Het bijbelboek Openbaring Deel 12

10-12-2013 door Aren van Waarde

LaodiciaOpenbaring 3:14-22

Boodschap voor Laodicea

“En aan de engel van de gemeente in Laodicea schrijf: Deze [dingen] zegt de Amen, de Getuige, de Trouwe en Ware, het begin van de schepping van God. Ik weet van u de werken: dat u noch koel bent noch (kokend)heet. Was u maar koel of (kokend)heet! Omdat u lauw bent en noch (kokend)heet noch koel, sta ik op het punt om u uit mijn mond te spuwen. Omdat u zegt: Ik ben rijk en rijk geworden en heb nergens behoefte aan, en u weet niet dat u de ellendige en beklagenswaardige en arme en blinde en naakte bent, raad Ik u aan om van Mij te kopen: goud dat gegloeid is uit het vuur, opdat u rijk wordt, en witte kleren, opdat u iets aanhebt en de schande van uw naaktheid niet zichtbaar wordt, en ogenzalf om uw ogen te zalven zodat u mag zien. Allen voor wie Ik genegenheid koester wijs Ik op hun fouten en voed Ik op. Kook dan van ijver en verander van gedachten! Zie, Ik heb aan de deur gestaan en Ik klop. Als iemand het geluid van Mij hoort en de deur opendoet, zal Ik bij hem binnenkomen en maaltijd met hem houden, en hij met Mij. Aan de overwinnende zal Ik geven, aan hem, om met Mij te zitten in mijn troon, zoals Ik overwin en gezeten ben met mijn Vader in Zijn troon. Wie [enkelvoud] een oor heeft, hore wat de Geest zegt tot de gemeenten.

Vers 14

En schrijf aan de engel van de gemeente in Laodicéa: Dit zegt de Amen, de trouwe en waarachtige getuige, het begin van de schepping van God. Hoewel Laodicea niet meer bestaat, zijn in de vlakte waar de stad heeft gelegen (nabij het huidige Denizli) nog wel vele overblijfselen te zien, waaronder een ruine van het theater. De zelfaanduidingen van de Afzender aan het begin van de boodschap vormen een eenheid. In het Nederlands zouden wij schrijven: “Dit zegt de Zó-zal-het-zijn, de betrouwbare en exacte weergave van hoe-het-zalwezen, het begin van de schepping van God”. Uit de woordvolgorde blijkt dat de spreker het oog heeft op Gods nieuwe schepping. Dat blijkt ook uit de manier waarop het begrip “getrouwe getuige” wordt gebruikt in hoofdstuk 1: “Genade zij u en vrede… van Jezus Christus, de trouwe getuige, de eerstgeborene uit de doden…” (1:4-5) Aan Jezus, de uit de doden opgestane Messias, kun je zien wat de eindbestemming is van alle gestorvenen. Hij is de “eerstgeborene”, de overigen zullen Hem volgen. Hij is het begin van de nieuwe mensheid (vgl. 1 Korinthe 15:22). Daarom heet hij “Mensenzoon” en “laatste Adam” (1 Korinthe 15:45). Het Griekse woord archè, dat in 3:14 is vertaald als “begin”, kan ook “oorsprong” betekenen. De verheerlijkte Messias is niet alleen de eerste nieuwe mens, maar ook de bron van het ware en blijvende leven dat heel de mensheid zal ontvangen. Dat de Opgestane zich op deze manier presenteert houdt verband met de beweringen van het beest, dat zich bij het aanbreken van de dag des HEREN als Messias laat vereren. Niet het beest is de waarachtige getuige, niet aan hem kun je zien wat eeuwig leven is, maar aan Jezus. Niet het beest moet je met verbazing achterna lopen (13:3-4), maar Hem die een dode is geweest en werkelijk levend is geworden (1:18). Niet hij die komt in zijn eigen naam moet je aannemen maar Hij die kwam in de naam van zijn Vader (Johannes 5:43) en die de eer zocht van de Schepper. Niet het beest zal in de komende eeuw op de troon zitten maar Jezus.

