Het bijbelboek Openbaring Deel 6

16-12-2013 door Aren van Waarde

Openbaring 2:1-7efeze

Boodschap voor Efeze

“Aan de engel van de gemeente in Efeze schrijf: Deze [dingen] zegt de Houder van de zeven sterren in zijn rechter [hand], de Wandelaar in het midden van de zeven luchters, die van goud, Ik weet uw werken: Namelijk uw gezwoeg, en uw volharding, en dat u niet kunt dragen kwaden, en beproefde wie voorgeven apostelen te zijn maar het niet zijn en bevond hen onecht, en u droeg en hebt volharding, namelijk door Mijn naam, en u hebt gezwoegd en bent niet moe geworden. Maar Ik heb tegen u dat u uw liefde, de éérste, loslaat. Gedenk daarom vanwaar u bent gevallen, en verander van gedachten en de eerste werken, doe [die]! Maar zo niet, Ik kom naar u toe, snél, en zal bewegen uw luchter uit haar plaats, tenzij u van gedachten verandert. Maar dit hebt u, dat u haat de werken van de Nikolaïeten, die Ik ook haat. Wie [enkelvoud] een oor heeft, hore wat de Geest zegt tot de gemeenten: Aan de overwinnende zal Ik geven – aan hém – Te eten van de boom van het leven, die is in het midden van het paradijs van God

Vers 1

Schrijf aan de engel van de gemeente in Efeze. In het visioen begint de Mensenzoon Johannes te dicteren wat hij aan elk van de zeven gemeenten moet schrijven. Hoewel men gewoonlijk spreekt over “de brieven aan de zeven gemeenten” is deze aanduiding onjuist. De godsspraken werden nooit als losse brieven aan afzonderlijke gemeenten verzonden. Ze maken deel uit van het ene “boek” dat Johannes ten behoeve van alle gemeenten gaat opstellen (1:11). Elke gemeente moet niet alleen naar haar eigen boodschap luisteren maar ook naar de zes andere (2:7, 11, 17, 29; 3:6, 13, 22). De “brieven” zijn profetische. De scheefgedrukte woorden zijn een zo letterlijk mogelijke weergave van de oorspronkelijke Griekse tekst. afkondigingen, zoals we die bijvoorbeeld aantreffen in het Bijbelboek Amos (Amos 1 en 2). Wat Johannes het eerst te horen krijgt is bestemd voor “de engel van de gemeente te Efeze”. “Engel der gemeente”, of “bode der vergadering” is een Griekse weergave van het Hebreeuwse “sheliach tsibboer”. Dat was geen betaalde voorganger, maar een man die door het synagoge bestuur was uitgenodigd om de dienst te leiden. In principe kon iedere volwassen man van onbesproken gedrag en met een goede beheersing van de Hebreeuwse taal voor deze taak worden gevraagd. De “engel” was de spreekbuis van het volk dat zich in de synagoge voor de eredienst had verzameld. Hij vertegenwoordigde de gemeente bij de Eeuwige, want hij sprak de gebeden uit. Volgens de Misjna was de persoon die erin had toegestemd om uit de rol van de profeten te lezen ook verplicht om de gebeden, althans de meeste daarvan, uit te spreken (vgl. Lukas 4:16-20, Hand.13:15) 4. We kunnen belangrijke conclusies trekken uit het feit dat de opgestane Heer zich richt tot de “bode der vergadering”: (i) Wat de Heer aan Johannes dicteert moet door de sheliach worden voorgelezen en staat daarom op één lijn met de rollen der profeten; (ii) De boodschap kan worden beschouwd als een hemels antwoord op de gebeden van Gods “slaven”; en (iii) Hoewel de sheliach de godsspraak ontvangt heeft die boodschap niet betrekking op zijn persoonlijk functioneren. Wat de sheliach voorleest is per definitie voor de hele gemeente bestemd: “Gelukkig hij die leest en zij die de woorden van de profetie horen en bewaren wat daarin geschreven staat…” (1:3). Van Efeze zijn alleen nog maar de ruïnes overgebleven, die een goede indruk geven van de omvang en pracht van de antieke stad. In de nabijheid van het oude Efeze bevindt zich het plaatsje Selçuk, dat in zeker opzicht de voortzetting is van de vroegere metropool.

