Het Bijbelboek Openbaring Deel 11

11-12-2013 door Aren van Waarde

filadelfiaOpenbaring 3:7-13

Boodschap voor Filadelfia

“En aan de engel van de gemeente in Filadelfia schrijf: Deze [dingen] zegt de Heilige, de Echte, de Bezitter van de sleutel van David, de Opener en niemand zal sluiten, en de Sluiter en niemand zal openen. Ik weet van u de werken. Zie, Ik heb gegeven voor uw aangezicht een geopende deur die niemand kan sluiten,want u hebt kleine kracht, maar u bewaart van Mij het woord en u verloochent niet de naam van Mij. Zie, Ik geef uit de synagoge van satan, van hen die zeggen dat ze Joden zijn en zijn het niet, maar liegen: Zie, Ik zal maken dat ze zullen komen en zich neerbuigen voor uw voeten, en zullen weten dat Ik u liefheb. Omdat u bewaart het woord van de volharding van Mij, zal Ik u bewaren uit het uur van de verzoeking dat op het punt staat te komen over heel de bewoonde wereld om te beproeven de bewoners van de aarde. Ik kom snel, houd wat u hebt, opdat niemand uw krans ontvangt. De overwinnende zal ik maken tot een zuil in de tempel van mijn God, en hij zal er zeker niet meer uitgaan, en Ik zal schrijven op hem de naam van mijn God en de naam van de stad van mijn God, het nieuwe Jeruzalem dat uit de hemel neerdaalt van mijn God, en mijn nieuwe naam. Wie [enkelvoud] een oor heeft, hore wat de Geest zegt tot de gemeenten.

Vers 7

En schrijf aan de engel van de gemeente in Filadelfia: Dit zegt de Heilige, de Waarachtige, die de sleutel van David heeft, die opent en niemand zal sluiten, en die sluit en niemand opent. FIladelfia bestaat nog steeds in de vorm van de moderne plaats Alashehir. Van het antieke Filadelfia is echter weinig overgebleven. De Zender van de boodschap geeft niet drie aparte omschrijvingen van zijn persoon, maar slechts één. In het Nederlands zouden wij schrijven: “Dit zegt de échte Heilige, die de sleutel van David heeft…” Met deze bewoordingen knoopt Hij aan bij een voorzegging van Jesaja aangaande Eljakim, de zoon van Hilkia, die de ontrouwe Sebna zou vervangen als “hofmaarschalk” of “huismeester” van het koninklijk paleis. Over deze Eljakim staat in de rol van Jesaja geschreven: “Hij zal als een vader zijn voor de inwoners van Jeruzalem en voor het huis van Juda. En Ik zal de sleutel van het huis van David op zijn schouder leggen; als hij opendoet, zal niemand sluiten; als hij sluit, zal niemand opendoen. Ik zal hem als een pin vastslaan in een stevige plaats, zodat hij een erezetel zal zijn voor het huis van zijn vader” (Jesaja 22:21-22). De naam Eljakim betekent “de door God bevestigde”, zodat de belofte “Ik zal hem als een pin vastslaan” een zinspeling is op de naam van deze trouwe knecht. Zijn voorganger, Sebna, komt er in de profetie slecht van af, hij krijgt te horen: “Zie, de HEERE werpt u weg met de werpkracht van een man, en rolt u op als een rol. Hij zal u helemaal ineenrollen tot een kluwen, als een bal naar een wijd uitgestrekt land werpen. Daar zult u sterven en daar zullen uw praalwagens zijn, u, schandvlek van het huis van uw heer! Ik zal u wegstoten uit uw ambt” (Jesaja 22:17-19) De profetie van Jesaja is vervuld tijdens de belegering van Jeruzalem door Sanherib. Eljakim en Sebna waren hofmaarschalken van Hizkia’s paleis. Vanwege de aanhaling in Openbaring 3:7 zal de profetie in de toekomst echter nogmaals worden vervuld. Sebna is een type van de Antichrist, het in het boek Openbaring genoemde “beest”, terwijl Eljakim een type is van de ware Messias, de Zoon des mensen. Gedurende korte tijd zal het beest in Jeruzalem de lakens uitdelen en met messiaanse pretenties optreden. Maar deze schandvlek op het wereldbestuur zal plotseling worden weggestoten en worden vervangen door de échte Messias, de blijvende en definitieve, wiens opzicht over Juda en Jeruzalem door God wordt bevestigd, en wiens woord met absoluut gezag zal zijn bekleed.

