Het boek Jozua

17-05-2010 door Joop Neven

Een studie van Dr. K.D. Govert

De context van het boek Jozua

Wanneer we een bijbelboek bestuderen, moeten we eerst de con text we ten, waarin dat boek geplaatst is. Dat is het eerste punt dat we voor ogen moeten hebben. Als je de bijbel binnenstapt, moet je weten waar je je ongeveer bevindt op de lijn van al de bijbelboeken.

Bij het boek Jozua begint iets nieuws. Voor af gaand aan het boek Jozua staan de vijf boeken van Mozes, de Torah. De Torah is een afgerond ge heel. Hierbij wordt als bekend veronder steld, dat de Torah niet betekent wet, maar onderwijzing, wegwijzing. De bijbel begint dus met vijf boe ken onderwijzing; vijf boeken die rich ting en aanwijzin gen geven. Daar bij is het belangrijk, om erop te letten, dat de Torah heel open eindigt. In de Torah wordt voort du rend gesproken over het land (eretz). Dat is een van de sleutel woor den door heel de Torah heen. Het is het land dat God wil geven aan zijn mensen.

In feite begint dat al in Genesis 1, want daar lezen we, dat op de derde dag het droge zich moet laten zien’ (het NBG zegt: te voorschijn ko men).

«En God riep het droge: aarde!»

Het woord voor aarde is in het Hebreeuws hetzelfde als het woord voor land. Boven Genesis 1 zou je kunnen zetten: ‘Land in zicht’! Op de der de dag komt het land te voorschijn. Dat moet je natuurlijk niet lezen als een stuk verleden, maar als iets om van te dromen; er is land in zicht, je krijgt grond onder je voeten. Je krijgt ook een dak boven je hoofd, dat is de hemel, sjamajim. Zo wordt alles toebereid voor de zesde dag, zodat de mens een plaats heeft om te wonen.

De Torah begint dus met het land. In het Nederlands zijn we dat begrip enigs zins kwijtgeraakt, omdat er de ene keer wordt vertaald met aarde en een volgende keer met land. Dan hoor je vaak dat verband niet meer zo. Buber en Rosenzweig hebben dat prachtig opgevangen in hun Duit se vertaling van de Tenach. Zij vertalen dan dat woord heel vaak met Erdland, ‘aardland’. Dan zitten die beide woorden er in.

* Na Deuteronomium 34 komt Genesis 1

De Torah eindigt, en dat is toch ook heel fascinerend, met Mozes. Na tuur lijk, zou je zeggen, dat is ook de hoofdfiguur! In het laatste hoofd stuk van de Torah, in Deuteronomium 34, wordt verteld over Mozes die daar op de berg Nebo staat. Zijn oog was niet verduisterd en hij ziet het land in zijn lengte en in zijn breedte, maar hij mag er zijn voeten niet zetten. Met zijn voeten staat hij buiten en met zijn ogen is hij binnen.

Mozes sterft daar en wordt door Godzelf begraven.

Ø Hij begroef hem in een dal in het land Moab, tegenover Bet-Peor, en niemand heeft zijn graf geweten tot op de huidige dag.  Deut.34:6.

Mozes wordt door God verzorgd van de wieg tot het graf, zoals je het let terlijk zou kunnen zeggen. God was al bij hem toen hij daar in zijn bie zen kistje lag en God is nu ook bij hem als hij gaat sterven.

Wat dan speciaal opvalt is, dat de Torah eindigt met een open slot, Mo zes die uitziet naar de vervulling van de belofte. Mozes die de belofte nog niet beërfd heeft, het land is nog steeds toekomstmuziek, maar het komt al wel in beeld.

Boven Genesis 1 kun je zetten: ‘Land in zicht’.

Dat zou je ook boven Deuteronomium 34 kunnen zetten.

De Torah begint zoals hij eindigt. Dat is natuurlijk ook heel mooi, want op de achtste dag van sukkoth, van het Loofhuttenfeest, krijg je die ge deel ten ach ter elkaar te horen. Dan wordt eerst het slot van Deutero no mium gele zen, Deuteronomium 33 en 34. We zien Mozes dan staan op de berg, kij kend naar het land dat in beeld komt. Meteen daarna wordt Genesis 1 gelezen. Dus dan ga je van Deuteronomium 34 zo weer Gene sis 1 bin nen, en hoor je daarin dat op de derde dag het land te voor schijn komt. In de synagogale traditie leest men dus van Deutero no mi um 34 naar Genesis 1. Die gedeelten sluiten op elkaar aan.

Mozes heeft het land dus niet beërfd. Dat is een belangrijk gegeven; in de Torah wordt het land niet beërfd, maar het wordt wel beloofd. Dus de Torah gaat over mensen die leven in de verwachting. Vandaar dat je ook kunt zeggen: de vijf boeken van Mozes zijn de vijf boeken van de ver wachting. Het zijn de vijf boeken van het heimwee, van het perspec tief.

Mozes – de vader van alle onterfden

Daar zit natuurlijk ook nog een andere kant aan. Mozes mocht het land niet binnengaan. Het is merkwaardig dat Deuteronomium in dat ver band een heel specifieke lijn naar voren haalt. Dat is iets wat vaak wordt vergeten. Als je zegt: waarom mocht Mozes het land niet binnengaan, dan weet bijna iedereen je te vertellen, dat hij eens in zijn drift op een rots had geslagen, terwijl hij tegen de rots had moeten spreken. Dat is één kant van de zaak, dat staat in het boek Numeri. Een ander aspect, en dat blijkt toch vaak wat minder bekend te zijn, maar naar mijn idee min stens zo zwaar we gend, is de lijn die Deuteronomium geeft. Mozes ging het land niet binnen, omdat hij plaats vervangend het lot droeg van zijn volk. Het is goed om dat eens te onderstrepen. In Deuteronomium zien we Mozes heel sterk als plaatsbe kleder, als degene die lijdt ter wille van zijn volk. Mozes neemt het lij den van het volk op zich. Het volk dat sterft in de woestijn.

In dit verband kunnen we nog een lijn onderscheiden. Op deze manier wordt Mozes de vader van alle onterfden, van al die genen die geen erf deel hebben op aarde. Het enige wat ze hebben is de verwachting. En de Torah is voor al die onterfden. Als je daar over door denkt, kom je op heel wonderlijke punten. God geeft zijn tes tament voor de onterfden. Dat is precies het omgekeerde van wat je in de normale gang van zaken tegenkomt. Het testament is dan voor de erfgenamen, maar het testa ment van God is voor de onterfden. God is de God van alle onterfden, van al degenen die buiten de prijzen vallen. Dat vind je ook gesymbo liseerd in de gestalte van de arme Lazarus uit Lucas 16, dat was ook iemand die buiten de prijzen viel. Lazarus was ook onterfd, op aarde had hij niets. Maar Lazarus komt wel in de schoot van Abraham.

De schoot van Abraham is de plaats voor alle onterfden.

Mozes wordt dus de vader van al die mensen die geen erfdeel hebben. Voor al die onterfden is bij God een thuis bereid.

Zo eindigt de Torah met Mozes, zo eindigt de Torah met de verwach ting: land in zicht! Dat betekent tegelijk, dat het land nooit je bezit wordt. Het Hebreeuws heeft ook nauwelijks een woord voor bezitten.

Bezitten is een typisch westers begrip. Proudhon heeft gezegd: eigen dom is dief stal! Dat is natuurlijk een gezegde, waar je eindeloos over kunt puzzelen.

Het is geen uitspraak om zonder meer over te nemen, maar het geeft wel te denken. Er zijn er natuurlijk ook die dit omdraaien en zeggen: gestolen goed is eigendom.

Wat je dus wel ziet, is dat het beloofde land nooit echt bezit is gewor den. Het wordt wel beërfd, maar dat is wat anders. Het wordt echter niet ‘bezeten’.

Zo eindigt dus de Torah. Het eindigt met Mozes, die met zijn ogen de grens overgaat. De ogen van het heimwee, de ogen van de verwachting. Daarom is het zo mooi dat er van Mozes staat: zijn oog was niet verdon kerd. Dat geldt niet alleen voor Mozes, maar dat geldt ook voor de To rah. De Torah wordt ook nooit uitgeblust, want Mozes vertegenwoor digt in de bijbel altijd de gestalte van de Torah. Het oog van de Torah wordt ook nooit verdonkerd. Dat licht gaat niet uit. Jezus zegt ook: de Torah gaat nooit voorbij. Geen tittel of jota zal er van vallen. De Torah blijft altijd, als een lamp in de nacht, helder branden. De Torah kan 120 jaar worden, zoals Mozes, de limiet die in Genesis 6 aan de mens gesteld werd. Maar ook dan heeft de Torah nog altijd een helder oog. Zoals er ook zo mooi staat in Psalm 19:

Ø De bevelen des HEREN zijn waarachtig,

zij verheugen het hart;

het gebod des HEREN is louter,

het verlicht de ogen. Ps.19:9.

Dat wordt ook zo mooi gezegd in het oude lied van die Engelse zanger Isaäc Watts:

O laat ons staan als Mozes hier,

hoog in Uw zonneschijn

en geen Jordaan, geen doodsrivier

zal scheiding voor ons zijn.

Mozes keek met zijn heldere blik over de Jordaan heen en met zijn ogen was hij zijn tijd vooruit. Hij gaat met zijn ogen over de grens van dood en doem en ondergang.

* Mozes mag het land niet binnengaan

Het verdriet in de harten van de kinderen Israëls was eigenlijk al tot een vaste vorm geworden; het was gestileerd, het was gestold. Het was niet meer wat ze beleefd hadden, het was stereotiep geworden in de harten van de tweede generatie. Hoe griezelig eenzaam zou Mozes geworden zijn in het land Kanaän. Hij zou een soort levend monument gewor den zijn. Van: hé, daar heb je die oude man ook nog; die man van vroeger.

Mozes had het nog meegemaakt, de ruwe rauwheid van de wondpijn en de angst die hij toen dag en nacht met zich meedroeg. De pijn van de lange woestijntocht, waarover hij nog nauwelijks met iemand praten kon, of desnoods over zwijgen kon.

Mozes had niemand om mee te praten en niemand om mee te zwijgen. Voor dit alles behoedde hem de Heer. God heeft gezegd: Mozes, dat zal Ik je niet aandoen, dat je jezelf als het ware overleeft. Hoe goed was het van God om zijn levensadem mee te nemen, nadat hij het land had ge zien.“Want overleven is ongeneeslijk. De overlevende heeft levenslang”.

Dat zien we ook terug in Deuteronomium 34, het laatste hoofdstuk.  Daar zien we een stukje tederheid van God. God zegt tegen Mozes: Jon gen, nu is het genoeg, zo is het goed, verder hoeft niet.

Met zijn ogen was Mozes al in het land, maar met zijn voeten niet. Al leen zijn voeten konden niet meer meekomen, maar zijn ogen waren al binnen en met zijn hart was hij er in. ‘Laat ons het land zien van ons hart’.

