Het Bijbelboek Openbaring Deel 8

14-12-2013 door Aren van Waarde

PergamumOpenbaring 2:12-17

Boodschap voor Pergamum

“En aan de engel van de gemeente in Pergamus schrijf: Deze [dingen] zegt Hij die heeft het zwaard, het tweesnijdende, het scherpe: Ik weet waar u woont: waar de troon van de satan is! En u houdt vast de naam van Mij en verloochent niet het geloof van Mij, zelfs in de dagen van Antipas, de getuige van Mij, die gedood werd bij u waar de satan woont. Maar ik heb tegen u weinige [dingen]: Dat u daar hebt die vasthouden aan de leer van Bileam, die Balak leerde om de kinderen Israëls een struikelblok voor te werpen, dat ze afgodenoffers zouden eten en hoereren. Zo hebt u er ook die evenzo de leer van de Nikolaïeten vasthouden. Verander dan van gedachten, maar zo niet, Ik kom haastig naar u toe, en Ik zal oorlog tegen hen voeren met het zwaard van Mijn mond. Wie [enkelvoud] een oor heeft, hore wat de Geest zegt tot de gemeenten: Aan de overwinnende zal Ik geven, aan hém, van het manna dat verborgen geweest is, en Ik zal hem geven een witte steen, en op de steen een nieuwe naam geschreven, die niemand gekend heeft behalve hij die hem ontvangt.

Vers 12

En schrijf aan de engel van de gemeente in Pérgamus: Dit zegt Hij, die het scherpe, tweesnijdende zwaard heeft. De stad Pergamum bestaat nog steeds in de vorm van het huidige Bergama. Veel voorwerpen uit het oude Pergamum zijn te bewonderen in het museum voor oudheden in Berlijn, maar ook het moderne Bergama geeft nog een goede indruk van de vroegere metropool. De boodschap voor Pergamum is nauw verbonden met Johannes’ latere visioenen. Spreker is “Hij die het tweesnijdende scherpe zwaard heeft” (2:12). Dat zwaard zal Hij gebruiken om “de heidenen te slaan” (19:15) en de aanhangers van het beest te doden (19:20-21). Op dat toekomstige gebruik wordt hier gezinspeeld. Hij zal “oorlog voeren” tegen “hen die de leer van de Nikolaïeten vasthouden” (2:15,16), zoals Hij “oorlog voert in gerechtigheid” (19:11) tegen de koningen van de volken en hun legers (19:18). In 1:16 en 2:16 blijkt dat het zwaard uit zijn mond komt. Die beeldspraak is ontleend aan het Bijbelboek Jesaja. Een zwaard uit de mond wordt ook vermeld in de bekende profetie over de knecht des Heren, wiens mond God tot een scherp zwaard heeft gemaakt (Jesaja 49:2). Dezelfde beeldspraak komt voor in een waarschuwing die is bestemd voor de leiders in Jeruzalem: “Als u gewillig bent en luistert, zult u het goede van het land eten; maar als u weigert en ongehoorzaam bent, zult u door het zwaard gegeten worden, want de mond van de HEERE heeft gesproken” (Jesaja 1:19-20) Het begin van de boodschap voor Pergamum heeft dezelfde klank. Wie ongehoorzaam is en weigert om naar de Mensenzoon te luisteren, zal door het zwaard van zijn mond worden gegeten, dat wil zeggen: op zijn bevel ter dood worden gebracht.

Vers 13

Ik weet waar u woont, daar waar de troon van de satan is. De gemeente “woont, waar de troon van de satan is” (2:13), dat is: bij de troon van het beest. Want de draak geeft “zijn kracht en zijn troon en zijn grote macht” aan dat beest (13:2). En die draak is “de oude slang, die genaamd wordt duivel en de satan” (12:9, 20:2). Wanneer de dag des Heren aanbreekt, is Pergamum de thuisbasis van Israëls politieke tegenstander, de antichrist, het “beest uit de zee”. In die stad is het centrum van zijn regering gevestigd. De gemeente van Pergamum bevindt zich in het hol van de leeuw. En u houdt vast aan mijn naam en het geloof in Mij hebt u niet verloochend, zelfs niet in de dagen waarin Antipas mijn trouwe getuige was, die gedood werd bij u waar de satan woont. Ondanks de nabijheid van de “troon van de satan” hebben de “slaven van Christus” in Pergamum vastgehouden aan zijn naam en het geloof in Hem niet verloochend. Ze zijn er niet toe overgegaan om de antichrist als messias te aanvaarden, maar ze houden vast aan de naam van de Mensenzoon (“Jezus Christus”). Ze zijn er nog steeds van overtuigd dat Jezus de Messias is en dat Hij zal wederkomen vanuit de hemel om zijn rijk van vrede op aarde te vestigen. Zelfs toen Antipas vanwege die belijdenis als martelaar stierf, werd hun geloof niet aan het wankelen gebracht. In Pergamum is Antipas gedood. Uit de bijzin “waar de satan woont” (vs. 13) blijkt, dat er verband is tussen deze executie en de “troon” die zich in de stad bevindt. Historisch betrouwbare gegevens over Antipas zijn er niet, in kerkelijke tradities worden tegenstrijdige dingen beweerd. Uit de plaatsaanduidingen (“waar de troon van de satan is”, “waar de satan woont”) blijkt dat deze martelaar geen figuur is uit een ver verleden maar een gelovige die bij het aanbreken van de dag des Heren zal worden onthoofd, op last van het beest. Er staat immers geschreven:

