Het Bijbelboek Openbaring Deel 9

13-12-2013 door Aren van Waarde

ThyatiraOpenbaring 2:18-29

Boodschap voor Thyatira

“En aan de engel van de gemeente in Thyatira schrijf: Deze [dingen] zegt de Zoon van de God, de Bezitter van de ogen van Hem als een vuurvlam en de voeten van Hem als wit koper: Ik weet van u de werken en de liefde en het geloof en de dienst en de volharding van u, en de werken van u: de laatste meer dan de eerste. Maar Ik heb tegen u dat u laat gaan de vrouw Izebel die zichzelf profetes noemt, ze leert en verleidt mijn slaven om te hoereren en afgodenoffers te eten, en Ik geef haar tijd om van gedachten te veranderen, maar ze wil niet van gedachten veranderen uit haar hoererij. Zie, Ik zal haar werpen in een bed en de overspelers met haar in grote verdrukking, tenzij ze van gedachten veranderen uit haar daden, en de kinderen van haar zal Ik doden met de dood. En al de gemeenten zullen weten dat Ik de Doorzoeker ben van nieren en harten, en Ik zal aan u allen geven in overeenstemming met uw werken. Maar aan u, aan de rest van Thyatira, zovelen als niet hebben deze leer, die niet kennen de diepten van de satan, zoals zij zeggen, niet zal ik u opwerpen een andere last behalve dan wat u hebt: houdt dat totdat Ik kom. En aan de overwinnende en de bewarende tot het einde van de werken van Mij zal Ik geven, aan hém, gezag over de volken, en hij zal hen hoeden met een ijzeren staf, zoals aardewerk wordt stukgeslagen, zoals Ik heb ontvangen van de Vader van Mij, en Ik zal hem geven de morgenster. Wie een oor heeft, hore wat de Geest zegt tot de gemeenten.

