Het Bijbelboek Openbaring Deel 4

18-12-2013 door Aren van Waarde

Alfa en omegaOpenbaring 1:8-11

Vers 8

Ik ben de alfa en de omega, zegt [de] Heer, God, Hij die is en die was en die komt, de Almachtige.

 

De alfa is de eerste en de omega de laatste letter van het Griekse alfabet. De uitdrukking “de alfa en de omega” is een synoniem van “de eerste en de laatste” (1:17, 2:8, 22:13) of “het begin en het einde” (21:6, 22:13). Die namen zijn ontleend aan het boek Jesaja, waar God zegt: Wie heeft dit bewerkt en tot stand gebracht? Hij, die de geslachten van de aanvang af heeft geroepen; Ik, de HERE, die de eerste ben, en bij de laatsten ben Ik dezelfde” (Jesaja 41:4) “Ik ben de eerste en Ik ben de laatste en buiten Mij is er geen God. En wie is als Ik – Hij roepe het uit en verkondige het en legge het Mij voor – daar Ik toch het overoude volk in het aanzijn riep, en hetgeen er in de toekomst gebeuren zal, mogen zij verkondigen. Weest niet verschrikt en vreest niet. Heb ik het u niet van oudsher doen horen en verkondigd? Gij zijt mijn getuigen: is er een God buiten Mij? Er is geen andere Rots, Ik ken er geen” (Jesaja 44:6-8) “Hoor naar Mij, Jakob, Israël, mijn geroepene. Ik ben dezelfde, Ik ben de eerste, ook ben Ik de laatste, ook heeft mijn hand de aarde gegrondvest en mijn rechterhand heeft de hemelen uitgebreid. Roep Ik hen, zij staan daar tezamen. Vergadert u allen en hoort. Wie onder hen heeft dit verkondigd? Hij, dien de HERE liefheeft, zal zijn welgevallen voltrekken aan Babel en zijn macht aan de Chaldeeën. Ik, Ik heb gesproken, ja, Ik heb hem geroepen, Ik heb hem doen komen en hij zal voorspoed hebben op zijn weg. Nadert tot Mij, hoort dit: Van de aanvang af heb Ik niet in het verborgene gesproken; ten tijde dat het geschiedt, ben Ik daar” (Jesaja 48:12-16) De levende God die aan de oorsprong stond van het volk Israël, die dat volk aan zich verbond door het uit Egypte te leiden en het Zijn onderwijzing te geven, diezelfde God kondigt ook van te voren aan hoe het met dat ontrouwe volk zal aflopen. Alle inwoners van het land zullen rouw bedrijven. Vanaf dat ogenblik zal er bij Israël van ontrouw geen sprake meer zijn. Het lijkt ongelofelijk. Maar Hij die het heeft voorzegd zal er ook zijn wanneer het geschiedt. Zelfs in de tijd van Jakobs benauwdheid “is” Hij er. Hij “was” er bij Israëls begin, en Hij “zal komen” om zijn volk te verlossen. “De Heer, God” is een equivalent van het Hebreeuwse JHVH Adonai, “de HEERE Here”. De God van het verbond die tevens de Schepper en Onderhouder is van alle dingen. Die God is in Openbaring 1:8 aan het woord. Wat Hij gesproken heeft zal beslist in vervulling gaan. “Almachtige” is een vertaling van het woord Pantokratoor. Deze Godsnaam komt in het boek Openbaring zevenmaal (1:8. 4:8. 11:17, 15:3, 16:7, 19:6, 21:22) en in de rest van het Nieuwe Testament eenmaal voor (2 Kor.6:18). In de Septuagint, de Griekse vertaling van de Hebreeuwse Bijbel, is het de weergave van El Shaddai, “Heer van de legermachten” (Amos 3:13, 4:13). Gods trouw, onveranderlijkheid en almacht staan er garant voor dat Israël eens aan haar doel zal gaan beantwoorden.

