Het Bijbelboek Openbaring Deel 5

17-12-2013 door Aren van Waarde

KandelaarOpenbaring 1:12-20

Wat Johannes zag

“En ik keerde mij om, om de stem te zien die met mij sprak en toen ik mij had omgekeerd, zag ik zeven gouden kandelaars; en in [het] midden van de kandelaars [iemand de] Zoon des mensen gelijk, bekleed met een gewaad tot de voeten en aan de borst omgord met een gouden gordel, en zijn hoofd en haar wit als witte wol, als sneeuw, en zijn ogen als een vuurvlam en zijn voeten aan blinkend koper gelijk, als gloeiden zij in een oven, en zijn stem als een gedruis van vele wateren. En Hij had in zijn rechterhand zeven sterren en uit zijn mond kwam een scherp, tweesnijdend zwaard, en zijn gezicht was zoals de zon schijnt in haar kracht”.

Vers 12

En ik keerde mij om, om de stem te zien die met mij sprak. Aangezien de “luide stem als van een bazuin” achter Johannes had geklonken (1:10), wendde de ziener zich om. “Om de stem te zien die met mij sprak” is een Griekse stijlfiguur die bekend staat als metonymia. Een woord wordt in plaats van een ander woord gebruikt op grond van een werkelijk bestaande betrekking. Ook in het Nederlands gebruiken we deze stijlfiguur dikwijls. We kunnen bijvoorbeeld spreken over “de neuzen tellen” terwijl we de aanwezigen bedoelen. “Ik keerde mij om, om de stem te zien die met mij sprak” wil zeggen, “Ik keerde mij om, om de spreker te zien”. Omdat de kracht en de klank van de stem de menselijke maat overstegen, wint de stijlfiguur aan betekenis. Johannes schrok en was verbaasd.

En toen ik mij had omgekeerd, zag ik zeven gouden kandelaars. De oorspronkelijke tekst gebruikt voor “kandelaar” het woord luchnia, d.w.z. een standaard voor een olielamp. In de tabernakel in de woestijn en in de tempel van Jeruzalem stond één grote “kandelaar” met zeven armen die brandde op olijfolie. Johannes zag echter zeven losse “kandelaren”, elk met een eigen brandende pit. De kandelaren waren van goud, wat erop wijst dat ze voor de dienst van God waren bestemd. De voorwerpen in de aardse tempel waren immers van goud gemaakt, als symbool van onvergankelijkheid, in tegenstelling tot de voorwerpen in de voorhof. Het is van belang om te beseffen, dat een kandelaar niet zelf licht geeft maar alleen het licht omhoog houdt. Om licht te kunnen verspreiden moet een “kandelaar” worden voorzien van een reservoir met olie en een brandende pit. Ook een Joodse gemeente verspreidt niet vanzelfsprekend licht. Om licht te kunnen verspreiden moet zij Gods woord omhoog houden. De Geest die door het woord spreekt is haar “oliereservoir” en de brandende “pit” is de sheliach tsibboer die in de samenkomst voorleest.