Vers 18

En schrijf aan de engel van de gemeente in Thyatira: Dit zegt de Zoon van God, die zijn ogen heeft als een vuurvlam en zijn voeten aan blinkend koper gelijk. Thyatira bestaat nog steeds in de vorm van de stad Akhisar. Van het antieke Thyatira is echter vrijwel niets overgebleven. Uit een vraag van de hogepriester Kajafas blijkt, dat “Zoon van God” een parallel is van “de Christus”, dat wil zeggen: “de messiaanse Koning” (Mattheüs 26:63). De eretitel “Zoon van God” is ontleend aan de tweede psalm, een lied over de Messias: “Ik wil gewagen van het besluit des HEREN: Hij sprak tot mij: Mijn zoon zijt gij, Ik heb u heden verwekt. Vraag Mij en Ik zal volken geven tot uw erfdeel, de einden der aarde tot uw bezit” (Psalm 2:7-8) In het negentiende hoofdstuk van de Openbaring worden de “ogen als een vuurvlam” als volgt verklaard: “Hij oordeelt en voert oorlog in gerechtigheid, zijn ogen zijn namelijk als een vuurvlam…” (19:11-12) Wie “ogen als een vuurvlam” heeft is – in tegenstelling tot een aardse rechter – in staat om waarheid en leugen op volmaakte wijze te onderscheiden – zoals vuur het goud beproeft en elke onzuiverheid verwijdert. Omdat de Messias “ogen heeft als een vuurvlam” kan hij een strikt rechtvaardig oordeel vellen. In Israël was de koning tevens de hoogste rechter. Hij had opdracht om het kwaad uit het land weg te doen. Aardse rechters baseren hun vonnis op wat menselijke ogen waarnemen: hun eigen ogen en de ogen van getuigen. Daardoor kunnen zij fouten maken. De Messias vergist zich echter nooit. De zinsbouw van de Griekse tekst van vers 18 is merkwaardig. Wanneer de Mensenzoon opmerkt: “Deze [dingen] zegt de Zoon van de God, de bezitter van de ogen van Hem als een vuurvlam”, dan kunnen de woorden “van Hem” terugslaan op de Zoon, maar ook op God. Indien ze op God betrekking hebben, wordt hier uitgesproken dat de Messias in zijn functie als Rechter beschikt over de ogen van zijn Vader, d.w.z. over Goddelijke wijsheid. In 2 Thess.1:8 wordt het “vlammend vuur” verbonden met “de openbaring van de Heer Jezus van de hemel”, het moment waarop Hij in heerlijkheid verschijnt om zijn heerschappij op aarde op zichtbare wijze te gaan uitoefenen. “Voeten als blinkend koper” is een aanduiding van de volmacht van de Messias om kwaaddoeners uit te roeien. Ook hier is er in de Griekse tekst sprake van een merkwaardige zinsbouw. Wanneer “de Zoon van de God” opmerkt dat Hij beschikt over “de voeten van Hem als blinkend koper” dan kan “van Hem” terugslaan op “God”. Omdat de Messias zulke voeten heeft, kan Hij het kwaad uitroeien. In de Hebreeuwse Bijbel is het “vertreden met de voeten” een vorm van beeldspraak die aangeeft dat de HEERE zijn tegenstanders volledig zal verdelgen: “Ik zal Assyrië verbreken in mijn land, en op mijn bergen zal Ik het vertrappen (Jesaja 14:25) “Wie heeft vanwaar de zon opkomt de Rechtvaardige doen opstaan, hem geroepen om te gaan? Wie heeft heidenvolken aan hem overgeleverd, en doet hem koningen vertreden? (Jesaja 41:2) Ik doe iemand opstaan uit het noorden en hij zal komen: vanwaar de zon opkomt zal hij mijn Naam aanroepen; Hij zal komen, de machthebbers als leem vertreden en zoals een pottenbakker klei treedt(Jesaja 41:25) “Ik heb hen vertreden in Mijn toorn, hen vertrapt in Mijn grimmigheid… Ik heb de volken vertrapt in Mijn toorn, Ik heb hen dronken gemaakt in Mijn grimmigheid, Ik heb hun bloed ter aarde doen nederdalen” (Jesaja 63:3,6) Sta op en dors, dochter van Sion, want Ik zal uw hoorn van ijzer maken en uw hoeven van brons. U zult vele volken verpletteren…” (Micha 4:13) “U zult de goddelozen vertrappen. Voorzeker, stof zullen zij worden onder uw voetzolen op die dag die Ik bereiden zal, zegt de HEERE van de legermachten” (Maleachi 4:3) De Messias zal “de persbak treden van de wijn van de grimmige toorn van de almachtige God” (19:15). Hij zal zijn tegenstanders verpletteren. Daarom heeft Hij “voeten aan blinkend koper gelijk, als gloeiden zij in een oven” (1:15). De inhoud van de boodschap is met dit begin in overeenstemming. “Ogen als een vuurvlam” stemmen overeen met wat in de verzen 19-21 is beschreven, “voeten als blinkend koper” met de verzen 22-23.

