker, Hooglied, Daniël (dat dus niet bij de profeten hoort), Ruth (Ruth stond oorspronkelijk niet achter Richteren; dat heeft men er later achter gezet, omdat het begint met: ‘In de dagen dat de Rich­­te­ren richtten’), en tenslotte Kronieken. Kronieken is dus het laatste ­boek van de Hebreeuwse bijbel. Van de Hebreeuwse bijbel moet je dus niet zeg­gen: deze loopt van Genesis tot Maleachi, maar van Genesis tot Kro­nieken. In onze bijbel hebben we de volgorde van de Septuagint, de Griekse ver­taling, overgenomen. Later werd dat dus de Vulgaat, de Latijnse ver­taling. In deze vertalingen is de volgorde dus omgezet.

Je blijft altijd op weg naar het land der belofte

Dat Jozua bij de profeten behoort, heeft toch wel vèrstrekkende ge­vol­gen. In Jozua wordt dus de intocht beschreven, de intocht in het land. Het beërven van het land is echter een profetische zaak. Het gaat hier dus niet om een stukje historie, waarvan je kunt zeggen: dat hebben we nu achter de rug. In wezen heb je het land altijd vóór je. Je kunt ook be­ter spreken van ‘het land der belofte’ als van ‘het beloofde land’. Het land der belofte is in principe dus altijd vóór je. Je kunt nooit zeggen: ziezo, nu zijn we gesetteld. De mens Gods wordt in die zin niet een bezitter, niet een gesettelde, die zich dan heerlijk kan gaan nestelen. Het blijft dus altijd een kwestie van op weg naar…… Het land der belofte is een pro­fetisch land, op dezelfde manier als Jeru­za­lem ook een profetische stad is. De naam Jeruzalem komt namelijk in heel de Torah niet voor. Deze naam komt voor het eerst voor in het boek Jozua, en wel in Jozua 15. Jeruzalem blijft altijd een profe­ti­sche stad; het is de stad van je dromen, de stad van de toekomst, de stad waarheen je op weg bent. Volgend jaar in Jeruzalem…… Dat is al­tijd weer iets waar je met duizend draden mee verbonden bent, waar je als het wa­re steeds meer naar toegetrokken wordt, maar het blijft een ver­wach­ting!

Een barrière tussen het Hebreeuwse en het wes­terse denken

Het is dus een belangrijk principe dat de rabbijnen indertijd gezegd heb­ben: de Torah loopt tot en met Deuteronomium en niet tot en met Jozua. Als men Jozua als een historisch boek had beschouwd, had men het be­loofde land als bezit kunnen aanmerken. Het heeft dus te ma­ken met de hele houding van je geloof; het is een kwestie van instelling. Dat is ook een van de problemen geworden in de loop van de kerkgeschie­denis, waar­door er een enorme barrière is ontstaan tussen het Hebreeuwse denken en het wes­terse denken. In de loop van de geschiedenis – zo on­geveer vanaf de 3e à 4e eeuw – zien we het verschijnsel, dat men zich steeds meer heeft losgemaakt van zijn Hebreeuwse wor­tels. Dat pro­bleem kwam voor­al tot uiting in de houding van de kerkvaders. De kerkvaders hebben helaas deze cursus ge­mist en dat is ontzettend jam­mer. Dan was misschien de hele kerkge­schie­denis anders gelopen. Al die kerkvaders kwamen dus steeds meer tot de overtuiging: wij hebben het! De kerk is het instituut van God op aarde! Nu wil ik geen verkeerd woord van de kerk zeggen, want dan ben je ook bij mij aan het verkeerde adres, maar het gaat mij er alleen om, be­paalde lijnen aan te geven in het denken. Op een gegeven ogenblik zie je dat het westerse denken de overtuiging heeft: Wij hebben het, wij zijn het! Wij zijn een instituut van God op aarde! In het Byzantijnse denken zie je dat ook heel sterk en natuurlijk ook in de roomse traditie. Maar dan raak je toch voor een groot deel je verwachting kwijt. Ook verdwijnt het besef dat het land der belofte een profetisch land is. Dan dus ook Heel subtiel, soms ook weinig subtiel, sluipt dan het idee binnen van: dat ìs er allemaal al. Waar de christenheid zijn verwachting kwijtraakt, werp je een barrière op, zowel voor Joden als voor heidenen, omdat je dan niet meer herkenbaar bent. Het verwijt tegen ‘de christenheid’ kan dan zijn: jullie ver­wachten niets meer. We hebben ergens in onze ge­loofs­belijdenis dan mis­schien nog wel een artikel over de toekomst, maar het functioneert alleen niet meer. We zien ook het verschijnsel, dat in de loop van de kerkge­schie­denis de verwachting het terrein is geworden van een aantal sekten, of van wat dan genoemd wordt een aantal dwepers. We noemen in dit verband de Wederdopers, de Anabaptisten, de Waldenzen, de Moravische broeders, de Hernhut­ters. Deze stromingen hielden dan de verwachting gaande. Maar de officiële stroom had meestal weinig verwachting. Vandaar dat deze verwachting vaak sterk een rol speelde in extreme rich­tingen, zoals de Adventisten, waar men dan wilde bereke­nen wan­neer bijvoorbeeld de wederkomst was. Dat was in wezen, wat men ook wel zo genoemd heeft, een onbetaalde rekening van de kerk. Als we de Torah en het boek Jozua bestuderen, kun je je oefenen in een stuk bijbels denken. Dan word je ook genezen van bepaalde vormen van westers denken, een triomfalistisch denken. Het triomfalisme is soms nood­lottig geworden voor de toekomstverwachting. Dat triomfa­lis­me houdt in, dat er van de veronderstelling wordt uitgegaan, dat we alles reeds in ons bezit hebben. En als er dan men­sen zijn die echt heim­wee hebben, worden die afgeschrikt door die tri­om­falistische houding.