Vers 13

En in [het] midden van de kandelaars [iemand, de] Zoon des mensen gelijk. In de oorspronkelijke tekst ontbreekt het bepaald lidwoord voor het woord “zoon”. Johannes schreef niet, dat hij iemand zag die leek op de Zoon des mensen, d.w.z. op de Messias. De ziener schreef dat hij tussen de kandelaren een menselijke gestalte zag, een levend wezen dat er uitzag als een mens. Zijn woorden luiden letterlijk: “en in midden der kandelaars als een zoon des mensen” De beschrijving die Johannes geeft doet denken aan de Bijbelboeken Ezechiël en Daniël. Ezechiël sprak over “een gedaante, die er uitzag als een mens” (Ez.1:26) en Daniël over “iemand gelijk een mensenzoon” (Dan.7:13). De profeten gebruikten zulke bewoordingen omdat de persoon die met hen sprak kennelijk menselijk was. Ze zagen handen en voeten, een gezicht en een lang gewaad. Maar de persoon die zich aan hen openbaarde was geen gewone sterveling. Hij was bekleed met hemelse heerlijkheid en Goddelijke majesteit. Vandaar, dat het woordje “als” in hun beschrijvingen telkens terugkeert. Echt mens, en toch ook heel anders. Dat de Mensenzoon zich te midden van de kandelaars bevond, heeft ongetwijfeld betekenis. Kandelaars worden op een donkere plaats neergezet en aangestoken om licht te verspreiden. Dat licht is van Hem afkomstig, Hij verzorgt hun lampen. Zoals de priesters dit deden in de tabernakel in de woestijn. Bekleed met een gewaad tot de voeten en aan de borst omgord met een gouden gordel. Het eerste wat Johannes opvalt, zijn de kleren die de man aanheeft. Hij draagt een lang gewaad. De gordel die dat gewaad bijeen houdt bevindt zich niet om zijn heupen maar om zijn borst. En die gordel is van goud. De uitdrukking “bekleed met een gewaad tot de voeten” (Gr. Endedumenon podere) verwijst naar een visioen van de profeet Ezechiël (Ez.9:1-10:22). In dat visioen stuurde de HERE zes verderfengelen op Jeruzalem af. Die engelen werden vergezeld door een man “met linnen bekleed” (Ez.9:2,11). De man in Ezechiëls visioen was ook bekleed met een lang gewaad. Hij moest een merkteken aanbrengen op het voorhoofd van de rechtvaardigen in Jeruzalem, zodat zij gespaard bleven en niet samen met de onrechtvaardigen verdelgd zouden worden (Ez.9:4-6). In het boek Openbaring gebeurt precies hetzelfde. Vóórdat de gerichten losbarsten, wordt er een zegel aangebracht op het voorhoofd van Gods “slaven” (7:2-3). Dat zegel voorkomt dat zij worden getroffen door de komende plagen (9:4). Een gouden gordel om de borst zal Johannes later opnieuw opmerken, bij de “zeven engelen die de zeven laatste plagen hebben”. Wanneer die engelen uit de hemelse tempel komen, zijn ze “bekleed met rein, blinkend linnen en de borst omgord met gouden gordels” (15:6). Uit de kleding die de Mensenzoon aanheeft blijkt, dat Hij uit het hemels heiligdom komt, en in opdracht van God de aarde gaat richten. Maar in het oordeel vergeet Hij de barmhartigheid niet. Wie op God vertrouwt zal worden gespaard. De Mensenzoon “voert oorlog in gerechtigheid” (19:11).

Vers 14

En zijn hoofd en haar wit als witte wol, als sneeuw. Johannes’aandacht werd getrokken van de kleding van de gestalte naar diens hoofd. De uitdrukking “wit als witte wol, als sneeuw” verwijst naar het boek Daniël. In een van zijn visioenen had Daniël gezien, dat “een Oude van dagen” plaatsnam, als voorzitter van de hemelse vierschaar, en ging rechtspreken waarbij er boeken werden geopend (Dan.7:9-10). Over die “Oude van dagen” merkte de profeet op, dat “zijn kleed wit was als sneeuw en zijn hoofdhaar blank als wol”. Wit haar wijst op eerbiedwaardige ouderdom (vgl. Spreuken 16:31, 20:29) en de daarmee gepaard gaande wijsheid en bezonnenheid. Als Eersteling, Leidsman en Voorloper van de nieuwe schepping is de Mensenzoon gemachtigd om een oordeel te vellen en om het verkeerde recht te zetten. Hij is de Eerste en de Laatste (1:18, 2:8), het begin van de schepping van God (3:14), de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde (21:6, 22:13). En zijn ogen als een vuurvlam. Ook deze uitdrukking is ontleend aan het boek Daniël. Toen Daniël aan de oever van de Tigris vertoefde, was er “een man in linnen klederen gekleed” aan hem verschenen. De ogen van die man waren “als vurige fakkels” (Dan.10:6). Uit het verband blijkt, dat deze metafoor wijst op inzicht dat het normale menselijke verstand verre te boven gaat. Daniël had “zijn hart erop gezet om inzicht te verkrijgen en zich voor zijn God te verootmoedigen” (Dan.10:12). De man die hij ontmoette was gekomen “om hem te verstaan te geven wat zijn volk in het laatst der dagen overkomen zou”, hij beschikte over kennis aangaande de toekomst (Dan.10:14). De Mensenzoon die zich op Patmos openbaarde kwam met dezelfde bedoeling naar Johannes toe. Hij kwam Johannes tonen “wat hierna zou gebeuren” (1:19), wat het volk Israël zal wedervaren in de slotfase van de tegenwoordige eeuw. “Ogen als een vuurvlam” worden in het boek Openbaring nog twee maal vermeld. Eerst in de boodschap voor de gemeente van Thyatira (2:18). Daar wijst de beeldspraak op een volmaakt inzicht. De Mensenzoon doorzoekt de nieren en de harten (2:23). Ook de Ruiter op het witte paard heeft “ogen als een vuurvlam” (19:12), zodat Hij kan “oordelen in gerechtigheid” (19:11). Hij beschikt over volmaakte kennis – niet alleen van onze daden maar ook van de motieven en drijfveren die achter die daden schuilgaan. Daarom is Hij in staat om een rechtvaardig oordeel te vellen.