Vers 19

Ik weet uw werken, uw liefde, uw geloof, uw dienst en uw volharding, en dat uw laatste werken meer zijn dan uw eerste. Het is opvallend, dat het bezittelijk voornaamwoord “uw” in de verzen 19-20 een tweede persoon enkelvoud is, maar in de verzen 23-25 een tweede persoon meervoud. In vers 19 richt de Mensenzoon zich tot de gemeente als geheel via de mond van de engel. In de verzen 23 e.v. richt Hij zich tot individuele gemeenteleden en roept hen op tot een keuze: voor de werken van de Messias of die van Izebel. Omdat de eenheid van de gemeente door valse profetie wordt bedreigd, loopt zij het gevaar om in twee partijen uiteen te vallen. Omdat de Mensenzoon “ogen als een vuurvlam heeft” is Hij van de toestand volmaakt op de hoogte. Hij ziet in de eerste plaats het goede en verliest dit niet uit het oog. Gezien de ernst van de situatie hebben de deugden die Hij opsomt een bijzondere klank. Thoragetrouwe Joden hebben het ontzaglijk moeilijk omdat ze worden verdrukt en het voor hen steeds moeilijker (en binnenkort zelfs helemaal onmogelijk) wordt om te kopen of te verkopen (2:3, 2:9-10, 2:13, 13:16-17). Om in leven te blijven zijn ze op elkaar aangewezen. Ze zijn afhankelijk van onderlinge steun en dienstbetoon. Het woord pistis, dat in vs.19 met “geloof” is vertaald, kan ook “trouw” of “betrouwbaarheid” betekenen. Geloof in God, vertrouwen op Zijn woord en Zijn beloften, en van daaruit betrouwbaarheid en dienstbetoon ten opzichte van elkaar, zijn van ontzaglijk groot belang wanneer de dag des Heren aanbreekt (vgl. Hebreeën 10:32-39). De gemeente heeft tot nu toe in deze deugden “volhard”. Het Griekse woord hupomonè, dat met “volharding” is weergegeven, betekent “er onder blijven”, niet op de loop gaan voor de moeilijkheden, maar er blijmoedig en dapper de schouders onder zetten. In toenemende mate wordt er een beroep gedaan op wederzijdse hulp, goedgeefsheid, ontferming. Men is in dat opzicht gegroeid, de “laatste werken zijn meer dan de eerste”. Het wordt echter ook steeds moeilijker om stand te houden.

Vers 20

Maar Ik heb tegen u, dat u de vrouw Izébel, die zich een profetes noemt, laat begaan; en zij leert en misleidt mijn slaven om te hoereren en afgodenoffers te eten. Izébel was de vrouw van koning Achab en de dochter van Ethbaäl, de koning van Sidon. Omdat zij van Foenicische afkomst was, spoorde ze haar echtgenoot aan om de Baäl te gaan dienen, de Kanaänitische god van de vruchtbaarheid. Achab liet in zijn hoofdstad Samaria een tempel voor die afgod bouwen en boog zich voor hem neer. Bovendien liet hij een asjera, d.w.z. een gewijde paal, oprichten. Het volk Israël werd niet alleen tot afgodendienst maar ook tot letterlijke hoererij gebracht, want de asjera verering ging met gewijde ontucht gepaard (1 Koningen 16:31-33, 2 Koningen 9:22). Zoals Izébel in Israël optrad, zo zal er in Thyatira een vrouw zijn die Israëlieten verleidt om afgodenoffers te gaan eten en te gaan hoereren. De vrouw in Thyatira predikt dezelfde boodschap als de Nicolaïeten. Zij brengt Gods knechten ertoe om het beest te gaan vereren en zijn merkteken te aanvaarden. Toch is de situatie in Thyatira in zeker opzicht gevaarlijker dan die in Pergamum, want de vrouw gedraagt zich als een profetes. Zij beweert namens God te spreken en ze gebruikt godsdienstige argumenten. De Eeuwige zou van zijn toekomstige 69 priesterkoningen verwachten dat zij “de diepten van satan leren kennen” (2:24). Om over de heidenen te kunnen heersen, moet men die heidenen toch eerst begrijpen! Er zijn meerdere parallellen tussen het optreden van de oudtestamentische Izébel en van de vrouw uit Thyatira:

a. De vervolging die Izébel ontketende tegen de profeten van de HEERE en de droogte die daarmee gepaard ging duurden drie jaar en zes maanden (Lukas 4:25, Jakobus 5:17-18, vgl. 1 Koningen 18:1). Het woeden van het beest tegen wetsgetrouwe Joden zal precies even lang duren: “een tijd, tijden en een halve tijd” (12:4), “tweeënveertig maanden” (11:2, 13:5) of “twaalfhonderdzestig dagen” (11:3, 12:6).

b. Zoals de profeet Elia Izébel en Achab vermaande, zó zullen er tijdens die toekomstige periode van drie-en-een-half-jaar in de stad Jeruzalem twee getuigen optreden die er uit zien als Elia en die wonderen doen (11:3-9).

c. Izébel kon de Baälscultus invoeren omdat zij door de heersende vorst werd gesteund. De vrouw in Thyatira zal velen misleiden omdat zij wordt gesteund door een machtige heerser, het “beest uit de zee”.

