Het Bijbelboek Openbaring Deel 7

15-12-2013 door Aren van Waarde

Izmir - SmyrnaOpenbaring 2: 8-11

Schrijf aan de engel van de gemeente in Smyrna. Over de opdracht om aan de “bode van de vergadering” te schrijven is in het bovenstaande al gesproken (2:1). De plaats Smyrna bestaat nog steeds, in de vorm van de miljoenenstad Izmir. Dit zegt de eerste en de laatste. Ook deze zelfaanduiding is al ter sprake gekomen (1:8, 1:18). In de profetie van Jesaja is het een eretitel van de God van Israël (Jesaja 41:4. 44:6-8, 48:12-16). Hij is de Enige, die kan aankondigen wat er in de toekomst zal gaan gebeuren, en Hij kan ook openbaren waarop de toekomstige gebeurtenissen zullen uitlopen, aangezien Hij hun einddoel kent. In de boodschap voor Smyrna noemt Jezus zich de Eerste en de Laatste. Bij zijn opstanding uit de doden is Hij als eerste mens bekleed met onsterfelijkheid. Hij zal de hele mensheid levendmaken en de nieuwe schepping voltooien. Wanneer dat doel is bereikt zal Hij de heerschappij teruggeven aan zijn Vader (1 Korinthe 15:28). Hier kondigt Hij aan dat zijn slaven zullen worden bedreigd met gevangenschap en dood (2:10). Niet om hen tot afval te bewegen maar om aan te tonen dat hun geloof echt is, zodat God hun het ware leven kan geven. Die dood geweest is en [weer] levend geworden. In het voorafgaande (1:18) is deze uitdrukking al ter sprake gekomen. De verheerlijkte Mensenzoon was ooit een sterfelijk en vergankelijk mens. Omdat Hij trouw bleef aan zijn Vader, is Hij gevangen genomen en ter dood gebracht. Maar God heeft Hem na drie dagen. De scheefgedrukte woorden zijn een zo letterlijk mogelijke weergave van de oorspronkelijke Griekse tekst. opgewekt, en daarbij heeft Hij het ware, onvergankelijke leven ontvangen. In de boodschap voor Smyrna roept Hij zijn “slaven” op om Hem na te volgen. Ze hebben niets te vrezen want Hij is heer van de doden. Hij heeft de sleutels van de dood en de hades (1:18), en zal trouwe volgelingen het echte leven schenken. Zoals Hij dood werd en leeft, zo zullen ook zij uit de doden opstaan.