Dit zegt Hij die de zeven sterren in zijn rechterhand houdt, die in [het] midden van de zeven gouden kandelaars wandelt. In de aanhef van de boodschap geeft de Mensenzoon een beschrijving van zichzelf. De beeldspraak in deze beschrijving is ontleend aan wat Johannes eerder had gezien. “Die de zeven sterren in zijn rechterhand houdt” wijst terug naar 1:16: “En Hij had in zijn rechterhand zeven sterren”. “Die in [het] midden van de zeven gouden 4 Edersheim, p.439 en 445. kandelaars wandelt” is een citaat uit 1:12-13: “Toen ik mij had omgekeerd, zag ik zeven gouden kandelaars; en in het midden van de kandelaars iemand een zoon des mensen gelijk…” Over de “zeven sterren” was eerder opgemerkt: “de zeven sterren zijn engelen van de zeven gemeenten” (1:20). Het Griekse woord asteres kan “sterren” maar ook “lichtjes” of “vlammetjes” betekenen. Indien het met “vlam” wordt vertaald is het verband duidelijk tussen “ster” en “kandelaar”. Bij het woord asteres moeten we denken aan de brandende pitten van de olielampen die op de “luchters” zijn geplaatst (vgl. Mattheüs 5:15 en Zacharia 4:2). In Openb.2:1 krijgt het woord “houden” veel nadruk, er staat letterlijk: “Dit zegt de Houdende der zeven sterren in de rechterhand van Hem”. Aanvankelijk schreef Johannes: “Hij had in zijn rechterhand zeven sterren” (1:16), maar hier noemt de Mensenzoon zich de Houder van de sterren. Het werkwoord krateoo betekent “vasthouden” maar wordt in het Nieuwe Testament ook gebruikt in de betekenis van “gevangen nemen” of “gevangen houden”. Uit het feit dat de Mensenzoon zeven “vlammen” in zijn rechterhand houdt, blijkt dat Hij werkt door middel van het licht dat zij verspreiden. Het werkwoord krateoo wordt in Openbaring 2:1 gevolgd door een vierde naamval – niet, zoals op sommige plaatsen in de evangeliën, door een tweede (Markus 1:31, 5:41, 9:27, Lukas 8:54). De vierde naamval drukt uit dat de Mensenzoon de “pitten” volledig in Zijn hand heeft en deze niet aan hun uiteinde vasthoudt. Het licht dat de kandelaren verspreiden is helemaal van Hem afkomstig. Een luchter verspreidt niet zelf licht, maar draagt de lamp en heft die omhoog zodat de omgeving erdoor wordt beschenen (Mattheüs 5:15). Behalve het woord “houden” wordt ook het woord “wandelen” sterk benadrukt. In de oorspronkelijke tekst noemt de Mensenzoon zich “de Wandelende te midden van de zeven kandelaren, de gouden”. Daarmee vereenzelvigt Hij zich met JHVH, die in de hof van Eden “wandelde in de avondkoelte” om te kunnen spreken met de mens en zijn vrouw (Genesis 3:8). We kunnen in Openbaring 2:1 aan het “wandelen” van de HERE God in de hof van Eden denken, want het “paradijs van God” en de “boom des levens” worden in Openbaring 2:7 uitdrukkelijk genoemd. Zoals JHVH in Eden wandelde om tot de mens te kunnen spreken, zo wandelt de Mensenzoon te midden van de kandelaren om hen te bemoedigen en aan te sporen. De kandelaren zijn “van goud” vervaardigd, zoals de voorwerpen in Israëls tabernakel die zich in de nabijheid van de Eeuwige bevonden. De kandelaren staan in dienst van God. Krateoo kan betekenen: een voorwerp vasthouden (zie Mat.9:25, 28:9; Mar.1:31, 5:41, 9:27, 12:11; Luk.8:54, Openb.7:1), maar ook: een bepaalde leer of een traditie vasthouden (zie Mar.7:3-4 en 8; Heb.4:14, 6:18; 2 Thess.2:15; Openb.2:13,14,15,25; 3:11)  Mat.14:3, 18:28, 21:46, 22:6, 26:48,50,55,57; Mar.3:21, 6:17, 12:12, 14:1,44,46,49,51; Hand.2:24, 24:6; Openb.20:1. Toen de Here zich aan het volk Israël had verbonden, zei Hij tegen hen: “Ik zal mijn tabernakel in uw midden zetten, en Ik zal geen afkeer van u hebben, maar Ik zal in uw midden wandelen en u tot een God zijn, en gij zult Mij tot een volk zijn” (Leviticus 26:11-12) Dit “wandelen” van de HERE te midden van zijn volk hield ook een opdracht (en een belofte) in: “De HERE, uw God, wandelt in uw legerplaats, om u te redden en uw vijanden aan u over te geven; daarom zal uw legerplaats heilig zijn, zodat Hij niets onbehoorlijks bij u ziet en zich niet van u afwendt” (Deuteronomium 23:14). Aangezien de Mensenzoon in het midden van de zeven luchters wandelt, draagt Hij hen op om “heilig te zijn”, dat wil zeggen “anders” dan hun omgeving. Toegewijd aan God en Zijn woord. Als de gemeente van Efeze zich niet bekeert, loopt zij het gevaar dat de Mensenzoon zich van haar afwendt en zij niet langer in zijn nabijheid mag verkeren (2:5). Zo kon de HERE zich ook van Israël afwenden indien het volk niet langer aan Hem was toegewijd (Deuteronomium 23:14)