Vers 21

En Ik heb haar tijd gegeven om zich te bekeren en zij wil zich niet bekeren van haar hoererij. Voor “bekeren” gebruikt de oorspronkelijke tekst het werkwoord metanoioo, dat “van gedachten veranderen” betekent. Binnen het boek Openbaring komt dit woord twaalf maar voor: tweemaal in 2:5, in 2:16, tweemaal in 2:21, in 2:22, 3:3, 3:19, 9:20, 9:21, 16:9 en 16:11. De vrouw in Thyatira wordt op een aantal manieren “tijd gegeven om zich te bekeren”:

a. Ze maakt mee hoe één derde van de mensheid wordt gedood tijdens het oordeel van de zesde bazuin: het loslaten van de verderfengelen die bij de Eufraat gebonden zijn (9:20-21).

b. Ze zal horen van het optreden van de twee getuigen: dat zij de inwoners van Jeruzalem oproepen om terug te keren tot de HEERE, en hun oproep kracht bijzetten door de hemel te sluiten (zodat er geen regen meer valt) en het drinkwater te doen bederven (11:1-14).

c. Ze maakt mee hoe tijdens de schaalgerichten de zonnegloed aanzwelt tot een verschroeiende hitte en de volgelingen van het beest worden geslagen met kwaadaardige zweren (16:1-11). Haar wordt dezelfde vorm van uitstel geboden als koningin Izebel. Ook die maakte immers mee dat het 3½ jaar niet regende, wat hongersnood, armoede, ziekte en sterfte van mens en dier tot gevolg had. Maar evenmin als de vrouw van Achab zich bekeerde, zal de profetes in Thyatira van gedachten veranderen. In latere visioenen krijgt Johannes te zien hoe “aardbewoners” die in leven blijven tijdens de laatste plagen tot het einde toe hardnekkig blijven: “En de overigen van de mensen die niet gedood werden door deze plagen, bekeerden zich zelfs niet van de werken van hun handen, dat zij niet aanbaden de demonen en de gouden, zilveren, koperen, stenen en houten afgoden, die niet kunnen kijken, niet horen en niet lopen; en zij bekeerden zich niet van hun moorden, noch van hun hoererij, noch van hun diefstallen” (9:20-21) “En de mensen… lasterden de naam van God, die de macht over deze plagen had, en zij bekeerden zich niet om Hem heerlijkheid te geven” (16:9) “En zij… lasterden de God van de hemel vanwege hun pijnen en vanwege hun zweren, en zij bekeerden zich niet van hun werken” (16:11)