Mozes was met zijn hart al binnen. Ja, zijn voeten komen achteraan, maar dat krijg je als wat ouder wordt. Dan willen je voeten niet zo snel meer. Maar met zijn ogen heeft hij het land gezien.

De indeling van de Joodse Bijbel

Als je dan Deuteronomium 34 gehad hebt, krijg je dus het boek Jozua. Alleen, Jozua is een ander soort boek. We zitten dan niet meer in de Torah. Jozua hoort volgens de Joodse canon bij de profetische boeken.

Je hebt dus in de Joodse canon twee categorieën profeten: de zo genaam de vroegere profeten, de nebi ’im resjonim. Hiertoe behoren: Jo zua, Rich te ren, Samuël en Koningen. Tot de latere profeten, de nebi ’im acharonim behoren: Jesaja, Jeremia, Ezechiël en de 12 kleine profeten.

In de Joodse canon kun je dus drie cirkels onderscheiden:

1. De Torah

2. De Profeten.

3. De Geschriften (Ketubim).

Tot de Geschriften behoren: Richteren, Ezra, Nehemia, Esther, Job, Psal men, Spreu ken, Prediker, Hooglied, Daniël (dat dus niet bij de profeten hoort), Ruth (Ruth stond oorspronkelijk niet achter Richteren; dat heeft men er later achter gezet, omdat het begint met: ‘In de dagen dat de Rich te ren richtten’), en tenslotte Kronieken. Kronieken is dus het laatste boek van de Hebreeuwse bijbel. Van de Hebreeuwse bijbel moet je dus niet zeg­gen: deze loopt van Genesis tot Maleachi, maar van Genesis tot Kro nieken.

In onze bijbel hebben we de volgorde van de Septuagint, de Griekse ver taling, overgenomen. Later werd dat dus de Vulgaat, de Latijnse ver taling. In deze vertalingen is de volgorde dus omgezet.

Je blijft altijd op weg naar het land der belofte

Dat Jozua bij de profeten behoort, heeft toch wel vèrstrekkende ge vol gen. In Jozua wordt dus de intocht beschreven, de intocht in het land. Het beërven van het land is echter een profetische zaak. Het gaat hier dus niet om een stukje historie, waarvan je kunt zeggen: dat hebben we nu achter de rug. In wezen heb je het land altijd vóór je. Je kunt ook be ter spreken van ‘het land der belofte’ als van ‘het beloofde land’. Het land der belofte is in principe dus altijd vóór je. Je kunt nooit zeggen: ziezo, nu zijn we gesetteld. De mens Gods wordt in die zin niet een bezitter, niet een gesettelde, die zich dan heerlijk kan gaan nestelen. Het blijft dus altijd een kwestie van op weg naar…… Het land der belofte is een pro fetisch land, op dezelfde manier als Jeru za lem ook een profetische stad is. De naam Jeruzalem komt namelijk in heel de Torah niet voor. Deze naam komt voor het eerst voor in het boek Jozua, en wel in Jozua 15. Jeruzalem blijft altijd een profe ti sche stad; het is de stad van je dromen, de stad van de toekomst, de stad waarheen je op weg bent. Volgend jaar in Jeruzalem…… Dat is al tijd weer iets waar je met duizend draden mee verbonden bent, waar je als het wa re steeds meer naar toegetrokken wordt, maar het blijft een ver wach ting!

Een barrière tussen het Hebreeuwse en het wes terse denken

Het is dus een belangrijk principe dat de rabbijnen indertijd gezegd heb ben: de Torah loopt tot en met Deuteronomium en niet tot en met Jozua. Als men Jozua als een historisch boek had beschouwd, had men het be loofde land als bezit kunnen aanmerken. Het heeft dus te ma ken met de hele houding van je geloof; het is een kwestie van instelling. Dat is ook een van de problemen geworden in de loop van de kerkgeschie denis, waar door er een enorme barrière is ontstaan tussen het Hebreeuwse denken en het wes terse denken. In de loop van de geschiedenis – zo on geveer vanaf de 3e à 4e eeuw – zien we het verschijnsel, dat men zich steeds meer heeft losgemaakt van zijn Hebreeuwse wor tels. Dat pro bleem kwam voor al tot uiting in de houding van de kerkvaders. De kerkvaders hebben helaas deze cursus ge mist en dat is ontzettend jam mer. Dan was misschien de hele kerkge schie denis anders gelopen. Al die kerkvaders kwamen dus steeds meer tot de overtuiging: wij hebben het! De kerk is het instituut van God op aarde!

Nu wil ik geen verkeerd woord van de kerk zeggen, want dan ben je ook bij mij aan het verkeerde adres, maar het gaat mij er alleen om, be paalde lijnen aan te geven in het denken. Op een gegeven ogenblik zie je dat het westerse denken de overtuiging heeft: Wij hebben het, wij zijn het! Wij zijn een instituut van God op aarde! In het Byzantijnse denken zie je dat ook heel sterk en natuurlijk ook in de roomse traditie. Maar dan raak je toch voor een groot deel je verwachting kwijt. Ook verdwijnt het besef dat het land der belofte een profetisch land is. Dan dus ook Heel subtiel, soms ook weinig subtiel, sluipt dan het idee binnen van: dat ìs er allemaal al. Waar de christenheid zijn verwachting kwijtraakt, werp je een barrière op, zowel voor Joden als voor heidenen, omdat je dan niet meer herkenbaar bent. Het verwijt tegen ‘de christenheid’ kan dan zijn: jullie ver wachten niets meer. We hebben ergens in onze ge loofs belijdenis dan mis schien nog wel een artikel over de toekomst, maar het functioneert alleen niet meer.

We zien ook het verschijnsel, dat in de loop van de kerkge schie denis de verwachting het terrein is geworden van een aantal sekten, of van wat dan genoemd wordt een aantal dwepers. We noemen in dit verband de Wederdopers, de Anabaptisten, de Waldenzen, de Moravische broeders, de Hernhut ters. Deze stromingen hielden dan de verwachting gaande. Maar de officiële stroom had meestal weinig verwachting.

Vandaar dat deze verwachting vaak sterk een rol speelde in extreme rich tingen, zoals de Adventisten, waar men dan wilde bereke nen wan neer bijvoorbeeld de wederkomst was. Dat was in wezen, wat men ook wel zo genoemd heeft, een onbetaalde rekening van de kerk.

Als we de Torah en het boek Jozua bestuderen, kun je je oefenen in een stuk bijbels denken. Dan word je ook genezen van bepaalde vormen van westers denken, een triomfalistisch denken. Het triomfalisme is soms nood lottig geworden voor de toekomstverwachting. Dat triomfa lis me houdt in, dat er van de veronderstelling wordt uitgegaan, dat we alles reeds in ons bezit hebben. En als er dan men sen zijn die echt heim wee hebben, worden die afgeschrikt door die tri om falistische houding.

Zo blijven dan geloof, hoop en lief de

Juist de structuur van de Tenach zet je op het spoor van al die mensen die door de eeuwen heen gehoopt hebben. De hoop is vaak een misdeeld kind in de loop van de kerkgeschiedenis. Er was vaak weinig hoop, omdat in de diverse geloofsbelijdenissen tot uiting kwam, dat men alles al bezat. Hoe meer een mens het gevoel heeft: ‘ik heb’, hoe min der hoop er is. Als er dan mensen zijn die wèl hopen, komen die buiten te staan. Deze triomfalistische manier van denken komt speci aal in de liederen naar voren. Als je wilt weten hoe mensen denken, moet je ze een paar lie deren laten zingen. Zeg mij hoe u zingt en ik zal u zeggen wie gij zijt. Een gemeente is vaak herkenbaar aan de liederen schat die ze hebben. Vergelijk maar eens liederenbundels van vroeger en nu met elkaar.

Wat moet God nu met mensen die nergens meer verwachting koeste ren?! Dan kan God wel zeggen: Ik beloof je wat, maar dat komt dan niet ‘over’. Die mensen zeggen: ik heb alles al! Dat zijn mensen die blasé zijn ge­worden, het hoeft niet meer zo nodig.

Juist die overgang van Deuteronomium naar Jozua maakt, dat je je gaat oefenen in de verwachting. Zalig is de mens die nog verwachting heeft. De tiqwah, de hoop, is ook één van de oerprincipes van de Tenach, die hoop moet je er niet uit halen.

Het is opvallend dat er in 1 Korinte 13 staat, en daar is Paulus ook weer zo oer-Hebreeuws als het maar zijn kan: zo blijven dan geloof, hoop en lief de. Dus de hoop blijft ook.

Dat is op zich toch wel merkwaardig, want als je nu in de eeuwigheid komt, waar moet je dan nog op hopen, dan heb je toch alles! Dat de liefde (‘ahabah) blijft kun je nog wel be grijpen, dat is min of meer van zelfsprekend; ook het geloof blijft, de emunah. Maar de hoop blijft ook, blijkbaar is er in de eeuwigheid nog altijd iets te hopen.

De geschiedenis eindigt niet, maar heeft een open slot

Als een mens geen verwachting meer heeft, is hij in feite dood, dan is zijn geest dood. God zal tot in alle eeuwigheden creatief zijn en weer nieuwe plannen ontwikkelen. Vandaar dat er ook in de Joodse traditie gezegd wordt – André Neher legt daar ook heel sterk de nadruk op – er komt geen einde aan de geschiedenis. De gedachte dat aan alle dingen een einde komt, dat het doek valt, is een ontzettend gevaarlijke gedach te. Deze gedachte is on-bijbels, on-Hebreeuws en zo on-Joods als het maar kan. Zo leeft bij veel Christenen de gedachte dat de wederkomst van Jezus tege lijk het einde van de wereld betekent. De geschiedenis eindigt niet, de ge­schie denis heeft een open slot. Als de Messias komt, doet Hij niet de deur dicht, maar doet Hij de deur juist open. Vandaar dat gezegde van Rabbi Jo chanan ben Zakkai: als je hoort dat de Messias komt en je staat net op het punt om een boom te kappen, dan moet je daarmee doorgaan. Dit is een uit spraak die doorgaans aan Luther wordt toegeschreven, maar hij had dit dus ook weer van iemand anders. Zoals ook de vrouw van een rabbi zei: je moet eerst die boom planten, en dan ga je de Messias tegemoet. In deze redenatie zit dus een heel wezenlijk principe. Dat houdt in, dat als de Messias komt, die boom nog van be lang is. De Messias is ook geïn­teresseerd in die boom van jou. De Mes si as wil dat er bomen zullen staan op een herstelde aarde. De aarde wordt niet afge dankt, de aarde heeft toekomst. Dat was trouwens ook de eerste op dracht die Israël kreeg, toen ze het land binnentrokken; hun eerste op dracht was: bomen planten. Dus bomen planten is een zaak die eeu wig van belang blijft.

De Messias komt niet om roet in al het eten te gooien; de positieve zaken waarmee de mensheid bezig is, blijven van belang. Anders zou je een heel fatalistische opvatting krijgen van de geschiedenis. Vooral in de ja ren 60,70 heerste de gedachte: Jezus komt spoedig, dus ik maak me maar niet meer druk om allerlei aardse zaken. Waarom zal ik mijn huis nog schoonmaken, Jezus kan toch elk moment komen.