Vers 8

Ik weet uw werken, zie, Ik heb een geopende deur voor u gegeven, die niemand kan sluiten; want u hebt kleine kracht en u hebt mijn woord bewaard en mijn naam niet verloochend. Op meerdere plaatsen in het Nieuwe Testament lezen we dat God voor iemand een deur opent, of aan iemand een geopende deur geeft. Toen de Sadduceeën de apostelen in hechtenis hadden genomen “opende een engel van de Heer ‘s nachts de deuren van de gevangenis, leidde hen naar buiten en zei: Gaat in de tempel staan” (Handelingen 5:17-20). Toen koning Herodes Petrus in de gevangenis had gezet, werd hij door een engel naar buiten gevoerd, en de “ijzeren poort die naar de stad leidde… ging vanzelf voor hen open” (Handelingen 12:6-10). Toen Paulus van een zendingsreis terugkeerde, vertelde hij de gemeente in Antiochië dat God “voor de heidenen de deur van het geloof geopend had” (Handelingen 14:27). Toen Paulus en Silas in de gevangenis Gods lof zongen, “ontstond er plotseling een grote aardbeving… en onmiddellijk gingen alle deuren open en van allen gingen de boeien los” (Handelingen 16:25-26). In Efeze werd Paulus door vele tegenstanders bedreigd, maar “er was voor hem een grote en krachtige deur geopend” (1 Korinthe 16:9). In Troas trachtte de satan de apostel het spreken te beletten door hem in diskrediet te brengen, maar er werd “een deur voor hem geopend in de Heere” en God deed hem “in Christus triomferen” (2 Korinthe 2:10-12). In zijn brief aan de Kolossenzen vroeg Paulus om voorbede. De gemeente moest vragen of God voor hem en zijn medewerkers “de deur van het woord wilde openen” (Kolossenzen 4:3). Er staat niet “een deur voor het woord” maar “de deur van het woord”. Uit het volgende vers blijkt dat dit betekent dat Paulus helderheid van geest mocht ontvangen zodat hij kon spreken. De deur van het woord is de mond. Mentale belemmeringen kunnen iemand doen zwijgen, maar als God de deur van het woord opent, kan een mens het geheim van het evangelie uiteenzetten zoals het betaamt. De grondgedachte van de geopende deur is ontsnapping uit een beklemmende situatie. Zelfs in Handelingen 14:27 is dat het geval: voor heidenen die in duisternis, geestelijke slavernij en onwetendheid verkeren wordt de deur van het geloof geopend zodat ze de levende God leren kennen (vgl. Jesaja 49:9). De strik van de tegenstander wordt verbroken; de gelovigen ontkomen en behalen de overwinning. In Openbaring 3:8 is de betekenis dezelfde. Door eigen kracht kan de gemeente onmogelijk standhouden en het Messiaanse rijk binnengaan, want haar kracht is klein. Maar de Messias heeft een geopende deur gegeven. Over die deur had hij op de Olijfberg gezegd: “Waakt echter, terwijl u te allen tijde bidt dat u in staat zult zijn te ontkomen aan dit alles wat staat te gebeuren, en te bestaan voor de Zoon des mensen” (Lukas 21:36) Wie een geopende deur is gegeven, is in staat om te ontkomen aan de gevaren van de eindtijd. De geopende deur wordt in het vervolg van de boodschap verklaard. Christus zal de gemeente “bewaren uit het uur van de beproeving dat over de hele bewoonde wereld zal komen om alle aardbewoners op de proef te stellen” (3:10). De toevoeging dat “niemand die deur kan sluiten” is troostrijk. Al zijn het beest en zijn handlangers oppermachtig en al lijken hun beweringen onweerlegbaar, zij kunnen niet verhinderen dat de gelovigen uit Filadelfia het koninkrijk van God binnengaan. Zó krachtig zal de dwaling zijn dat indien dit mogelijk was ook Gods uitverkorenen zouden worden misleid – maar vanwege Gods kracht is dat niet mogelijk! (Mattheüs 24:22,24, Markus 13:20,22). “Mijn woord bewaard” kan betekenen: de Openbaring bewaard die de Messias via een engel aan zijn slaven heeft gezonden om hun te tonen wat spoedig moet gebeuren (1:1), de profetie van die boekrol als een kostbare schat vastgehouden (1:3, 22:7, 22:9). Gezien het vervolg van de boodschap ligt deze interpretatie voor de hand. Bovendien kan het betekenen dat de (joodse) hoorders uit Filadelfia de “geboden van God” hebben vastgehouden, d.w.z. hebben vastgehouden aan de voorschriften van de Torah (12:17, 14:12). En dat ze hebben vastgehouden aan het onderwijs van Jezus dat is vastgelegd in de evangeliën (vgl. Johannes 17:6). Daarover heeft Hij gezegd: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: als iemand mijn woord bewaart, zal hij [de] dood geenszins aanschouwen tot in eeuwigheid [Gr.: in de eeuw]” (Johannes 8:51) “Mijn naam niet verloochend” duidt op een periode van vervolging waarin de gemeente trouw is gebleven. We vinden dezelfde uitdrukking in Openbaring 2:13 waar de Mensenzoon tegen de gelovigen in Pergamum zegt: “Ik weet waar u woont, daar waar de troon van de satan is; en u houdt vast aan mijn naam en het geloof in Mij hebt u niet verloochend, in de dagen waarin Antipas mijn trouwe getuige was, die gedood werd bij u waar de satan woont”. Uit het vervolg van de boodschap blijkt, dat er ook in Filadelfia tegenstanders zijn: een “synagoge van de satan” (3:9), die de Messiaanse gemeenschap belastert (2:9) en het haar moeilijk maakt.