Vers 22 en 23

Zie, Ik werp haar op een bed en [werp] hen die met haar overspel bedrijven in grote verdrukking, als zij zich niet bekeren van haar werken. En haar kinderen zal Ik door [de] dood ombrengen, en alle gemeenten zullen weten dat Ik het ben die nieren en harten doorzoek, en Ik zal u geven ieder naar uw werken. De aankondiging van de komst van de Messias en het oordeel dat Hij daarbij zal voltrekken heeft uitleggers problemen bezorgd. Men veronderstelt dat de “profetes”, haar navolgers en haar “kinderen” door een verschillend lot worden getroffen en men begrijpt niet waarom dit het geval is. De merkwaardige uitdrukking in vers 23 (“door de dood ombrengen”) is een sleutel om de profetie te verstaan. Op het eerste gezicht lijkt dit een tautologie, want er is geen andere manier om iemand om te brengen dan door de dood. Maar deze uitdrukking is, evenals vele andere zegswijzen in het boek Openbaring, ontleend aan de Hebreeuwse Schriften. Dezelfde uitdrukking vinden we in 6:8: de apokalyptische ruiters doden een kwart van de wereldbevolking met “het zwaard, de honger, de dood en de wilde dieren van de aarde”. Het gaat om “de vier ergste oordelen van de Heere HEERE” – zwaard, honger, wilde dieren en pest (Ezechiël 14:21). Ook in Nederland werd de pest ooit aangeduid als “de zwarte dood”. “Ombrengen door de dood” is een Grieks equivalent van “treffen met de plaag” of “uitroeien door de pest”. Bij nadere beschouwing is vers 22 een éénheid. Het “bed” waarop Izebel wordt geworpen is een ziekbed. De “grote verdrukking” die haar volgelingen zal treffen is de benauwdheid van een levensbedreigende ziekte. In het Grieks staat er voor “verdrukking” geen bepaald lidwoord, het gaat dus niet om “DE grote verdrukking” als aanduiding van een bepaalde periode in de geschiedenis, maar om EEN grote verdrukking. De volgorde waarin de verschijnselen worden genoemd is een logische: eerst wordt men bedlegerig, vervolgens geraakt men in grote benauwdheid en begint voor zijn leven te vrezen, en uiteindelijk overlijdt men. De vrouw van koning Achab werd getroffen door dezelfde opeenvolging van gebeurtenissen: zij werd uit het venster geworpen en kwam op straat te liggen, daar werd ze vertrapt door paarden en uiteindelijk stierf ze. Dodelijke ziekte was in Bijbelse tijden de straf van God voor afvalligheid en afgoderij (zie b.v. Exodus 30:12, Numeri 8:19, 14:35-37, 16:46-50, 25:8-9, 25:18, 26:1, 31:16; Deuteronomium 28:61, Jozua 22:17, 2 Samuël 24:21-25, 1 Kronieken 21:17-22 en Psalm 106:29-31). Ook de verenigde naties die de HEERE belasteren en tegen Hem en zijn Gezalfde optrekken, zullen eens worden getroffen door de plaag (Zacharia 14:12). Volgens de Hebreeuwse Bijbel is de God van Israël, JHWH, degene die harten en nieren doorzoekt. David en Jeremia duiden Hem zo aan in hun profetische geschriften: “Laat de boosheid der goddelozen een einde nemen, maar bevestig Gij de rechtvaardige, Gij, die hart en nieren toetst, rechtvaardige God” (Psalm 7:10) “HERE der heerscharen, rechtvaardige Rechter, Die nieren en hart toetst, Ik zal uw wraak aan hen zien, Want op U heb ik mijn rechtszaak gewenteld” (Jeremia 11:20) “Ik, de HERE, doorgrond het hart en toets de nieren, en dat om aan een ieder te geven naar zijn wegen, naar de vrucht zijner daden”(Jeremia 17:10) Ook in het boek Spreuken wordt God aangeduid als “Hij die de harten doorzoekt” (Spreuken 24:12). De grondgedachte in de Hebreeuwse Bijbel is dat God beschikt over een volmaakte kennis van de menselijke motieven en drijfveren en op grond van zulke kennis strikt rechtvaardig oordeelt. Hij geeft ieder “in overeenstemming met zijn wegen en zijn daden”, dat wil zeggen: een volkomen gepaste beloning of bestraffing. De Mensenzoon uit Johannes’ visioen kan hetzelfde doen omdat de Eeuwige Hem zijn eigen ogen, “ogen als een vuurvlam” heeft geschonken. “Ieder geven naar zijn werken” is in het Bijbels spraakgebruik een aanduiding van strikt rechtvaardige rechtspraak. De apostel Paulus maakt dit duidelijk in zijn brief aan de Romeinen: “… naar het rechtvaardig oordeel van God, die ieder zal vergelden naar zijn werken” (Romeinen 2:6) Het betekent niet alleen, dat God een straf uitdeelt in overeenstemming met de ernst van het kwaad dat rechtgezet moet worden, maar ook dat Hij in het straffen de goedertierenheid niet vergeet en het goede niet uit het oog verliest: “Ook de goedertierenheid, o Here, is uwe, want gij zult ieder vergelden naar zijn werk” (Psalm 62:18) Het betekent dat God oordeelt zonder enige vorm van partijdigheid. Kwaad in zijn eigen volk neemt Hij even ernstig op als kwaad van zijn vijanden. Hij is een Rechter “die zonder aanzien des persoons oordeelt naar het werk van ieder” (1 Petrus1:17) Om ons te behoeden voor het waandenkbeeld dat God ons eigen kwaad wel door de vingers zal zien, wordt in de Bijbel dikwijls herhaald dat ZIjn oordeel in strikte overeenstemming is met onze werken (Job 34:11, Psalm 62:13, Spreuken 24:12, Jesaja 59:18, Jeremia 17:10, Mattheüs 16:27, Romeinen 2:6, 1 Korinthe 3:8, 2 Korinthe 11:15, 2 Timotheüs 4:14, Openbaring 20:12,13; 22:12). In hun gebeden vragen de Bijbelheiligen ook om zo’n rechtvaardig oordeel (2 Samuël 3:39, Psalm 28:4, Openbaring 18:6). Omdat de Mensenzoon Gods eigen “ogen” en “voeten” heeft (2:18) is Hij in staat om te onderscheiden “hoedanig ons werk is” (22:12) en om de daarmee overeenstemmende beloning en bestraffing uit te delen, zonder dat iets of iemand dat vonnis kan dwarsbomen, wijzigen of verhinderen. De vervulling van deze profetie wordt beschreven in Openbaring 20:12 en 13.