De taw is de letter van de ver wachting

De laatste letter van het Hebreeuwse alfabet is de taw. De taw is de let ter van de toekomst. De taw is ook de letter van de tiqwah, van de ver wachting. Het is ook de letter waarmee alle werkwoordsvormen begin nen: ‘jij zult’. De taw is niet de letter die zegt: nu hebben we alles gehad, maar het is juist de letter die zegt: nu komt alles nog. Je zult zijn, je zult leven, al die uitspraken beginnen met een taw. Dus de laatste letter is een open venster naar de toekomst.

Messiaanse gestalten

Mozes heeft toch nog gevraagd of hij het Land binnen mocht gaan. In Deuteronomium 3 zien we in dat verband een heel merkwaardig aspect.

Ø Laat ik toch naar de overzijde mogen trekken en het goede land zien, dat aan de overkant van de Jordaan ligt, dat schone bergland en de Libanon. Ø Maar de HE RE was tegen mij verbolgen om uwentwil en hoorde niet naar mij; de HERE zei de tot mij: Laat het genoeg zijn, spreek Mij niet meer over deze zaak.

Deut.3:25-26.

Om uwentwil

Dat ‘om uwentwil’ is dus een sleutel in deze teksten. Dat is de lijn die heel specifiek in Deuteronomium wordt uitgewerkt. Mozes draagt dus de toorn van God ten aanzien van het volk. Mozes wordt hierbij hele maal Messiaans. Zoals de slagen neerkwamen op Jezus – Hij droeg de gramschap – zo draagt Mozes hier de gramschap van God.

In Romeinen 11 wordt gezegd dat door het struikelen van Israël het heil tot de heidenen is gekomen.

Ø Ik vraag dan: zij zijn toch niet zo gestruikeld, dat zij wel vallen moesten? Vol strekt niet! Door hun val is het heil tot de heidenen gekomen, om hen tot naijver op te wekken.  Rom.11:11.

Ook in deze tekst stuiten we weer op een geheimenis. Hierbij komt ook de vraag naar voren: in hoeverre is dat van tevoren gepland? Als je je met deze vraag gaat bezighouden, ben je voorlopig nog niet uitgedacht.

Mozes wordt messiaans; messiaanse gestalten zijn mensen die op de een of andere manier een stuk lijden doormaken ter wille van een ander.

Jona was ook zo’n messiaanse figuur. Jona maakte ook een stuk lijden mee in de diepten van het dodenrijk ter wille van Nineve. Het feit dat Jona in eerste instantie tegenstribbelde, was er niet de oorzaak van dat die slagen op Jona neerkwamen; we moeten dit niet als een straf be schouwen. Jezus heeft nooit gefaald, maar alle slagen kwamen op Hem. Die parallel zien we ook bij Paulus in 2 Korinte 12. Mozes krijgt hier geen antwoord op zijn gebed en Paulus in 2 Korinte 12 ook niet.

Ø En ook om het buitengewone van de openbaringen. Daarom is mij, opdat ik mij niet te zeer zou verheffen, een doorn in het vlees gegeven, een engel des sa tans, om mij met vuisten te slaan, opdat ik mij niet te zeer zou verheffen. Drie maal heb ik de Here hierover gebeden, dat hij van mij zou aflaten.

2 Kor.12:7,8.

Paulus heeft in zoverre wel antwoord gekregen, wanneer God zegt:

Ø En Hij heeft tot mij gezegd: Mijn genade is u genoeg, want de kracht open baart zich eerst ten volle in zwakheid. Zeer gaarne zal ik dus in zwakheden nog meer roemen, opdat de kracht van Christus over mij kome.  v.9.

Paulus kreeg genade, maar de slagen bleven wel. Hier zit ook een mes siaans aspect in. Paulus zegt elders: ik vul aan in mijn vlees wat nog ont breekt aan het lijden van de Messias. Blijkbaar zijn er gestalten die af en toe iets aanvoelen en aanvullen van het lijden van Christus. Pau lus zegt in de Kolossenzenbrief:

Ø Thans verblijd ik mij over hetgeen ik om uwentwil lijd, en vul ik in mijn vlees aan wat ontbreekt aan de verdrukkingen van Christus, ten behoeve van zijn li chaam, dat is de gemeente.  Kol.1:24.

De leider lijdt tezamen met het volk

Het aspect van dat messiaanse lijden komt bij Mozes heel sterk naar voren. Hierbij zou je eventueel je kunnen afvragen: als hij nu niet op die rots geslagen had…. Juist omdat hij dan op het punt van dat slaan op die rots faalt –  al kun je hier dan ook weer niet een methode van maken – juist daardoor wordt hij één met het falende volk. Je komt hier af en toe op aspecten van het bijbelse denken, die zeer diep gaan. Dat zijn aspec ten waar je niet een sluitende verklaring voor kunt geven en die je niet in een sys teem kunt inpassen.

We zien hier in verband met Mozes ook het aspect van de saamho rig heid: Mozes als leider lijdt tezamen met het volk. Er staat in dit verband ook een merkwaardige tekst in Psalm 106:

“Zij verbitterden zijn geest”.

Toen zeide Hij, dat Hij hen zou verdelgen –

indien Mozes, zijn uitverkorene,

niet vóór Hem in de bres had gestaan

om zijn grimmigheid af te wenden,

zodat Hij hen niet verdierf. Ps.106:23.

Zij vertoornden Hem bij de wateren van Meriba;

het verging Mozes kwalijk om hunnentwil.

Want zij waren tegen zijn Geest weerspannig,

en hij sprak onbezonnen met zijn lippen. v.32,33.

Je kunt populair zeggen: ze hebben bij Mozes het bloed onder zijn na gels weggehaald. Je zult veertig jaar moeten optrekken met een volk dat steeds maar moppert en kritiek heeft. Moeten we nu al weer die tent af breken? Wat eten we vandaag, alweer manna? En de weers verwach ting voor de komende dagen: droog, warm en zonnig. We moeten op passen om dat volk niet te veroordelen voor hun gemopper en zeggen: wij zou den het heel anders gedaan hebben! Wij zouden vanuit Egypte regel recht het Beloofde Land zijn binnengelopen. Zo gaat-ie goed, zo gaat-ie beter, Mozes, we hebben er weer zin in vandaag!

Een getraumatiseerd volk

Het volk Israël reageerde toch wel op een begrijpelijke manier op de si tuatie. Het was een getraumatiseerd volk, een volk van overlevenden. Het was een volk dat een concentratiekamp achter de rug had. André Neher zegt: Egypte kun je vergelijken met Auschwitz en de Nijl met de gaskamers. Het waren mensen met pijn in het lichaam en pijn in het hart. Onder de harde dwangarbeid in Egypte waren er al heel wat om ge komen. Er wa ren heel wat echtparen die konden zeggen: de Nijl heeft ook kinderen van óns opgeslokt.

Daarom is het ook niet toevallig dat er in Exodus 15 staat: Ik, de HERE, ben uw Heelmeester. Die mensen moesten nog genezen van duizenden wonden.

Een kapotgeslagen en geteisterd volk strompelde door de woestijn.

Over levenden, mensen die ontsnapt waren aan de dwangar beid en de verdrinkingsdood. Ook Mozes was aan de verdrinkingsdood ontsnapt. Wij zeggen dan heel vriendelijk: Mozes lag in een biezen kist je, maar het was een tebah, een doodskistje.

In een doodskistje in de doodsrivier …..

Die verhalen moet je niet alleen lezen, maar moet je ook met je ver beel ding op je laten inwerken. ‘s Morgens vroeg om vier uur schoot er plot se ling iemand overeind en zei: ik moet opschieten, want de kamp com mandant staat te wachten. Zo waren er veel mensen die nog jarenlang nachtmerries hadden. Als zo’n volk door de woestijn moet sjouwen, is elke kilometer er één teveel. Je moet niet alleen uit Egypte trekken, maar Egypte moet ook uit jou getrokken worden.

Daarom is het ook zo wonderlijk dat er staat in Exodus 12, dat in de Paasnacht de ‘heerscharen des Heren’ uit Egypte trokken. Dat is een van de wonderlijkste teksten uit het hele verhaal.

En na vierhonderd en dertig jaar, juist op de dag af, gingen al de legerscharen des HEREN uit het land Egypte.  Ex.12:41.

De heerscharen des Heren, de legerscharen van God. En zo op het eerste gezicht lijkt het echt niet veel op een leger. Ze konden nauwelijks een zwaard vasthouden. Ze staan daar met trillende handen, met de dood voor ogen, en met de dood in het bloed. Overspannen zenuwen en een gekweld gemoed. En toch zegt God tegen hen: jullie zijn mijn le ger scha ren! Mensen die rijp waren voor een revalidatieoord worden Gods le ger scharen.

Het verging Mozes kwalijk om hunnentwil

In Psalm 106 staat dus: zij verbitterden zijn geest. Dat kun je je wel voor stellen als dag in dag uit een heel volk tegen je aan staat te mopperen.

Zij vertoornden Hem bij de wateren van Meriba;

het verging Mozes kwalijk om hunnentwil,

(letterlijk: het was kwaad voor Mozes ter wille van hen)

want zij waren tegen zijn Geest weerspannig,

en hij sprak onbezonnen met zijn lippen.  Ps.106:32,33.

Je ziet in deze psalm hetzelfde motief als in Deuteronomium.

Zij waren weerspannig tegen zijn geest; je kunt hier dus geest ook met een kleine letter lezen.

Want zij verbitterden zijn geest,

zodat hij wat onbedachtelijk voortbracht met zijn lippen.  Ps.106:33 – SV.

De Statenvertaling vat het hier dus op als de geest van Mozes. Dus op een gegeven ogenblik moet Mozes de bitterheid van het volk dragen. En dan zie je dus weer de lijn die je ook in Deuteronomium vindt. Mo zes heeft op die manier iets gedragen van de bitterheid van het volk. De bit terheid van hun gemoed sloeg over op zijn geest. Zo werd Mozes lot ge noot van het volk.

Tegelijk zit daar ook iets heel moois in, als je be denkt dat Mozes in we zen de Torah is. Mozes is helemaal de verper soon lijking van de Torah. De Torah gaat niet zonder het volk het land in. Mozes zegt niet: als jul lie niet gaan, ga ik alleen. Als het volk in de woestijn blijft, blijft de To rah ook in de woestijn. Dat is ook weer een messiaans principe. God wacht net zo lang totdat zijn mensen eraan toe zijn. Naar uw zwakke schreden regelt Hij zijn tred. Zoals er in Jesaja staat: de zogenden zal hij zachtkens leiden. De goede herder past zijn tempo aan aan de lamme tjes. God past zijn tempo aan aan de zwakken, en niet aan de ferme jon gens en de stoe re knapen. Mozes moest ook zijn tempo aanpassen aan het tempo van het volk. De Torah past zich ook aan aan het tempo van de mensen. Je zus regelt het tempo ook naar het tempo van zijn gemeente. Anders zou Jezus allang in de voleinding zijn, alleen is er dan niemand mèt Hem in de voleinding.