Zo blijven dan geloof, hoop en lief­de

Juist de structuur van de Tenach zet je op het spoor van al die mensen die door de eeuwen heen gehoopt hebben. De hoop is vaak een misdeeld kind in de loop van de kerkgeschiedenis. Er was vaak weinig hoop, omdat in de diverse geloofsbelijdenissen tot uiting kwam, dat men alles al bezat. Hoe meer een mens het gevoel heeft: ‘ik heb’, hoe min­der hoop er is. Als er dan mensen zijn die wèl hopen, komen die buiten te staan. Deze triomfalistische manier van denken komt speci­aal in de liederen naar voren. Als je wilt weten hoe mensen denken, moet je ze een paar lie­deren laten zingen. Zeg mij hoe u zingt en ik zal u zeggen wie gij zijt. Een gemeente is vaak herkenbaar aan de liederen­schat die ze hebben. Vergelijk maar eens liederenbundels van vroeger en nu met elkaar. Wat moet God nu met mensen die nergens meer verwachting koeste­ren?! Dan kan God wel zeggen: Ik beloof je wat, maar dat komt dan niet ‘over’. Die mensen zeggen: ik heb alles al! Dat zijn mensen die blasé zijn ge­worden, het hoeft niet meer zo nodig. Juist die overgang van Deuteronomium naar Jozua maakt, dat je je gaat oefenen in de verwachting. Zalig is de mens die nog verwachting heeft. De tiqwah, de hoop, is ook één van de oerprincipes van de Tenach, die hoop moet je er niet uit halen. Het is opvallend dat er in 1 Korinte 13 staat, en daar is Paulus ook weer zo oer-Hebreeuws als het maar zijn kan: zo blijven dan geloof, hoop en lief­de. Dus de hoop blijft ook. Dat is op zich toch wel merkwaardig, want als je nu in de eeuwigheid komt, waar moet je dan nog op hopen, dan heb je toch alles! Dat de liefde (‘ahabah) blijft kun je nog wel be­grijpen, dat is min of meer van­zelfsprekend; ook het geloof blijft, de emunah. Maar de hoop blijft ook, blijkbaar is er in de eeuwigheid nog altijd iets te hopen.

De geschiedenis eindigt niet, maar heeft een open slot

Als een mens geen verwachting meer heeft, is hij in feite dood, dan is zijn geest dood. God zal tot in alle eeuwigheden creatief zijn en weer nieuwe plannen ontwikkelen. Vandaar dat er ook in de Joodse traditie gezegd wordt – André Neher legt daar ook heel sterk de nadruk op – er komt geen einde aan de geschiedenis. De gedachte dat aan alle dingen een einde komt, dat het doek valt, is een ontzettend gevaarlijke gedach­te. Deze gedachte is on-bijbels, on-Hebreeuws en zo on-Joods als het maar kan. Zo leeft bij veel Christenen de gedachte dat de wederkomst van Jezus tege­lijk het einde van de wereld betekent. De geschiedenis eindigt niet, de ge­schie­denis heeft een open slot. Als de Messias komt, doet Hij niet de deur dicht, maar doet Hij de deur juist open. Vandaar dat gezegde van Rabbi Jo­chanan ben Zakkai: als je hoort dat de Messias komt en je staat net op het punt om een boom te kappen, dan moet je daarmee doorgaan. Dit is een uit­spraak die doorgaans aan Luther wordt toegeschreven, maar hij had dit dus ook weer van iemand anders. Zoals ook de vrouw van een rabbi zei: je moet eerst die boom planten, en dan ga je de Messias tegemoet. In deze redenatie zit dus een heel wezenlijk principe. Dat houdt in, dat als de Messias komt, die boom nog van be­lang is. De Messias is ook geïn­teresseerd in die boom van jou. De Mes­si­as wil dat er bomen zullen staan op een herstelde aarde. De aarde wordt niet afge­dankt, de aarde heeft toekomst. Dat was trouwens ook de eerste op­dracht die Israël kreeg, toen ze het land binnentrokken; hun eerste op­dracht was: bomen planten. Dus bomen planten is een zaak die eeu­wig van belang blijft. De Messias komt niet om roet in al het eten te gooien; de positieve zaken waarmee de mensheid bezig is, blijven van belang. Anders zou je een heel fatalistische opvatting krijgen van de geschiedenis. Vooral in de ja­ren 60,70 heerste de gedachte: Jezus komt spoedig, dus ik maak me maar niet meer druk om allerlei aardse zaken. Waarom zal ik mijn huis nog schoonmaken, Jezus kan toch elk moment komen.