Vers 9

Zie, Ik geef [enigen] uit de synagoge van de satan, die zeggen dat zij Joden zijn en het niet zijn, maar liegen; zie, Ik zal maken dat zij komen en zich neerbuigen voor uw voeten en erkennen dat Ik u heb liefgehad. De belofte die de Mensenzoon uitspreekt, is een BIjbelwoord dat als een herhaald refrein terugkeert in de profetie van Jesaja. “(De Egyptenaren, de Cusjieten en de Sabeeërs…) zullen u navolgen, in boeien zullen zij overkomen, en voor u zullen zij zich buigen, zij zullen u smeken en zeggen: Voorzeker, God is bij u, en niemand anders; er is geen andere God” (Jesaja 45:14) “Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zal Mijn hand opheffen naar de heidenvolken, naar de volken zal Ik Mijn banier omhoogsteken. Dan zullen zij uw zonen brengen in de armen, en uw dochters zullen gedragen worden op de schouder. En koningen zullen uw verzorgers zijn, en hun vorstinnen uw voedsters. zij zullen zich voor u neerbuigen met het gezicht ter aarde en zij zullen het stof van uw voeten likken” (Jesaja 49:22-23) “Ook zullen, zich buigend, naar u toe komen de kinderen van hen die u onderdrukt hebben, en allen die u verworpen hebben, zullen zich neerbuigen, aan uw voetzolen, en zij zullen u noemen: Stad van de HEERE, het Sion van de Heilige van Israël” (Jesaja 60:14) “Hoor het woord van de HEERE, u die beeft voor ZIjn woord: Uw broeders die u haten, die u verstoten vanwege Mijn Naam, zeggen: Laat de HEERE verheerlijkt worden! Maar Hij zal verschijnen tot uw blijdschap, zij daarentegen zullen beschaamd worden” (Jesaja 66:5) “Zie, Ik doe de vrede naar haar [d.i. Jeruzalem] toestromen als een rivier, en de luister van de heidenvolken, als een wegspoelende beek… dan zal de hand van de HEERE gekend worden door Zijn dienaren, maar op Zijn vijanden zal Hij toornig zijn” (Jesaja 66:12,14) De grondgedachte in deze profetieën is, dat niet-Joden, behorend tot de heidenvolken, en Joden die afvallig waren geworden zich voor trouwe Israëlieten zullen neerbuigen wanneer de HERE zich over Israël heeft ontfermd en Zijn heerlijkheid naar Jeruzalem is teruggekeerd. Wie Israël vroeger vervolgden zullen Israëls onderdanen en sympathisanten worden! In Filadelfia zijn er niet-Joden die beweren Joden te zijn of de plaats van Israël te hebben ingenomen. Ook vandaag zijn er zulke mensen: islamieten die zich beschouwen als het ware nageslacht van Abraham, en christenen die zichzelf bestempelen als het ware, geestelijke Israël. De Mensenzoon geeft een kernachtige omschrijving van de denkbeelden van deze godsdienstige stromingen: “Zij zeggen dat zij Joden zijn, en zijn het niet”. Groeperingen die zich beschouwen als het ware Israël hebben het Joodse volk de eeuwen door belasterd, tegengewerkt, vervolgd en het leven zuur gemaakt. Wanneer de Mensenzoon verschijnt, komt daaraan een definitief einde. Dan zullen de voormalige vervolgers erkennen dat God Israël heeft liefgehad. Ze zullen zich aan het Joodse volk onderwerpen, en voortaan naar Jeruzalem optrekken om Israëls God te vereren (Zacharia 14:16 e.v., Jesaja 2:1-5, Micha 4:1-3).