Vers 15

En zijn voeten aan blinkend koper gelijk, als gloeiden zij in een oven. “Aan blinkend koper gelijk” is de weergave van homoioo chalkolibanoo. De precieze betekenis van chalkolibanos is echter onbekend. De uitdrukking komt alleen voor in het boek Openbaring (1:15, 2:18). Het is een samenstelling van de Griekse woorden chalkos (‘messing’) en libanos (dat ‘balsemhars’ of ‘wierookhars’ betekent). Aangezien wierook bestemd is om te worden verbrand, vermoedt men dat chalkolibanos duidt op een “blinkend of glanzend metaal”, een spiegelende legering met hoge lichtweerkaatsing zoals messing of brons. De kerkvader Hiëronymus meende dat het een mengsel van koper, goud en zilver was en gaf het in zijn Latijnse Bijbelvertaling weer als aurichalcum. De toevoeging “als gloeiden zij in een oven” wijst op een lichtglans, en wekt bovendien de indruk dat het om een gezuiverd metaal gaat, een legering waaruit alle onzuiverheden door verhitting zijn verwijderd. De beschrijving die Johannes van de voeten geeft verwijst net als die van de ogen naar het visioen van de profeet Daniël bij de Tigris. Over de man die aan Daniël verscheen had de profeet gezegd dat “zijn armen en voeten glanzend waren, van gepolijst koper” (Dan.10:6). Hoewel Daniël andere bewoordingen gebruikte dan Johannes, is de overeenkomst frappant. Toen de “heerlijkheid des HEREN” verscheen aan de profeet Ezechiël, werd Gods troon gedragen door vier cherubim of “levende wezens”. Ook de “voetzolen” van die wezens “fonkelden als gepolijst koper” (Ezech.1:7). Over hun manier van lopen merkt Ezechiël op: “Zij keerden zich niet om als zij gingen; zij gingen ieder recht voor zich uit” (Ezech.1:9). De profeet vond dit blijkbaar belangrijk, want hij zegt opnieuw: “Zij gingen ieder recht voor zich uit; waarheen de geest wilde gaan, gingen zij; zij keerden zich niet om als zij gingen” (Ezech.1:12). De cherubim werden bestuurd door Gods geest en gehoorzaamden de wil van God volkomen; ze hoefden nooit op hun schreden terug te keren. Uit de vergelijking met de bijbelboeken Ezechiël en Daniël blijkt, dat de metafoor van blinkende voeten uitbeeldt dat de Mensenzoon optreedt in volmaakte overeenstemming met de wil van zijn Vader. Als Hij gericht oefent, spreekt en handelt Hij zó als de Vader Hem heeft opgedragen. Zijn vonnis heeft Goddelijk gezag. Niets of niemand kan het dwarsbomen of verijdelen.