De taw is de letter van de ver­wachting

De laatste letter van het Hebreeuwse alfabet is de taw. De taw is de let­ter van de toekomst. De taw is ook de letter van de tiqwah, van de ver­wachting. Het is ook de letter waarmee alle werkwoordsvormen begin­nen: ‘jij zult’. De taw is niet de letter die zegt: nu hebben we alles gehad, maar het is juist de letter die zegt: nu komt alles nog. Je zult zijn, je zult leven, al die uitspraken beginnen met een taw. Dus de laatste letter is een open venster naar de toekomst.

Messiaanse gestalten

Mozes heeft toch nog gevraagd of hij het Land binnen mocht gaan. In Deuteronomium 3 zien we in dat verband een heel merkwaardig aspect. Laat ik toch naar de overzijde mogen trekken en het goede land zien, dat aan de overkant van de Jordaan ligt, dat schone bergland en de Libanon. Ø Maar de HE­­RE was tegen mij verbolgen om uwentwil en hoorde niet naar mij; de HERE zei­de tot mij: Laat het genoeg zijn, spreek Mij niet meer over deze zaak Deut.3:25-26.

Om uwentwil

Dat ‘om uwentwil’ is dus een sleutel in deze teksten. Dat is de lijn die heel specifiek in Deuteronomium wordt uitgewerkt. Mozes draagt dus de toorn van God ten aanzien van het volk. Mozes wordt hierbij hele­maal Messiaans. Zoals de slagen neerkwamen op Jezus – Hij droeg de gramschap – zo draagt Mozes hier de gramschap van God. In Romeinen 11 wordt gezegd dat door het struikelen van Israël het heil tot de heidenen is gekomen. Ik vraag dan: zij zijn toch niet zo gestruikeld, dat zij wel vallen moesten? Vol­strekt niet! Door hun val is het heil tot de heidenen gekomen, om hen tot naijver op te wekken.  Rom.11:11. Ook in deze tekst stuiten we weer op een geheimenis. Hierbij komt ook de vraag naar voren: in hoeverre is dat van tevoren gepland? Als je je met deze vraag gaat bezighouden, ben je voorlopig nog niet uitgedacht. Mozes wordt messiaans; messiaanse gestalten zijn mensen die op de een of andere manier een stuk lijden doormaken ter wille van een ander. Jona was ook zo’n messiaanse figuur. Jona maakte ook een stuk lijden mee in de diepten van het dodenrijk ter wille van Nineve. Het feit dat Jona in eerste instantie tegenstribbelde, was er niet de oorzaak van dat die slagen op Jona neerkwamen; we moeten dit niet als een straf be­schouwen. Jezus heeft nooit gefaald, maar alle slagen kwamen op Hem. Die parallel zien we ook bij Paulus in 2 Korinte 12. Mozes krijgt hier geen antwoord op zijn gebed en Paulus in 2 Korinte 12 ook niet.

En ook om het buitengewone van de openbaringen. Daarom is mij, opdat ik mij niet te zeer zou verheffen, een doorn in het vlees gegeven, een engel des sa­tans, om mij met vuisten te slaan, opdat ik mij niet te zeer zou verheffen. Drie­maal heb ik de Here hierover gebeden, dat hij van mij zou aflaten 2 Kor.12:7,8.

Paulus heeft in zoverre wel antwoord gekregen, wanneer God zegt: En Hij heeft tot mij gezegd: Mijn genade is u genoeg, want de kracht open­baart zich eerst ten volle in zwakheid. Zeer gaarne zal ik dus in zwakheden nog meer roemen, opdat de kracht van Christus over mij kome.  v.9.