Vers 2 en 3

Ik weet uw werken wijst op alwetendheid. De Mensenzoon vereenzelvigt zich met de God van Israël waarvan de dichters hadden gezegd: “De HERE heeft in de hemel zijn troon; Zijn ogen slaan gade, Zijn blikken doorvorsen de mensenkinderen. De HERE toetst de rechtvaardige en de goddeloze” (Psalm 11:4-5) “Voor de ogen des HEREN liggen ieders wegen open, Hij weegt al zijn gangen” (Spreuken 5:21) “De ogen des HEREN zijn aan alle plaatsen, opmerkzaam acht gevend op kwaden en goeden” (Spreuken 15:3) Bij monde van de profeet Jesaja had God over zijn “slaven”, de getrouwen uit het volk Israël, eens gezegd: “Ik ken hun werken en hun gedachten; (de tijd) komt om alle volken en talen te vergaderen; zij zullen komen en mijn heerlijkheid zien” (Jesaja 66:18, vgl. 66:14) In het boek Openbaring richt Hij zich tot diezelfde “slaven” (Openb.1:1). Hij kent hun werken (Openb.2:2,19; 3:1,8,15) en Hij belooft “de tijd is nabij!” (Openb.1:3). Het vervolg van de godsspraak heeft een chiastische structuur. De oorspronkelijke Griekse tekst luidt als volgt:

Ik weet uw werken…

A. Namelijk uw gezwoeg (Gr. kopos)

B. En uw volharding (Gr. hupomonè)

C. En dat u niet kunt dragen (Gr. bastazoo) kwaden

D. En beproefde wie voorgeven apostelen te zijn,

D. maar het niet zijn en u bevond hen onecht

C. En u droeg (Gr. bastazoo)

B. En hebt volharding (Gr. hupomonè) namelijk door mijn Naam

A. En hebt gezwoegd (Gr. kopiao) en bent niet moe geworden

De woorden voor “zwoegen” (kopos, kopiao), “volharding” (hupomonè) en dragen (bastazoo) worden herhaald. Toch is er geen sprake van nutteloze herhaling. De Mensenzoon zegt eerst, dat hij hun volharding kent, vervolgens noemt Hij de oorzaak van die volharding (“door mijn Naam”). Hij kent hun gezwoeg, en Hij weet dat ze ondanks de zwaarte van hun taak niet moe zijn geworden. Ze kunnen de “kwaden”, d.w.z. kwade mensen, niet in hun midden verdragen, maar de last van verdrukking dragen ze wel. Ze toetsen de beweringen van leidersfiguren aan de Schrift. Hoe aantrekkelijk die ook zijn, ze worden niet geloofd indien ze niet met Gods openbaring overeenstemmen (vgl. 1 Johannes 2:18-27). Paulus gebruikt het werkwoord kopiao in zijn brieven dikwijls. Tryféna, Tryfósa en Persis hadden “gezwoegd in de Heer” (Romeinen 16:12). Paulus had meer “gezwoegd” dan alle apostelen, hoewel Gods genade alles in en door hem tot stand had gebracht (1 Korinthe 15:10). Kopiao is een aanduiding van zware arbeid, waarbij men kampt met tegenslag en tegenstand. Bij “volharding” moeten we denken aan het vasthouden van het geloof in Christus, ondanks vervolging. In het boek Openbaring wordt immers gezegd: “Als iemand in gevangenschap [leidt], dan gaat hij in gevangenschap; indien iemand met [het] zwaard zal doden, dan moet hij met [het] zwaard gedood worden. Hier is de volharding en het geloof van de heiligen” (13:10)  “Zij hebben dag en nacht geen rust, zij die het beest en zijn beeld aanbidden, en ieder die het merkteken van zijn naam ontvangt. Hier is de volharding van de heiligen, die de geboden van God en het geloof in Jezus bewaren” (14:11-12) In het boek Openbaring betekent “volharding”: de geboden van God en het geloof in Jezus bewaren, ondanks het risico van gevangenschap en terechtstelling. Weigeren om “het beest” of zijn beeld te aanbidden, en het merkteken van zijn naam niet te aanvaarden. De uitdrukking “door Mijn naam” (dia to onoma mou) is ontleend aan de evangeliën, waar Jezus tegen zijn leerlingen zegt: “Een broer nu zal [zijn] broer tot [de] dood overleveren en een vader [zijn] kind, en kinderen zullen opstaan tegen [hun] ouders en hen doden; en u zult door allen gehaat worden ter wille van mijn naam; wie echter volhardt tot [het] einde die zal behouden worden” (Mattheüs 10:21-22) “Want volk zal opstaan tegen volk, en koninkrijk tegen koninkrijk, en er zullen hongersnoden en aardbevingen zijn in verschillende plaatsen. Dit alles is echter [het] begin van [de] weeën. Dan zullen zij u overleveren om verdrukt te worden en u doden, en u zult gehaat zijn door alle volken ter wille van mijn naam. En dan zullen velen ten val komen en elkaar overleveren en elkaar haten” (Mattheüs 24:7-9, vgl. Markus 13:12-13, Lukas 21:16-19) “Herinnert u het woord, dat Ik tot u zei: Een slaaf is niet groter dan zijn heer. Als zij Mij hebben vervolgd, zullen zij ook u vervolgen; als zij mijn woord hebben bewaard, zullen zij ook het uwe bewaren. Maar dit alles zullen zij u doen om mijn naam, omdat zij Hem niet kennen, die Mij heeft gezonden” (Johannes 15:20-21) De “slaven” in Efeze maken “het begin van de weeën” mee, de “barensweeën van de Messias” die tot de geboorte van een nieuwe wereld zullen leiden. Ze zullen worden gehaat door de volken en door hun eigen volksgenoten. Lang blijven ze trouw aan de opdracht van hun Heer om “te volharden”. Aangezien de “weeën”van de voleinding zijn aangebroken, is het noodzakelijk om te “beproeven wie voorgeven apostelen te zijn”. Over die periode van de geschiedenis heeft Jezus tegen zijn leerlingen gezegd: “Kijkt u uit dat niemand u misleidt. Want velen zullen komen onder mijn naam en zeggen: Ik ben de Christus, en zij zullen velen misleiden” (Mattheüs 24:4, vgl. Markus 13:6, Lukas 21:8)  “Vele valse profeten zullen opstaan en zij zullen velen misleiden” (Mattheüs 24:11) Bij het aanbreken van de dag des HEREN zullen er twee soorten van “pseudoapostelen” de synagogen rondgaan: (i) Mannen die zeggen “Ik ben het!”, d.w.z. “Ik ben de Messias, God heeft mij gezonden om Israël verlossing te schenken!” En (ii) Mannen die zeggen: “De Messias is op aarde verschenen. Laten we ons bij hem voegen in de woestijn, of hem gaan opzoeken in zijn huis” (vgl. Mattheüs 24:12, 23-26). Voor gelovige hoorders die de verlossing van Israël verwachten zijn zulke mededelingen vanzelfsprekend aantrekkelijk. Maar de pseudoapostelen ontkennen dat Jezus de Christus is (1 Joh.2:22) en dat de Messias al “in het vlees is gekomen” (1 Joh.4:2). Ook beweren ze dat de Messias zich op een verborgen manier bij zijn volk heeft gevoegd, terwijl de Bijbel leert dat Hij zal komen “met grote kracht en heerlijkheid” (Markus 13:26, Lukas 21:27), “zoals de bliksem uitgaat van het oosten en schijnt tot het westen” (Mattheüs 24:27). Voor de gemeente van de laatste dagen komt het erop aan: volgen we het verlangen van ons hart, of geloven we de Schrift? “Kwaden” zijn mensen die zich voor geestelijke leiders uitgeven maar in werkelijkheid uit zijn op politieke steun of geldelijk gewin. Herders met het uiterlijk van schapen, maar van binnen roofzuchtige wolven. Ze brengen hun volgelingen geen vrijheid, maar zuigen die uit en voeren hen naar de ondergang. Ze weiden de schapen niet maar eten die op (Mattheüs 7:15-23, Handelingen 20:29-30).

