Het Bijbelboek Openbaring Deel 10

12-12-2013 door Aren van Waarde

sardisOpenbaring 3:1-6

Boodschap voor Sardis

“En aan de engel van de gemeente in Sardis schrijf: Deze [dingen] zegt de Bezitter van de zeven geesten van God en de zeven sterren. Ik weet van u de werken: dat u hebt [een] naam dat u leeft, en dood bent u! Wordt wakend en verstevig de rest die op het punt stond te sterven, Want niet heb Ik gevonden van u de werken vervuld in het zicht van mijn God. Wees dan indachtig hoe u [het] hebt ontvangen en gehoord, en onderhoud [het] en verander van gedachten. Als u dan niet wakend zou zijn, zal Ik komen als een dief, en u zult beslist niet weten op welk uur Ik bij u zal komen. Maar u hebt enkele namen in Sardis die niet bevuilen hun kleren, en zij zullen wandelen met Mij in het wit omdat zij waardig zijn. De overwinnende zal zo bekleed worden met witte kleren, en beslist niet zal Ik uitwissen de naam van hem uit de rol van het leven, maar Ik zal belijden de naam van hem voor mijn Vader, en voor Zijn heilige engelen Wie [enkelvoud] een oor heeft, hore wat de Geest zegt tot de gemeenten.

Vers 1

En schrijf aan de engel van de gemeente in Sardis: Dit zegt Hij die de zeven geesten van God en de zeven sterren heeft. Het oude Sardis leeft voort in het Turkse plaatsje Sart. Van de antieke acropolis op de bergtop is weinig overgebleven. Uit een prachtige, rijk versierde, synagoge in de benedenstad die door Amerikaanse onderzoekers is opgegraven blijkt dat er in Sardis een welvarende en aanzienlijke Joodse gemeente moet zijn geweest. “De zeven geesten” worden in het laatste bijbelboek meerdere malen genoemd. We horen dat zij “vóór Gods troon zijn” (1:4, 4:5), waar ze uitgebeeld worden door “zeven vurige fakkels” (4:5). Ze worden aangeduid als de “zeven horens en ogen van het Lam, die zijn uitgezonden over de hele aarde” (5:6, vgl. Zacharia 3:9 en 4:10). Dat de Menzenzoon (of het Lam) deze geesten “heeft” (3:1) wil zeggen dat Hij over hen kan beschikken. Als “ogen” informeren zij Hem over wat er op aarde plaatsvindt. Als “horens” voeren ze Zijn opdrachten op krachtige wijze uit en treden handelend op wanneer Hij dat nodig acht. “De zeven sterren” worden eveneens meerdere malen vermeld. Ze “zijn in de rechterhand van de Mensenzoon” (1:16,20; 2:1). Het zijn de “engelen der zeven gemeenten” (1:20). Als boden van Christus spreken ze namens Hem tot Zijn “slaven”. Ze ontvangen Zijn woord (2:1,8,12,18; 3:1,7,14) en lezen dit in de gemeente voor (1:3). Ik weet uw werken, dat u [de] naam hebt dat u leeft, en u bent dood. De schokkende mededeling van de verheerlijkte Messias brengt ons binnen de sfeer van het volk Israël. Met dat volk heeft God een verbond gesloten. Aan hen heeft Hij zijn wet gegeven opdat