Vers 9

Ik weet uw verdrukking en armoede… Wanneer de Mensenzoon zegt: “Ik weet uw verdrukking” dan betekent dit niet alleen dat Hij van de situatie van de gemeente op de hoogte is, maar ook dat Hij die situatie uit eigen ervaring kent. Toen Hij nog op aarde was, werd Hij geconfronteerd met laster en verdachtmaking, strikvragen en herhaalde pogingen om Hem voor het gerecht te slepen – net als de gemeente van Smyrna (2:9). Hij is zelf ook gevangen genomen en heeft het doodvonnis horen uitspreken. Hij kent de aanvechting, die een mens dan bespringt, de verzoeking om ontrouw te worden en het geloof te verloochenen. Maar Hij is gehoorzaam gebleven en als overwinnaar uit de strijd gekomen. Als “Leidsman des geloofs” kan Hij zijn volgelingen aansporen en bemoedigen. “Verdrukking” is een aanduiding van omstandigheden, die een mens terneerslaan. De betekenis van het woord is: verplettering onder een last. De Bijbel beschouwt vervolging, armoede, oorlogssituaties en lichamelijk lijden als mogelijke oorzaken van verdrukking9. In de boodschap voor Smyrna moeten we aan armoede en vervolging denken. Voor “armoede” gebruikt de Mensenzoon een sterk woord. Het woord ptoocheia betekent niet dat iemand “gebrek” heeft, maar dat het hem werkelijk aan alles ontbreekt. Wie door ptoocheia is getroffen, is tot de bedelstaf vervallen. Wellicht kunnen de gelovigen in Smyrna niet langer kopen of verkopen vanwege hun weigering om het teken van het beest te aanvaarden (vgl. 13:17). Het is ook mogelijk dat de laster van hun tegenstanders ertoe leidt dat zij van al hun bezittingen worden beroofd (vgl. Hebreeën 10:32-34). Maar u bent rijk! Ondanks haar diepe armoede noemt de Mensenzoon de gemeente toch rijk. Het is opvallend dat Hij niet zegt: “Jullie hebben het nu wel slecht maar in de komende eeuw zul je beloond worden” Het Bijbelwoord luidt niet: u zult eens rijk zijn, maar u bent rijk. Nu, op dit ogenblik, ondanks uw armoede bent u toch rijk. Zie Mattheüs 13:21; 24:21,29; Markus 4:17; 13:19,24; Romeinen 8:35; 2 Korinthe 8:13 e.v., Filippenzen 4:14, 1 Thessalonicenzen 3:7, 2 Thessalonicenzen 1:4, Jakobus 1:27, Johannes 16:21. De maatstaven van Jezus zijn anders dan de maatstaven van de wereld. Toen Hij nog op aarde was, hield Hij Zijn volgelingen voor: “In de wereld zult u verdrukking hebben”. Juist árme mensen prees Hij gelukkig: “Gelukkig bent u wanneer zij u smaden en vervolgen en allerlei kwaad van u spreken ter wille van Mij. Verblijdt en verheugt u, want uw loon is groot in de hemelen; want zo hebben zij de profeten vervolgd die vóór u geweest zijn”. De apostel Petrus sloot zich bij deze overtuiging aan: “Als u in [de] naam van Christus smaad lijdt, bent u gelukkig, omdat de Geest van de heerlijkheid en die van God op u rust”. Ook Paulus hanteerde voor rijkdom andere maatstaven dan economische. De gemeente van Korinthe telde weinig aanzienlijken, maar ze was “rijk in alle genadegaven, in woord en in kennis”. De apostel was “arm, maar velen rijk makend, niets hebbend en toch alles bezittend”; hem was “de genade te beurt gevallen om aan de heidenen de onnaspeurlijke rijkdom van Christus” te verkondigen. Jezus is “om onzentwil arm geworden, terwijl Hij rijk was, opdat wij door Zijn armoede rijk zouden worden”. God heeft “de armen der wereld uitverkoren om rijk te zijn in het geloof”. Een mens is pas werkelijk rijk als hij “rijk is in God”11. En de laster van hen die zeggen dat zij Joden zijn en het niet zijn, maar een synagoge van de satan. Het slot van vers 9 is in Bijbelvertalingen onnauwkeurig weergegeven. Men heeft het Griekse woord heautous weggelaten. De oorspronkelijke tekst luidt letterlijk: “En de laster van hen die zeggen dat zij zelf Joden zijn en het niet zijn, maar een synagoge van de satan”. Het woordje “zelf” is