Vers 4

Maar Ik heb tegen u, dat u uw eerste liefde hebt verlaten. De bijzin “Maar ik heb tegen u…” herinnert aan de Bergrede. In die toespraak had Jezus tegen Joodse hoorders gezegd: “Wanneer u dan uw gave offert op het altaar en u daar herinnert dat uw broeder iets tegen u heeft, laat daar uw gave vóór het altaar en ga eerst heen, verzoen u met uw broeder, en kom dan en offer uw gave” (Mattheüs 5:23-24). Wie “iets tegen ons heeft” neemt ons iets kwalijk aangezien wij hem met onze woorden of daden hebben gekwetst of onrecht hebben gedaan (vgl Mattheüs 5;22, 25-26). De wending in de toespraak is schokkend. Want de “eerste liefde” is de liefde die zich uitte in het zwoegen en verdragen en beproeven en volharden ter wille van de naam van Christus. Omdat de “eerste liefde is verlaten” doet de gemeente “de eerste werken” niet meer (2:5). Die “eerste werken” zijn de werken die in de verzen 2 en 3 waren opgesomd. Het woord “eerste” kan verschillende betekenissen hebben. Er kan mee bedoeld zijn: de eerste in de tijd, de liefde die u aanvankelijk bezat. Maar ook: de belangrijkste, de liefde die de drijvende kracht behoort te zijn van al uw werken7. Voor liefde gebruikt Christus het woord agapè, d.w.z. de onbaatzuchtige liefde die zelfs uitgaat naar vervolgers en vijanden (1 Korinthe 13). Het woord “liefde” kan duiden op een eigenschap van de gemeente: de grondhouding of deugd waarin zij vroeger uitblonk. Maar het kan ook een aanduiding zijn van de persoon wiens liefde ze aanvankelijk beantwoordde met wederliefde, maar die zij uiteindelijk heeft verlaten. Voor “verlaten”staat in het Grieks eigenlijk “loslaten”. De spreker gebruikt een aktieve vorm van het werkwoord aphiemi, d.w.z. doelbewust met iets breken. De werkwoordsvorm geeft aan dat de gemeente al enige tijd in die houding volhardt. In sommige Bijbelvertalingen is het woord weergegeven als “verzaken”, in andere als “verlaten”. Verzaken betekent “niet nakomen” (van een verplichting), verlaten het “in de steek laten” van iets of iemand. Gezien het vervolg van de boodschap verdient het aanbeveling om aphiemi in Openbaring 2:4 met “loslaten” te vertalen. Wanneer men iets loslaat waaraan men zich vasthield dan komt men te vallen. Zoals de “sterren” die door de draak worden meegesleept vanuit de hemel op aarde terecht komen (zie Openbaring 12:4, vgl. Daniël 8:10). Hetzelfde woord is op andere plaatsen met “vergeven” vertaald. Wanneer God zonden vergeeft, dan wordt de zondaar bevrijd en is in staat om die zonden “los te laten”. In Joodse oren klinkt het verwijt van de Mensenzoon scherper dan in christelijke. Want bij monde van Jeremia heeft God tegen zijn volk gezegd: “Ik gedenk de genegenheid van uw jeugd, de liefde van uw bruidstijd, toen gij Mij gevolgd waart in de woestijn, in onbezaaid land; Israël was de HERE geheiligd, de eersteling zijner opbrengst… Wat voor onrecht hebben uw vaderen in Mij gevonden, dat zij zich ver van Mij verwijderd hebben?” (Jeremia 2:2-5) “Zich ver van Mij verwijderen” is een parallel van “uw eerste liefde verlaten”. En “de genegenheid van uw jeugd” (of “de liefde van uw bruidstijd”) is een parallel van “de eerste liefde”. Hetzelfde verwijt vinden we ook bij andere profeten. In de profetie van Hosea zegt de HERE: De uitleg “de eerste in de tijd” ligt het meest voor de hand. Want de Mensenzoon zegt in 2:19: “Ik weet… dat uw laatste werken meer zijn dan uw eerste” en gebruikt daarbij hetzelfde Griekse woord. In 2:5 roept Hij de gemeente juist op om haar “eerste werken” (opnieuw) te doen. En in 3:2 merkt Hij op: “Bedenk dan hoe u het ontvangen en gehoord hebt…”, een aansporing die veel overeenkomst heeft met 2:5: “Bedenk dan waarvan je afgevallen bent…” “Toen Israël een kind was, heb Ik het liefgehad, en uit Egypte heb Ik mijn zoon geroepen. Hoe meer men hen riep, des te meer dwaalden zij weg: aan de Baäls offerden zij en aan de gesneden beelden brachten zij reukoffers. En Ik leerde Efraïm lopen: Ik nam hem op mijn armen, maar zij erkenden niet, dat Ik hen genas. Met mensenbanden trok Ik hen, met koorden der liefde… Ik neigde Mij tot hem, gaf hem te eten. Zal hij niet naar het land Egypte terugkeren? Ja, Assur zal zijn koning zijn, omdat zij geweigerd hebben zich te bekeren” (Hosea 11:1-4) Hoe meer aandacht de minnaar aan zijn bruid besteedde, des te meer dwaalde die bruid van hem weg. We vinden dit thema ook bij de profeet Ezechiël: “Toen kwam Ik voorbij u en zag u, en zie, de tijd der liefde was voor u gekomen… Ik ging onder ede een verbond met u aan, luidt het woord van de Here HERE; zo werdt gij de mijne… Maar gij hebt op uw schoonheid vertrouwd en ontucht gepleegd” (Ezechiël 16:8,15) De “eerste liefde” van Israël was niet de vurige ijver van de Israëlieten voor de HERE, maar de ervaring van het slavenvolk dat God zich hield aan de eed, die Hij aan hun voorouders had gezworen (vgl. Deuteronomium 7:8). Hij streed voor hen door plagen over Egypte te brengen, hun doortocht te verlenen door de Rode Zee en zich te plaatsen tussen hen en hun vijanden. De “eerste liefde” bestond uit het besef dat er Een was die voor hen zorgde en in al hun behoeften voorzag. Dat besef ging helaas snel verloren. Iets dergelijks zal ook bij de gemeente van Efeze het geval zijn. Sommige commentaren verwijzen bij Openbaring 2:4 naar Mattheüs 24:12. Over de “voleinding van de eeuw” heeft Jezus tegen zijn discipelen gezegd: “… Omdat de wetteloosheid zal toenemen, zal de liefde van de velen verkoelen” (Mattheüs 24:12) “Verkoelen” van de liefde is echter niet hetzelfde als het “loslaten” daarvan. Verkoelen duidt op een geleidelijk proces (“doven van het vuur”), terwijl loslaten duidt op een doelbewust besluit. Aangezien de Mensenzoon persoonlijk gegriefd is (“Ik heb tegen u”…) en de profetie van Jeremia citeert (Jer.2:2-5) stellen we vast dat de gemeente Hem heeft verlaten en zich ver van Hem verwijderd heeft. Zij was eens openlijk Messiasbelijdend, bereid om voor de naam van Christus te zwoegen en te lijden (2:2-3). Maar dat standpunt heeft men verlaten. Gezien het vervolg van de godsspraak (2:6) is men nog steeds orthodox-joods. Maar men getuigt niet meer van Christus. De “geboden van God” bewaart men nog (vgl. 12:17, 14:12), maar men heeft niet langer “het getuigenis van Jezus” (vgl. 1:2, 1:9, 6:9, 12:11, 12:17, 19:10, 20:4). Wellicht omdat het getuigen van Hem te gevaarlijk is geworden. Wie van Hem getuigde leed vroeger verdrukking en smaad (vgl. 2:2-3), maar loopt nu het gevaar om te worden gedood (vgl. 2:7).