ze zouden leven. Maar indien het hart van een Israëlitische man of vrouw, een geslacht of een stam zich van de HERE afwendt om de goden van de volken te gaan dienen – gruwelen en nietsen van hout en steen, zilver en goud – dan zal de HERE de naam van zo’n Israëliet “uitwissen onder de hemel” (Deuteronomium 29:14-20, vgl. Openbaring 3:5). Een Israëliet die afgoden dient “heeft de naam dat hij leeft“ (want hij wordt “Jood”, d.w.z. een vereerder van JHVH, genoemd) maar hij is “dood”. In geestelijk opzicht even dood als volken die de HERE niet kennen en waarvan hij zich zou behoren te onderscheiden. Nadat Israël zich “gehaast had om af te wijken van de weg die God hun geboden had” door zich een “gegoten beeld te maken” (het gouden kalf), zei de HERE tegen Mozes: “Laat Mij begaan, dat Ik hen verdelg en hun naam van onder de hemel uitwis; dan zal Ik u tot een volk maken, machtiger en groter dan dit” (Deuteronomium 9:14, vgl. Exodus 32:31-33). Maar Mozes sprong voor Israël in de bres en pleitte voor zijn volksgenoten. Liever zag hij zijn eigen naam gewist uit het boek des levens dan dat God niet langer de God van Israël zou zijn. Mozes gedroeg zich als een betrouwbare bemiddelaar, en de HERE liet zich verbidden. Op deze geschiedenis uit het boek Exodus wordt in de boodschap voor Sardes gezinspeeld (3:5). Uit de manier waarop er in de Openbaring over het “boek des levens” wordt gesproken blijkt dat het woord “dood” in 3:1 betrekking heeft op mensen die God hebben verlaten en afgoden zijn gaan dienen. Er staat: “En allen die op de aarde wonen, zullen [het beest] aanbidden, [ieder] wiens naam, van [de] grondlegging van [de] wereld af, niet geschreven staat in het boek van het leven van het Lam dat geslacht is” (13:8) “Zij die op de aarde wonen, van wie de naam van [de] grondlegging van [de] wereld af niet geschreven is in het boek van het leven, zullen zich verwonderen als zij het beest zien, dat het was en niet is en zal zijn” (17:8). De meeste gemeenteleden in Sardis zijn bezweken voor de leer van de Nicolaïeten die ook wordt verkondigd door “Izébel” (vgl. 2:14-15, 3:20). Ze hebben een ander dan Jezus Christus als Messias aanvaard en ze vereren die persoon. Ze belijden de naam van Jezus niet langer voor de mensen (vgl. Mattheüs 10:32-33 en Lukas12:8-9 met Openb.3:5). Dat Sardes “dood” is betekent ook dat men het woord van Christus aangaande de toekomst heeft veronachtzaamd of heeft losgelaten. Men bewaart het woord niet. Men luistert er niet meer naar. Men reageert er niet op, net zoals een dode niet reageert op prikkels. Er worden in Sardis allerlei dingen gedaan, maar die “werken” zijn niet “vol”. Omdat ze niet op het woord berusten, zijn het vleselijke activiteiten. Er zit geen “geest” of leven in.