Paulus kreeg genade, maar de slagen bleven wel. Hier zit ook een mes­siaans aspect in. Paulus zegt elders: ik vul aan in mijn vlees wat nog ont­breekt aan het lijden van de Messias. Blijkbaar zijn er gestalten die af en toe iets aanvoelen en aanvullen van het lijden van Christus. Pau­lus zegt in de Kolossenzenbrief:

Thans verblijd ik mij over hetgeen ik om uwentwil lijd, en vul ik in mijn vlees aan wat ontbreekt aan de verdrukkingen van Christus, ten behoeve van zijn li­chaam, dat is de gemeente.  Kol.1:24.

De leider lijdt tezamen met het volk

Het aspect van dat messiaanse lijden komt bij Mozes heel sterk naar voren. Hierbij zou je eventueel je kunnen afvragen: als hij nu niet op die rots geslagen had…. Juist omdat hij dan op het punt van dat slaan op die rots faalt –  al kun je hier dan ook weer niet een methode van maken – juist daardoor wordt hij één met het falende volk. Je komt hier af en toe op aspecten van het bijbelse denken, die zeer diep gaan. Dat zijn aspec­ten waar je niet een sluitende verklaring voor kunt geven en die je niet in een sys­teem kunt inpassen. We zien hier in verband met Mozes ook het aspect van de saamho­rig­heid: Mozes als leider lijdt tezamen met het volk. Er staat in dit verband ook een merkwaardige tekst in Psalm 106: “Zij verbitterden zijn geest”. Toen zeide Hij, dat Hij hen zou verdelgen – indien Mozes, zijn uitverkorene, niet vóór Hem in de bres had gestaan om zijn grimmigheid af te wenden, zodat Hij hen niet verdierf Ps.106:23. Zij vertoornden Hem bij de wateren van Meriba; het verging Mozes kwalijk om hunnentwil. Want zij waren tegen zijn Geest weerspannig,

en hij sprak onbezonnen met zijn lippen v.32,33. Je kunt populair zeggen: ze hebben bij Mozes het bloed onder zijn na­gels weggehaald. Je zult veertig jaar moeten optrekken met een volk dat steeds maar moppert en kritiek heeft. Moeten we nu al weer die tent af­breken? Wat eten we vandaag, alweer manna? En de weers­verwach­ting voor de komende dagen: droog, warm en zonnig. We moeten op­passen om dat volk niet te veroordelen voor hun gemopper en zeggen: wij zou­den het heel anders gedaan hebben! Wij zouden vanuit Egypte regel­recht het Beloofde Land zijn binnengelopen. Zo gaat-ie goed, zo gaat-ie beter, Mozes, we hebben er weer zin in vandaag!

Een getraumatiseerd volk

Het volk Israël reageerde toch wel op een begrijpelijke manier op de si­tuatie. Het was een getraumatiseerd volk, een volk van overlevenden. Het was een volk dat een concentratiekamp achter de rug had. André Neher zegt: Egypte kun je vergelijken met Auschwitz en de Nijl met de gaskamers. Het waren mensen met pijn in het lichaam en pijn in het hart. Onder de harde dwangarbeid in Egypte waren er al heel wat om­ge­komen. Er wa­ren heel wat echtparen die konden zeggen: de Nijl heeft ook kinderen van óns opgeslokt. Daarom is het ook niet toevallig dat er in Exodus 15 staat: Ik, de HERE, ben uw Heelmeester. Die mensen moesten nog genezen van duizenden wonden. Een kapotgeslagen en geteisterd volk strompelde door de woestijn. Over­levenden, mensen die ontsnapt waren aan de dwangar­beid en de verdrinkingsdood. Ook Mozes was aan de verdrinkingsdood ontsnapt. Wij zeggen dan heel vriendelijk: Mozes lag in een biezen kist­je, maar het was een tebah, een doodskistje. In een doodskistje in de doodsrivier …..Die verhalen moet je niet alleen lezen, maar moet je ook met je ver­beel­ding op je laten inwerken. ‘s Morgens vroeg om vier uur schoot er plot­se­ling iemand overeind en zei: ik moet opschieten, want de kamp­com­mandant staat te wachten. Zo waren er veel mensen die nog jarenlang nachtmerries hadden. Als zo’n volk door de woestijn moet sjouwen, is elke kilometer er één teveel. Je moet niet alleen uit Egypte trekken, maar Egypte moet ook uit jou getrokken worden. Daarom is het ook zo wonderlijk dat er staat in Exodus 12, dat in de Paasnacht de ‘heerscharen des Heren’ uit Egypte trokken. Dat is een van de wonderlijkste teksten uit het hele verhaal.

De volledige studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

410642 bezoekers sinds 07-06-2010