Vers 5

Bedenk dan waarvan u afgevallen bent en bekeer u en doe de eerste werken. Voor “afvallen” staat in de oorspronkelijke tekst eigenlijk “uitvallen” (ekpiptoo), de Statenvertaling heeft het vers correct weergegeven. “Bekeren” is het werkwoord metanoeoo, dat “van gedachten veranderen” betekent. “Eerste werken” staan in verband met de “eerste liefde” (in beide gevallen wordt het woord prootos gebruikt). “Uitvallen” is een zinspeling op de rechterhand van de Mensenzoon (1:16, 1:20, 2:1). Niet de Mensenzoon heeft de ster laten vallen, maar de ster heeft haar eerste liefde losgelaten en geeft “het getuigenis van Jezus Christus” niet langer door. Gezien het tekstverband wordt met “verander van gedachten” bedoeld: Kom terug op je besluit om het getuigenis van Mij los te laten, laat je opnieuw door Mij gebruiken om licht te verspreiden, ook al zal dit nieuwe laster, verdrukking en vervolging met zich meebrengen. Ga weer zwoegen en verdragen en volharden ter wille van mijn Naam, zoals je dat vroeger deed. De positie waarin Ik je heb gesteld is een ereplaats. Bedenk dat profeten en andere trouwe knechten van God nooit applaus oogstten of een gemakkelijk leven hadden. Maar ze waren monden van de Eeuwige die hen te Zijner tijd zal belonen (11:18). Maar zo niet, Ik kom tot u en zal uw kandelaar van zijn plaats wegnemen, als u zich niet bekeert. Velen lezen de tekst alsof er stond: “Maar als je je niet bekeert dan kom ik naar je toe en neem je kandelaar van zijn plaats weg”. Zo staat het echter niet in het Grieks. Er staat: “Maar zo niet: Ik kom naar je toe, snél, en neem je kandelaar van zijn plaats weg, als je je niet bekeert”. De oude Statenvertaling schrijft terecht: “En zo niet – Ik zal u haastelijk bijkomen – en zal uw kandelaar van zijn plaats weren, indien gij u niet bekeert” . De zin begint met: “Maar zo niet…” Toch staat er aan het eind opnieuw: “… als u zich niet bekeert”. Op het eerste gezicht is dat een onnodige herhaling, maar in werkelijkheid is de zinsbouw betekenisvol. De Messias “staat op het punt om te komen”, voor de stammen van het land en voor alle gemeenten (vgl. 1:7). Zijn komst staat vást. Die is niet afhankelijk van de trouw of ontrouw van zijn dienaren. Hij komt spoedig (22:20). Of de Mensenzoon zijn “slaven” zal kunnen prijzen of bestraffen, wordt echter bepaald door de vraag of ze al dan niet van gedachten zijn veranderd. Indien ze weigeren om gehoor te geven aan zijn oproep, dan zal Hij bij Zijn komst zeggen: “Die luchter kan hier niet blijven staan”. Zoals Adam en Eva niet in het paradijs konden blijven toen ze aan het woord van de slang de voorkeur hadden gegeven boven het woord van God (Genesis 3:23). Johann Albrecht Bengel gaf het slot van Openbaring 2:5 als volgt weer: “So komme ich dir und werde deinen Leuchter aus seiner Stelle rücken, wenn du nicht Buße tun wirst”. Bengels vertaling “van zijn plaats wegrukken” was wellicht ingegeven door Openbaring 6:14. Bij het openen van het zesde zegel zal een grote aardbeving ontstaan, waardoor “elke berg en elk eiland van hun plaatsen worden gerukt”. De oorspronkelijke tekst gebruikt in 6:14 dezelfde uitdrukking (ek ton topon auton ekineetheesan) als in 2:5 (kinesoo… ek to topou autees).

Vers 6

Maar dit hebt u, dat u de werken van de Nicolaïeten haat, die ook Ik haat. In de boodschap voor Pérgamus blijkt wat we onder “de werken van de Nicolaïeten” moeten verstaan “afgodenoffer eten en hoereren” (2:14-15). Het vereren van een afgod naast, of in plaats van, de Ene. “Nicolaïeten” zijn uit geen enkele betrouwbare historische bron bekend. Mogelijk betreft het een woordspeling. De naam “Nicolaïeten” is van twee Griekse woorden afgeleid: het werkwoord nikaoo dat “overwinnen” en het zelfstandig naamwoord laos dat “volk” betekent. Er is verband met de naam Bileam die van twee Hebreeuwse woorden is afgeleid: het werkwoord bela dat “verwoesten” en het woord ha’am dat “volk” betekent. Nicolaïeten zijn “overwinnaars van het volk”, Bileam is “de verwoester van het volk”. “Nicolaïeten” zijn de wegbereiders van Bileam, d.w.z. de antichrist. In zijn eerste brief schrijft Johannes: “Zoals u hebt gehoord dat er één antichrist komt, zijn er ook nu vele antichristen opgestaan, waaraan wij weten dat het het laatste uur is” (1 Johannes 2:18). De zeven gemeenten leven op aarde in “het laatste uur” en maken het optreden van vele antichristen mee. Binnen enkele jaren zal de ruiter op het witte paard uittrekken, overwinnend en om te overwinnen (6:1): de nep-messias, wiens optreden leidt tot oorlog, hongersnood, ziekte en dood (6:3-8). Van hem wordt in het boek Openbaring gezegd:  “En hem werd gegeven oorlog te voeren tegen de heiligen en hen te overwinnen; en hem werd macht gegeven over elk geslacht en volk en taal en natie” (13:7). Hij zal ook oorlog voeren met de twee getuigen en hen overwinnen (11:7). Nicolaïeten zijn gezanten die het Joodse volk oproepen om dat “beest” goddelijke eer te bewijzen. Hoewel de “slaven” uit Efeze hun eerste liefde hebben verlaten, bezitten ze een gezonde afschuw van de werken van de Nicolaïeten. Ze houden vast aan de belijdenis dat er één God is en dat alleen Hij mag worden vereerd.

