Het bijbelboek Openbaring Deel 3

19-12-2013 door Aren van Waarde

Leeg grafOpenbaring 1 vers 5-7

En van Jezus Christus, de trouwe getuige, de eerstgeborene van de doden en de overste van de koningen der aarde.

“Trouw” is in het Grieks pistos, d.w.z. “geloofwaardig” of “betrouwbaar”. De Messias is in meerdere opzichten de “getrouwe getuige”. Allereerst om wat Hij toont aan Zijn slaven. Hij heeft wat God Hem heeft gegeven getrouw overgeleverd. Wat Hij in de Openbaring zegt is een betrouwbaar woord (1:1, vergelijk 21:5). Hij heeft zijn engel gezonden om deze boodschap “te betuigen voor de gemeenten” (22:16). Het werkwoord martureoo, dat in 22:16 met “betuigen” is vertaald, is verwant aan het woord martus (1:5), dat “getuige” betekent. Een getuige is iemand die een getuigenis aflegt. Het “getuigenis van Jezus” (12:18, 19:10) is de inhoud van het boek Openbaring. Uit het tekstverband blijkt, dat de Messias nog in ander opzicht “de getrouwe getuige” is: Hij is “de eerstgeborene van de doden”(1:5) en “het begin der schepping Gods” (3:14). Hij is een toonbeeld van de heerlijkheid die God aanvankelijk aan zijn “zonen” en uiteindelijk aan de hele schepping zal schenken (vgl. Rom.8:19-23, Rom.8:29, Heb.2:9-16, Jak. 1:18). Bij het aanbreken van de dag des HEREN zal er in Israël een valse getuige optreden, en vele Israëlieten zullen zich laten misleiden. Slaven van de Messias moeten er van doordrongen zijn dat niet het beest maar Jezus Christus de ware getuige is. Omdat het beest “was en niet is en uit de afgrond zal opstijgen” (17:8) wenst Johannes zijn lezers genade en vrede van “Hem die is en die was en die komt” (1:4). Het beest eist verering maar het is slechts een mens. Op een bepaald ogenblik is het er niet. Maar God is er altijd. Het beest uit de zee heeft een helper die zijn opdrachten uitvoert, het “beest uit het land” (13:12). Die helper is in staat om aan een beeld “adem” (of: geest) te verlenen zodat dit gaat spreken en waarneemt of men het aanbidt (13:15). Omdat het beest over een machtige afgezant beschikt wenst Johannes zijn “medeslaven” genade en vrede van de boden van de Eeuwige die sterker zijn dan de bode van het beest (1:4). Het beest zal “uit de afgrond opstijgen” (11:7, 17:8) aangezien “zijn dodelijke wond wordt genezen” (13:3). Het zal de eerste mens claimen te zijn die op aantoonbare wijze uit de doden is opgestaan, en vrijwel iedereen zal dit geloven (13:3, vgl. 2 Thess.2:11-12). Daarom wenst Johannes zijn volksgenoten genade en vrede van “de Eerstgeborene uit de doden”, van Hem die werkelijk de eerste is van de nieuwe schepping (1:5). Het beest uit het land “misleidt hen die op de aarde wonen” (13:14). Want het leven van een dode die opstaat om God te lasteren, heeft een satanische oorsprong en is geen zegen maar een vloek. Jezus is de “trouwe” getuige (1:5). Het nieuwe leven dat Hij bezit en verschaft is niet langer aan vloek of verderf onderworpen. Wie in Hem gelooft, komt niet bedrogen uit. Het beest zal gezag ontvangen over “elk geslacht en elk volk en taal en natie” (13:3). Ook dan moeten Gods slaven blijven vertrouwen op “de Overste van de koningen der aarde” (1:5). Het beest zal slechts 3½ jaar heerschappij voeren. Jezus is de ware Messias die tijdens de komende aionen over de aarde zal regeren. Aangezien het Lam “Heer is van de heren” en “Koning van de koningen”, zal Hij het beest overwinnen (17:14). Hem die ons liefheeft en ons van onze zonden heeft verlost door zijn bloed. “Hem die ons liefheeft” heeft betrekking op de Messias, die ook in dat opzicht het beeld van God is en de liefde van zijn Vader zichtbaar maakt. In de Hebreeuwse Bijbel wordt dikwijls gesproken over de blijvende liefde van de Heer voor zijn volk (Deuteronomium 4:37, 7:8, 23:5; 1 Koningen 10:9, 2 Kronieken 2:11, 9:8; Psalm 47:3,5; Jesaja 43:1,4; Jeremia 31:1,3; Hosea 11:1; Maleachi 1:2). Gods liefde is het hoofdthema van het boek Hosea. Ook in het laatste Bijbelboek blijkt dat de HERE “Israël zo liefheeft, dat Hij het voor immer in stand wil houden”. In de donkerste periode van haar geschiedenis, de “grote verdrukking”, de “tijd van Jakobs benauwdheid” zorgt Hij ervoor dat een rest van het volk wordt gespaard (zie Openbaring 7:3, 9:4, 12:5-6, 12:14-16, 13:8, 14:4-5, 14:12, 19:7-9). In sommige handschriften van het Nieuwe Testament staat in Openbaring 1:5: “die ons van onze zonden verlost door zijn bloed”, in andere: “die ons van onze zonden wast door zijn bloed”. In de oorspronkelijke tekst is dit slechts een verschil van één letter, er staat ofwel lusanti (die verlost) of lousanti (die wast). De werkwoordsvorm is de Griekse aoristus. Johannes benadrukt het feit van de verlossing zonder te zeggen wanneer die plaatsvindt. De vertaling “en ons van onze zonden HEEFT verlost” wekt de indruk dat de verlossing heeft plaatsgehad in het verleden, maar men zou met evenveel recht kunnen vertalen: “Hem die ons liefheeft en ons van onze zonden verlost door zijn bloed”. Dankzij de Messias zal Israël aan haar bestemming gaan beantwoorden. Eens zal het worden: een heilige natie, niet langer een volk dat zijn doel mist. De prijs die de Messias heeft betaald is daarvan het onderpand. Hij gaf zijn leven om zijn broeders het ware leven te kunnen schenken. Het vervolg van de lofzang sluit hierbij aan.