Vers 15

Ik weet uw werken, dat u niet koud bent en niet heet. Was u maar koud of heet! “Niet koud en niet heet” beschrijft de reactie van de gemeente op Gods openbaring. De spreker gebruikt woorden die normaliter voor spijzen en dranken worden gebruikt: heet is zestos, d.w.z. “kokend”, en koud is psuchros, d.w.z. “koel” of “fris” (vgl. Mattheüs 10:42). In Laodicéa is men van de plannen en bedoelingen van God op de hoogte, men is er mee vertrouwd. Maar men ijvert er niet voor (3:19) en men ziet niet met verlangen uit naar hun vervulling. Men is wel tevreden met het bestaan zoals dat is (3:17). Getuigen van de bedoelingen van de Schepper en de wereld die komt? Waarom zouden we? Je kunt beter niet van het woord van God gehoord hebben en dus nog helemaal “koud” zijn dan ontvanger zijn van die openbaring en er niet enthousiast over zijn. Tegen zijn discipelen heeft Jezus gezegd: “De slaaf nu, die de wil van zijn heer heeft gekend, en [zich] niet bereid en niet naar zijn wil gedaan heeft, zal met vele [slagen] worden geslagen; maar wie die niet gekend en dingen gedaan heeft die slagen waard zijn, zal met weinige worden geslagen. Ieder nu wie veel gegeven is, van hem zal veel worden geëist; en wie veel is toevertrouwd, van hem zal men des te meer vragen” (Lukas 12:47- 48)

Vers 16

Daarom, omdat u lauw bent en niet heet of koud, zal Ik u uit mijn mond spuwen. Het werkwoord “spuwen” houdt verband met de beeldspraak van lauw voedsel, maar is ook bedoeld om Joodse hoorders wakker te schudden. Hun zal het als een bekende waarschuwing in de oren klinken. In de Torah heeft God immers gezegd: “U moet al Mijn verordeningen en al Mijn bepalingen in acht nemen en ze houden, zodat het land, waar Ik u heen breng om er te wonen, u niet zal uitspuwen” (Leviticus 20:22) “Laat het land u niet uitspuwen, omdat u het verontreinigt, zoals het het heidenvolk dat er vóór u was, uitgespuwd heeft.” (Leviticus 18:28) De beeldspraak van “uitspuwen” is nog in ander opzicht veelbetekenend. In het Bijbels spraakgebruik is “wat in de mond is” of “wat de mond uitgaat” een aanduiding van “wat iemand zegt” (zie bijvoorbeeld Deuteronomium 18:18, Jesaja 45:23, 48:3, 55:11; Jeremia 1:9, 36:6; Ezechiël 3:17, 33:7). Het is alsof de Mensenzoon opmerkt: “Jullie zijn bestemd om mijn vleesgeworden woord voor de mensheid te zijn, onderwijzers van de volken, maar als jullie je niet bekeren spuw Ik je uit – dan moet Ik tegen jullie zeggen: Ga wég van Mij!” “Uit mijn mond spuwen” is de tegenpool van wat in vers 20 wordt genoemd “maaltijd houden”. Geen eenheid en harmonie met de Messias die in heerlijkheid is verschenen maar scheiding en verbanning. Niet de feestzaal in maar de buitenste duisternis.