Vers 7

Wie [enkelvoud] een oor heeft, laat hij horen wat de Geest tot de gemeenten zegt. De oproep om te luisteren klinkt in elk van de zeven boodschappen, maar staat niet altijd op dezelfde plaats. In de godsspraken tot Efeze, Smyrna en Pergamum staat hij vóór de belofte die de “overwinnaars” ontvangen, maar bij Thyatira, Sardes, Philadelphia en Laodicea staat hij erna. “Wat de Geest tot de gemeenten zegt” is de hele boodschap, niet alleen de belofte voor de overwinnaars. In de evangeliën lezen we zevenmaal: “Wie oren heeft”, maar in het boek Openbaring is de oproep klemmender: “Wie een oor heeft, laat hij horen!”. Luister, ook al heb je misschien maar één oor! In zijn toespraken tot de menigten riep Jezus op tot luisteren wanneer Hij een scheiding aankondigde binnen het volk Israël vanwege een onverwachte verandering in het Godsbestuur. Niet alle aanwezigen zouden in staat zijn om aan zijn prediking gehoor te geven. Wat Hij zei druiste in tegen ieders verwachtingen. Velen namen aanstoot aan zijn woorden. Slechts een minderheid nam de boodschap ter harte. Bij de eerste gelegenheid zei Hij: “…Alle profeten en de wet hebben tot op Johannes geprofeteerd. En als u het wilt aannemen: hij is Elia die zou komen. Wie oren heeft, laat hij horen!” (Mattheüs 11:13-15) Johannes de Doper was de laatste hemelbode uit het tijdperk van “de profeten en de wet”. Indien Israël ter harte nam wat Johannes in opdracht van God moest verkondigen, zou er een nieuwe periode in de heilsgeschiedenis aanbreken: de messiaanse tijd. Sommige Israëlieten hadden naar Johannes geluisterd. Ze hadden zich door hem laten dopen in de Jordaan. Voor hen was Johannes een tweede Elia die de harten van de vaderen had doen terugkeren tot de kinderen. Maar de leiders van het volk, de rijken en de machtigen verzetten zich en waren niet bereid om Johannes’ prediking te aanvaarden. Daarom werd het optreden van Johannes niet de definitieve vervulling van de profetie over Elia’s terugkeer (Maleachi 4:5). Toen Hij een uitleg gaf van de gelijkenis van de zaaier riep Jezus zijn hoorders opnieuw op om te luisteren (Mattheüs 13:9. Markus 4:9, Lukas 8:8). Het goede nieuws van het komende rijk zou niet bij elke hoorder vrucht voortbrengen. Wie oren heeft, laat hij horen – vrucht dragen is niet vanzelfsprekend! Later waarschuwde Jezus Zijn discipelen dat volharding was vereist. Wie licht heeft ontvangen mag dat niet onder een korenmaat plaatsen, maar moet het op een kandelaar laten schijnen (Markus 4:21). Zout is goed, maar indien zout zijn kracht verliest, dan deugt het nergens meer voor – men gooit het bij het afval (Lukas 14:34-35). Wie oren heeft, laat hij horen! (Markus 4:23, Lukas 14:35) Bij de uitleg van de gelijkenis van de dolik klonk de wekroep opnieuw. Wanneer dat giftige gras nog niet bloeit, lijkt het sprekend op tarwe (Mattheüs 13:29). In het koninkrijk der hemelen zijn er niet alleen “zonen van het koninkrijk” maar ook “zonen van de Boze”. Vóór de oogsttijd zijn die nauwelijks van elkaar te onderscheiden. Maar wanneer de oogst aanbreekt zal de Mensenzoon zijn boden uitsturen. Die zullen de dolik verzamelen en verbranden maar de tarwe opslaan in de schuur. Wie oren heeft, laat hij horen! (Mattheüs 13:43). Er bestaat een inhoudelijk verband tussen de oproep in de evangeliën en in de boodschappen voor de zeven gemeenten. Werp het licht niet weg dat je hebt ontvangen, stop het niet in de doofpot. Blijf het “getuigenis van Jezus Christus” doorgeven, ook al druist het in tegen je toekomstverlangens of verwachtingen. Wijs het niet af en zwijg er niet over. Keer terug naar je eerste liefde. Schijn weer als een helder brandende pit op de kandelaar.