Vers 6

En ons gemaakt heeft tot een koninkrijk, tot priesters voor zijn God en Vader. Weer blijkt dat het boek Openbaring is gericht tot Joden. De belofte om een priesterlijk koninkrijk te mogen zijn is immers aan Israëlieten gegeven. Bij de berg Sinaï heeft God tegen hen gezegd: “Nu dan, indien gij aandachtig naar Mij luistert en mijn verbond bewaart, dan zult gij uit alle volken Mij ten eigendom zijn, want de ganse aarde behoort Mij. En gij zult Mij een koninkrijk van priesters zijn en een heilig volk. Dit zijn de woorden die gij tot de Israëlieten spreken zult” (Exodus 19:5-6). Ondanks de ontrouw van Israël is die belofte nog steeds van kracht, want God voorzegt bij monde van de profeet Jesaja: “Gij zult priesters des Heren heten, dienaars van onze God genoemd worden; gij zult het vermogen der volken genieten en u op hun heerlijkheid beroemen” (Jesaja 61:6). In het Nieuwe Testament wordt de belofte herhaald. Aan “vreemdelingen in de verstrooiing”, d.w.z. Joden die buiten het land Israël wonen, schreef Petrus: “Laat u ook zelf als levende stenen gebruiken voor de bouw van een geestelijk huis, om een heilig priesterschap te vormen, tot het brengen van geestelijke offers, die Gode welgevallig zijn door Jezus Christus… Gij… zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, een volk (Gode) tot eigendom” (1 Petrus 2:5,9). De vierentwintig oudsten in de hemelse raadsvergadering, die Johannes later mocht zien, prijzen de Messias omdat dankzij Hem Gods belofte in vervulling zal gaan. “U bent geslacht en hebt voor God gekocht met uw bloed uit elk geslacht en taal en volk en natie, en hebt hen voor onze God gemaakt tot een koninkrijk en tot priesters; en zij zullen over de aarde regeren” (5:10) Het Joodse volk is verstrooid onder “elk geslacht en taal en volk en natie”, maar het blijft een volk “Gode ten eigendom” en zal in de komende eeuwen een priesterlijk koninkrijk wezen. “Zij zullen priesters van God en van Christus zijn en met Hem duizend jaren regeren” (20:6). In die tijd zal zichtbaar worden wat God door de Messias tot stand heeft gebracht. Dan zullen er geen dictators meer worden bejubeld maar dan zal Gods Zoon alle eer krijgen. Vandaar dat de ziener eindigt: Hem zij de heerlijkheid en de kracht tot in <alle> eeuwigheid! Amen. “Tot in alle eeuwigheid” is geen letterlijke weergave van de oorspronkelijke tekst. Johannes schreef: “tot in de eeuwen der eeuwen” (eis tous aioonas toon aioonoon).  “Eeuwen der eeuwen” is een hebraïsme, net zoals “heilige der heiligen”, “lied der liederen”, “knecht der knechten”, “heer der heren” en “koning der koningen”. Het is een aanduiding van “de eeuwen bij uitstek”, de apotheose van de wereldgeschiedenis, de tijdperken waarin Gods bedoelingen zichtbaar worden omdat Hij zijn grote macht heeft opgenomen en het koningschap heeft aanvaard. De Schepper zal dan in de persoon van de Messias over de aarde gaan regeren. In zijn boek geeft Johannes een beschrijving van die komende eeuwen: het tijdperk van de duizend jaren en het tijdperk van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde. “Eeuw” is in het Bijbels spraakgebruik geen periode van honderd jaar, maar een aanduiding van een tijdperk in de wereldgeschiedenis dat minstens duizend jaar kan duren.