Vers 10

Omdat u het woord van mijn volharding hebt bewaard, zal Ik ook u bewaren voor het uur van de verzoeking, dat over het hele aardrijk zal komen, om te verzoeken hen die op de aarde wonen. Het woord volharding (Gr. hupomonè) betekent “eronder blijven”, de schouders zetten onder tegenstand en moeilijkheden, en zware omstandigheden blijmoedig dragen. In het boek Openbaring was deze deugd al eerder genoemd. De ziener Johannes was de broeder van de lezers en hun “mededeelgenoot in de verdrukking en het koninkrijk en de volharding in Jezus” (1:9). De “slaven” van de Messias in de stad Eféze bezaten volharding. Ze hadden verdragen ter wille van Zijn naam en waren niet moe geworden (2:2,3). Ook in Thyatira was er sprake van volharding; men was daarin gegroeid want de laatste werken waren meer dan de eerste (2:19). In Filadelfia heeft “volharding” betrekking op het verdragen van de smaad en laster van de “synagoge van de satan” (3:9). In de tijd van het einde zal de “synagoge van de satan” de spot drijven met het geloof in Jezus: “Heeft die Jezus van jullie soms vrede gebracht? Hij werd gedood, en op zijn kruisiging volgden duizenden jaren van bloedige conflicten. Hij kan onmogelijk de messias zijn geweest”, zegt de synagoge van de tegenstander. “Waarom aanvaarden jullie onze leider niet als de messias? Die heeft werkelijk vrede gebracht, kijk maar om je heen. Wij dienen en vereren hém”. Ondanks zulke aantijgingen, die met economische repressie gepaard zullen gaan (vgl. Openbaring 2:9), heeft de gemeente in Filadelfia “het woord van Christus’ volharding” bewaard. Over zulke volharding schreef Petrus: “… Dát is genade, als iemand droeve dingen verdraagt ter wille van het geweten voor God, terwijl hij onrechtvaardig lijdt… als u volhardt terwijl u goed doet en lijdt, dát is genade bij God. Want hiertoe bent u geroepen, omdat ook Christus voor u geleden en u een voorbeeld nagelaten heeft, opdat u zijn voetstappen navolgt. Hij, die geen zonde heeft gedaan en geen bedrog werd in zijn mond gevonden, die als Hij uitgescholden werd, niet terugschold, als Hij leed, niet dreigde, maar zich overgaf aan Hem die rechtvaardig oordeelt” (1 Petrus 2:19- 23) De hoorders in Filadelfia hebben vastgehouden aan het woord van Christus, dat “een slaaf niet meer is dan zijn heer”. Ze hebben tegenstand blijmoedig verdragen, geen kwaad met kwaad vergolden maar hun situatie overgegeven aan God. Vanwege hun trouw krijgen ze een machtige belofte: de Messias zal hen bewaren uit “het uur van de beproeving (Gr. peirasmos), dat over de hele bewoonde wereld (Gr. oikoumenè) zal komen, om op de proef te stellen (Gr. peirazoo) hen die op de aarde (of: op het land) wonen”. De apostel Paulus geeft van dit “uur” de volgende beschrijving: “[De dag van de Heer komt niet] als niet eerst de afval gekomen is en de mens van de zonde geopenbaard is, de zoon van het verderf, die zich verzet en zich verheft tegen al wat God heet of een voorwerp van verering is, zodat hij in de tempel van God gaat zitten en zichzelf vertoont dat hij god is… hem, wiens komst naar [de] werking van de satan is met allerlei kracht en tekenen en wonderen van [de] leugen, en met allerlei bedrog van [de] ongerechtigheid voor hen die verloren gaan, omdat zij de