veelbetekenend. Daaruit blijkt, dat de gemeente van Smyrna uit Joden bestaat. De tegenstanders die hen in een kwaad daglicht stellen, lasterpraat over hen verspreiden en haat tegen hen zaaien, noemen zich ook Joden maar zijn het volgens de Mensenzoon niet, aangezien ze het werk van de tegenstander (of aanklager) doen. Bij de rivaliteit tussen de “synagoge van de satan” en de “gemeente in Smyrna” gaat het om een intern Joods conflict, of om een strijd tussen niet-Joden die beweren Joden te zijn en een Joodse gemeente. De “laster” die over de gemeente in Smyrna wordt uitgestort is gezien het vervolg van de boodschap aanklacht bij de overheid, waarbij trouw aan Israëls God wordt voorgesteld als ontrouw aan het wettig gezag. De “synagoge van de satan” Joh.16:33, Mat.5:11-12, Luk.6:22-23, 12:21; 1 Pet.4:14. 11 1 Kor.1:4-8,26; 2 Kor.6:10, 8:9; Ef.3:8, 1 Tim.6:18, Jak.2:5, Opb.3:17-18. gedraagt zich als de Samaritanen ten tijde van de priester Ezra, die aan de Perzische koning schreven: “Welnu, het zij de koning bekend, dat de Judeeërs, die van u naar ons zijn opgetrokken, te Jeruzalem gekomen zijn; zij zijn bezig die oproerige en slechte stad te herbouwen; zij voltooien de bouw der muren en graven de fundamenten uit. Nu zij het de koning bekend, dat, als deze stad herbouwd is en de muren voltooid zijn, men geen belasting, cijns of tol meer zal betalen, zodat zij ten slotte de koningen schade zal berokkenen…” (Ezra 4:12-13) Een ander Bijbels voorbeeld van zulke laster is de beschuldiging die Chaldeeuwse mannen uitspraken tegen de vrienden van Daniël bij koning Nebukadnezar: “Er zijn Judeese mannen, aan wie gij het bestuur van het gewest Babel hebt opgedragen: Sadrak, Mesak en Abednego; deze mannen hebben zich aan u, o koning, niet gestoord: uw goden vereren zij niet, en het gouden beeld dat gij hebt opgericht, aanbidden zij niet” (Daniël 3:12). Het lijkt ongelooflijk dat Joden hun volksgenoten bij een heidense overheid zullen aanklagen. Maar toen Hij nog op aarde was, heeft Jezus zijn leerlingen al gewaarschuwd: “Dan zullen zij u overleveren om verdrukt te worden en u doden, en u zult gehaat zijn door alle volken ter wille van mijn naam. En dan zullen velen ten val komen en elkaar overleveren en elkaar haten… Een broer nu zal [zijn] broer tot [de] dood overleveren, en een vader [zijn] kind, en kinderen zullen opstaan tegen [hun] ouders en hen doden, en u zult door allen gehaat worden ter wille van mijn naam” (Mattheüs 24:9-10, 10:21-22) Mogelijk bestaat de “synagoge van de satan” uit Joden die het “beest” als Messias aanvaarden (voordat het geneest van zijn dodelijke wond en zijn beeld in de tempel in Jeruzalem laat plaatsen), terwijl de “gemeente in Smyrna” bestaat uit Joden die deze claim afwijzen en Gods Zoon uit de hemelen verwachten. “Die zeggen dat zij Joden zijn en het niet zijn” doet denken aan woorden van Paulus. Immers, de apostel heeft geschreven: “Want niet hij is een Jood die het uiterlijk is, en niet dat is de besnijdenis die iets uiterlijks is, in [het] vlees, maar hij is een Jood die het in het verborgen is, en [dat is] besnijdenis: [die] van [het] hart, naar [de] geest, niet naar [de] letter; zijn lof is niet van mensen, maar van God” (Romeinen 2:28-29)  “Want niet allen zijn Israël die uit Israël zijn; evenmin, omdat zij Abrahams nageslacht zijn, zijn zij allen kinderen; maar ‘in Izaäk zal uw nageslacht worden genoemd’; dat is: niet de kinderen van het vlees zijn kinderen van God, maar de kinderen van de belofte worden als nageslacht gerekend” (Romeinen 9:6-8) Het woord “Jood” is van de eigennaam “Juda” afgeleid, die “lof van God” betekent. De lasteraars beweerden Joden (d.w.z. vereerders van God) te zijn, maar vanwege hun houding tegenover de gemeente waren het in werkelijkheid handlangers van de satan.