En zijn stem als een gedruis van vele wateren. De “stem als een gedruis van vele wateren” verwijst opnieuw naar de profetie van Ezechiël. Indien de heerlijkheid des HEREN zich door de lucht verplaatste maakten de vleugels van de cherubs een ruisend geluid, “als het gebruis van vele wateren, als de stem des Almachtigen” (Ezech.1:24). Volgens Ezechiël is de stem die klinkt als een kolkende waterstroom de stem van de Almachtige. Wat de Mensenzoon tegen Johannes zei, was het woord van de almachtige God. De vergelijking van Gods stem met wateren heeft voor het volk Israël diepe betekenis. De HERE is “verheven boven de stemmen van vele wateren, van de geweldige baren der zee” (Psalm 93:4). Ook boven Israëls aartsvijanden uit de volkerenzee: “Natiën bruisen zoals geweldige wateren bruisen, maar dreigt Hij ze, dan vluchten ze weg en worden opgejaagd als kaf op de bergen vóór de wind” (Jesaja17:13). Wanneer de heerlijkheid des HEREN na lange afwezigheid terugkeert en de nieuwe tempel binnengaat, zal er opnieuw een geluid klinken “als het gedruis van vele wateren” (Ezech.43:2). Uit de klank van de stem van de Mensenzoon blijkt, dat God in zijn persoon naar Israël terugkeert om bij zijn volk te wonen. Al verzetten de naties zich daartegen, al trekken ze gezamenlijk op tegen Jeruzalem (19:19-21), ze kunnen dit voornemen van de Almachtige niet verijdelen. In het boek Openbaring wordt het bruisende stemgeluid nog twee maal vermeld. Wanneer het Lam op de berg Sion staat met honderdvier-en-veertigduizend volgelingen, klinkt er “een stem uit de hemel als een stem van vele wateren” (14:2). En wanneer de Almachtige het koningschap aanvaardt en over de aarde gaat regeren, klinkt deze stem opnieuw (19:6). Steeds gaat het om de Here die naar zijn volk terugkeert en zich met dit volk verenigt.

Vers 16

En Hij had in zijn rechterhand zeven sterren. “Zeven sterren” wekt in het oorspronkelijke Grieks andere associaties dan in het Nederlands. Bij een ster denken wij aan een gloeiende gasbol op grote afstand van de aarde, een hemellichaam dat groter is dan de zon en dat alleen maar klein lijkt omdat het zo ver weg is. Maar voor de mens uit de oudheid was een ster een lichtpuntje in de nacht, de tegenpool van de “zon in haar kracht” waar Johannes nog over zal spreken. Het Griekse woord aster kan betrekking hebben op een ster aan het firmament, maar ook op het vlammetje van een kaars of de brandende pit van een olielamp. In het vervolg van de Openbaring zal de Mensenzoon aan zijn “slaaf Johannes” uitleggen wat de zeven sterren zijn, d.w.z. wat zij vertegenwoordigen (1:20). Over de rechterhand van God wordt in de Hebreeuwse Bijbel dikwijls gesproken. Het is de hand waarmee Hij werkt (Psa.80:16), de overwinning behaalt (Exod.15:6,12; Psa.20:7, 21:9, 44:4, 60:7, 78:54, 98:1), zijn volk in stand houdt en het verlost (Psa.17:7, 18:36, 63:9, 138:7, 139:10). De zeven sterren zijn werktuigen die de Mensenzoon gebruikt om licht te verspreiden zolang het nog nacht is. Als boodschappers van Hem mogen zij doorgeven wat Hij wil onthullen. Zó kunnen ze op aarde schijnen (1:20). En uit zijn mond kwam een scherp, tweesnijdend zwaard. In de Hebreeuwse Bijbel wordt over het spreken van vijandige mensen gezegd: “hun tong is als een scherpgeslepen scheermes” (Psa.52:4), “hun woorden zijn… ontblote klingen” (Psa.55:22), “hun tanden zijn speer en pijlen, hun tong een scherp zwaard” (Psa.57:5), “zij smalen met hun mond, zwaarden zijn op hun lippen” (Psa.59:8). Maar het woord van God is krachtiger dan enig mensenwoord. Van de knecht des Heren heeft Jesaja geprofeteerd dat God zijn mond zou maken “als een scherp zwaard” (Jes.49:2), d.w.z. dat de HERE hem op grond van Zijn woord vonnis zou laten vellen. Dat woord is  “levend en krachtig en scherper dan enig tweesnijdend zwaard, en het dringt door, zó diep, dat het vaneenscheidt ziel en geest, gewrichten en merg, en het schift overleggingen en gedachten des harten, en geen schepsel is voor Hem verborgen, want alle dingen liggen open en ontbloot voor de ogen van Hem, voor wie wij rekenschap hebben af te leggen” (Hebreëen 4:12-13) Wanneer de Messias terugkomt, zal Hij “de wetteloze verteren door de adem van zijn mond” (2 Thess.2:8). Op Zijn bevel zullen de antichrist en diens legers in één oogwenk worden weggevaagd (19:15,21). Aldus zal in vervulling gaan wat is voorzegd door de profeet Jesaja: “Hij zal de geringen in gerechtigheid richten en over de ootmoedigen des lands in billijkheid rechtspreken, maar hij zal de aarde slaan met de roede zijns monds en met de adem zijner lippen de goddeloze doden” (Jesaja 11:4) “Uit zijn mond kwam een scherp, tweesnijdend zwaard” is beeldspraak voor de kracht van het woord van God en het vermogen van de Mensenzoon om op grond van dat woord Israëls vijanden te vernietigen. En zijn gezicht was zoals de zon schijnt in haar kracht. “In haar kracht” wil zeggen, dat het schijnsel niet werd verzwakt door mist of wolken, en dat het even intens was als het licht op een mediterrane zomerdag. Het gezicht van de Mensenzoon straalt omdat het Gods majesteit weerspiegelt. Wat bij Mozes een zwakke en uitdovende afspiegeling was (2 Kor.3:13, vgl. Exod.34:33-35), is bij Hem een volmaakte en blijvende glans. Tijdens de verheerlijking op de berg is dit schijnsel voor enkele discipelen al zichtbaar geworden, als een vooruitblik op de heerlijkheid die de Messias zal bezitten wanneer Hij terugkeert naar de aarde (Matth.17:2).