Vers 24 en 25

Maar tot u zeg Ik, tot de overigen in Thyatira, allen die deze leer niet hebben, die de diepten van de satan, zoals zij zeggen, niet hebben gekend: Ik leg u geen andere last op; wat u echter hebt, houdt dat vast totdat Ik kom. De Messias richt zich nu tot het trouwe deel van de Joodse gemeenschap in Thyatira – het deel van de gemeente dat niets moet hebben van de leer dat toekomstige heersers over de volken ter voorbereiding op hun taak de diepten van satan moeten leren kennen. Hun legt Christus “geen andere last op dan de last die ze al hebben”. “Geen andere last” verwijst naar het besluit van de apostelen en oudsten dat in het boek Handelingen als volgt is beschreven: “De Heilige Geest en wij hebben besloten u geen grotere last op te leggen dan deze noodzakelijke dingen: u te onthouden van wat aan de afgoden is geofferd, van bloed, van het verstikte en van hoererij” (Handelingen 15:28-29). De last die de gemeente is opgelegd bestaat uit de plicht om zich te onthouden van het eten van afgodenoffers en van hoererij. Door misleiding trachtte Izebel de “knechten van God” deze opdracht ontrouw te doen zijn (vs.20). Wat de overigen “hebben” en moeten “blijven vasthouden” zijn de werken die in vers 19 waren genoemd. Ze moeten elkaar trouw blijven dienen, in liefde, hoe moeilijk dat ook is voor mensen die worden vervolgd en uitgesloten van het economisch verkeer. Ze moeten de “werken van Christus” (liefde, trouw, dienstbetoon, afwijzing van afgodendienst) tot het einde toe bewaren. Uit de woorden “totdat Ik kom” blijkt dat de Mensenzoon hoe dan ook spoedig komt. Wat die komst voor een “slaaf” betekent is afhankelijk van de vraag of deze de werken van Izebel of van Gods Zoon heeft bewaard. In het eerste geval betekent Zijn komst een doodvonnis, in het tweede geval verheffing tot koninklijke waardigheid.