Wat de Geest tot de gemeenten zegt. Hoewel de verheerlijkte Mensenzoon aan Johannes dicteert wat die moet schrijven, richt de Geest het woord tot de vergaderingen. Voor Joodse hoorders is dat geen tegenstrijdigheid. Paulus kon aan zijn volksgenoten schrijven: “Daarom zoals de Heilige Geest zegt: Heden als u zijn stem hoort, verhardt uw harten niet” (Hebreeën 3:7). “Heden als u zijn stem hoort…” is een citaat uit een psalm (Psalm 95:7-8, Hebreeën 4:7). Maar wanneer de gemeente zich in de synagoge heeft verzameld en Davids woorden worden voorgelezen, is het Gods Geest die tot hen spreekt. Ook wanneer de wet van Mozes wordt voorgelezen, is die Geest aan het woord (Hebreeën 9:8). En wanneer er uit een rol van de profeten wordt voorgelezen (Hebreeën 10:15). Of Gods woord nu uit de wet, de profeten of de geschriften afkomstig is, het is Gods Geest die er ons oor voor opent. Hij spreekt door héél de Schrift. Wie overwint, die zal Ik te eten geven van de boom van het leven, die in het paradijs van God is. “Overwinnen” is in het laatste Bijbelboek een parallel van “trouw blijven” (2:10), “vast houden” (2:13,25; 3:11), “bewaren” (2:26, 3:3, 3:8), “niet verloochenen” (2:13, 3:8), en “waken” (3:3). Wie overwint gaat niet tot de aanval over, maar houdt stand wanneer hij aangevallen wordt. Overwinnaars zijn slaven die “volharden tot het einde” (Mattheüs 24:13, Markus 13:13). Gezien het tekstverband gaat het in de boodschap voor Efeze om volharding in het doorgeven van de woorden van Christus. Wie overwint zal mogen eten van de boom van het leven. De keerzijde van deze belofte vinden we in Openbaring 22:19: “Als iemand van de woorden van het boek van deze profetie afneemt, zal God zijn deel afnemen van de boom van het leven en uit de heilige stad” Uit deze tegenstelling blijkt opnieuw, dat de gemeente van Efeze het getuigenis van Jezus heeft losgelaten. Maar wanneer ze tot andere gedachten komt, terugkeert naar haar eerste liefde en het licht van de openbaring opnieuw laat schijnen, mag ze eten van de boom van het leven zodat ze niet langer onderworpen is aan de dreiging van de dood (22:3). Ze zal de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, mogen binnengaan en mogen verkeren in Gods nabijheid (vgl.22:7,14).

Het werkwoord “eten” wordt binnen het boek Openbaring drie maal in positieve zin gebruikt (2:7, 10:9 en 10:10). In de laatste twee teksten heeft “eten” betrekking op het zich eigen maken van het woord van God, ten einde dit aan anderen te kunnen doorgeven. Johannes moest een “boekje” aannemen uit de hand van een engel, en dat opeten, om opnieuw te kunnen “profeteren over vele volken, naties en koningen” (10:9-11). Wie Gods woord in zich opneemt en het getrouw doorgeeft, zal straks van de boom des levens mogen eten. Getuigen van Christus is niet zonder gevaar. Het kan een mens zijn aardse leven kosten (2:10,13). Maar elke trouwe getuige zal worden beloond met onsterfelijkheid. De levensboom wordt in het boek Openbaring vijf maal vermeld: in 2:7, twee maal in 22:2, in 22:14 en 22:19. In deze teksten staat niet het gangbare Griekse woord voor “boom” (dendron) maar het woord xulon, dat “hout” betekent. In de rest van het Nieuwe Testament heeft xulon betrekking op het kruis (Handelingen 5:30, 10:39, 13:29; Galaten 3:13, 1 Petrus 2:24) of op de Messias, die het “groene hout” wordt genoemd (Lukas 23:31). Uit de term xulon blijkt dat er in het paradijs niet één “boom van het leven” staat maar dat de Eeuwige er  “houtgewassen” heeft geplant, zodat we van “het geboomte van het leven” kunnen spreken. Die uitleg is in overeenstemming met Openbaring 22:2 waar de ziener over het nieuwe Jeruzalem opmerkt: “In [het] midden van haar straat en aan beide zijden van de rivier was [de] boom van [het] leven die twaalf vruchten draagt en elke maand zijn vrucht geeft; en de bladeren van de boom zijn tot genezing van de naties” Uit het feit dat “het hout” aan beide zijden van de rivier is geplant blijkt dat het onmogelijk kan gaan om één enkele boom. Het Nederlands Bijbel Genootschap heeft xulon in Openbaring 22 terecht met “geboomte” weergegeven. Boodschap voor Smyrna (2:8-11) “En aan de engel van de gemeente in Smyrna schrijf: Deze [dingen] zegt de Eerste en de Laatste, die dood werd en leeft. Ik weet van u de verdrukking en de armoede, maar rijk bent u!, en de laster van hen die zeggen zelf Joden te zijn, en ze zijn het niet, maar [een] synagoge van de satan. Vrees niets van wat u op het punt staat te ervaren. Zie, de duivel staat op het punt om [sommigen] uit u in de gevangenis te werpen, opdat u beproefd wordt, en u zult hebben een verdrukking van tien dagen. Wees trouw tot de dood, en Ik zal u geven de krans van het leven. Wie [enkelvoud] een oor heeft, hore wat de Geest zegt tot de gemeenten: De overwinnende zal beslist geen kwaad ondervinden van de dood, de tweede

 

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

410642 bezoekers sinds 07-06-2010