Vers 2

Word waakzaam en versterk het overige dat dreigde te sterven; want Ik heb uw werken niet volkomen bevonden voor mijn God. Toen Hij nog op aarde was, riep Jezus zijn discipelen herhaaldelijk op tot waakzaamheid, en altijd in verband met zijn wederkomst:

“Waakt dan, want u weet niet op welke dag uw Heer komt. Weet echter dit, dat als de heer des huizes had geweten in welke nachtwaak de dief kwam, hij zou hebben gewaakt en niet hebben toegelaten dat er in zijn huis werd ingebroken. Daarom weest ook u gereed, want op een uur dat u het niet vermoedt, komt de Zoon des mensen… Waakt dan, want u kent de dag of het uur niet” (Mattheüs 24:42-44, 25:13) “Kijkt u uit, waakt; want u weet niet wanneer het de tijd is, zoals een mens die buitenslands gaat, zijn huis verlaat en aan zijn slaven macht geeft, aan ieder zijn werk, en de deurwachter gebiedt te waken. Waakt dan! Want u weet niet wanneer de heer van het huis komt, ‘s avonds of te middernacht of met het hanengekraai of ‘s morgens vroeg; opdat hij, als hij plotseling komt, u niet in slaap vindt. Wat Ik nu tot u zeg, zeg Ik tot allen: Waakt!” (Markus 13:33-37) “Waakt echter, terwijl u te allen tijde bidt dat u in staat zult zijn te ontkomen aan dit alles wat staat te gebeuren, en te bestaan voor de Zoon des mensen” (Lukas 21:36) Ook de oproep van de verheerlijkte Mensenzoon houdt verband met zijn spoedige komst. Want Hij waarschuwt de gemeente van Sardes: “Als u dan niet waakt, zal Ik komen als een dief, en u zult geenszins weten op wat voor uur Ik tot u zal komen” (3:5, vgl. Lukas 12:39-40). Het is opmerkelijk dat de Mensenzoon “doden” beveelt om “waakzaam te worden”. Een dode kan immers niet luisteren of een opdracht uitvoeren. Maar het woord van de Mensenzoon heeft kracht. Zijn woord kan zowel geestelijk doden als letterlijk doden tot leven wekken. Uit de opdracht blijkt, dat niet allen in Sardes dood zijn. Er is een “rest” die leeft, al dreigt dat leven te verdwijnen. De Griekse uitdrukking ta loipa betekent “de overigen”. Het woord “overblijfsel” of “rest” dat in de boeken van de profeten dikwijls voorkomt, en dat de apostel Paulus ook gebruikt (leimma, Romeinen 11:5) is van hetzelfde Griekse werkwoord (leipoo, overlaten) afgeleid. Zoals God tijdens de regering van Achab zevenduizend mannen deed overblijven, die hun knie voor Baäl niet bogen (Romeinen 11:4, 1 Koningen 19:18), zo heeft de Eeuwige ook in Sardes een “rest” die “de kleren niet heeft bevlekt” (3:4). Het werkwoord sterizoo, dat met “versterken” of “bevestigen” is weergegeven, betekent letterlijk “vast zetten”. Jezus gebruikte het toen Hij tegen Petrus zei: “Simon, Simon, zie, de satan heeft dringend verlangd u [allen] te mogen ziften als de tarwe; Ik heb echter voor jou gebeden dat je geloof niet zou ophouden; en jij, als je eens bekeerd bent, versterk je broeders” (Lukas 22:31-32) Ook de apostel Paulus gebruikte het woord vaak: “Want ik verlang zeer u te zien, om u enige geestelijke genadegave mee te delen tot uw versterking” (Romeinen 1:11) “Hem nu die machtig is u te bevestigen naar