Johannes’ opdracht

“Ik, Johannes, uw broeder en mededeelgenoot in de verdrukking en het koninkrijk en de volharding in Jezus, kwam op het eiland dat Patmos heet, om het woord van God en het getuigenis van Jezus. Ik kwam in [de] Geest op de dag van de Heer, en ik hoorde achter mij een luide stem als van een bazuin, die zei: Wat u ziet, schrijf dat in een boek en zend het aan de zeven gemeenten: naar Efeze, naar Smyrna, naar Pérgamus, naar Thyatira, naar Sardis, naar Filadelfia en naar Laodicéa”

Vers 9

Ik, Johannes, uw broeder en mededeelgenoot in de verdrukking en het koninkrijk en de volharding in Jezus, kwam op het eiland dat Patmos heet, om het woord van God en het getuigenis van Jezus. Vanaf vers 9 geeft Johannes een verslag van zijn ervaringen. Hij is een “broeder” van de “slaven” waarvoor het boek Openbaring is bestemd, d.w.z. hun volksgenoot (vgl. Han.2:29,37; 3:17,22; 7:2,23,25,26,37; 13:15,26,38; 22:1,5,6; 23:1,5; 28:17,21). Bovendien is hij hun “mededeelgenoot in de verdrukking en het koninkrijk en de volharding in Jezus”. Uit de Griekse zinsbouw blijkt, dat drie zelfstandige naamwoorden (verdrukking, koninkrijk en volharding) gezamenlijk worden bepaald door de toevoeging, “in Jezus”. Johannes spreekt niet over verdrukking in algemene zin: gevaarlijke of moeilijke omstandigheden, die elk mens kunnen treffen. Hij spreekt over een bijzondere vorm van verdrukking die alleen gelovigen maar ervaren: benauwdheid “in Jezus”. Die verdrukking houdt verband met “het koninkrijk” en met “volharding”, dat wil zeggen: met volhouden en blijven uitzien naar het komende rijk. Gelovigen hebben weet van Gods rijk dat komt. Maar het is moeilijk om die verwachting te bewaren. Van die heerschappij is immers nog niets te zien. En de ontwikkelingen in de samenleving wekken de indruk dat het rijk verder weg is dan ooit. Afval van God, verzet tegen Zijn openbaring, toenemend ongeloof, groeiende wetteloosheid. Gods “slaven” zullen een extreme variant van dit alles ervaren. Zij zullen meemaken, dat de “mens der zonde” in de tempel gaat zitten en zich als God laat vereren, waardoor vele inwoners van het land hun Maker ontrouw worden (2 Thess.2:3-4). Johannes heeft iets dergelijks beleefd. In zijn tijd stonden er leugenaars op die ontkenden dat Jezus de Messias is, en zij sleepten vele Israëlieten in hun dwaling mee (1 Joh.2:18-27). Johannes had deel aan dezelfde verdrukking die Gods “slaven” zullen ervaren op de dag des Heren. Voor “kwam” staat in het Grieks een verbuiging van het werkwoord “worden”. Omdat “ik werd in het eiland” geen fraai Nederlands is, hebben vertalers het begrip ginomai als “komen” of “zijn” weergegeven. In hun vertalingen staat “ik kwam” (of: “ik was”) op het eiland genaamd Patmos. Het werkwoord wijst op doelgerichtheid. De Almachtige beschikte dat de ziener op Patmos terechtkwam, hij moest daar zijn om de openbaring te ontvangen die de Schepper aan Zijn “slaven” wilde geven. “Het woord van God en het getuigenis van Jezus” is een aanduiding van de visioenen die in het boek Openbaring worden beschreven. Dezelfde uitdrukking vinden we in 1:2. “Het woord van God en het getuigenis van Jezus” bestaat uit “alles wat Johannes heeft gezien” (1:2). Uit vers 9 kunnen we niet afleiden dat Johannes naar een eiland was verbannen omdat de Romeinse overheid het christendom had verboden. God bracht hem naar Patmos om hem een profetische openbaring te geven en hem die te laten opschrijven. Op een eiland in de grote zee, symbool van een synagoge in de diaspora, ontving Johannes de “last van het woord des HEREN”, de profetie (1:3) die de inhoud vormt van het laatste Bijbelboek.