Jozua en Kaleb

Jozua en Kaleb hebben de ‘40 jaar grens’ dus overleefd. Dat zijn dan in derdaad ook weer twee overlevenden. Zij gaan het land binnen. Het wonderlijke is natuurlijk wel weer, dat ook zij die 40 jaar woestijn heb ben moeten doormaken. Zij konden niet alvast met hun tweeën het land binnengaan. Dat moet voor Jozua en Kaleb toch ook wel een be hoor lijke geloofsbeproeving geweest zijn. Zij moesten wachten op de rest, of in dit geval op de nieuwe generatie. Jozua en Kaleb hadden in feite alle reden om verbitterd te worden. Zij waren er klaar voor om het land in te gaan.

Zij hadden er geloof voor en nu moesten ze wachten op al die an deren. Jozua en Kaleb maakten dus ook een stuk plaatsvervan gend lij den mee. Maar aan het eind, en dat is heel indrukwekkend, zegt Ka leb: nu ben ik 85, maar ik ben nog net zo sterk als toen ik 40 was. Kaleb zei: ik heb nog energie genoeg om een Enakiet te verslaan. Blijk baar is hij toch niet gefrustreerd. Hij zei niet: nu gaan de beste jaren van mijn leven voorbij. Kalebs naam betekent hond, hij was ook inder daad zo trouw als een hond.

Een intens verband tussen Deuteronomium en het boek Jozua

Jozua is dus het boek van het land dat je verwacht, het land van je dro men. Er is een intens verband tussen Deuteronomium en het boek Jozua. Het laatste boek van de Torah en het eerste boek van de profeten zijn met vele draden aan elkaar verbonden.

Zo wordt bijvoorbeeld in Deuteronomium nogal vaak over de Jordaan gesproken. ‘Gij zult straks de Jordaan overtrekken’; dat motief komt tel kens in Deuteronomium terug.

Gij zult straks de Jordaan overtrekken

Dit zijn de woorden, die Mozes tot geheel Israël gesproken heeft aan de over zij de van de Jordaan, in de woestijn, in de Vlakte, tegenover Suf, tussen Paran, To fel, Laban, Chaserot en Di-Zahab.  Deut.1:1.

Meteen als het boek Deuteronomium inzet, komt de Jordaan in beeld.

De HERE, onze God, heeft tot ons bij Horeb gesproken: gij zijt lang genoeg bij deze berg gebleven; Ø begeeft u op weg, breekt op, trekt naar het gebergte der Amorieten en naar al hun naburen, in de Vlakte, op het Gebergte, in de Laagte, in het Zuiderland en aan de zeekust, – het land der Kanaänieten, en de Libanon tot aan de grote ri vier, de Eufraat. Ø Zie, Ik heb dat land tot uw beschikking gesteld; trekt er binnen en neemt bezit van het land, waarvan de HERE aan uw vaderen, Abraham, Isaak en Jakob, ge zwo ren heeft, dat Hij het hun en hun na kroost geven zou.  Deut.1:6-8.

Letterlijk: ‘Ik heb dit land gegeven voor uw aangezicht; gaat in en beërft het’.

Dat motief in Deuteronomium is ook heel typerend zoals er staat in v.8: ‘God heeft het gezworen aan de vaderen’.

In Deuteronomium wordt het volk gereedgemaakt om binnen te gaan. Deuteronomium is dus helemaal het boek van de instructies voor de in tocht. De Jordaan staat dus als symboolnaam voor de overgang. We zien dat bijvoorbeeld ook weer in Deuteronomium 31:

Toen is Mozes deze woorden tot geheel Israël gaan spreken; hij zeide tot hen: Ik ben nu honderd en twintig jaar oud; ik kan niet meer uitgaan of ingaan, en de HERE heeft tot mij gezegd: De Jordaan hier zult gij nietovertrekken.

Deut.31:1,2.

De HERE, uw God, zelf zal voor u uit overtrekken; Hij zelf zal die volken vóór u verdrijven en verdelgen, zodat gij hun land in bezit kunt nemen; Jozua zal voor u uit overtrekken, zoals de HERE geboden heeft.  v.3.

Hier in deze tekst zie je de parallel:

‘De Jordaan hier zult gij niet overtrekken’.

‘De HERE, uw God, zelf zal voor u uit overtrekken’.

‘Jozua zal voor u uit overtrekken’.

* Geen bezit, maar erfdeel

Voor ‘in bezit nemen’ staat het woord jarasj, wat beërven betekent. Elke familie kreeg zijn erfdeel in het beloofde land; dat ging ook over van va der op zoon. Op dat erfdeel moesten ze blijven wonen; ze konden het wel kwijtraken door armoede. Maar dan moest het weer bij de familie terugkomen, hetzij door lossing of door het vrijkomen in het jubeljaar. En dan komt natuurlijk de vraag naar voren: was het dan toch geen be zit? Een erfdeel is echter iets anders dan een bezit. Iemand heeft het eens heel mooi geformuleerd: je erfdeel is de plek, die God jou in bruikleen geeft om daarop gerechtigheid te oefenen.

Over dat erfdeel vinden we een prach tig verhaal in 1 Koningen 21, waar Nabot zijn erfdeel kwijtraakt aan Achab. Met zogezegde koninklijke lo gica zegt Achab: Nabot, ik wil jouw tuin erbij hebben, omdat hij naast de mijne ligt. En het antwoord van Nabot kost hem zijn hoofd. Nabot zegt maar één ding:

Doch Nabot zeide tot Achab: Daarvoor beware mij de HERE, dat ik de erfenis van mijn vaderen aan u zou geven. 1 Kon.21:3.

Nabot mocht dus die wijngaard beslist niet verkopen; het was in feite zijn bezit niet. Geen bezit, maar een erfdeel. Op zijn erfdeel kon Nabot gerechtigheid beoefenen; daar kon hij wat vruchten of gewassen voor de armen overlaten. Als hij de wijngaard zou verkopen, zou hij in feite ook de armen tekort doen. Dan zou hij ook al diegenen verkopen, die hoop ten op gerechtigheid. Je mocht je erfdeel dus alleen verkopen, als je aan lager wal raakte, als je in financiële problemen kwam. Je verkocht in fei te dan ook niet je akker, maar een aantal oogsten. Dat werd geteld vanaf het jubeljaar. Van jubeljaar tot jubeljaar was een tijdperk van 50 jaar. Als je bijvoorbeeld in het 10e jaar je akker verkocht, verkocht je dus 40 oog sten. Verkocht je je akker in het 45e jaar, dan was de prijs veel la ger, dan verkocht je vijf oogsten. Iemand heeft eens gezegd: dat waren in wezen ‘liturgische grondprijzen’. De prijzen van de grond waren dus afhan ke lijk van de eredienst. De prijzen van de grond waren afhan kelijk van de tijd van het jubeljaar. Het waren bij wijze spreken ‘tijdprij zen’ en geen ‘ruimteprijzen’. Iets vergelijkbaars hebben wij in ons land bij de erfpacht. Als een huis op erfpachtgrond is gebouwd, mag je wel het huis verko pen maar de grond niet. In Leviticus 25 zegt God uitdruk ke lijk: het land is van Mij.

En het land zal niet voor altijd verkocht worden, want het land is van Mij, en gij zijt vreemdelingen en bijwoners bij Mij. Lev.25:23.

Het land bleef van God. De kinderen Israëls waren dus in feite vreem de lingen en bijwoners bij God. Je woonde als het ware in bij God. Vandaar dat Jezus ook de gelijkenis verteld van de pachters. De problematiek was, dat die pachters gingen doen alsof het land of die wijngaard van hen zelf was.

* De oiko nomos moet de wet van het huis beheren

In wezen is alles wat je bent en wat jou ‘toebehoort’ van Hem, wij zijn rentmeesters. Jij mag het dan beheren. Je bent rentmeester, oikonomos, wat eigenlijk betekent: econoom. Dat woord bestaat uit twee helften na melijkoiko, wat huis betekent, en nomos wat wet betekent. Dus een oiko nomos is iemand die de wet van het huis moet beheren. Hij moet zorgen dat de wetten van het huis worden uitgevoerd. En de wet van Gods huis is: ontferming. Paulus zegt ook in 1 Korinte 4: Wij zijn beheer ders van de geheimenissen Gods. We zien dat gegeven ook weer terug bij de ge lijkenis van de onrechtvaardige rentmeester in Lucas 16.

We lezen dat eveneens in de geschiedenis van de wijngaard van Nabot. Nabot zei: Ik ben verantwoordelijk voor mijn erfdeel. Ik moet zorgen dat de wet van het huis gehandhaafd blijft, zodat ik barm hartigheid kan beto­nen. Als de armen en ellendigen bij Nabot aanklopten, moest hij zor gen dat er wat voor hen te eten was. Daarom kon hij die wijngaard niet aan Achab verkopen. Nabot is dus in wezen gestorven ter wille van de ar men en ellendigen.

Die wet van het huis heeft ook aan Jezus het leven gekost. Hij was ook Rentmeester, Hij moest de wet van het huis van zijn Vader bedienen. Barmhartigheid is de hoofdwet in het huis van God.

* De Jordaan – de rivier tussen Torah en profeten

De kinderen Israëls moeten de Jordaan oversteken. Dat zal in het boek Jozua een heel belangrijke rol spelen. Jozua wordt het boek van de over tocht.

De Jordaan is een grensrivier. Het is geen landgrens, want het Overjor daanse hoort ook bij het Beloofde Land. De Jordaan is een tijdgrens. De Jordaan is de grens tussen Torah en Profeten. Tussen Deuterono mi um en Jozua loopt dus een rivier. Bij Jozua krijgen we de overgang naar een nieuwe tijd, want profetie is toegepaste Torah. De Torah wordt niet af geschaft bij Jozua, Jozua gaat met de Torah in zijn hand het land binnen. Het boek van de Torah mag niet wijken uit uw mond en uit uw hart.

Zonder de Torah kom je het land ook nooit binnen. Dus Jozua neemt in feite Mozes mee het land in. Jozua neemt Mozes mee, in zijn hart in zijn mond en in zijn denken. De Torah is het boek van de weg, een reisgids. Met de Torah overwint Jozua al die vijanden. En als Jezus 40 dagen in de woestijn is, verslaat hij de tegenstander ook met de woorden van de Torah. Er staat geschreven…… Merkwaardigerwijs is dat in alle drie de gevallen een aanhaling uit Deuteronomium. Elke verzoeking wordt be antwoord met Deuterono mium. Jozua is toegepaste Torah. De Torah baant een weg door het beloofde land, de Torah ís de weg. Al moet je ook wel eens gaan daar waar geen weg is.

* Weest sterk en moedig

Daarom worden er ook twee hoofdstukken besteed om de overtocht door de Jordaan te beschrijven: Jozua 3 en 4.