Vers 17

Omdat u zegt: Ik ben rijk en verrijkt en heb aan niets gebrek, en u weet niet dat u de ellendige, jammerlijke, arme, blinde en naakte bent… Wat Laodicea van zichzelf zegt is van toepassing bij het aanbreken van de dag van de Heer. De (Joodse) hoorders prijzen zich gelukkig. Ze zeggen: “We zijn rijk, worden steeds rijker en komen niets tekort”. Dezelfde situatie is beschreven door de apostel Paulus in zijn brief aan de Thessalonicenzen: “… u weet zelf nauwkeurig dat [de] dag van [de] Heer komt als een dief in [de] nacht. Wanneer zij zullen zeggen: Vrede en veiligheid, dan zal een plotseling verderf over hen komen zoals de barensnood over een zwangere, en zij zullen geenszins ontkomen” (1 Thessalonicenzen 5:3) Wanneer de dag des Heren aanbreekt zullen de Joden optimistisch gestemd zijn. Hun tempel zal zijn herbouwd, de eredienst hervat. Ze genieten voorspoed en vrede, een rust die eeuwenlang ongekend is geweest. Men zal de gunstige omstandigheden niet alleen toeschrijven aan de hand van God maar ook (en vooral) aan goede menselijke leiders en de verstandige politieke keuzes die deze hebben gemaakt. De werkelijkheid is echter helemaal niet rooskleurig. Men is tevreden met het hier en nu en men verlangt niet naar iets anders. Men heeft geen oog voor het feit dat er in godsdienstig en politiek opzicht vrede en voorspoed heersen maar dat men innerlijk onveranderd is. Men beroemt zich op de eigen vaardigheden in plaats van op wat God doet en heeft gedaan. Men beseft niet dat men in groot gevaar verkeert. Jezus beoordeelt de situatie anders dan de optimisten. Hij zegt: “U weet niet dat u de ellendige, jammerlijke, arme, blinde en naakte bent”. In de meeste vertalingen is het bepaald lidwoord weggelaten, maar het staat er echt. Laodicea is niet ellendig, maar DE ellendige. Van alle zeven gemeenten is zij er het ergst aan toe. “De arme” wordt in het volgende vers verklaard: ware rijkdom heeft men niet. Daar staat ook wat er wordt bedoeld met “de blinde”: men heeft geen geestelijk inzicht, men “weet niet” in welke toestand men verkeert, men kan de dingen niet in het juiste licht zien. “De naakte” is al even duidelijk: men beschikt niet over de “witte kleren” die in het boek Openbaring herhaaldelijk worden genoemd: rechtvaardige daden. Het Griekse woord voor “de ellendige” (talaiporos) komt binnen het Nieuwe Testament verder alleen nog maar voor in de brief aan de Romeinen. Paulus schrijft: “Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit dit lichaam van de dood? God zij echter dank door Jezus Christus onze Heer!” (Romeinen 7:24-25) Een ellendig mens is ten dode gedoemd en kan zichzelf onmogelijk van dat lot verlossen. Ook het woord voor “de jammerlijke” (eleeinos) komt buiten het boek Openbaring maar éénmaal voor, in de eerste brief aan de Korinthiërs. “Als wij alleen in dit leven op Christus onze hoop gevestigd hebben, zijn wij de ellendigste (beklagenswaardigste) van alle mensen” (1 Korinthe 15:19) Wie bij het aanbreken van de dag des HEREN zijn hoop gevestigd heeft op vrede, voorspoed, vooruitgang en economische groei is beklagenswaardig. Want op die dag zal elke menselijke zekerheid wegvallen en alles waarop de mens trots is waardeloos blijken te zijn (Jesaja 2:10 22). Toekomst is er alleen via Hem die de Opstanding en het Leven is, en in de komende eeuw het eeuwige leven kan schenken.