Vers 7

Zie, Hij komt met de wolken. Wat een openbaring zal dat zijn! “Komen met de wolken” betekent: “verschijnen met Goddelijke majesteit”. De psalmdichters en profeten hebben over de Schepper gezegd: “Hij maakt de wolken tot zijn wagen, Hij wandelt op de vleugelen van de wind… In wervelwind en storm is zijn weg, wolken zijn het stof zijner voeten” (Psalm 104:3, Nahum 1:3). Wanneer God gericht houdt en de volken oordeelt, dan “komt Hij met de wolken”: “Zie, de HERE rijdt op een snelle wolk en komt naar Egypte; dan beven de afgoden van Egypte voor Hem en het hart van Egypte versmelt in zijn binnenste” (Jesaja 19:1). In de evangeliën wordt de symboliek van het komen op de wolken als volgt verklaard: “Zij zullen de Zoon des mensen zien komen op de wolken des hemels, met grote macht en heerlijkheid” (Mattheüs 24:30, vgl. Mar.13:26) “Van nu aan zult gij de Zoon des mensen zien, gezeten aan de rechterhand der Macht en komende op de wolken des hemels” (Mattheüs 26:64, vgl. Mar.14:62) Wie op de wolken komt is: “Gods rechterhand” en bekleed “met grote macht en heerlijkheid”. Zo’n mens heeft volmacht gekregen om de aarde te richten, d.w.z. om recht te zetten wat in de loop van de geschiedenis krom is geworden. En elk oog zal Hem zien, ook zij die Hem doorstoken hebben; en alle stammen van het land zullen over Hem weeklagen. Ja, amen! Door het woordje kai met “ook” te vertalen wordt de indruk gewekt, dat de groep mensen waarbinnen “elk oog” Christus zal zien, een grotere is dan de groep die Hem heeft doorstoken. Het voegwoord kai kan echter verklarende betekenis hebben. Dikwijls staat het aan het begin van een bijzin, ter verduidelijking van het voorafgaande. Het ligt daarom voor de hand om 1:7 als volgt te vertalen: “elk oog zal Hem zien, zij namelijk die Hem hebben doorstoken, en alle stammen van het land zullen over Hem weeklagen”. Het slot van vers 7 kan op verschillende manieren worden weergegeven. Sommigen schrijven: “alle stammen der aarde” (aldus b.v. het NBG), anderen “alle stammen van het land” (aldus b.v. Voorhoeve). Wie voor de eerste vertaling kiest, veronderstelt dat Mattheüs en Johannes de mensheid op het oog hadden. Wie de tekst op de tweede manier weergeeft, meent dat zij spraken over Joden. Uit de Hebreeuwse Schriften blijkt dat er over het Joodse land wordt gesproken. Johannes citeert de profeet Zacharia. Die heeft in opdracht van God eens geschreven: “Zij zullen hem aanschouwen die zij doorstoken hebben, en over hem een rouwklacht aanheffen, als de rouwklacht over een enig kind, ja, zij zullen over hem bitter leed dragen als het leed om een eerstgeborene” (Zacharia 12:10) Uit het tekstverband blijkt dat “zij” betrekking heeft op de inwoners van de stad Jeruzalem en het land Israël: “Te dien dage zal in Jeruzalem de rouwklacht groot zijn… het land zal een rouwklacht aanheffen, alle geslachten afzonderlijk” (Zacharia 12:11) Alle inwoners van stad en land zullen rouw bedrijven, de leden van elk gezin, zowel de mannen als de vrouwen, ook de priesters en de Levieten: “Het geslacht van het huis van David afzonderlijk en hun vrouwen afzonderlijk; het geslacht van het huis van Nathan afzonderlijk en hun vrouwen afzonderlijk; het geslacht van het huis van Levi afzonderlijk en hun vrouwen afzonderlijk; het geslacht van Simei afzonderlijk en hun vrouwen afzonderlijk; alle overige geslachten, alle geslachten afzonderlijk en hun vrouwen afzonderlijk” (Zacharia 12:11-14). Het werkwoord “weeklagen” heeft betrekking op de rouwklacht die men aanheft over een gestorvene. Zo “klaagden” de vrouwen in het huis van Jaïrus, nadat diens dochtertje was overleden (Luk.8:52). Ook de vrouwen, die Jezus volgden naar de heuvel Golgotha, “beklaagden” Hem omdat Hij op weg was naar Zijn executie (Luk.23:27). De kooplieden der aarde zullen “rouw bedrijven” bij de val van Babylon, omdat hun handelspartners zijn omgekomen (Openb.18:9). Het gaat om een uiting van diepe smart. In het christendom heeft men de rouwklacht van de stammen negatief opgevat. Het zou een gevolg zijn van spijt. Wie op de aarde wonen, zullen betreuren dat ze zich niet tijdig hebben bekeerd. Want wanneer Jezus verschijnt, dan is de kans om behouden te worden voorgoed verkeken. Aldus de kerkelijke visie. Uit het tekstverband blijkt dat deze zienswijze onjuist is. Johannes beschouwt het “klagen van de stammen” als een heilsfeit. Hij verlangt met heel zijn hart naar de komst van Jezus op de wolken en de respons van de stammen. Op het woord “weeklagen” laat hij volgen: “Ja, amen!”, een dubbele, krachtige bevestiging. “Zeker, zó zal het zijn!” Johannes denkt niet: “Laat de Heer nog maar een poosje wegblijven, want als Hij eenmaal komt, dan is het voor mijn volksgenoten voor eeuwig te laat”. Integendeel, hij ziet met brandend verlangen uit naar de komst van de Messias. Aan het eind van zijn boek bidt hij: “Amen, kom, Here Jezus!” (22:20). Ook in dit opzicht sluit de ziener aan bij wat Zacharia had gezegd. Diens Godsspraak begon met de woorden: “Ik zal over het huis van David en over de inwoners van Jeruzalem uitgieten de Geest der genade en der gebeden” (Zacharia 12:10).