In Deuteronomium 31 vinden we heel wat motieven, die in Jozua 1 weer terugkomen. Onder andere: Weest sterk en moedig en gij zult met dit volk ingaan. Hij zal u niet begeven en Hij zal u niet verlaten, vreest niet en sidder niet.

Weest sterk en moedig, vreest niet en siddert niet voor hen, want de HERE, uw God, zelf gaat met u; Hij zal u niet begeven en u niet verlaten. Ø Toen riep Mozes Jozua en zeide tot hem in tegenwoordigheid van geheel Israël: Wees sterk en moedig, want gij zult met dit volk komen in het land, waarvan de HE RE hun vaderen gezworen heeft, dat Hij het hun geven zou, en gij zult het hen doen beërven. Deut.31:6,7.

Deze motieven komen in Deuteronomium 31 al naar voren en in Jozua 1 komen ze weer terug.

Wees sterk en moedig, want gij zult dit volk het land doen beërven, dat Ik hun vaderen gezworen heb hun te zullen geven. Alleen, wees zeer sterk en moedig en handel nauwgezet overeenkomstig de ge hele wet die mijn knecht Mozes u geboden heeft; wijk daarvan niet af naar rechts noch naar links, opdat gij voorspoedig zijt, overal waar gij gaat. Dit wetboek mag niet wijken uit uw mond, maar overpeins het dag en nacht, opdat gij nauwgezet handelt overeen komstig alles wat daarin geschreven is, want dan zult gij op uw wegen uw doel bereiken en zult gij voorspoedig zijn. Heb Ik u niet geboden: wees sterk en moedig? Sidder niet en word niet ver­schrikt, want de HERE, uw God, is met u, overal waar gij gaat. Joz.1:5-9.

* Het verband waarin het boek Jozua staat

We willen nu eerst de structuur en het verband waarin het boek Jozua staat gaan bezien.

Met het boek Jozua beginnen dus de Profeten.

We hebben toen het rijtje genoemd: Jozua, Richteren, Samuël, Koningen.

Deze vier boeken vormen één afgerond verhaal.

Dat begint dus bij Jozua 1 en loopt door tot 2 Koningen 25.

Een joodse telling zegt: de Tenach bestaat uit 22 boeken.

Het Hebreeuwse alfabet heeft ook 22 letters.

Bij deze indeling tel je Samuël dus als één boek; ook de boeken Konin gen en Kronieken worden als één boek gerekend.

De 12 kleine profeten tellen ook als één boek.

Op die manier kom je op 22 boeken.

Nu iets over die vier boeken: Jozua, Richteren, Samuël, Koningen.

Het boek Ruth hoort daar dus niet tussen. Ruth hoort thuis in de Ge schriften. Ruth is vanouds de feestrol bij Pinksteren.

* Van intocht tot ballingschap

In bovengenoemde vier profetische boeken zien we een heel markante structuur. Bij Jozua zien we: het volk gaat het land in. Aan het eind van Koningen gaan ze het land uit. 2 Koningen eindigt met de Babyloni sche ballingschap. Boven deze vier boeken kun je dus zetten: ‘het land in en het land uit’. Van intocht tot ballingschap. Dan is het heel frappant, dat je die structuur vaker tegenkomt.

Als we Genesis 2 tot en met 4 beschou wen, dat ook een afgerond geheel vormt, dan zien we dat in Genesis 2 de mens het paradijs binnen wordt gebracht; dat kun je dus ver ge lijken met de intocht. Genesis 4 eindigt met de ballingschap, Kaïn wordt een bal ling. Hij wordt zwervend en zwalkend op de aarde. Daar zien we dus dezelfde structuur. De struc tuur die je dus in die drie hoofdstukken hebt, zien we terug in die vier boeken. Een dergelijke samenvatting kom je wel meer tegen. Soms krijg je in een notendop wat in een ander ver band breed wordt uitgesponnen.

* Vier ‘wapenen’ waarmee het land wordt beërfd

Er is nog iets wat toch wel heel markant is. Als je die vier boeken Jozua tot en met Koningen als één verhaal beschouwt, dan zie je aan het begin en aan het eind bepaalde specifieke punten.

Het boek Jozua begint met de Torah, Jozua 1. Jozua moet het boek van de Torah nemen in zijn mond en in zijn hart.

Als we dan het eind van Koningen beschouwen, zien we dat in 2 Konin gen 22 gesproken wordt over Koning Josia. In dit hoofdstuk wordt be schreven hoe er een boek gevonden wordt.

Het wetboek ge vonden in het huis des HEREN

Ook deelde de schrijver Safan de koning mede: De priester Chilkia heeft mij een boek gegeven. En Safan las het de koning voor. Zodra de koning de woor den van het wetboek gehoord had, scheurde hij zijn kle deren.

2 Kon.22:10,11.

En de hogepriester Chilkia zeide tot de schrijver Safan: Ik heb het wetboek ge vonden in het huis des HEREN.

Ik heb het wetboek ge vonden; dat is hetzelfde woord als waarmee Jozua begint. Het is het boek van de Torah.

De viering van het Pascha

Er is nog een opmerkelijk aspect, dat ook het begin en het eind van deze vier boeken met elkaar verbindt. Het gaat hier om het Pascha. In Jozua 5 zien we, hoe het volk met Pesach het land binnentrekt.

In 2 Koningen 23 zien we, dat het volk weer Pesach gaat vieren.

Toen gebood de koning het gehele volk: Viert de HERE, uw God, het Pa scha, ge lijk geschreven is in dit boek des verbonds. Want zulk een Pascha was er niet gevierd van de dagen der richters af, die Is ra ël richtten, en gedurende al de dagen der koningen van Israël en Juda. Maar in het achttiende jaar van koning Josia werd dit Pascha de HERE te Je ruzalem gevierd.  2 Kon.23:21-23.

Het profetische woord voortgedragen van begin tot eind

We gaan in dit verband nog een derde punt bezien. De eerste gestalte die profetisch spreekt in dit verhaal is een profetes; Deborah. De laatste gestalte die in deze boeken voorkomt, aan het eind van het boek Konin gen, is opnieuw een profetes, namelijk Chulda.

En de priester Chilkia en Achikam, Akbor, Safan en Asaja gingen naar de pro fetes Chulda, de vrouw van de klederbewaarder Sallum, de zoon van Tikwa, de zoon van Charchas. Zij nu woonde te Jeruzalem in het nieuwe gedeelte. En zij spraken met haar.  2 Kon.22:14.

Zo wordt dat profetische woord voortgedragen van het begin tot het eind.

Je zou hier ook nog kunnen denken aan Rachab uit Jericho. Zij spreekt in feite ook profetisch. Zij vertegenwoordigt ook een profetische stem van uit het Kanaänitische heidendom.

De zoon van de hoop

Chulda, de vrouw van de klederbewaarder Sallum, de zoon van Tikwa. v.14.

De zoon van Tikwa. En Tikwa is het Hebreeuwse woord voor hoop.

Sallum is dus de zoon van de verwachting. Dat woord tiqwah speelt ook een rol in het verhaal van Rachab uit Jozua 2. Zo zien we daar dus nog een tweede verbindingslijn.

Zo zien we dus drie opvallende aspecten zowel aan het begin als aan het eind van deze vier boeken. Dat zijn dan ook tegelijk de drie wezenlijke basispunten, waarmee het volk het land kan binnengaan: Pascha, To rah, profetisch woord en als vierde punt ook nog de Tiqwah, de hoop. Met deze drie of vier aspecten – je zou zeggen ‘wapenen’ – wordt het land beërfd. Tegelijk zie je ook dat met die drie basisprincipes men de bal lingschap aan kan. Alleen dankzij die drie elementen wordt de bal lingschap doorstaan. Op de adem van de Torah, Pesach en profetie kun je de ballingschap trotseren. Dan wordt de ballingschap toch nog een tijd van heil, van heling en van verdieping.

* Het land dat Ik de Israëlieten geven zal

Het geschiedde na de dood van Mozes, de knecht des HEREN, dat de HERE tot Jozua, de zoon van Nun, de dienaar van Mozes, zeide.  Joz.1:1.

Letterlijk staat er: «En het geschiedde»

Na de dood van Mozes

Merkwaardig, dat het boek Jozua begint met het woordje ‘en’.

Hier wordt meteen weer de verbinding gelegd met Mozes, met de To rah. Daarmee wordt dus niet aangegeven: Mozes heeft zijn tijd gehad, maar het werk van Mozes gaat nog steeds door. De naam Jozua bete kent: de HERE bevrijdt. Die naam is ook toonzettend voor het hele boek. Die bevrijding zal metterdaad ook geschieden, zoals verder in het boek Jozua beschreven wordt. Kanaän moet namelijk bevrijd worden. Het land Kanaän zal bevrijd worden van al die machten en overheer sers, die zich daar wederrechtelijk hebben gevestigd.

Jozua, de zoon van Nun

Die naam Nun kom je verder in heel de Tenach niet meer tegen. De nun is tegelijk ook een letter van het Hebreeuwse alfabet. De getalswaarde van de nun is 50. Jozua is dus de zoon van de 50. In de Tenach is 50 ook het symbool van Pinksteren, het is tevens het getal van het jubeljaar. Die nun wijst dus al heen naar een aantal feesten.

Pinksteren en Jubeljaar zijn monumenten in de tijd. Dat zijn ook een paar heel belangrijke mo menten in het boek Jozua.

Nun, de dienaar van Mozes

‘Dienaar van Mozes’, dat moet er wel bij gezegd worden.

Mijn knecht Mozes is gestorven; welnu, maak u gereed, trek over de Jordaan hier, gij en dit gehele volk, naar het land, dat Ik hun, de Israëlieten, geven zal.

Joz.1:2.

Gij en dit gehele volk

Gij en dit gehele (al dit) volk. Dit wordt een belangrijk gegeven in het boek Jozua. Het thema van ‘al het volk’ zullen we steeds weer terug vin den. Er kan alleen zegen zijn en ook alleen zege als ‘al het volk’ meedoet. De overwinning wordt niet gegeven aan een elitegroepje of aan vijftig   pro cent van het volk. Daar zie je ook het belang van eensgezindheid. Alleen als dat volk metterdaad een totaliteit is, alleen dan is er ook een totale overwinning. Verdeeldheid zorgt voor nederlagen. Je ziet ook dat het rijk der duisternis er altijd op uit is om verdeeldheid te zaaien. Een van de scheldnamen van de boze heeft daar ook mee te maken; we lezen in Openbaring 12, dat de duivel betiteld wordt als de aanklager. In het Grieks staat er eigenlijk katègoroon. Dat woord hangt samen met ons woord categorie. De duivel is altijd bezig om in categorieën in te delen. Hij is altijd bezig om te categoriseren. De duivel wordt ook genoemd de diabolos, dat ‘de uiteenwerper’ betekent.

In het boek Jozua zien we dus dat het eenparig optrekken van groot be lang is.

* Elke plaats die uw voetzool betreden zal

Elke plaats die uw voetzool betreden zal, geef Ik ulieden, zoals Ik tot Mozes ge sproken heb. v.3.