Bemoediging en herhaling van de opdracht (1:17-20) “En toen ik Hem zag, viel ik als dood aan zijn voeten; en Hij legde zijn rechterhand op mij en zei: Vrees niet, Ik ben de eerste en de laatste, en de levende; en Ik ben dood geweest, en zie, Ik ben levend tot in alle eeuwigheid, en Ik heb de sleutels van de dood en de hades. Schrijf dan wat u hebt gezien en wat is en wat hierna zal gebeuren. De verborgenheid van de zeven sterren die u hebt gezien op mijn rechterhand, en de zeven gouden kandelaars: de zeven sterren zijn [de] engelen van de zeven gemeenten, en de zeven kandelaars zijn [de] zeven gemeenten”.

Vers 17

En toen ik Hem zag, viel ik als dood aan zijn voeten. Wanneer de heerlijkheid van God voor stervelingen zichtbaar wordt dan heeft dit altijd dezelfde gevolgen. Ezechiël “viel op zijn aangezicht” (Ezech.1:28). Daniël “viel bezwijmd ter aarde” (Dan.8:17-18, 10:8-9). De discipelen die bij Jezus op de berg waren “wierpen zich op hun aangezicht” en “werden zeer bevreesd” (Matth.17:6) . Zelfs Gods trouwe “slaven” kunnen Zijn aanblik niet verdragen.

En Hij legde zijn rechterhand op mij. Toen de engel Gabriël aan Daniël verscheen, “raakte die hem aan en deed hem overeind staan” (Dan.8:18). In een later visioen raakte een hand Daniël aan en “deed hem op knieën en handen sidderend oprijzen” (Dan.10:10). Hier wordt uitdrukkelijk vermeld dat de Mensenzoon zijn rechter hand op Johannes legde (1:17), de hand waarin Hij “zeven sterren” hield (1:16). Die sterren vertegenwoordigen de “engelen” (d.w.z.