* dat de draak “oorlog zal voeren” tegen “hen die de geboden van God bewaren en het getuigenis van Jezus hebben (11:17);

* dat een tweede beest, het “beest uit de aarde”, zal maken dat “allen die het beeld van het beest niet aanbidden, gedood zullen worden” (13:15);

* dat zulke slachtoffers “om het getuigenis van Jezus en het woord van God worden onthoofd (20:4).

De naam Antipas is een samentrekking van het Griekse Antipatros, dat in het Nederlands is weergegeven als Antipater. Het was in de oudheid een algemeen voorkomende naam. Zo heette ook de “viervorst” over Galilea, die een zoon was van Herodes de Grote. In de Bijbel wordt deze niet “Herodes Antipas” maar kortweg “Herodes” genoemd (Mattheüs 14:1, Lukas 3:1, 9:7; Handelingen 13:1). Antipa(tro)s betekent “vertegenwoordiger van de vader”. Een toepasselijke naam voor deze martelaar. Hij is een “trouwe getuige” omdat hij zal vasthouden aan de belijdenis dat er één God is (de Vader), en zal weigeren om het beest goddelijke eer te bewijzen. Aardse overheden hebben slechts macht omdat die hun is gegeven (vgl. Johannes 19:10-11, 1 Timotheüs 6:13). Omdat Antipas bij de troon van satan zal getuigen van de Vader, wordt hij ter dood gebracht. Maar binnen enkele jaren zal hij worden opgewekt in onvergankelijkheid (14:13, 20:4-6 Dan zal hij de Vader vertegenwoordigen door met Christus te regeren (20:4- 6).

Vers 14

Maar Ik heb enkele dingen tegen u: dat u daar hebt die aan de leer van Bileam vasthouden, die Balak leerde de zonen van Israël een strik te spannen, om afgodenoffers te eten en te hoereren. Er zijn in Pergamum mensen die “aan de leer van Bileam vasthouden”. Het betreft leden van de gemeente, want de “engel” (die in vers 14 met “u” wordt aangesproken) heeft hen “daar”. Het zijn mensen die de synagoge bezoeken en onder het gehoor van de engel verkeren. Bileam bracht de Moabitische koning Balak op het idee om Israëlitische mannen uit te nodigen voor offerfeesten ter ere van de afgod Baäl-Peor. Indien zij op die uitnodiging ingingen, prostitutie bedreven met Moabitische vrouwen en zich aan Baäl-Peor koppelden, zouden ze God ontrouw worden. Dan zou de HERE hen niet langer beschermen, zodat Moab het Joodse volk kon overwinnen. De hele geschiedenis wordt verteld in Numeri 22 tot en met 25 (zie ook Numeri 31:16). Voor “een strik spannen” staat in het Grieks letterlijk “een struikelblok voorwerpen” (balein skandalon enoopion). Wie iemand een struikelblok voorwerpt, heeft de kwade bedoeling om de nietsvermoedende wandelaar ten val te brengen. Bij het “eten van afgodenoffers” hoeven we niet persé aan festiviteiten ter ere van een afgod te denken. Wanneer de antichrist van zijn dodelijke wond is genezen en stevig in het zadel zit, zal niemand kunnen kopen of verkopen behalve hij die het merkteken van het beest heeft: de naam van het beest of het getal van zijn naam (13:17). Élke aankoop, dus ook het kopen van voedsel en het eten daarvan, zal dan een afgodenoffer worden. Wie het merkteken heeft is gebrandmerkt als een slaaf van het beest. Hij kan blijven kopen en verkopen, maar gebruikt dan voortdurend een teken van godslastering (13:1) en wekt de woede van God op (14:9-11). Hij bedrijft de vorm van hoererij die Israëls profeten fel hebben veroordeeld. Hij verlaat de Eeuwige en verbindt zich aan een afgod.