Letterlijk: waarop uw voetzool zich beweegt. Er staat hier een werk woord (derech) dat verband houdt met de weg die je gaat; je zou het dus kun nen vertalen met be-wegen.

Het sleutelwoord in deze teksten is: geven. In feite kun je dus niet spre ken over de verovering van het land; het land wordt niet veroverd, maar de twee sleutelwoorden zijn geven en nemen.

God geeft en de mens mag nemen.

Van de woestijn en de Libanon ginds tot aan de grote rivier, de rivier de Eu fraat, het gehele land der Hethieten, en tot aan de Grote Zee in het westen (bij het ingaan van de zon) zal uw gebied zijn. v.4.

Daar zie je dat het beloofde land veel groter zou zijn, dan het in de prak tijk is geworden. Het zou zich uitstrekken van de Eufraat tot Egypte. Niemand zal voor u standhouden al de dagen van uw leven; zoals Ik met Mo zes geweest ben, zal Ik met u zijn; Ik zal u niet begeven en u niet verlaten.

Joz.1:5. Ik zal u niet begeven en u niet verlaten

Ik zal er zijn. We zien hier weer een herinnering aan wat God tot Mozes sprak in Exodus 3: Ik ben die Ik ben. Ik zal zijn die Ik zijn zal.

Wees sterk en moedig (vast), want gij zult dit volk het land doen beërven, dat Ik hun vaderen gezworen heb hun te zullen geven. v.6.

Dit volk het land doen beërven

Er staat dus niet: doen bezitten, maar beërven; dat is een wezenlijk ver schil. Het volk kreeg het land niet als bezit, maar als erfdeel.

Alleen, wees zeer sterk en moedig en handel nauwgezet overeenkomstig de ge he le wet die mijn knecht Mozes u geboden heeft; wijk daarvan niet af naar rechts noch naar links, opdat gij voorspoedig zijt, overal waar gij gaat. Dit wetboek mag niet wijken uit uw mond, maar overpeins het dag en nacht, opdat gij nauwgezet handelt overeenkomstig alles wat daarin geschreven is, want dan zult gij op uw wegen uw doel bereiken en zult gij voorspoedig zijn. Joz.1:7-8.

* Overpeins het dag en nacht

Hier staat het woord hagah, overpeinzen. Hierbij moet je bedenken dat denkprocessen uitwendig zijn in het oude Oosten. Het Hebreeuws heeft in feite geen woord voor denken. Het woord denken zoals wij dat ken nen, abstract en theoretisch, is veel meer een Grieks begrip. Als de Oos terling wil zeggen: ik zit te denken, gebruikt hij woorden, die meteen hun intentie aangeven.

Zo is er het woord chasjab, dat wel eens met ‘den ken’ wordt vertaald. Maar dat betekent eigenlijk ‘berekenen’, plan nen. Zo staat het bijvoor beeld in Jesaja 55: mijn gedachten (bereke nin gen, planningen, overleg gin gen) zijn hoger dan uw gedachten.

De Hebreeuwse mens geeft dus in zijn woorden over ‘denken’ meteen een doelstelling aan.

Dat woord hagah betekent eigenlijk alles wat een beetje geluid maakt. Het wordt bijvoorbeeld ook gebruikt om het koeren of kirren van een duif aan te geven. Het woord wordt zelfs gebruikt om het brommen van een beer aan te geven. Als dat woord hagah wordt gebruikt in verband met mensen, zou je het haast kunnen vertalen met murmelen. Het woord dat hier vertaald is met overpeinzen, betekent dan ongeveer: voor jezelf reciteren en mediteren. Je bent dan bezig met iets hardop te overdenken. Denkprocessen zijn dus uitwendig bij de Oosterling; dan zeg je: wat zit die nu weer te mompelen.

Buber en Rosenzweig vertalen ook: ‘murmel daarin dag en nacht’.

Hierbij moet je overwegen, dat het woord hagah ook een heel specifieke tendens heeft om de sfeer van de ballingschap op te roepen. Dat woord hagah komt bijvoorbeeld ook voor in Jesaja 38 in het lied van Hiskia.

Als een zwaluw, zo tjilp ik; ik kir (hagah) als een duif (jona). Mijn ogen smach ten naar den hoge; o HERE, ik ben angstig, wees borg voor mij. Jes.38:14.

Het woord hagah kan dus ook aangeven: vanuit de benauwdheid ver zuchten. Je kunt dat woord hagah dus het beste weergeven met ver zuch ten.

Verzucht het dag en nacht

Verzucht het dag en nacht, laat het je ademtocht zijn. Dat woord ver zuchten wil dus aanduiden, dat het uit de diepste roerselen van de men senziel komt. Hierbij wel te bedenken, dat hier geen sprake is van dat klaaglijke zuchten, dat nergens toe leidt, waarvan gezegd wordt: ‘zucht niet tegen elkander’.

In Romeinen 8 wordt gezegd dat de schepping zucht. Paulus zegt erbij: Wij zuchten ook in onszelf. Hier geeft als het ware de gemeente stem aan de verzuchtingen van de schepping.

Ook in Psalm 39 zien we het motief van die verzuchtingen.

Mijn hart gloeide in mijn binnenste,

bij mijn verzuchting laaide vuur op;

ik sprak met mijn tong. Ps.39:4.

Het boek Jozua begint dus: Overpeins de Torah, ‘verzucht het’.

Op dezelfde manier begint ook het Psalmboek:

Maar aan des HEREN wet zijn welgevallen heeft,

en diens wet overpeinst bij dag en bij nacht. Ps.1:2.

(daar zien we weer dat woord hagah)

Iemand heeft hier onlangs iets over geschreven en zegt dan: Psalm 1 zou heel goed passen in de Paasnacht. Dat zou ook een mooie associatie ge ven met Jozua 1, waar ook het paasfeest wordt gevierd en ze het land binnentrekken met de Torah in het hart en met de Torah op de lippen.

Dit wetboek mag niet wijken uit uw mond, maar overpeins (murmel) het dag en nacht, opdat gij nauwgezet handelt overeenkomstig alles wat daarin geschre ven is, want dan zult gij op uw wegen uw doel bereiken en zult gij voorspoedig zijn (letter lijk: dan zult gij doortastend optreden, of: dan heb je greep op de dingen).

Joz.1:8.

‘Dan heb je greep op de dingen’ is toch wel een nauwkeuriger verta ling dan ‘voorspoedig zijn’. Voorspoed is weer zo’n typisch westers begrip.

Heb Ik u niet geboden: wees sterk en moedig? Sidder niet en word niet ver schrikt, want de HERE, uw God, is met u, overal waar gij gaat. v.9.

We hebben dus al drie keer gehoord: wees sterk en moedig.

Dat komt steeds weer als een soort cadans terug.

Zo eindigt dus dat eerste fragment.

In vers 10 zien we dus dat Jozua zijn bevelen gaat geven.

Toen beval Jozua de opzieners van het volk: Gaat midden door de legerplaats en beveelt (gebiedt) het volk aldus: bereidt u teerkost, want binnen drie dagen zult gij de Jordaan hier overtrekken om bezit te gaan nemen (om te beërven) van het land, dat de HERE, uw God, u tot een be zitting geven zal (om het te beërven).  Joz.1:10,11.

Binnen drie dagen

Daar zien we dat bekende motief van de drie dagen. Tot de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam Manasse zeide Jozua: Ge denkt het woord dat Mozes, de knecht des HEREN, u geboden heeft: de HE RE, uw God, schenkt u rust en geeft u dit land; uw vrouwen, uw kleine kinderen en uw vee mogen blijven in het land, dat Mo zes u gegeven heeft aan de over zijde van de Jordaan, maar gij zult, ten strij de toegerust, aan de spits uwer broe ders (voor het aangezicht van uw broe deren) op­trekken, alle dappere helden, en gij zult hen helpen. Joz.1:12-14.

* Ten strijde toegerust

De betekenis van het woord chamusjim is bij de rabbijnen altijd een hele puzzel geweest. In Exodus 13 staat dat ook:

Daarom liet God het volk zwenken, de woestijnweg op naar de Schelfzee. Ten strijde toegerust trokken de Israëlieten op uit het land Egypte. Ex.13:18.

Het gaat hier dus om de zinsnede ‘ten strijde toegerust’. Het woord cha musjim kan ook samenhangen met het woord chamesj, dat vijf bete kent. Er zijn ook vertalingen die zeggen:

«Ze trokken in groepjes van vijf het land uit»

Er zijn zelfs uitleggers in de oude traditie, bijvoorbeeld in de Joodse tra ditie, die zeggen: één op de vijf. Er waren ook heel wat omgekomen in Egypte, in dat concentratiekamp. Dus uiteindelijk zou dan één op de vijf het overleefd hebben. Maar dat is een verhaal apart, dat bij Exodus thuis hoort. Hier in Jozua moet het toch wel betekenen: ten strijde toege rust.

Uw vrouwen, uw kleine kinderen en uw vee mogen blijven in het land, dat Mo zes u gegeven heeft aan de overzijde van de Jordaan, maar gij zult, ten strij de toegerust, aan de spits (voor het aangezicht van) uwer broeders optrekken, alle dap pere helden, en gij zult hen helpen,  totdat de HERE uw broeders rust ge schonken heeft evenals u, en ook zij be zit ge nomen (beërfd hebben) hebben van het land dat de HERE, uw God, hun geven zal. Dan moogt gij terugkeren naar uw eigen land en dat in bezit (beër ven) ne men, het welk Mozes, de knecht des HE REN, u gegeven heeft aan de over zijde van de Jor daan, in het oosten (bij de op gang van de zon). Joz.1:14,15.

We zien steeds weer dat motief van het beërven.

* Bevelen of gebieden

Daarop antwoordden zij Jozua: Al wat gij ons bevolen (geboden) hebt, zullen wij doen en overal, waarheen gij ons zenden zult, zullen wij gaan. Joz.1:16.

Hier staat in het Hebreeuws het woord tsawah, dat gebieden betekent. Een gebod is in wezen toch iets anders dan een bevel. Een bevel is een malig, terwijl een gebod blijvend van strekking is. Een kind wordt ook ben mit­swa, zoon van het gebod (mitswa), niet de zoon van het bevel. Er is dus een fundamenteel verschil tussen een gebod een bevel. Daar zit een hele wereld achter. Befehl ist befehl. Dat was dan altijd het excuus, dat in de Tweede Wereldoorlog zo vaak een rol speelde. Niemand dacht zelf na; niemand zei ooit: dat is mijn verantwoordelijkheid. Er staat ie mand boven mij die beveelt en ik moet gewoon gehoorzamen.

Maar een gebod is wat anders. Een bevel heeft iets in zich waardoor een mens tot slaaf wordt, maar een gebod heeft juist een bevrijdend aspect. Een bevel kan iets dodelijks hebben, maar een gebod is ten leven. In vers 11 is dus ook sprake van een gebod, en niet van een bevel. Dat verschil komt in alle verzen niet altijd even duidelijk naar voren, maar het prin cipe zit er wel in. Als je alleen maar bevelen opvolgt, dreigt er kadaver discipline te ontstaan.