de boodschappers) “van de zeven gemeenten” (1:20). Johannes zou zelf óók een boodschapper worden. Hij zou namens de Mensenzoon aan zeven gemeenten gaan schrijven (1:11, 1:19, 2:1, 2:8, 2:12, 2:18, 3:1, 3:7, 3:14). Als bode zou hij “het woord van God betuigen en het getuigenis van Jezus Christus, alles wat hij had gezien” (1:2). Door zijn rechterhand op Johannes te leggen liet de Mensenzoon zien dat Hij deze “slaaf” (1:1) in dienst nam en hem als “engel” ging gebruiken. En zei: “Vrees niet”. Dezelfde woorden klinken telkens opnieuw, wanneer God zich aan mensen openbaart. De stamvader van het Joodse volk kreeg al te horen: “Vrees niet, Abram, Ik ben uw schild” (Gen.15:1). Toen God Abrahams nageslacht uit Egypte leidde, werd er tegen hen gezegd: “Vreest niet, houdt stand, dan zult gij de verlossing des HEREN zien” (Exod.14:13). Bij de Godsverschijning op de Sinaï zei Mozes: “Vreest niet, want God is gekomen om u op de proef te stellen” (Exod.20:20). Wanneer Israëls verlossing nadert, krijgt het Joodse volk te horen: “Vrees niet, want Ik ben met u; zie niet angstig rond, want Ik ben uw God, Ik sterk u, ook help Ik u, ook ondersteun Ik u met mijn heilrijke rechterhand ” (Jesaja 41:10-12, vgl. Openb.19:11-21). De “man in linnen klederen” die bij de oever van de Tigris aan Daniël verscheen zei tegen hem:  “Vrees niet, Daniël, want van de eerste dag af, dat gij uw hart erop gezet hadt om inzicht te verkrijgen en om u voor uw God te verootmoedigen, zijn uw woorden gehoord, en ik ben gekomen op uw woorden” (Daniël 10:12) Zoals de “man in linnen klederen” kwam om Daniël inzicht te geven, zo kwam de Mensenzoon ook naar Johannes toe om hem te tonen wat zijn volk in het laatste der dagen zou overkomen (Dan.10:14).

Vers 18

Ik ben de eerste en de laatste, en de levende, en Ik ben dood geweest, en zie, Ik ben levend tot in alle eeuwigheid, en Ik heb de sleutels van de dood en de hades. De Godsnaam “de eerste en de laatste” is ontleend aan de profetie van Jesaja (41:4. 44:6-8, 48:12-16). Jesaja laat zien wat de naam betekent: “Hij die de geslachten van de aanvang af heeft geroepen… bij de laatsten is Hij dezelfde” (Jes.41:4), Wat er in de verre toekomst gebeuren zal, heeft God Israël “van oudsher doen horen en verkondigd” (Jes.44:7-8). “Van de aanvang af heeft Hij niet in het verborgene gesproken, ten tijde dat het geschiedt, is Hij daar” (Jes.48:16). Zo is het ook met de Mensenzoon die spreekt in het boek Openbaring. In de eerste eeuw van onze jaartelling heeft Hij aan zijn slaaf Johannes al te kennen gegeven wat er duizenden jaren later met het Joodse volk zou gaan gebeuren. En als het eenmaal plaatsvindt, zal Hij er zijn. Hij is de Eerste en de Laatste. De verheerlijkte Messias noemt zich ook “de Levende”. Zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament is dat een aanduiding van de ware God in tegenstelling tot de afgoden (zie bv. Deut.5:26). God heeft Hem “de naam boven alle naam gegeven” vanwege zijn bereidheid om zich te vernederen en gehoorzaam te zijn tot aan de kruisdood (Fil.2:9, vgl. Efe.1:21 en Heb.1:4). Bij Zijn opstanding heeft Hij niet alleen het ware, onvergankelijke leven ontvangen, maar ook volmacht gekregen om dat Leven (met een hoofdletter) aan anderen door te geven. Voor “Ik ben dood geweest” staat in het Grieks letterlijk “Ik werd dood”. Op de heuvel Golgotha stierf Christus en gedurende drie dagen bevond Hij zich in het graf. Maar God wekte Hem op uit de doden en gaf Hem onvernietigbaar leven (vgl. Heb.7:16). Omdat de Messias dood is geweest en levend is geworden. is Hij niet alleen Heer van de levenden, maar ook van de doden. “Hetzij wij dan leven, hetzij wij sterven, wij zijn van de Heer. Want daartoe is Christus gestorven en levend geworden, opdat Hij zou heersen zowel over doden als over levenden”(Romeinen 14:8-9). De uitdrukking “levend tot in alle eeuwigheid” komt in de Openbaring nog één keer voor: als aanduiding van Hem die troont in de hemel (4:9). In de oorspronkelijke tekst ontbreekt het woord “alle”, er staat “tot in de eeuwen van de eeuwen” (eis tous aioonaas toon aioonoon). In alle eeuwen, niet alleen het tegenwoordige boze tijdperk, maar ook de komende eeuw van het vrederijk en de daarop volgende eeuw van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, is de Levende aanwezig om over zijn volk te waken (vgl. Heb.7:25). Voor Gods “slaven” die met de dood worden bedreigd (13:10,15) is de manier waarop de Mensenzoon zich voorstelt beslist een grote bemoediging. Omdat Hij de dood heeft overwonnen beschikt de Messias over “de sleutels van de dood en de hades” (vgl. Heb.2:9,14-15). Hij zal niet alleen voor doden die in hun graven liggen maar ook voor doden die verdronken of verbrand zijn de deuren van de gevangenis openen. Hij zal ALLE doden oordelen naar hun werken (20:13). Trouwe slaven worden al levend gemaakt bij de eerste opstanding (20:4-6).