liefde tot de waarheid niet hebben aangenomen om behouden te worden. En daarom zendt God hun een werking van [de] dwaling om de leugen te geloven, opdat allen geoordeeld worden die de waarheid niet hebben geloofd, maar een welgevallen hebben gehad in de ongerechtigheid” (2 Thessalonicenzen 2:3-4,9-12). Israëls leiders hebben de prediking van het nabije koninkrijk door Jezus en zijn voorloper, Johannes de Doper, afgewezen. Ondanks het feit dat de profetieën over de “roepende in de woestijn” en de komst van Elia in het optreden van de Doper werden vervuld, wilden ze naar hem niet luisteren. Hoewel de “krachten van de komende eeuw” zich manifesteerden in het optreden van Jezus (Hebreeën 6:5) – blinden konden weer zien, kreupelen liepen, melaatsen werden gereinigd, doven hoorden, doden werden opgewekt, en aan armen werd het goede nieuws verkondigd (Lukas 7:22) – namen ze aanstoot aan Hem, haatten Hem en brachten Hem ter dood. Ze “hebben de liefde tot de waarheid niet aangenomen om behouden te worden”. Hetzelfde kan worden gezegd van de volken en hun leiders. Hoewel ze de waarheid aangaande de éne God en zijn Zoon hebben gehoord, hebben ze hun vertrouwen niet gevestigd op Zijn rijk van vrede dat komt. Daarom “zendt God hun een werking van de dwaling om de leugen te geloven”. Hij zond die al in de oudheid tot Israël, toen vele valse messiassen optraden, maar Hij zal die nog eens zenden wanneer de dag des Heren aanbreekt, en ditmaal tot de ganse aarde. De valse messias bij uitstek zal dan op het toneel verschijnen. Hij zal “allerlei kracht en tekenen en wonderen” doen maar het zijn “wonderen van de leugen” want ze roepen op tot afval van de levende God. Zo zal de mensheid op de proef worden gesteld. Heeft men liefde tot de waarheid, of behagen in de ongerechtigheid? Vele Israëlieten zullen zich niet laten meeslepen. Hun ogen zullen opengaan wanneer de valse messias zijn beeld in de tempel laat plaatsen om zich als god te laten vereren. Vele inwoners van de stad en het gewest Judéa zullen dan vluchten naar de woestijn (Mattheüs 24:15-22, Openbaring 12:6). De vervulling van Jezus’ belofte is door Johannes beschreven in Openbaring 12:6 en 14. De Messias zal zijn trouwe slaven bewaren voor (Gr. ek, d.w.z. “uit”) het uur van de verzoeking doordat Hij voor hen “een plaats heeft in de woestijn, door God bereid” waar ze “twaalfhonderdzestig dagen worden gevoed”, “een tijd en tijden en een halve tijd”, “buiten het gezicht van de slang”. Vanuit Judea zal men naar die plaats vluchten zodra men het beeld van het beest in de tempel ziet staan (Mattheüs 24:15 e.v.). Pelgrims uit Filadelfia kunnen tot die vluchtelingen behoren. Misschien worden inwoners van Filadelfia ook op andere wijze naar de plek in de woestijn gebracht. Gedragen door de “twee vleugels van de grote arend” die in Openbaring 12:14 worden genoemd, en die in het licht van Exodus 19:4 moeten worden beschouwd als aanduiding van een Goddelijk ingrijpen. Omdat de plek in de woestijn “buiten het gezicht van de slang” ligt, worden wie zich daar bevinden “uit het uur van de verzoeking gehouden” (zoals Openbaring 3:10 letterlijk luidt). Ze zijn veilig voor het woeden van de draak en zijn handlanger: het beest uit de zee en het beest uit het land.