Het woord (gebod) dat u ten leven riep

is niet te hoog, is niet te diep

voor mensen die ’t zo traag beamen.

Het is een teken in uw hand,

een licht dat in uw ogen brandt.

Het roept u dag aan dag bij name.   (Liedb.7)

Zo zegt Jan Wit het zo mooi in zijn prachtige berijming van Deuterono mi um 30. Evenzeer als wij naar Mozes gehoord hebben, zullen wij naar u horen; moge maar de HERE, uw God, met u zijn, zoals Hij met Mozes geweest is. Ieder die uw bevel (mond) weerstreeft en niet hoort naar uw woorden, wat gij hem ook bevelen (gebieden) zult, zal ter dood gebracht worden.

Alleen, wees sterk en moe dig (vast)! Joz.1:17,18.

Alleen, wees sterk en moe dig!

Aan het slot van dit hoofdstuk wordt dus het motief van het begin weer opge pakt.

Hier worden dus die twee en een halve stam er ook bij betrokken: Ru ben, Gad en half Manasse. Op die manier wordt dus heel Israël in Joz. 1 opge roepen om het land te beërven. Dus niemand kon zeggen: maar ik heb mijn erfdeel al, gaan jullie maar de Jordaan over. Die twee en een halve stam hebben dus hun erfdeel in het Overjordaanse, maar moeten toch mee de Jordaan overtrekken om hun broeders te helpen in de strijd. Als één geheel, moeten ze als de 12 stammen de Jordaan oversteken.

* Ziet het land en wel Jericho

Vervolgens krijgen we dat prachtige verhaal van Jozua 2.

Het verhaal van de verspieders van Jericho.

Jozua, de zoon van Nun, zond van Sittim heimelijk twee verspieders uit met de opdracht: Gaat heen, neemt het land in ogenschouw (‘ziet het land’) en Jeri cho. Zij gingen dan en kwamen in het huis van een hoer, Rachab geheten, waar zij gingen sla pen. Joz.2:1.

Ze moeten dus het land gaan zien en Jericho. Je zou zeggen: Jericho lígt in het land. We hebben hier een klein vertaalprobleem. Maar dat ‘ver taal pro bleempje’ is tegelijk ook een ‘denkprobleempje’. In feite kun je deze tekst maar op een manier vertalen: ‘Ziet het land en wel Jericho’. Ze moeten dus niet het land èn Jericho gaan bekijken, maar ze moeten het land gaan bekijken, namelijk: Jericho! Dat betekent dus, dat als ze Jericho gezien hebben, ze het hele land hebben gezien. Jericho staat dus model voor het hele land. Dat zal uit het vervolg ook blijken, want die verspie ders komen ook niet verder dan Jericho. Verder hoeven ze niets meer te zien. En van Jericho hebben ze ook nog maar een heel klein stukje ge zien, ze zijn alleen bij Rachab geweest, een huisje op de muur. Ze gaan door de poort naar binnen en via het dak gaan ze Jericho weer uit.

Het thema in heel het boek Jozua is, dat Jericho model staat voor het he le land. Dat zullen we later ook weer zien, want als ze Jericho vero verd hebben, dan hebben ze in feite het hele land in hun bezit. Dus ook het innemen van Jericho staat model voor het innemen van het hele land. Daarom is het verhaal over Jericho niet zomaar een incident.

Je zou kun nen zeggen: Jericho is de sleutelstad.

Toen werd de koning van Jericho gemeld: Zie, er zijn hier hedennacht man nen gekomen van de Israëlieten om het land te verkennen (om het land uit te speu ren).

De koning van Jericho zond daarop een boodschap aan Rachab: Lever de man nen uit, die tot u zijn gekomen, die uw huis binnengegaan zijn, want zij zijn ge komen om het gehele land (al het land) te verkennen. Maar de vrouw had de beide mannen genomen en hen verborgen, en zij zeide: Zeker, die mannen zijn tot mij gekomen, maar ik wist (ik heb niet gekend) niet, van waar zij waren.

Joz.2:2-4.

Nu gaat de verteller werken met dat woord kennen of weten (jada’).

Je krijgt nu iets heel merkwaardigs. Rachab is toch wel een heel aparte vrouw. Het woord jada’ staat dus in vers 4 (maar ik wist niet).

Toen de poort bij het invallen van de duisternis gesloten zou worden, zijn die mannen weggegaan; ik weet niet (ik heb niet gekend), waarheen die mannen ge gaan zijn. Jaagt hen snel achterna, voorzeker zult gij hen inhalen. Joz.2:5.

Hier wordt weer gezegd: Ik weet niet.

Rachab weet dus niet waarvandaan en ze weet ook niet waarheen.

Zij had hen echter op het dak doen klimmen en hen verborgen onder de vlas sten gels, die zij uitgespreid had liggen op het dak. Die mannen nu jaagden hen achterna in de richting van de Jordaan naar de doorwaadbare plaatsen, en men sloot de poort, zodra de achtervolgers eruit ge gaan waren. Voordat zij echter gingen slapen, klom zij tot hen op het dak. Joz.2:6-8.

* De geloofsbelijdenis van Rachab

En zeide tot de mannen: Ik weet dat de HERE u het land gegeven heeft en dat de schrik voor u op ons gevallen is en dat alle inwoners van het land voor u sid deren.  Joz.2:9.

Ik weet dat de HERE u het land gegeven heeft

Dat is de clou van dit verhaal. Hier komt voor de derde maal het woord jada’ti voor. Tegen die achtervolgers zegt ze twee keer: ik weet niet (lo jada’ti). Tegen die verspieders zegt ze nu: ik weet. Rachab blijkt meer te weten dan je zo op het eerste gezicht zou vermoeden.

Je ziet hier dat Ra chab profetisch wordt. Dit is de eerste profetische stem in het boek Jo zua. Je zou wel van de veronderstelling uit kunnen gaan dat Rachab van de verspieders gehoord heeft wat het doel van hun be zoek aan Jeri cho was. Voordat zij die verspieders verborg, zal ze uiter aard wel even met hen ge sproken hebben.

We kunnen hier een merkwaardige verbinding zien tussen Jozua en Exo dus. In vers 9 lezen we:  En zeide tot de mannen: Ik weet dat de HERE u het land gegeven heeft en dat de schrik voor u op ons gevallen is en dat alle inwoners van het land voor u sid deren (smelten, wankelen).  Want wij hebben gehoord, dat de HERE de wateren van de Schelfzee voor uw ogen (aangezicht) heeft doen opdrogen, toen gij uit toogt uit Egypte, en wat gij gedaan hebt aan de beide koningen der Amorieten aan de overzijde van de Jor daan, Sichon en Og, die gij met de ban geslagen hebt. Toen wij dat hoorden, versmolt ons hart en vanwege u bleef bij niemand meer enige moed over (‘er stond geen ruach meer op’), want de HERE, uw God, is een God in de hemel boven en op de aarde beneden. Joz.2:9-11.

* Een God in de hemel boven en op de aarde be ne den

En dan lezen we als de geloofsbelijdenis van Rachab:

Want de HERE, uw God, is een God in de hemel boven en op de aarde be ne den.

Het merkwaardige van dit verhaal is, dat de verspieders in feite niets doen. Het enige wat ze doen is luisteren naar wat Rachab zegt. Uit de mond van Rachab horen ze hoe de zaken er in de geestelijke wereld voor staan. Als ze de geloofsbelijdenis van Rachab gehoord hebben, we ten ze dat ze het land in bezit kunnen nemen.

Een identiek gebeuren zien we in de geschiedenis van Gideon. Gideon hoort ook uit de mond van de tegenpartij dat de overwinning zeker is. Hier komt het dan uit de mond van Rachab als vertegenwoordigster van Kanaän.

Nu komen we op een merkwaardig aspect.

Wat gebeurt hier in die woorden van Jozua 2:9-11?

* Ik wist niet – ik weet niet – ik weet

We willen eens even op die lijn letten: ik wist niet, ik weet niet, ik weet. Tegenover de soldaten van de koning weet Rachab van niets, maar te genover de verspieders van Jozua kan ze zeggen: ik weet. Als ze tegen over de verspieders haar geloof gaat belijden, dan weet zij wel. Zo wordt dat verhaal gecomponeerd rondom dat ‘weten’ en het ‘niet weten’.

Jozua 2:9-11 is dus het credo van Rachab.

Maar, waar heeft Rachab dat vandaan?

‘De schrik voor u is op ons gevallen’ staat er in vers 9.

‘Want wij hebben gehoord’ zegt vers 10.

Sichon en Og hebt gij met de ban geslagen hebt’ vermeldt vers 10.

versmolt ons hart….’.

‘er bleef geen ruach meer over’.

‘want de HERE, uw God, is een God in de hemel boven en op de aarde bene den’.

Rachab zegt dus iets over de Schelfzee.

Deze zee werd ook wel genoemd Rietzee (Jam Suph).

Volkeren hoorden het, zij sidderden; beving greep de bewoners van Filistea aan. Toen verschrikten Edoms stamhoofden, huivering greep Moabs mach tigen aan; alle bewoners van Kanaän sidderden. Ontzetting en schrik overviel hen, door uw geweldige arm verstarden zij als een steen, terwijl uw volk, HE RE, doortrok, uw volk, dat Gij U hebt verworven, door trok. Ex.14-16.

‘Volkeren hoorden het’ staat er in vers 14.

Dat is ook wat Rachab zegt: ‘Want wij hebben het gehoord’.

‘Zij sidderden’ zegt vers 14.

Ook Rachab spreekt van siddering en be ving.

‘Toen verschrikten Edoms stamhoofden’.

Letterlijk: ‘Toen werden ontwricht de leiders van Edom’.

‘Huivering greep Moabs machtigen aan’.

Letterlijk: ‘Beving greep de rammen van Moab aan’.

‘Alle bewoners van Kanaän sidderden’.

Letterlijk:Toen wankelden alle ingezetenen van Kanaän’.

Jozua 2 is de vervulling van Exodus 15

Dezelfde motieven als waarvan Rachab spreekt, vinden we dus in Exo dus 15 terug. In Jozua 2 krijg je als het ware de vervulling van Exodus 15. Dat wordt door een combinatie van motiefwoorden weergegeven. Daar komen dan ook nog die twee koningen bij, die in Deuteronomium worden verslagen. Dat is dus een Torah-motief. Dat zijn de enige twee Kanaänitische koningen die Mozes al verslagen heeft. Daar zie je dat Rachab in feite helemaal bouwt op dat gebeuren van de doortocht door de zee. God heeft zijn naam gevestigd door dat gebeuren bij de Schelf zee.