Vers 18

…raad Ik u aan goud van Mij te kopen, gelouterd door vuur, opdat u rijk wordt; en witte kleren, opdat u bekleed wordt en de schande van uw naaktheid niet openbaar wordt; en ogenzalf om uw ogen te zalven, opdat u kunt kijken. De beeldspraak van “kopen” is ontleend aan de profeet Jesaja die in opdracht van de HEERE tegen het volk Israël moest zeggen: “Waarom weegt gij geld af voor wat geen brood is en uw vermogen voor wat niet verzadigen kan? Hoort aandachtig naar Mij, opdat gij het goede eet en uw ziel zich in overvloed verlustige. Neig uw oor en komt tot Mij; hoort, opdat uw ziel leve; Ik zal met u een eeuwig verbond sluiten: de betrouwbare genadebewijzen van David” (Jesaja 55:2-3) Jesaja sprak over voedsel dat een mens blijvend verzadigen kan, in tegenstelling tot gewoon eten. De Mensenzoon spreekt over ware rijkdom en kleding die blijvend bedekt, in tegenstelling tot aardse schatten die door mot en roest worden verteerd. De belofte van het “eeuwig verbond” en de “betrouwbare genadebewijzen van David” vinden we zowel in Jesaja 55:3 als in de boodschap voor Laodicea (3:21). Het gaat om de komst van het rijk van de Messias, de Zoon van David die blijvend op diens troon zal zitten. Tegenover handelaars gedraagt Christus zich als een koopman. Hij raadt de Laodiceërs aan om “bij Hem te kopen”. Maar uit Jesaja’s profetie blijkt dat er van betaling door de kopers geen sprake kan zijn. “O, alle dorstigen, komt tot de wateren, en gij die geen geld hebt, komt, koopt en eet; ja komt, koopt zonder geld en zonder prijs wijn en melk” (Jesaja 55:1) God geeft het ware voedsel (of de echte rijkdom) helemaal gratis, voor niets, uit genade. “Goud, gelouterd door vuur” is een bekend bijbels beeld. De apostel Petrus schreef aan Joden in de diaspora dat ze zich konden verheugen in de redding die in de laatste tijd geopenbaard zou worden, ook al werden ze voor korte tijd misschien bedroefd door allerlei verzoekingen, “opdat de beproefdheid van uw geloof, veel kostbaarder dan die van goud dat vergankelijk is en door vuur beproefd wordt, blijkt te zijn tot lof en heerlijkheid en eer bij de openbaring van Jezus Christus” (1 Petrus 1:7) Aan het eind van zijn brief schreef hij: “Geliefden, laat de vuurgloed in uw midden die tot uw beproeving dient, u niet bevreemden alsof u iets vreemds overkwam; maar naarmate u deel hebt aan het lijden van Christus, verblijdt u, opdat u zich ook verblijdt met vreugdegejuich bij de openbaring van zijn heerlijkheid. Als u in de naam van Christus smaad lijdt, bent u gelukkig…” (1 Petrus 4:12-14) Jakobus, die zich eveneens richtte tot Joden in de diaspora, gaf het volgende commentaar: Acht het enkel vreugde, mijn broeders, wanneer u in allerlei verzoekingen valt, daar u weet dat de beproefdheid van uw geloof volharding bewerkt” (Jakobus 1:2-3) Het kostbare, beproefde geloof dat Jezus aanbeveelt, is niets anders dan vertrouwen in Hem. Dat geloof is kostbaarder dan goud en maakt zijn bezitter werkelijk rijk want Hij heeft gezegd: “Wie in Mij gelooft, zal leven, ook al sterft hij; en ieder die leeft en in Mij gelooft, sterft geenszins in eeuwigheid” (Johannes 11:26) Wie in Hem gelooft kan verhongering of terechtstelling riskeren en weigeren om het beest te aanbidden. Want de Messias zal zijn trouwe slaven uit de doden opwekken en doen opstaan in onvergankelijkheid. We zijn daarmee terug bij het begin van de Godsspraak. Het zal zo zijn, de Mensenzoon is de betrouwbare Getuige die waarheid spreekt, Begin en Oorsprong van de nieuwe schepping. “Witte kleren” worden in het boek Openbaring op meerdere plaatsen vermeld. De eerste passage is veelbetekenend: “Maar u hebt enkele namen in Sardis die hun kleren niet bevlekt hebben, en zij zullen met Mij wandelen in witte kleren, omdat zij het waard zijn. Wie overwint, die zal bekleed worden met witte kleren…” (3:4-5) Hier blijkt dat de witte kleren een symbool zijn van overwinning en nodig zijn om de Messias te kunnen vergezellen. In een later visioen blijkt dit eveneens, want daar hoort Johannes: “Laten wij blij zijn en ons verheugen en Hem [d.i. God] de heerlijkheid geven, want de bruiloft van het Lam is gekomen en zijn vrouw heeft zich gereedgemaakt; en haar is gegeven bekleed te zijn met blinkend, rein, fijn linnen” (19:7)

De oudsten in de hemelse raadsvergadering, die voortdurend in de nabijheid van Gods troon verkeren, en de ruiters van de hemelse legermacht dragen zulke kleren (4:4, 19:14). Aan martelaars die worden gedood vanwege “het woord van God en het getuigenis dat zij hadden”, d.w.z. vanwege hun vertrouwen in de Openbaring, zal post mortem “een lang wit kleed” worden gegeven (6:9-11). Overwinnaars “die uit de grote verdrukking komen” (7:14) vormen uiteindelijk een “grote menigte die niemand kan tellen”, “bekleed met lange witte kleren” (7:9,13). Over die “witte kleren” worden in het laatste Bijbelboek belangrijke dingen opgemerkt.