Vers 11

Ik kom spoedig, houd wat u hebt, opdat niemand uw kroon neemt. “Ik kom spoedig” is in het laatste Bijbelboek een telkens terugkerend refrein. Vijf keer horen we “Ik kom spoedig” (2:16, 3:11, 22:7, 22:12, 22:20). Twee keer staat er: “Ik kom” (2:5, 2:25). Eén keer “Als u dan niet waakt, zal Ik komen als een dief” (3:3). En één keer: “Zie, Ik sta aan de deur” (3:20). Twee maal horen we: “De tijd is nabij!” (1:3, 22:10). Wat in de Openbaring wordt beschreven “moet spoedig gebeuren” (1:1), “met haast” (22:6). Voor Gods “slaven” (1:1) die leven op “s’ Heren dag” (1:10) is de komst van de Messias zeer nabij. Wie ziet dat de “mens der wetteloosheid” zich in Jeruzalem als god laat vereren, mag weten dat de wederkomst binnen enkele jaren zal plaatsvinden. Wat de gemeente heeft en moet houden (letterlijk: “vasthouden”, Gr. krateoo) is “Mijn woord”, d.w.z. het woord van Christus, de inhoud van het boek Openbaring, en “Mijn naam” (vgl. 3:8). Ze moet zich niet laten afbrengen van de belijdenis dat Jezus de ware Messias is die uit de hemel zal neerdalen zoals Hij eens ten hemel is gevaren. Ze moet beseffen dat de persoon die zich in Judea laat vereren een Sebna is, een schandvlek van het huis van zijn heer, en spoedig door een Eljakim zal worden vervangen. Een trouwe slaaf die afvallig wordt kan de prijs mislopen. En een slechte slaaf die zich bekeert kan de kroon ontvangen die voor zo’n (aanvankelijk) trouwe slaaf bestemd leek. “Blijf trouw” zegt de Mensenzoon, “zodat je kroon niet op andermans hoofd terecht komt. Laat je niet misleiden, maar houdt vast aan Mijn woord, zodat je de gebeurtenissen in het juiste licht kunt blijven beschouwen. Blijf alles verwachten van Mij”.