Vers 10

Ik kwam in [de] Geest op de dag van de Heer. Het tiende vers van de Openbaring is in de meeste Bijbelvertalingen weinig nauwkeurig weergegeven. In de oorspronkelijke tekst staat niet: “de dag van de Heer”, maar “’s Heren dag”. Bovendien ontbreekt het bepaald lidwoord voor het woord “geest”. Er is geen enkele reden om dit woord met een hoofdletter weer te geven. “In geest” is een uitdrukking die we in het laatste Bijbelboek herhaaldelijk tegenkomen: “ik kwam in geest op ’s Heren dag…” (1:10)  “Hierna zag ik, en zie, een deur was geopend in de hemel, en de eerste stem die ik gehoord had als van een bazuin… zei: Kom hier op… Terstond kwam ik, in geest…” (4:1-2) “En hij voerde mij weg in geest naar een woestijn” (17:3) “En hij voerde mij weg in geest op een grote en hoge berg en toonde mij de heilige stad, Jeruzalem, die uit de hemel neerdaalde van God en de heerlijkheid van God had” (21:10) De apostel Paulus laat zien, dat “in geest” de tegenpool is van “naar het lichaam”. Aan de gemeenten van Korinthe en Kolosse schreef hij: “Want ik, naar het lichaam afwezig maar naar de geest aanwezig, heb reeds, alsof ik aanwezig was, hem geoordeeld, die dit zo bedreven heeft, in de naam van <onze> Heer Jezus <Christus>” (1 Korinthe 5:3) “Want al ben ik ook naar het lichaam afwezig, toch ben ik in de geest bij u en verblijd ik mij bij het zien van uw orde en de vastheid van uw geloof in Christus” (Kolossenzen 2:5). Wanneer een profeet hemelse dingen te schouwen krijgt, dan vertoeft hij “in geest” bij God, terwijl zijn lichaam op aarde blijft. “Naar de geest” is hij in de hemel, “naar het lichaam” bevindt hij zich op aarde (4:1-2). Johannes reisde niet lichamelijk naar de woestijn (17:3) of naar de top van een hoge berg (21:10), maar hij werd daar heen gevoerd “in geest”. “Naar het lichaam” bevond de ziener zich op een Grieks eilandje, aan het begin van onze jaartelling (1:9), maar “in geest” werd hij verplaatst naar ’s Heren dag (1:10). God gaf hem te zien wat er in de verre toekomst in Klein Azië en in het land Israël zal gaan gebeuren (vgl. 19:11 e.v.).