Vers 10

Vrees niets [van] wat u zult lijden. Omdat Jezus “de Eerste en de Laatste” is, weet Hij wat er gaat gebeuren en kan Hij met gezag over de toekomst spreken. De Heer bereidt Zijn slaven voor; door het lijden aan te kondigen wordt duidelijk, dat Hij ervan weet, dat het in Zijn hand is en niet aan Hem voorbijgaat. Hij openbaart tevens wat de bedoeling van het lijden is en waarop het zal uitlopen. De opdracht om niet te vrezen wanneer men vanwege het geloof in God (of zijn Zoon, Jezus Christus) wordt bedreigd met gevangenschap, mishandeling en de dood klinkt ook in de evangeliën en in de nieuwtestamentische brieven. “Weest dan niet bang voor hen; want er is niets bedekt dat niet ontdekt, en verborgen dat niet bekend zal worden… weest niet bang voor hen die het lichaam doden en daarna niets meer kunnen doen… wanneer zij u nu brengen voor de synagogen, de overheden en de machten, weest niet bezorgd hoe <of wat> u antwoorden of wat u zeggen moet; want de Heilige Geest zal u op dat ogenblik leren wat u behoort te zeggen” (Mattheüs 10:26,28, Lukas 12:4,11-12) “…al lijdt u ook ter wille van [de] gerechtigheid, gelukkig bent u. Vreest echter niet zoals zij vrezen, en wordt niet in verwarring gebracht, maar heiligt Christus als Heer in uw harten…” (1 Petrus 3:14) Zie, de duivel zal [sommigen] van u in [de] gevangenis werpen, opdat u op de proef gesteld wordt, en u zult een verdrukking hebben van tien dagen. De Mensenzoon geeft een nauwkeurige omschrijving van wat de gelovigen in Smyrna binnenkort zal overkomen. De “tegenstander” of “aanklager” zal, waarschijnlijk via de lasterpraat van zijn synagoge, weten te veroorzaken dat er gemeenteleden in de gevangenis worden geworpen. Het werkwoord geeft aan dat de duivel hier behagen in schept en dat het daarbij niet zachtzinnig zal toegaan. Meestal wordt er gezegd dat mensen in de gevangenis worden “gezet” (Gr. tithemi), maar hier staat dat ze erin worden “geworpen” (Gr. balloo) . Satan is er op uit, gelovigen te “verzoeken”. Door hen in moeilijkheden te brengen, denkt hij hen tot afval te kunnen bewegen en hen in geestelijk of letterlijk opzicht te kunnen vernietigen. Maar God heeft een positieve bedoeling met het lijden. Hij wil aantonen, dat het geloof van de gemeente van Hem afkomstig is. De beproefdheid ervan, “veel kostbaarder dan die van goud, dat vergankelijk is en door vuur beproefd wordt”, zal dan “tot lof en heerlijkheid en eer blijken te zijn bij [de] openbaring van Jezus Christus” (1 Petrus 1:7). Over dat eerbetoon zal de Mensenzoon in het vervolg van de boodschap nog spreken. Vrijwel alle uitleggers beweren dat de tijdsaanduiding “tien dagen” niet letterlijk opgevat mag worden. Volgens de kanttekeningen van de Statenvertaling zou het gaan om een begrensde periode, mogelijk een vervolging van tien jaar. In een oud commentaar las ik: “Natuurlijk hebt ge hier niet te denken aan tien dagen in letterlijken zin. ‘t Is geen getal om te tellen”. De houding van dit commentaar tegenover de Bijbeltekst is niet juist. Het verheft zich boven Gods woord. Wanneer “de Eerste en de Laatste” een verdrukking van tien dagen aankondigt, dan is dat een openbaring over de toekomst waaraan wij niet mogen tornen. Toen de profeet Daniel in de boekrol van Jeremia las dat God over de puinhopen van Jeruzalem zeventig jaren zou doen verlopen, meende hij niet dat het ging om een tijdvak van onbepaalde duur. Integendeel, hij nam de tijdsaanduiding letterlijk en pleitte op Gods woord (Daniël 9:2-3). Toen Daniël en zijn drie vrienden zeiden: “Neem toch met uw dienaren gedurende tien dagen een proef”, nam Aspenaz, het hoofd van Nebukadnezars hofhouding, deze tijdsaanduiding al even letterlijk: hij gaf hun gedurende tien dagen groenten te eten en onderzocht hen daarna (Daniël 1:11-15). De tijdsaanduiding in de boodschap voor Smyrna moet worden geloofd. Uit het feit dat de voorzegging exact wordt vervuld, zal blijken dat God tot de gelovigen in Smyrna heeft gesproken. Wees trouw tot [de] dood, en Ik zal u de kroon van het leven geven. De Mensenzoon geeft zijn slaven opdracht om “getrouw te zijn tot de dood”. Gezien het tekstverband betekent dat niet: “Blijf Mij volgen tot je een natuurlijke dood sterft”, maar: “Blijf trouw zelfs wanneer je vanwege het vertrouwen in Mij ter dood wordt veroordeeld”. Zelfs wanneer de belijdenis dat Jezus de Messias is als hoogverraad wordt beschouwd, moeten Zijn volgelingen in hun geloof volharden. De geschiedenis van Daniël is een treffend voorbeeld van de trouw die Christus verlangt. Toen Daniël hoorde dat de koning verboden had om gedurende dertig dagen enig verzoek tot God of mens te richten, stelde hij zijn gebed niet uit. Ook ging hij niet naar een kamer zonder ramen om te bidden, maar hij “boog zich driemaal daags neder op zijn knieën en bad en loofde zijn God, juist zoals hij dat tevoren placht te doen” (Daniël 6:11). Aangezien het gebod van de koning bedoeld was om zich boven elke god of voorwerp van verering te stellen, moest Daniël tonen wie zijn hoogste baas was. Toen Petrus en Johannes voor het Sanhedrin gebracht werden en dit hun opdroeg “in het geheel niet meer te spreken of te leren op gezag van de naam van Jezus”, gaven de apostelen ten antwoord: “Beslist zelf, of het recht is voor God, meer aan u dan aan God gehoor te geven” (Handelingen 4:18-19). De gemeente van Jeruzalem bad in deze situatie niet, dat de vervolging weggenomen mocht worden, maar dat ze “met alle vrijmoedigheid het Woord mocht spreken!” (Handelingen 4:29). Voor de “kroon van het leven” gebruikt de Griekse tekst niet het woord diadeema, maar de term stephanos. Het gaat niet om de kroon van een koning, maar om een “erekrans” of “lauwerkrans” die winnende atleten of moedige soldaten ontvangen. Als het Nieuwe Testament over “kronen” spreekt, dan gaat het om erekransen die de Messias bij Zijn wederkomst uitreikt. Op die dag zullen Grieken, die door Paulus’ prediking gered zijn, voor de apostel een “erekrans” vormen (1 Thessalonicenzen 2:19-20). De rechtvaardige Rechter zal dan de “krans van de gerechtigheid” geven aan allen die Zijn verschijning hebben liefgehad (2 Timotheüs 4:8). Bij de komst van de Heer wordt de “kroon van het leven” aan allen geschonken, die uit liefde voor Hem “in verzoeking hebben volhard” (Jakobus 1:12, 5:7-8). Oudsten die hun taak goed hebben verricht zullen “wanneer de Opperherder verschijnt, de onverwelkelijke krans van de heerlijkheid ontvangen” (1 Petrus 5:4). De tweede naamval in de uitdrukking “kroon des levens” geeft aan dat de “kroon” uit “leven” bestaat. Onvergankelijk leven, leven dat door geen enkele dood meer kan worden weggerukt, zal als een erekrans worden uitgereikt aan slaven die hun Heer trouw zijn gebleven. De vervulling van deze belofte wordt beschreven in het twintigste hoofdstuk van de Openbaring: “[Ik zag] de zielen van hen die om het getuigenis van Jezus en om het woord van God onthoofd waren, en die het beest of zijn beeld niet hadden aangebeden en niet het merkteken aan hun voorhoofd en aan hun hand ontvangen hadden; en zij werden levend en regeerden met Christus duizend jaren” (20:4)