Vers 19

Schrijf dan wat u hebt gezien en wat is en wat hierna zal gebeuren. Volgens velen is “wat u hebt gezien” een aanduiding van het roepingsvisioen van

Johannes (1:9-18). “Wat is” zou betrekking hebben op de zeven gemeenten, d.w.z. het christendom zoals dat nu al twintig eeuwen bestaat (2:1-3:22). “Wat hierna zal gebeuren” zou wijzen op toekomstige oordelen die de aarde zullen treffen en worden gevolgd door het messiaanse vrederijk en de nieuwe schepping (4:1-22:5). Maar deze uitleg is onjuist. Vers 19 is door Bijbelvertalers niet nauwkeurig weergegeven. In de oorspronkelijke tekst staat: “Schrijf dan wat je ziet en wat het zijn namelijk wat hierna moet gebeuren”. Het woord “wat” is in het Grieks een meervoudsvorm. Het werkwoord “zien” staat niet in de verleden tijd maar in de aoristus, d.w.z. in een tijdloze vorm. Er staat niet “wat is”, maar “wat het zijn” (ha eisin). Telkens wanneer Johannes iets te zien krijgt, moet hij het opschrijven. En hij moet uitleggen wat de dingen die hij ziet “zijn”, d.w.z. wat ze vertegenwoordigen. De dingen die hij ziet, staan model voor volkeren en personen die bij het aanbreken van de dag des Heren op aarde zullen leven, en voor gebeurtenissen die op die dag zullen plaatsvinden. Voor Johannes “hierna”, want in zijn visioen was hij verplaatst naar ’s Heren dag (1:10). In het volgende vers gaat Johannes deze opdracht meteen uitvoeren. Namens de Mensenzoon legt hij uit dat de kandelaren die hij zag “gemeenten” zijn en de sterren “boden” van die gemeenten. In vers 20 staat dezelfde Griekse werkwoordsvorm (eisin) als in vers 19. Johannes beschrijft niet alleen wat hij zag maar ook wat het geziene vertegenwoordigde. Wanneer Johannes zeven brandende fakkels ziet, dan schrijft hij, dat het “de zeven geesten van God’ zijn (4:5). Wanneer hij ziet dat het Lam “zeven horens en zeven ogen heeft” dan legt hij uit: “dat zijn de geesten van God, uitgezonden over de hele aarde” (5:6). Wanneer hij gouden schalen vol reukwerk ziet, dan schrijft hij “dit zijn de gebeden van de heiligen” (5:8). Wanneer hij een grote menigte ziet die is uitgedost om het Loofhuttenfeest te vieren, dan merkt hij op: “dezen zijn het die uit de grote verdrukking komen” (7:14). Wanneer hij twee boetepredikers ziet optreden in rouwgewaad: “dezen zijn de twee olijfbomen en de twee kandelaars, die vóór de Heer van de aarde staan” (11:4). Wanneer hij honderd-vier-en-veertig-duizend tempelzangers ziet: “dezen zijn het die zich niet met vrouwen hebben bevlekt, want zij zijn maagdelijk. Dezen zijn het die het Lam volgen waar het ook heengaat. Dezen zijn uit de mensen gekocht als eerstelingen voor God en het Lam” (14:4). Wanneer hij drie kikvorsen ziet: “het zijn geesten van demonen die tekenen doen en die uitgaan naar de koningen van het hele aardrijk, om hen te verzamelen tot de oorlog van de grote dag van God” (16:14). Wanneer hij koppen en horens ziet: “de zeven koppen zijn zeven bergen… ook zijn het zeven koningen… en de tien horens… zijn tien koningen, die nog geen koninkrijk ontvangen hebben” (17:9, 10, 12). Als hij water ziet: “de wateren… zijn volken en menigten en naties en talen” (17:15). Steeds staat er hetzelfde woord (eisin). Ha eisin betekent: “wat het zijn”. “Wat is” is geen goede vertaling. Wat Johannes zag, was wat “hierna zal gebeuren”. Het waren beelden van gebeurtenissen die op de dag des HEREN zullen plaatsvinden aangezien God dat zo heeft beschikt (vgl. 1:10).