mijn evangelie… Hem zij de heerlijkheid tot in eeuwigheid! Amen” (Romeinen 16:25,27) “Daarom… zonden wij Timotheüs… om u te versterken en te vermanen aangaande uw geloof; opdat niemand wankelt in deze verdrukkingen” (1 Thessalonicenzen 3:2-3) “Maar u moge de Heer doen toenemen en overvloedig zijn in de liefde tot elkaar en tot allen, zoals ook wij tot u; opdat Hij uw harten versterkt om onberispelijk te zijn in heiligheid voor onze God en Vader bij de komst van onze Heer Jezus Christus met al zijn heiligen” (1 Thessalonicenzen 3:12-13) “En moge onze Heer Jezus Christus zelf, en God onze Vader die ons heeft liefgehad… uw harten vertroosten en u versterken in alle goed werk en woord” (2 Thessalonicenzen 2:16-17)  “…de Heer is trouw, die u zal versterken en bewaren voor de boze” (2 Thessalonicenzen 3:3) Andere voorbeelden zijn de volgende: “Hebt ook u geduld, sterkt uw harten, want de komst van de Heer is nabij” (Jakobus 5:8) “De God nu van alle genade, die u heeft geroepen tot zijn eeuwige heerlijkheid in Christus <Jezus>, Hij zal u, nadat u een korte tijd geleden hebt, volmaken, bevestigen, versterken, grondvesten” (1 Petrus 5:10) “Daarom ben ik er altijd op uit u aan deze dingen te herinneren, hoewel u ze weet en bevestigd bent in de onderhavige waarheid” (2 Petrus 1:12). In 1 Thessalonicenzen 3:2-3 blijkt, dat sterizoo “vast zetten” betekent. Wie “versterkt” of “bevestigd” is, loopt niet langer het gevaar om te gaan wankelen. Onder dat “wankelen” moet worden verstaan: gaan twijfelen aan de waarheid van het woord, niet langer vertrouwen op wat God gesproken heeft. Vooral wat Hij aangaande de toekomst heeft beloofd: dat de Messias uit de hemel zal komen en op zichtbare wijze op aarde zal gaan regeren. De “waarheid” waarin gelovigen zijn bevestigd, is het goede nieuws dat God hen doet ontkomen aan het verderf en hun rijkelijk ingang verleent in het eeuwig koninkrijk van hun Heer en Heiland, Jezus Christus (2 Petrus 1:4,11). Het boek Openbaring richt zich tot een bijzondere groep gelovigen en laat zien dat dit rijk voor hen zeer nabij is (1:1,3,5). Wanneer de “dode” gemeenteleden in Sardes wakker worden en zich bekeren, kunnen ze de overigen in die plaats “versterken”, d.w.z. hen in de Bijbelse waarheid vast doen staan, net zoals Petrus dat moest doen met zijn broeders. Zodat die “overigen” niet wankelen, maar rechtop blijven staan. De werkwoordsvorm pepleeroomena die met “volkomen” is vertaald (3:2) betekent volmaakt in de zin van “voltooid” of “af”. De werken van Sardes zijn onvoltooid, omdat men het evangelie van het Koninkrijk heeft ontvangen en gehoord (3:3) maar niet heeft vastgehouden. Omdat men het woord veronachtzaamt, laat men zijn keuzes bepalen door menselijke overwegingen en beseft men niet dat het einde van de eeuw nadert en de ware Messias spoedig zal komen. In trouw aan Gods woord had men moeten volharden maar dat heeft men niet gedaan. Men was wellicht ooit enthousiast voor de boodschap van het boek Openbaring (3:3) maar de zorgen van de wereld hebben het zaad van het woord verstikt.