Vers 11

Wie een oor heeft, laat hij horen wat de Geest tot de gemeenten zegt. Over de betekenis van deze “wekroep” en het verband met de evangeliën is in het bovenstaande al geschreven (2:7). Tegen de achtergrond van de boodschap voor Smyrna betekent de roep: “Laat je niet intimideren, houd het woord van God en het getuigenis van Mij vast, zelfs al word je vanwege die houding vervolgd, gevangen genomen en gedood”. Wie overwint, zal geenszins van de tweede dood schade lijden. Voor “wie overwint” staat in de oorspronkelijke tekst eigenlijk “De overwinnende”. Ook hier blijkt, dat de Mensenzoon andere maatstaven aanlegt dan de wereld. In de ogen van buitenstaanders zijn trouwe gemeenteleden de grote verliezers. Ze raken al hun bezittingen kwijt (2:9) en worden uiteindelijk gevangen genomen en terechtgesteld (2:10). Maar in de ogen van de Mensenzoon zijn het overwinnaars. Ze hebben “overwonnen door het bloed van het Lam en door het woord van hun getuigenis, en zij hebben hun leven niet liefgehad tot [de] dood toe” (12:11). De “tweede dood” wordt in het boek Openbaring op meerdere plaatsen vermeld (20:6, 20:14, 21:8). Er wordt daarbij ook een definitie gegeven: “Dit is de tweede dood: de poel van vuur” (20:14) “Hun deel is in de poel die van vuur en zwavel brandt; dit is de tweede dood” (21:8) Wie “van de tweede dood schade lijdt” (feitelijk staat er: “beschadigd wordt”, of “kwaad wordt gedaan”) die is beroofd van het eeuwige leven. Zo iemand zal noch in de eerste toekomstige eeuw (het tijdperk van de duizendjarige heerschappij van Christus), noch in de tweede toekomstige eeuw (het tijdperk van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde) mogen leven. Hij heeft geen deel aan de “eerste opstanding” die zal plaatsvinden bij het begin van de duizend jaren (20:4-6), en hij wordt na het oordeel bij de grote witte troon in de vuurpoel geworpen (20:11-15). Ook tijdens de tweede toekomende eeuw is hij niet in leven, want het vonnis dat over hem wordt voltrokken is de tweede dood (20:14, 21:8). Wie Christus trouw is gebleven en “zijn leven niet heeft liefgehad tot de dood toe” zal van de tweede dood echter geen enkele schade lijden. De Griekse tekst gebruikt een krachtige, dubbele ontkenning, ou mee, “beslist niet”. De vervulling van die belofte wordt in het twintigste hoofdstuk van de Openbaring als volgt beschreven: “Zij werden levend en regeerden met Christus duizend jaren… Dit is de eerste opstanding. Gelukkig en heilig is hij die aan de eerste opstanding deel heeft; over dezen heeft de tweede dood geen macht, maar zij zullen priesters van God en van Christus zijn en met Hem <de> duizend jaren regeren” (20:4-6)

 

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

391322 bezoekers sinds 07-06-2010