Vers 20

De verborgenheid van de zeven sterren die u hebt gezien op mijn rechterhand, en de zeven gouden kandelaars: de zeven sterren zijn [de] engelen van de zeven gemeenten, en de zeven kandelaars zijn [de] zeven gemeenten. In vers 20 begint Johannes al uit te leggen wat de symbolen in zijn visioenen voorstellen. Zonder uitleg zou de betekenis van de zeven sterren (1:16) en de zeven kandelaren (1:13) een raadsel blijven. Deze “verborgenheid” is echter door Christus verklaard. Johannes heeft genoteerd “wat het zijn”. De sterren zijn engelen van de zeven gemeenten en de kandelaars zeven gemeenten. Op het eerste gezicht lijkt deze uitleg het raadsel slechts te vergroten. Wat hebben sterren nu met kandelaren te maken? En engelen met gemeenten? In de oorspronkelijke tekst is het verband echter duidelijk. Het woord aster kan “ster” betekenen, maar ook “licht” of “vlam”. Angelos betekent “gezant” of “bode”. Het is een aanduiding van een functie. De Mensenzoon beschikt over allerlei boodschappers: niet alleen de wezens die wij engelen plegen te noemen maar ook apostelen en profeten, en zelfs heel gewone mensen zoals de discipel Ananias (Handelingen 9:10-19). Ekklesia betekent “samenkomst” of “volksvergadering”. Het is niet de naam van een organisatie in een bepaalde plaats maar een aanduiding van de mensen uit die plaats, wanneer en voor zover ze bij elkaar zijn gekomen 2. De mensenmassa uit de stad Efeze die naar het theater was gestormd omdat zij zich door de zilversmeden had laten opstoken wordt door Lukas een onwettige ekklesia genoemd, d.w.z. een volksvergadering (Hand.19:32, 39, 41). En de stadsschrijver, die er na twee uur in slaagde om het gezelschap te kalmeren, was (naar Joodse opvatting) de “bode van de vergadering”, degene die in het openbaar het verlossende woord sprak (Hand.19:35-40). Aan een Joodse (of christelijke) gemeente zijn de woorden van God toevertrouwd. Zij heeft de taak om dat woord als een kostbare schat zorgvuldig te bewaren. Paulus noemt haar “stylos en hedraiooma van de waarheid”, d.w.z. de sokkel of het voetstuk waarop het kunstwerk van de waarheid is geplaatst zodat dit voor het wandelend publiek zichtbaar wordt (1 Timotheüs 3:15). De Mensenzoon vergelijkt de gemeente met een luchnia, d.w.z. een standaard voor een olielamp. Zelf geeft zij geen licht maar ze mag het licht omhoog houden. De “bode van de vergadering” die in de samenkomst voorleest, is als de brandende pit. Hij zuigt Gods openbaring op en laat dat licht schijnen. De Messias werkt en spreekt door wie Zijn openbaring doorgeven, daarom zijn de “vlammetjes” of “lichtjes” in Zijn rechterhand.

* * * * * * *

2 Zie G.J.M.Bartelink, Grieks-Nederlands Woordenboek, Utrecht: Het Spectrum, 1958. In de Bijbel worden priesters en profeten “engelen” d.w.z. boodschappers van de Heer van de legermachten genoemd (Mal.2:7,3:1).

 

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

391861 bezoekers sinds 07-06-2010