1. Het gewaad van de overwinnaars was aanvankelijk vuil. “Zij hebben hun lange kleren gewassen en ze wit gemaakt in het bloed van het Lam” (7:14). Alleen wie zijn kleren heeft gereinigd, kan het nieuwe Jeruzalem binnengaan en eten van de boom des levens (22:14).

2. Het “blinkend, rein, fijn linnen” van het gewaad bestaat uit “de gerechtigheden [d.w.z. de rechtvaardige daden] van de heiligen” (19:8).

3. Wie niet over een wit gewaad beschikt is “naakt”, ook al beseft hij dat niet (3:17). Wanneer de dag des HEREN, de grote dag van de Almachtige, aanbreekt zal die naaktheid op beschamende wijze zichtbaar worden (3:18, 16:15)

Terwijl “goud” de kostbaarheid en onvergankelijkheid uitdrukt van de band met Christus en van het eeuwige leven dat Hij geeft, beelden “witte kleren” de zondeloosheid van dat bestaan uit. Eigen werken van een zondig mens zijn niet meer dan vodden (Jesaja 64:6). Wanneer ze op de proef worden gesteld, blijken ze niets waard te zijn en de menselijke naaktheid niet te kunnen bedekken. Wie beseft dat zijn werken tekortschieten zal “zijn kleren wassen in het bloed van Lam”, d.w.z. gaan vertrouwen op de gekruisigde en opgestane Messias die zijn eigen leven (ziel, of bloed) in de zijnen legt en door hen wil werken. Zo iemand ziet er naar uit om voor Christus te leven en bij Christus’ komst met witte kleren te worden bekleed, d.w.z. met volmaakte heiligheid en zondeloosheid. Over “ogenzalf” (Gr. kollourion) wordt alleen gesproken in Openbaring 3:18. Maar in de Bijbel wordt op vele plaatsen gezegd dat God of de Messias de ogen van blinden opent (Psalm 146:8, Jesaja 29:18, Mattheüs 11:4-6, 20:31-34; Lukas 4:18-20, 7:22-23). Zo is het ook hier: Alleen Hij kan blinden ziende maken. Wie van Hem “ogenzalf koopt”, begint zijn eigen situatie te beoordelen zoals God die beoordeelt, en gaat met geestelijk inzicht naar de dingen kijken.

Vers 19

Allen die Ik liefheb, bestraf en tuchtig Ik; wees dan ijverig en bekeer u. Voor “liefheb” staat in het Grieks het werkwoord phileoo. Het is een ontroerende uitspraak. Terwijl de Laodiceërs niet warmlopen voor Gods komend rijk, zegt het vleesgeworden Woord tegen hen: “Ik koester diepe genegenheid voor jullie”. De Amerikaanse geleerde James Strong (opsteller van een bekende concordantie) merkt op dat de werkwoorden agapaoo en phileoo qua betekenis niet tegenover elkaar staan, maar bijeenhoren. Phileoo is het koesteren van affectie voor een persoon, terwijl agapaoo aangeeft dat men de ander goed wil doen en geen kwaad. Phileoo is een zaak van het hart, agapaoo van het hoofd. Het is alsof de opgestane Here opmerkt: Schrik niet van Mijn uitspraken, Ik doe ze omdat Ik van jullie houd. “Allen die Ik liefheb, wijs Ik op hun fouten (Gr. elengchoo) en voed Ik op (Gr. paideuoo)”. Zo spreekt een ouder tegen zijn kinderen, of een meerderjarige tegen jongere broers of zussen. Het woord dat met “ijverig” is vertaald kan ook als “kokend” of “heet” worden weergegeven. Er is verband met de verzuchting dat Laodicéa “niet koud is of heet” (3:15). De Mensenzoon verlangt dat men “heet” wordt. Bekeren is niet “zich omdraaien” maar “van gedachten veranderen” (Gr. metanoeoo). Jullie lopen niet warm voor Gods woord, met name de proclamatie dat Zijn rijk komt? Ga er anders over denken! Word er laaiend enthousiast voor. Besef wat die komst zal brengen. Jullie zien niet uit naar Mijn verschijning? Ik zie wel naar júllie uit!