De rouwklacht van de stammen is iets geweldigs, want de profeet eindigde: “Te dien dage zal er een bron ontsloten zijn voor het huis van David en voor de inwoners van Jeruzalem ter ontzondiging en reiniging” (Zacharia 13:1). Israëls rouwklacht wordt bewerkt door Gods Geest en ze leidt tot afwassing van zonden. Afgodendienst en valse profetie zullen uit het land verdwijnen (Zacharia 13:1-6). De stammen zullen rouw bedrijven vanwege het feit dat men een onschuldige (volgens de grondtekst de Heer zelf) heeft doorstoken. Men zal de misdaad betreuren die men heeft begaan, maar zich met zijn ganse hart bekeren. De “bron ter ontzondiging” is het bloed van Christus. Toen Hij werd doorstoken kwamen er bloed en water uit zijn zijde: “De soldaten dan kwamen en braken wel de benen van de eerste en van de andere die met Hem waren gekruisigd, maar toen zij bij Jezus kwamen en zagen dat Hij al was gestorven, braken zij zijn benen niet. Maar één van de soldaten doorstak zijn zijde met een speer en terstond kwam er bloed en water uit. En hij die het heeft gezien, getuigt het en zijn getuigenis is waar, en hij weet dat hij zegt wat waar is, opdat ook u gelooft. Want deze dingen zijn gebeurd opdat de Schrift vervuld wordt: ‘Geen been van Hem zal worden verbrijzeld’. En weer een ander Schriftwoord zegt: ‘Zij zullen zien op Hem die zij hebben doorstoken’” (Johannes 19:34-37) De Messias zal Israëls zonden wegwassen omdat Hij Israël liefheeft (1:5). Dat wegwassen vindt plaats zodra men Hem in geloof aanschouwt.

 

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

405522 bezoekers sinds 07-06-2010