Vers 3

Bedenk dan hoe u het ontvangen en gehoord hebt en bewaar het en bekeer u. De opdracht om te “gedenken” is een typisch Hebreeuwse aansporing. Israël moet de grote daden van God in gedachten houden en er haar kinderen voortdurend aan herinneren (door de telkens terugkerende lezing uit de Tenach en de viering van de hoogtijden van de HERE). “Hoe u het ontvangen en gehoord hebt” heeft in de eerste plaats betrekking op wat in 1:1-2 was vermeld: dat God de Messias een openbaring gaf, en deze boodschap door middel van een engel aan Johannes werd gezonden die wat hij zag en hoorde heeft opgeschreven. Een woord uit de hemel dat door bemiddeling van engelen tot ons is gekomen mogen wij niet lichtvaardig verwerpen. Sardis wordt opgeroepen om het te bewaren en zich te bekeren. “Bekeren” is metanoeeson, d.w.z. “van gedachten veranderen”, “tot inzicht komen”. Beseffen dat God vanwege een zaak van levensbelang een openbaring heeft gegeven: om te tonen wat spoedig moet gebeuren zodat je tegen de gebeurtenissen opgewassen bent en kunt standhouden. Doordrongen zijn van de kostbaarheid van dat woord, zodat je het als een schat bewaart, en het voortdurend overdenkt. Terugkomen op je besluit om de openbaring los te laten, en je er voortaan aan vastklampen. Als u dan niet waakt, zal Ik komen als een dief, en u zult geenszins weten op wat voor uur Ik tot u zal komen. “Slaven van God” die bij het aanbreken van de dag des Heren op aarde leven kunnen weten wanneer de Heer komt – niet de dag of het uur, maar toch binnen nauwe grenzen. In het laatste Bijbelboek is de opeenvolging van gebeurtenissen immers beschreven, en er wordt gezegd dat de volken de heilige stad zullen vertreden gedurende 1260 dagen, 42 maanden of drie-en-een-half jaar (“een tijd, tijden en een halve tijd”). Er is voor dat “vertreden” – dat gepaard gaat met de in de tempel opgerichte “gruwel der verwoesting” – een termijn vastgesteld. Gedurende die periode zal het gelovige deel van Israël, in Openbaring 12 uitgebeeld door een vrouw, in de woestijn in leven worden gehouden. Wie het woord niet bewaart, het geringschat of er geen aandacht aan schenkt, zal door de gebeurtenissen van de eindtijd en de verschijning van de Messias in heerlijkheid worden verrast. Zo iemand zal “geenszins” weten op wat voor uur Hij zal komen. In de Griekse tekst staat een dubbele ontkenning (ou mee), d.w.z. “beslist niet”. In de evangeliën wordt gezegd dat de Messias “zal komen als een dief”. Het punt van de vergelijking is dat discipelen geroepen zijn om naar zijn komst te blijven uitzien en te blijven waken. Wanneer een dief komt is immers onbekend; de enige betrouwbare manier om zich tegen een nachtelijke inbraak te beveiligen is door wakker te blijven (vgl. Mattheüs 24:42-44, Lukas 12:39-40). Ook in de boodschap voor Sardes is dat het punt van de vergelijking. De Messias komt in ieder geval, maar indien Sardes niet waakt, zal Hij voor hen komen als een dief, dat wil zeggen: zijn komst zal hen overvallen (3:3). In het boek Openbaring krijgt de beeldspraak nog een andere betekenis. Wanneer “slaven van God” niet wakker blijven, maar zich te slapen leggen, zal de komst van de Messias voor hen niet tot eer maar tot schande zijn. “Zie, Ik kom als een dief. Gelukkig hij die waakt en zijn kleren bewaart, opdat hij niet naakt wandelt en men zijn schaamte niet ziet” (16:15) In het nabije oosten placht men ontkleed te slapen. Indien een heer als een dief zijn huis binnensloop, dan waren er twee mogelijkheden. Ofwel zijn slaven hadden gewaakt en waren dus netjes aangekleed, of ze hadden zich ter ruste gelegd. In het laatste geval sprongen ze van schrik hun bed uit, en stonden letterlijk en figuurlijk voor schut. Niet in hun hemd, maar in hun blootje. Waakzaam zijn betekent: het woord van Christus geloven, eraan vasthouden en het bewaren. Slapen betekent: dat woord niet geloven, het loslaten en het vergeten. In zijn brief aan de Thessalonicenzen maakt de apostel Paulus onderscheid tussen ongelovigen en gelovigen waar het de komst van de Messias betreft. Over de eerste groep zegt hij: “Wanneer zij zullen zeggen: Vrede en veiligheid, dan zal een plotseling verderf over hen komen zoals de barensnood over een zwangere, en zij zullen geenszins ontkomen” (1 Thessalonicenzen 5:3) En tegen de tweede groep: Maar u, broeders, bent niet in de duisternis, zodat die dag u als een dief zou overvallen, want u bent allen zonen van het licht en zonen van de dag” (1 Thessalonicenzen 5:4) Wie aan het licht van Christus vasthouden, behoren tot de tweede groep, wie dat licht verwerpen, tot de eerste.