Vers 26, 27 en 28

En wie overwint en mijn werken tot het einde toe bewaart, die zal Ik macht geven over de volken; en hij zal hen hoeden met een ijzeren staf; als pottenbakkersvaten worden zij verbrijzeld, zoals ook Ik [die macht] van mijn Vader heb ontvangen; en Ik zal hem de morgenster geven. De belofte die de Mensenzoon de overwinnaar geeft, houdt verband met koningschap. De “ijzeren staf” waarmee een trouwe slaaf in de toekomst mag gaan hoeden, is een koninklijke scepter. Het betreft een citaat uit Psalm 2: “Waarom woeden de heidenvolken en bedenken de volken wat zonder inhoud is?… Die in de hemel woont, zal lachen, de HEERE zal hen bespotten… Ik heb mijn Koning toch gezalfd over Sion, mijn heilige berg. Ik zal het besluit bekendmaken: De HEERE heeft tegen Mij gezegd: U bent Mijn Zoon, Ik heb u heden verwekt. Eis van Mij en Ik zal u de heidenvolken als uw eigendom geven, de einden der aarde als uw bezit. U zult hen verpletteren met een ijzeren scepter, U zult hen in stukken slaan als aardewerk” (Psalm 2:1,4,6-9) De messiaanse koning zal met grote gestrengheid regeren. Wie ontzag voor Hem heeft en tot Hem de toevlucht neemt, is gelukkig te prijzen en vindt in Hem een machtig helper (Psalm 2:10-12). Maar wie tegen Hem opstaat en zijn bestuur verwerpt, komt om. Pogingen om zich te verzetten zijn zinloos. Zoals een stenen kruik niet bestand is tegen een mokerslag, zo zal elke tegenstander in een oogwenk vergaan. Slaven van de Messias die hun Heer trouw zijn gebleven (vgl. 1:1) zullen in Zijn koninklijke heerschappij mogen delen. Bij zijn komst geeft Hij hun dezelfde volmacht als Hijzelf bezit. Voor “morgenster” staat in het Grieks letterlijk: “de ster, de morgen”. Hoewel de ster uit 2:28 dikwijls met 22:16 wordt verbonden worden in die laatste tekst andere woorden gebruikt. De opgestane Heer zegt daar: “Ik ben de wortel en het (na)geslacht van David: de ster, de schijnende en vroege”. In 2:28 staat het woord “morgen” (Gr. proinos) maar in 22:6 het woord “vroeg” (Gr. orthrinos, als aanduiding van de dageraad). Beide teksten staan vermoedelijk in verband met de profetie van Bileam: “Er zal een ster uit Jakob voortkomen, er zal een scepter uit Israël opkomen; hij zal de flanken van Moab verbrijzelen en alle zonen van Seth vernietigen. Edom zal bezit zijn en Seïr zal bezit van zijn vijanden zijn, maar Israël zal kracht uitoefenen. Uit Jakob zal hij heersen; wie ontkomt uit de stad, zal hij ombrengen” (Numeri 24:17-19) “Ster uit Jakob” is een parallel van “scepter uit Israël”. Ook de belofte van de ster staat dus met koningschap in verband. Van de Jakobsster wordt gezegd dat Hij de vijanden van Israël, die vijanden zijn van de Gód van Israël, zal vernietigen. Die aankondiging verbindt de profetie van Bileam met Psalm 2. In een spotlied uit de profetie van Jesaja wordt de koning van Babel aangeduid als “morgenster”: “Hoe bent u uit de hemel gevallen, morgenster, zoon van de dageraad! U ligt geveld op de aarde, overwinnaar over de heidenvolken! (Jesaja 14:12) Uit het parallelisme blijkt dat we onder “morgenster, zoon van de dageraad” moeten verstaan: “overwinnaar van de volken”. Zoals de koning van Babel alle buurvolken onderwierp zo zullen de Messias en de zijnen de hele aarde aan zich onderwerpen. De vorst van Babel is na korte tijd van glans ten val gekomen, maar het rijk van de Messias zal “in de eeuw niet verstoord worden” en tijdens beide toekomstige eeuwen blijven bestaan (Daniël 2:44).

 

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

391322 bezoekers sinds 07-06-2010