Vers 20

Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop; als iemand mijn stem hoort en de deur opent, zal Ik bij hem binnenkomen en de maaltijd met hem houden en hij met Mij. Bijna alle uitleggers (ook de kanttekenaren van de Statenvertaling) verbinden Openbaring 3:20 met Hooglied 5:2. In dat gedicht klopt de bruidegom aan bij zijn geliefde, maar die is slaperig en niet onmiddellijk bereid om open te doen. Wanneer ze de deur uiteindelijk opent, is haar vriend verdwenen – ze zoekt hem overal maar vindt hem niet. Het is merkwaardig dat Salomo’s Hooglied met Openbaring wordt verbonden want de situatie in beide Bijbelgedeelten is verschillend. In het Hooglied klopt de bruidegom aan bij zijn geliefde en loopt teleurgesteld weg wanneer zij de deur niet dadelijk voor hem opent. In de Openbaring richt de Messias zich tot zijn slaven (1:1). Hij klopt aan bij zijn eigen huis en spreekt als Eigenaar met gezag. Wanneer de slaven waakzaam blijken en opendoen wanneer ze zijn klop horen dan worden ze voor hun trouwe zorg beloond (3:20). Maar wanneer ze laks blijken, lauw en onverschillig in het bestieren van zijn huis, dan spuwt Hij die ontrouwe dienaren uit. Hij wijst ze de deur. Ze worden zijn huis (of landgoed) uitgegooid (3:16). Het werkwoord “kloppen” komt in het Nieuwe Testament op negen plaatsen voor. Op slechts één plaats buiten het boek Openbaring is het de Messias die klopt. In het Lukasevangelie lezen we: “Laten uw lendenen omgord en uw lampen brandend zijn, en weest u gelijk aan mensen die op hun heer wachten, wanneer hij terugkomt van de bruiloft, om als hij komt en klopt, hem terstond open te doen. Gelukkig die slaven die de heer, als hij komt, wakend zal vinden. Voorwaar, Ik zeg u, dat hij zich zal omgorden, hen zal doen aanliggen en zal naderkomen om hen te dienen” (Lukas 12:35-37) Lukas en de ziener Johannes beschrijven dezelfde situatie. De heer des huizes staat aan de deur en klopt. Trouwe slaven hebben op die klop gewacht en doen “terstond” open. Wanneer ze waakzaam blijken, zal de heer hen met respect en voorkomendheid behandelen. Hij zal de rollen omdraaien, voor zijn dienaren een feestmaal aanrichten, en hen bedienen. De heer wordt de slaaf van zijn knechten! Hij “houdt maaltijd met hen”. Maar slaven kunnen ook nalatig zijn. In de gelijkenis die Jezus aan zijn discipelen vertelde wordt daarover gezegd: “Als die slaaf echter in zijn hart zegt: Mijn heer wacht met komen, en de knechten en de dienstmeisjes begint te slaan, en te eten en te drinken en dronken te worden, dan zal de heer van die slaaf komen op een dag dat hij het niet verwacht en op een uur dat hij niet weet, en zal hem in tweeën hakken en zijn lot bij dat van de ontrouwen stellen” (Lukas 12:45-46) En in de toespraak tot Laodicea: “Omdat u lauw bent en niet heet of koud, zal Ik u uit mijn mond spuwen” (3:16) In beide gevallen gaat het om gemis aan verantwoordelijkheidsgevoel voor de bezittingen van de heer. “Zie, Ik sta aan de deur” geeft aan de oproep om ijverig te zijn en zich te bekeren een bijzonder urgente klank. “Zie, Ik sta aan de deur” (3:21) is een parallel van “Zie, Ik werp” (2:22), “De tijd is nabij!” (1:3,22:10), “Ik kom spoedig” (2:16, 3:11, 22:7,12,20). Het is een beschrijving van “wat spoedig moet gebeuren” (1:1,22:6). Jakobus, de broer van de Here Jezus, zei: “De komst van de Heer is nabij… Zie, de Rechter staat voor de deur!” (Jakobus 5:8,9).