* Pascha en passage, uittocht en door tocht

Het lied dat gezongen werd na de doortocht door de zee is van een groot se allure. De doortocht door het water leidt tot een doortocht door de volkeren. In feite zie je ook twee gedeelten in dat lied over de door tocht. Het eerste gedeelte omvat vers 1 tot 10. Het tweede gedeelte loopt van vers 11 tot en met vers 18. Het eerste gedeelte gaat over de door tocht door het water; dan staat het water aan alle kanten als een muur. In het tweede gedeelte van dit lied krijg je de doortocht door de ‘volke renzee’, dan staan daar al die volkeren als een muur. Dus die doortocht door de wateren preludeert op de doortocht door de volkeren. Dat mo tief van de doortocht vind je in feite steeds weer terug. Het volk van God krijgt altijd op de een of andere manier weer een doorgang, een doortocht. In Openbaring 15 komt dat ook weer ter sprake. Dan staan daar die overwinnaars op (of ‘aan’) de glazen zee. En dan zingen ze het lied van Mozes en van het Lam. Het boek Openbaring is in feite ook weer een doorgang.

Hetzelfde wordt in wezen ook weer uitgebeeld als Jezus op de wateren wandelt. Het wandelen op het water wil zeggen: Ik heb de zee onder mijn voeten. Jezus deed dat niet als een soort huzarenstukje, maar om te laten zien: die nieuwe mens, die nieuwe schepping, heeft de zee onder zijn voeten.

In Exodus wordt het Pascha beschreven, dat was ook een doortocht. In Johannes 6 zien we dat ook; het begint met Pascha en dan komt het wan delen over het water. Daar zie je dus diezelfde combinatie van mo tieven: Pascha en passage, uittocht en door tocht.

Het is ook heel opval lend dat dit ook meteen aan elkaar gekop peld wordt. In Johannes 6 wordt eerst gesproken van het Paasmaal, en dan vanuit dat Pascha krijg je dan ‘Jezus gaande over de zee’.

En het Pascha, het feest der Joden, was nabij.  Joh.6:4.

Jezus dan nam de broden, dankte en verdeelde ze onder hen, die daar zaten, evenzo van de vissen, zoveel zij wensten.  v.11.

Maar Hij zeide tot hen: Ik ben het, weest niet bevreesd.  v.20.

Letterlijk: ‘Maar Hij zeide tot hen: Ik ben, weest niet bevreesd’  v.20.

* De naam van God is een werkwoord

Dat is hetzelfde als wat God tegen Mozes zei: Ik ben (Ex.3).

De zinsnede ‘Ik ben’ is in feite zowel een naam als een werkwoord.

Het merkwaardige is, dat bijvoorbeeld Hosea 1 daarop teruggrijpt.

Dan zal Ik haar voor Mij zaaien in het land, en Mij ontfermen over Lo-Ru cha ma, en tot Lo-Ammi zeggen: Gij zijt mijn volk. En hij zal zeggen: Mijn God! Hos.1:22.

Toen zeide Hij: Noem hem Lo-Ammi, want gij zijt mijn volk niet en Ik zal de uwe niet zijn. Hos.1:9.

Hier staat letterlijk: Ik ben niet meer ‘Ik ben’. Ik zal niet meer ‘Ik ben’ voor jullie zijn. Dat is in de vertaling in feite verdwenen.

«Toen zeide God tot Mozes: Ik ben, die Ik ben. En Hij zeide: Aldus zult gij tot de Israëlieten zeggen: Ik ben (Ik zal zijn) heeft mij tot u gezonden.  Ex.3:14. In vers 12 komt die naam in feite ook al naar voren.

Toen zeide Hij: Ik ben immers met u! En dit zal u het teken zijn, dat Ik u ge zonden heb: wanneer gij het volk uit Egypte hebt geleid, zult gij God dienen op deze berg. Ex.3:12.

Die naam van God is dus eigenlijk een werkwoord.

* Wij zullen u goedertierenheid en trouw bewijzen

De naam Rachab betekent eigenlijk ‘ruim, ruimte’. Vergelijk de naam Re hoboth. Rachab heeft dus wel een veelbetekenende naam. Door het handelen van Rachab komt er ruimte. De ruimte van het land komt voor de kinderen Israëls binnen bereik.

Rachab heeft dus vastgesteld: God is de God van de hemel boven en van de aarde beneden.

Dan vraagt Rachab:

Nu dan, zweert mij toch bij de HERE, dat, aangezien ik u een weldaad bewe zen heb, gij ook aan mijn familie een weldaad (chesed, verbondstrouw) zult bewij zen; en geeft mij een betrouwbaar teken (een teken van emet), dat gij mijn vader en moeder, mijn broeders en zusters en al de hunnen in leven zult laten en ons van de dood redden zult. Joz.2:12,13.

De woorden chesed en emet (goedertierenheid en trouw) worden vaak in combinatie gebruikt. Rachab zegt: ik heb chesed gedaan aan jullie, doen jullie nu chesed aan mij en aan mijn familie en geef me dan een teken van emet.

Toen zeiden de mannen tot haar: Wij staan met ons leven voor u borg, in dien gij deze onze zaak niet ruchtbaar maakt (indien gij niet meldt); wanneer dan de HERE ons het land gegeven heeft, zullen wij u dankbaarheid en trouw (che sed en emet = goedertierenheid en trouw) bewij zen. Daarop liet zij hen met een touw door het venster naar beneden, want haar huis was gelegen op de buitenzijde van de stadsmuur, zodat zij woonde op de muur, en zij zeide tot hen: Gaat naar het gebergte, opdat de achtervolgers u niet aan treffen en houdt u daar drie dagen schuil, totdat de achtervolgers terugge keerd zijn; daarna kunt gij uws weegs gaan. Joz.2:14-16.

Houdt u daar drie dagen schuil

Daar zien we weer het motief van de drie dagen.

De mannen zeiden tot haar: Wij zullen ontslagen zijn van deze eed aan u, die gij ons hebt doen zweren – zie, wanneer wij het land binnenkomen, moet gij dit koord van scharlakendraad binden aan het venster waardoor gij ons hebt neer gelaten, en uw vader en uw moeder, uw broeders en de gehele familie bij u in huis bijeenbrengen.  v.17,18.

* Het koord van de hoop

Het woord koord is in het Hebreeuws tiqwah. Het woord tiqwah bete kent meestal hoop, verwachting. Letterlijk betekent het: gespannen zijn. Je kunt inderdaad gespannen verwachting hebben. Het woord tiqwah heeft dus een dubbele betekenis.

Als Rachab dus een koord uit het raam hangt, betekent dat in feite, dat zij haar verwachting laat zien. Dan is het koord van de verwachting gespannen. Rachab heeft haar geloof beleden en zij hangt haar hoop uit het venster. Geloof en hoop; door geloof en hoop worden de beloften beërfd. Zo wordt Rachab mede-erfgenaam van Israël. Hierbij moeten we goed bedenken, dat Rachab in het boek Jozua model staat voor wat God bedoelde voor heel Kanaän. Rachab is dus de gestalte van buiten die binnenkomt. Straks krijgen we bij Jericho iemand van Israël die naar buiten gaat. Dat gaat over Achan, de man die van de buit van Jericho had genomen. Rachab en Achan staan beiden model, aan de ene kant voor datgene wat naar buiten moet en aan de andere kant voor datgene wat binnen mag komen. Rachab komt in de Hebreeënbrief ook voor in de rij van geloofsgetuigen.

Door het geloof is Rachab, de hoer, niet met de ongehoorzamen omgekomen, daar zij de verspieders met vrede had opgenomen.  Hebr.11:31.

Zij nu zeide: Zoals gij gezegd hebt, zo zal het zijn. Daarop liet zij hen gaan en zij gingen heen; en zij bond het scharlaken koord aan het venster. Zij nu gingen heen, kwamen in het gebergte en bleven daar drie dagen, tot dat de ver volgers teruggekeerd waren. De vervolgers hadden overal langs de wegen ge zocht zonder te vinden. Toen keerden de beide mannen terug, daalden van het gebergte af, staken over en kwamen bij Jozua, de zoon van Nun, en zij vertelden hem al hun we der va ren. Zij zeiden tot Jozua: De HERE heeft het gehele land in onze macht gegeven, ja zelfs sidderen voor ons alle inwoners van het land.

Joz.2:21-24.

* Rachab zingt het lied van Mozes

Als die verspieders dus bij Jozua komen, citeren ze in feite alleen maar wat Rachab heeft gezegd. Die verspieders hadden weinig gezien, ze hebben in hoofdzaak alleen maar onder het vlas liggen slapen. Ze heb ben weinig gezien maar des te meer gehoord.

In feite hebben de ver spieders alleen maar naar de preek van Rachab geluisterd. En Rachab had dat weer uit Exodus 15, uit het lied van Mo zes. In feite had Rachab het lied van Mozes zitten zingen voor die twee verspieders. De verspie ders hadden weer een uittreksel gemaakt van de preek van Rachab en ge ven dat door aan Jozua. Zo zie je dat in feite door de woorden van de Torah het land veroverd wordt.

Dat gemurmel gaat maar door. Rachab murmelt Exodus 15 na en de ver spieders mur me len Rachab na. Al mur melend wordt op die manier het land beërfd. Zo plant het lied van Mo zes zich voort. Zo komt het land binnen bereik. Het geloof is in derdaad in dit verband de sleutel. Dat murmelen was niet zomaar wat gebrabbel, maar dat was murmelen in ge loof. Dat bete kent inderdaad, dat de roer selen van het hart volop mee doen. Grond krijgen, bodem krijgen en van binnenuit gaan functione ren.

Jozua 3 en 4 horen bij elkaar. Daar staat dan boven: de overtocht over de Jordaan. Het gaat dus over een passage. Een overtocht is altijd een heel bijzonder gebeuren. Het passeren van een grens is vaak een ingrij pende gebeurtenis. De overtocht over de Jordaan was dus het passeren van een tijdgrens. Het is op zich ook heel opvallend, dat die overtocht zo uitvoerig wordt beschreven. Het is ook heel veelzeggend dat aan dit gebeuren twee hoofdstukken worden besteed. Je zou het ook heel kort kunnen zeggen: we kwamen bij de Jordaan en gingen naar de overkant en toen waren we in het beloofde land. Dit roept meteen al de vraag op, waarom dit zo uitvoerig wordt verhaald. Blijkbaar is die over gang van fundamentele betekenis. We zullen ook zien dat een paar kernwoorden in deze hoofdstukken eruit springen.

Overtrekken

Toen stond Jozua des morgens vroeg op, en hij en al de Israëlieten braken op van Sittim en kwamen tot aan de Jordaan, waar zij overnachtten, voordat zij overtrokken.  Joz.3:1.

Het eerste sleutelwoord is ‘abar, dat overtrekken betekent.

Na verloop van drie dagen (en het geschiedde aan het einde van drie dagen) gingen de opzieners de legerplaats door.  v.2.

Hier staat trouwens ook weer het woord ‘abar, zij trokken door de le ger plaats. Drie dagen is in de bijbel altijd de aanduiding voor de beslis sende tijd. Op de derde dag valt de beslissing.

 

En zij (geboden) gaven het volk dit bevel: Zodra gij de ark des verbonds van de HERE, uw God, ziet en de levitische priesters, die haar dragen, dan zult gij ook van uw plaats opbreken en achter haar aan trekken. v.3.

De volledige studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds

Commentaren zijn gesloten.

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

384917 bezoekers sinds 07-06-2010