De uitdrukking “’s Heren dag”, “dag des Heren”, of “dag van de Heer” komt in het Nieuwe Testament vier maal voor. “Want u weet zelf nauwkeurig dat de dag van de Heer komt als een dief in de nacht” (1 Thessalonicenzen 5:2) “Wij vragen u echter, broeders, in verband met de komst van onze Heer Jezus Christus en onze bijeenvergadering tot Hem, dat u niet snel in uw denken geschokt of verschrikt wordt… alsof de dag van de Heer al aangebroken zou zijn” (2 Thessalonicenzen 2:2) “Maar de dag van de Heer zal komen als een dief, waarop de hemelen met gedruis zullen voorbijgaan en de elementen brandend vergaan” (2 Petrus 3:10) “Ik kwam in geest op ’s Heren dag” (Openbaring 1:10) De uitdrukking heeft niet betrekking op de “zondag”, maar op het toekomstige tijdperk waarin de Heer gericht gaat oefenen en de wereld rechtvaardig gaat oordelen. Bij de uitdrukking “’s Heren dag” ligt de nadruk op het woord dag. Wij leven in ’s mensen dag (1 Kor.4:3, grondtekst), maar Johannes werd verplaatst naar ’s Heren dag. Het liet Paulus onverschillig hoe hij in het hier en nu door zijn medestervelingen beoordeeld werd. Hoe de Heer op Zijn dag over hem zou oordelen, dát was voor de apostel belangrijk (1 Kor.4:1-5). Op die dag wilde hij als rentmeester van Gods verborgenheden trouw worden bevonden. Bij de uitdrukking “dag des Heren” ligt de nadruk op het woord Heer. De dag van de Heer is de dag van de parousia, d.w.z. het tijdperk van de komst en de daarop volgende tegenwoordigheid van de Messias op aarde. En ik hoorde achter mij een luide stem als van een bazuin, die zei. Johannes hoorde achter zich een luide stem die hem opdracht gaf om wat hij zag op te schrijven. Voor “luide stem” staat in het Grieks letterlijk “grote stem”: de spreker ging de menselijke maat te boven. Uit het tekstverband blijkt dat deze “luide stem” niet de stem van Christus was. De opgestane Heer heeft een stem “als een gedruis van vele wateren” (1:15). Hij dicteerde Johannes wat die moest schrijven aan de zeven gemeenten (2:1, 8, 12, 18; 3:1, 7, 14). De stem “als een bazuin” was een andere, en wordt daarom in 4:1 aangeduid als “de eerste stem die ik gehoord had”. De bazuinstem was afkomstig van de openbaringsengel (1:1); de stem met het bruisende geluid van de verheerlijkte Messias. “Als van een bazuin” is een nieuwe verbindingsschakel tussen het boek Openbaring en het Joodse volk. In Israël werd er bij allerlei gelegenheden op de “bazuin” geblazen om de mensen bijeen te roepen. Daarbij kon gebruik worden gemaakt van de sjofar (een ramshoorn) maar ook van zilveren trompetten. Israël is het volk “dat het geklank kent”. “Als van een bazuin” geeft aan, dat God “opstaat tot de strijd”. Hij zal de aarde gaan richten (vgl. Psalm 68:2, 1 Kor.14:8). Ook in latere visioenen van het boek Openbaring wordt er op bazuinen geblazen, en na elke bazuinstoot treedt de Messias op tegen de (politieke) tegenstanders van “de heiligen” (8:2, 6, 13; 9:14).

Vers 11

“Wat u ziet, schrijf dat in een boek en zend het aan de zeven gemeenten”. Toen de stem klonk zag Johannes nog niets. “Wat u ziet” moet daarom worden beschouwd als een verwijzing naar de toekomst. Wanneer God over toekomstige zaken spreekt gebruikt Hij de tegenwoordige tijd. Voor de Eeuwige is de toekomst even zeker als het heden. De engel die de Messias had gestuurd, gaf Johannes opdracht om wat hij zag op te schrijven en dit verslag te sturen aan de eerder genoemde “zeven gemeenten” (1:4). Voor “boek” gebruikt de engel het woord biblion, een verkleinwoord van biblos. Er staat eigenlijk: “een boekje”, d.w.z. een rol van kleine afmetingen. Het boek in kwestie kennen wij als de Openbaring. De engel gaf een nauwkeurige opsomming van de gemeenten die het geschrift moesten ontvangen: “naar Efeze, naar Smyrna, naar Pergamus, naar Thyatira, naar Sardis, naar Filadelfia en naar Laodicéa”. Gerekend vanuit Patmos was Efeze de dichtstbijzijnde plaats. Wanneer een bode vanuit die havenstad naar het noorden reisde en vervolgens naar het oosten en zuiden, zou hij een cirkelvormige weg afleggen en de overige steden bereiken in de volgorde waarin de engel ze had opgesomd. In heel de provincie Asia, en ook in de genoemde plaatsen bestond er een omvangrijke Joodse gemeenschap

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

391322 bezoekers sinds 07-06-2010