Vers 15

Zo hebt ook u er die op dezelfde wijze aan de leer van de Nicolaïeten vasthouden. Zoals Bileam bij Balak in de gunst trachtte te komen omdat hij een beloning wilde verwerven (2 Petrus 2:15), zo zijn er in Pergamum enkelen die bij de troon van satan in het gevlei willen komen. Ze raden de heerser die daar zetelt aan om van zijn onderdanen te verlangen dat die “afgodenoffers eten en hoereren”. Naar de motieven van die raad kunnen we alleen maar gissen. Gezien de parallel met de geschiedenis van Bileam streven ze naar persoonlijk voordeel, maar wellicht gaat het hun ook om veiligheid en politieke stabiliteit via een totale controle van de vorst over het economisch verkeer. Voor trouwe gemeenteleden zal deze leer tot gevolg hebben dat hun een struikelblok wordt voorgeworpen. Wie het merkteken van de vorst aanvaardt, wordt de God van Israël ontrouw en houdt vast aan de naam van het beest in plaats van de naam van Jezus. Uit de betekenis van de naam Nicolaïeten (overwinnaars van het volk) blijkt dat hun leer de volledige controle van de samenleving betreft – waardoor iedere vorm van opstand of rebellie onmogelijk wordt.

Vers 16

Bekeer u dan; maar zo niet, Ik kom spoedig naar u toe en Ik zal oorlog tegen hen voeren met het zwaard van mijn mond. “Bekeer u” moet gezien het tekstverband betekenen: “Verwacht heil en vrede niet van de vorst die in jullie stad troont, want met hem zul je bedrogen uitkomen: hij zal zich ontpoppen als een valse messias. Houd vast aan Mijn naam en aan het geloof in Mij. Steun de machthebber niet in zijn streven naar totale controle maar vrees de Eeuwige. Blijf uitzien naar de terugkeer van de gekruisigde en opgestane Messias vanuit de hemel” . In het bovenstaande (2:5) hebben we al geconstateerd dat de Mensenzoon in ieder geval “spoedig” of “haastig” komt. Maar de manier waarop Hij dan zijn slaven zal behandelen is afhankelijk van hun trouw, van de vraag of ze de boodschap uit de hemel hebben gehoorzaamd of die in de wind hebben geslagen. Indien de aanhangers van de leer van de Nicolaïeten niet van gedachten veranderen, zal de Mensenzoon bij zijn komst “strijd tegen hen voeren met het zwaard van zijn mond” . De betekenis van die waarschuwing wordt verklaard in Openbaring 19:15, 18 en 21. Afgodendienaars zullen omkomen wanneer de Mensenzoon verschijnt, maar trouwe slaven zullen priesters van God en van Christus worden in het rijk dat dan aanbreekt (20:6). Zij zullen behoren tot het gereinigde en gelouterde Israël dat aan haar doel gaat beantwoorden (vgl. Exodus 19:5-6).