Vers 12

Wie overwint, die zal Ik maken tot een pilaar in de tempel van mijn God en hij zal geenszins meer daaruit weggaan; en Ik zal op hem schrijven de naam van mijn God en de naam van de stad van mijn God, het nieuwe Jeruzalem dat uit de hemel neerdaalt van mijn God, en mijn nieuwe naam. Over het beeld van de pilaar hebben uitleggers zich het hoofd gebroken. Waarom wordt de gelovige die overwint door trouw te blijven met een “zuil” of een “pilaar” (Gr. stylos) vergeleken? Allerlei oplossingen zijn aangedragen – maar het juiste antwoord staat in de tekst. De kern van de belofte is dat zo iemand de tempel nooit meer zal verlaten. “Geenszins meer” is in de oorspronkelijke taal een dubbele ontkenning (ou mè), wij zouden zeggen “beslist niet”. Waar koning David naar verlangde wordt de overwinnaar beloofd. De koning dichtte: “Eén ding heb ik van de HEERE verlangd, dát zal Ik zoeken: dat Ik wonen mag in het huis van de HEERE, al de dagen van mijn leven, om de lieflijkheid van de HEERE te aanschouwen en te onderzoeken in Zijn tempel” (Psalm 27:4) De beloften van het “nooit meer weggaan uit de tempel” en het “schrijven van de namen” hebben diepe betekenis. Nadat de tempel zal zijn herbouwd zullen vrome Joden de gewoonte hebben om meerdere malen per jaar naar Jeruzalem te reizen, op de “hoogtijden” of “feesten” van de HEERE. Wanneer de dag des Heren aanbreekt, zullen ze dat plotseling niet meer kunnen doen. Dan blijkt er in 97 de tempel een “gruwel van verwoesting” te staan (Mattheüs 24:15) zodat de pelgrims overhaast moeten vluchten naar de bergen (Mattheüs 24:16-18, Openbaring 12:6). Wetsgetrouwe Joden kunnen de stad dan niet meer binnengaan. Wie zich daar nog vertoont, moet die “gruwel” aanbidden. Wie daartoe niet bereid is, wordt gedood. Je moet een merkteken hebben op je rechterhand of je voorhoofd: de naam van het beest of het getal van zijn naam, om in de stad te kunnen blijven (13:15-17, 14:11, 19:20, 20:4). Vanwege de godslasterlijke aard van dat teken (13:1, 14:9- 10) zullen wetsgetrouwe Joden het niet willen ontvangen. Wie niet onmiddellijk vlucht en toch het teken weigert, wacht gevangenschap en dood (13:10). In dát kader belooft de Mensenzoon dat wie overwint de tempel van God nooit meer zal verlaten en een Goddelijk merkteken zal ontvangen. De vervulling van die belofte wordt in het laatste Bijbelboek als volgt beschreven: “… de troon van God en van het Lam zal daarin [in het nieuwe Jeruzalem] zijn en zijn slaven zullen Hem dienen, en zij zullen zijn aangezicht zien en zijn naam zal op hun voorhoofden zijn” (22:4) Wanneer de naam van God (of het Lam) op je is geschreven, dan behoor je tot Gods huis. Je mag “Zijn aangezicht zien” en “Hem dienen”. Dichtbij Hem staan, Zijn stem horen en behoren tot de kern van de “hofhouding”. Als uitverkoren dienaar tussen de HEERE en de rest van Zijn schepping instaan. Wanneer de naam van de stad van God op je is geschreven, dan heb je burgerrecht in het nieuwe Jeruzalem. Een letterlijke tempel – in de zin van een gebouw – is er in die stad niet (21:22), maar alle inwoners zullen in de nabijheid van God en zijn Gezalfde verkeren en gezamenlijk een levende tempel vormen. Het schrijven van de namen is de vervulling van een herhaalde belofte uit de profetie van Jesaja ten aanzien van de nakomelingen van Jakob, de inwoners van Juda en de stad Jeruzalem: “De heidenvolken zullen uw gerechtigheid zien en alle koningen uw luister; u zult met een nieuwe naam genoemd worden, die de mond van de HEERE bepalen zal” (Jesaja 62:2) “U [afgodendienaars] zult uw naam voor Mijn uitverkorenen achterlaten als een vloekwoord en de Heere HEERE zal u doden, maar Zijn dienaren zal Hij noemen met een andere naam, zodat wie zich zegenen zal op aarde, zich zal zegenen in de God van de waarheid, en wie zweren zal op aarde, zal zweren bij de God van de waarheid, omdat de benauwdheden van vroeger vergeten zullen zijn, omdat zij verborgen zullen zijn voor Mijn ogen” (Jesaja 65:15-16) Uit Openbaring 3:12 blijkt dat de Mensenzoon als een trouwe “huismeester” in opdracht van de Schepper handelt en zich niet aan God gelijkstelt. Hij duidt zijn Vader driemaal aan als “mijn God”. Hij voorziet de overwinnaars van een opschrift zodat ze permanente toegang krijgen tot het nieuwe Jeruzalem, Gods “tabernakel” (21:3). Hij opent voor hen en niemand zal meer sluiten. Zij kennen ware rust in tegenstelling tot de volgelingen van het beest (14:11).

Vers 13

Wie een oor heeft, laat hij horen wat de Geest tot de gemeenten zegt. Gezien het voorafgaande is “wat de Geest tot de gemeenten zegt”: Wie vasthoudt aan Mijn woord en dat bewaart, zal weten wanneer hij moet vluchten naar de woestijn. Wie op het juiste moment Mijn opdracht gehoorzaamt, zal veilig worden bewaard, en in het rijk dat komt voor altijd in Gods nabijheid mogen verkeren.

 

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

410336 bezoekers sinds 07-06-2010