Vers 21

Wie overwint, hem zal Ik geven met Mij te zitten op mijn troon, zoals ook Ik overwonnen en Mij gezet heb met mijn Vader op zijn troon. Uitleggers wijzen op het feit, dat de ellendigste en jammerlijkste gemeente de rijkste belofte krijgt. Maar ze gaan voorbij aan de vergelijking die de Mensenzoon maakt. De bijzin “zoals ook Ik overwonnen en Mij gezet heb met mijn Vader op zijn troon” is van grote betekenis. Want Christus heeft overwonnen door het woord van God trouw te blijven, ook toen Hij werd bedreigd met de allersmadelijkste vorm van executie: kruisiging. Hij overwon door te sterven, waarna Hij werd opgewekt, het graf leeg achterliet en werd opgenomen in de hemel. Zó is Hij gaan zitten aan de rechterhand van zijn Vader. Uit de vergelijking die de Spreker maakt blijkt dat bekering, niet langer lauw maar “heet” zijn, voor Laodicea vervolging met zich mee zal brengen. In feite blijkt dat ook uit de belofte die de Mensenzoon geeft. Want in het twintigste hoofdstuk van de Openbaring lezen we: “[Ik zag] de zielen van hen die om het getuigenis van Jezus en om het woord van God onthoofd waren, en die het beest of zijn beeld niet hadden aangebeden en niet het merkteken aan hun voorhoofd en aan hun hand ontvangen hadden; zij werden levend en regeerden met Christus duizend jaren” (20:4) “Gelukkig en heilig is hij die aan de eerste opstanding deel heeft… zij zullen priesters van God en van Christus zijn en met Hem duizend jaren regeren” (20:6) De apostel Paulus schreef aan de gemeente van Korinthe: “Maar dit zeg ik broeders, dat vlees en bloed Gods koninkrijk niet kunnen beërven, en de vergankelijkheid beërft de onvergankelijkheid niet” (1 Korinthe 15:50) Om met Christus op diens troon te kunnen zitten en in zijn koningschap te kunnen delen, moet men zijn opgewekt in onvergankelijkheid. De gemeente van Laodicea staat op een keerpunt. Wanneer ze aardse zekerheid, rijkdom en vrede blijft nastreven zal ze bezwijken voor de verleiding van het beest. Maar wanneer ze enthousiast wordt voor Gods openbaring en die trouw wil blijven, raakt ze in het hier en nu misschien alles kwijt maar wordt ze bij de komst van de Messias levendgemaakt om met Hem te gaan regeren.

Vers 22

Wie een oor heeft, laat hij horen wat de Geest tot de gemeenten zegt.Wat de Geest tot de gemeenten zegt” is, zo blijkt in deze boodschap: “Verlies het onderscheid tussen tijdelijke, aardse en blijvende, echte rijkdom niet uit het oog. Span je in om die laatste rijkdom te mogen verwerven. Blijf uitzien naar het rijk dat komt. Dan zul je straks in de koninklijke majesteit van de Messias mogen delen”.

Epiloog

Het eind van hoofdstuk 3 markeert tevens het eind van Johannes’ eerste visioen. waarvan de beschrijving in Openbaring 1:9 was begonnen. De Mensenzoon verscheen aan de ziener op het eiland Patmos. Het eerste visioen speelde zich daarom af op aarde. Het tweede visioen (4:1-6:17) verplaatst ons naar de hemel.

 

1 comment on “Het bijbelboek Openbaring Deel 12”


  1. henk says:

    Openbaring is het woord van Liefde. De Geest leert en leidt. Terug naar het oerbegin waar de mens goddelijk is. Onze Vader verwekt Zonen.
    Begrijpen is de woorden van God geestelijk opeten. Bedenk de Dingen die Boven(geestelijk) zijn vermeng ze niet met de aarde (vleselijk)

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

383937 bezoekers sinds 07-06-2010