Vers 17

Wie een oor heeft, laat hij horen wat de Geest tot de gemeenten zegt. Wie overwint, hem zal ik geven van het verborgen manna. Er is verband tussen de belofte voor de overwinnaars en de leer van de Nicolaïeten. “Geven van het verborgen manna” (2:17) staat tegenover “afgodenoffers eten” (2:14). “Verborgen manna” is het manna dat Aäron in opdracht van Mozes in een gouden kruik moest doen en in de ark van het verbond moest leggen, voor het aangezicht des HEEREN (Exodus 16:33, Hebreeën 9:4). Dat manna was een type van Christus die zich in het heilige der heiligen van de hemelse tempel bevindt, in Gods nabijheid, en die het onvergankelijk leven dat Hijzelf bezit, zal geven aan wie Hem toebehoren (Johannes 6:49-58). Geen vergankelijk leven voor een korte tijd, zonder ware rust (zoals de afgodendienaars ontvangen, zie 14:11), maar een onvergankelijk, blijvend leven dat de dood voorgoed achter zich heeft. … en Ik zal hem een witte steen geven en op die steen een nieuwe naam geschreven, welke niemand weet, dan die hem ontvangt. In het Nederlands kan het woord “steen” verschillende betekenissen hebben: een rotsblok, een zwerfsteen, een baksteen, een keitje of een edelsteen. In de oorspronkelijke Griekse tekst van het boek Openbaring gebruikt de Mensenzoon het woord psephos, dat “kraal” of “kiezelsteen” betekent. Aan het Griekse begrip kun je – in tegenstelling tot het Nederlands – zien dat het om een klein steentje gaat, dat je in je zak (of je portemonnee) kunt stoppen en kunt meenemen. Binnen het Nieuwe Testament komen verbuigingen van dit woord op drie plaatsen voor, en die passages werpen licht op het gebruik dat er in de oudheid van zulke steentjes werd gemaakt. Tegen koning Agrippa zei Paulus: “Ik heb vele van de heiligen in gevangenissen opgesloten, waartoe ik de macht van de overpriesters ontvangen had; en als zij zouden omgebracht worden, heb ik mijn stem eraan gegeven” (Handelingen 26:10) Voor “mijn stem eraan gegeven” staat in het Grieks katenengka psephon, dat letterlijk “een steentje bijgedragen” betekent. Psephoi werden gebruikt om mee te stemmen. Door kiezers steentjes in een pot te laten werpen en die achteraf te tellen kon de uitslag worden vastgesteld. Van de boeken over magie die de Efeziërs verbrandden nadat zij gelovig geworden waren, vertelt Lukas: “En men berekende de waarde ervan en stelde die vast op vijftigduizend zilverstukken” (Handelingen 19:19) Voor “berekenen” staat in de oorspronkelijke tekst het werkwoord sumpsephizoo, dat van het zelfstandig naamwoord psephos is afgeleid. Berekenen is: “de juiste kraaltjes bij elkaar leggen”. Blijkbaar werden psephoi niet alleen gebruikt bij het stemmen maar ook bij het optellen. Ook wij gebruikten vroeger kralen in een telraam, als hulpmiddel bij het rekenen. De laatste passage waar het woord psephos voorkomt is het dertiende hoofdstuk van de Openbaring. Daar merkt de ziener Johannes op: “Hier is de wijsheid: wie verstand heeft, berekene het getal van het beest, want het is een getal van een mens, en zijn getal is zeshonderd zesenzestig” (Openbaring 13:18). Berekenen is ook in deze tekst weer psephizoo: ”met behulp van steentjes een optelsom maken”. Vanwege het gebruik van de woorden psephos (steen) en onoma (naam) is er verband tussen Openbaring 2:17 en 13:17-18. De “witte steen met een nieuwe naam” (2:17) staat tegenover “hoereren” (2:14). Wie “hoereert” aanvaardt het teken van het beest en stemt in met zijn woorden van godslastering (13:6, 16-17, 14:9). Wie het beest erkent, kan blijven kopen en verkopen en – althans voor korte tijd – zijn normale leven voortzetten. Maar zo iemand wordt de Eeuwige ontrouw, en een naamloze slaaf van een gewetenloze heer die alleen zijn eigen naam maar belangrijk vindt. Wanneer de Mensenzoon verschijnt, worden zulke afvalligen met “het zwaard van Zijn mond” gedood (19:21) en zij zullen worden gepijnigd in de toekomstige eeuwen (14:10). De “witte steen met daarop een nieuwe naam” verwijst naar de twee edelstenen op de schouderbanden van Aärons efod (Exodus 28:9-12, 39:6-7) en de twaalf edelstenen die zich in Aärons borstlap bevonden (Exodus 28:15-21, 39:8-14). Op beide typen stenen waren de namen gegraveerd van de twaalf zonen van Israël. De stenen op de schouderbanden droegen elk zes namen, en brachten tot uitdrukking dat Aäron in zijn functie als hogepriester de afstammelingen van Israël telkens opnieuw bij God in herinnering mocht brengen, het waren “stenen der gedachtenis” (Exodus 28:12, 39:7). De stenen in de borstlap hadden dezelfde functie want van hen wordt gezegd:  “Zo zal Aäron de namen van de zonen van Israël op de borsttas van de beslissing, op zijn hart dragen, als hij in het heiligdom binnenkomt, tot een voortdurende gedachtenis voor het aangezicht van de HEERE” (Exodus 28:29). Tijdens het oude verbond werden de namen van de twaalf stammen van Israël door de hogepriester op de schouders en de borst gedragen, wanneer hij dienst deed in het heiligdom. Maar nú draagt elke overwinnaar zijn eigen nieuwe naam en krijgt deel aan het manna dat in het heilige der heiligen verborgen was. Er staan niet langer priesters tussen de overwinnaars en God in, want zij zijn zelf priester geworden. Het Israël van de overwinnaars heeft haar bestemming bereikt, het is een koninkrijk van priesters en een heilig volk voor de HEERE (Exodus 19:6). Overwinnaars hebben zowel de dood als de zonde achter zich gelaten. De dood vanwege het manna dat zij hebben ontvangen (Joh.6:49-58), de zonde vanwege de witte steen. Hun zonde is weggedaan en hoeft niet langer te worden bedekt. Ze mogen tot God naderen en ingaan in het heiligdom. De witte steen met de nieuwe naam vertegenwoordigt hun blijvende band met God. Het is de tegenpool van de band met het beest die uitgebeeld wordt door het brandmerk van zijn naam of het getal van zijn naam. Het is opvallend dat de Mensenzoon ook “een geschreven naam heeft, die niemand kent dan Hijzelf” (19:12). Ook Hij heeft immers overwonnen, door de goede belijdenis te betuigen vóór Pontius Pilatus (1 Timotheüs 6:13, Johannes 19:11).

 

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

391322 bezoekers sinds 07-06-2010