Vers 4

Maar u hebt enkele namen in Sardis die hun kleren niet bevlekt hebben, en zij zullen met Mij wandelen in witte [kleren], omdat zij het waard zijn. In het boek Openbaring is “namen” een aanduiding van “mensen hoofd voor hoofd”, individuen die God geschapen heeft en die Hij bij name kent. In het elfde hoofdstuk wordt de stad Jeruzalem door een grote aardbeving getroffen, waarbij het tiende deel van de huizen instort en “zevenduizend namen van mensen” worden gedood (11:13). Lukas gebruikt dezelfde uitdrukking in het boek Handelingen. Toen Matthias als apostel werd gekozen ter vervanging van Judas, was “het aantal namen dat bijeen was ongeveer honderdtwintig” (Handelingen 1:15, Gr.). Het gebruik van het woord “namen” als aanduiding van “personen” of “individuen” is ontleend aan de Hebreeuwse Bijbel. Tijdens volkstellingen werden Israëlieten geregistreerd “volgens het aantal van hun namen” (zie b.v. Numeri 1:2,18,20,22,24,26,28,30,32,34, 36,38,40,42; 3:40,43; 26:53; 1 Kron.23:24). Op dezelfde wijze telt God de sterren (Psalm 147:4, Jesaja 40:26). Het werkwoord “bevlekken” komt in het NT slechts drie maal voor. Wanneer wij iets doen maar betwijfelen of het wel geoorloofd is, “bevlekken” we ons geweten: het is niet langer zuiver (1 Korinthe 8:7). Van de honderdvierenveertigduizend “eerstelingen voor God en het Lam” wordt in het boek Openbaring gezegd: “dezen zijn het die zich niet met vrouwen hebben bevlekt, want zij zijn maagdelijk” (14:4). Johannes wil daarmee niet de gedachte doen postvatten dat het huwelijk een man onrein maakt. “Zich met vrouwen bevlekken” heeft betrekking op religieuze ontucht zoals Israël die bedreef tijdens de woestijnreis, ter ere van de afgod Baäl-Peor (2:14, vgl. Numeri 25:1-2, 31:16 en Judas:4,7-8,10). Binnen het NT schrijft ook Judas over “het kleed dat door het vlees bevlekt is” (Judas:23). Daarbij gebruikt hij voor het woord “kleed” (Gr. chitoon) en voor “bevlekken” (Gr. spiloo) echter andere Griekse uitdrukkingen dan de opgestane Christus. In de boodschap voor Sardis staat voor “kleren” het woord himatia, en voor “bevlekken” het werkwoord molunoo. Een chitoon is een (over)hemd, een himation een “jurk” of lang gewaad. De beeldspraak van het bevlekken van het gewaad kan worden misverstaan. In een katholiek commentaar las ik: “De goede werken zijn als een kleed waarmee de mens zich in de loop van zijn leven bekleedt om netjes bevonden te worden bij het oordeel, de mens zonder goede werken… is afkeurenswaardig”. Maar de gedachte in de Bijbel is niet dat de mens voor zichzelf een kleed moet weven! Openbaring 3:4 laat zien, dat God de hoorders een fraai gewaad gegeven heeft, dat niet vuil mag worden. Het betreft een koninklijk en priesterlijk tenue, we lezen immers dat de “slaven” van Christus de lof van hun Heer als volgt bezingen: “Hem die ons liefheeft en ons van onze zonden heeft verlost door zijn bloed, en ons gemaakt heeft tot een koninkrijk, tot priesters voor zijn God en Vader, Hem zij de heerlijkheid en de kracht tot in de eeuwen der eeuwen!” (1:6) De vierentwintig oudsten in de hemelse troonzaal, die ook witte kleren dragen en gouden kronen op hun hoofden hebben (4:4), prijzen de Messias als volgt: “U bent waard het boek te nemen en zijn zegels te openen; want U bent geslacht en hebt voor God gekocht met uw bloed uit elk geslacht en taal en volk en natie, en hebt hen voor onze God gemaakt tot een koninkrijk en tot priesters; en zij zullen over de aarde regeren” (5:9-10) Wanneer Christus in heerlijkheid verschijnt, dan draagt ook Hij een himation, en op dat gewaad staat geschreven: “Koning van de koningen en Heer van de heren” (19:16) Wie zijn kleren schoon houdt, “wordt bekleed met witte kleren” (3:5) en zal met de Mensenzoon wandelen in het wit (3:4). De Messias deelt zulke kleren uit (3:18). In het twintigste hoofdstuk lezen we, hoe de belofte wordt vervuld: “Zij zullen priesters van God en van Christus zijn en met Hem <de> duizend jaren regeren” (20:6) De “engel” van de gemeente heeft opdracht om als een ster licht te verspreiden in de donkere nacht, door het woord van God te laten schijnen. De hoorders in Sardes zijn geroepen om als priester-koningen met de Messias te gaan regeren in zijn komend rijk. Een priester hoort aandachtig naar het woord van God te luisteren en dit te bewaren om het aan anderen te kunnen doorgeven (vgl. 1:3). Een regent moet gehoor geven aan de opdrachten van de landsvorst om diens rijk fatsoenlijk te kunnen besturen. Een priester of een regent die dat doet, heeft een blazoen zonder smet en zal lof oogsten. Wie echter mensenwoord, eigen inzichten, “vlees” in de plaats stelt van het woord van God, zodat hij zijn roeping ontrouw wordt, die bevlekt zijn gewaad. Zo iemand gedraagt zich niet “waardig” zijn roeping, d.w.z. zijn gedrag is niet met die roeping in overeenstemming.

Vers 5

Wie overwint, die zal bekleed worden met witte kleren en Ik zal zijn naam geenszins uitwissen uit het boek van het leven, en Ik zal zijn naam belijden voor mijn Vader en voor zijn engelen. “Wie overwint” betekent gezien het tekstverband “wie het woord bewaart en dit vasthoudt totdat Ik kom”. Maar het kan ook betekenen: “wie wakker wordt, opnieuw gaat luisteren naar het woord en het voortaan bewaart”. Zo iemand zal “bekleed worden met witte kleren”. Niet alleen wie voortdurend trouw was, ook wie met een schok wakker werd toen de betekenis van de boodschap van de opgestane Christus tot hem doordrong, zal bekleed worden met witte kleren. Zo iemand heeft zijn “gewaad gewassen en wit gemaakt in het bloed van het Lam” (7:14, 22:14). Hij heeft zich bekeerd, zijn zonde beleden en zich door het Lam laten reinigen van ongerechtigheid (1 Joh.1:9). Als iemands naam gewist is uit het boek van het leven, zal die persoon bij het oordeel van de grote witte troon in de poel van vuur worden geworpen (20:15). Hij zal niet leven in de tweede toekomende eeuw, het tijdperk van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, maar zich in de vuurpoel bevinden, dat is de “tweede dood” (20:14). Zo iemand heeft geen “eeuwig leven”, maar zal pas bij het einde van de eeuwen worden levendgemaakt (1 Korinthe 15:20-28). Uit de Torah blijkt dat wie afgoden gaat dienen en zich van de Ene afwendt, het gevaar loopt dat zijn naam wordt uitgewist (Deuteronomium 9:14, 29:14-20). Maar de namen van Israëlieten die trouw blijven aan het verbond, of de Godsspraak van de opgestane Messias ter harte nemen en zich bekeren, zullen “beslist niet” (Gr. ou mee) worden gewist. De afgodendienst, die “slaven van God” bij het aanbreken van de dag des Heren bedreigt, is de aanbidding van het beest en zijn beeld en het ontvangen van diens merkteken op de hand of op het voorhoofd (14:9-12). Tegen zijn leerlingen heeft Jezus gezegd: “Ieder dan die Mij zal belijden voor de mensen, die zal ook Ik belijden voor mijn Vader die in <de> hemelen is. Maar wie Mij verloochent voor de mensen, die zal ook Ik verloochenen voor mijn Vader die in <de> hemelen is” (Mattheüs 10:32-33) “Wie zich voor Mij en mijn woorden schaamt onder dit overspelig en zondig geslacht, voor hem zal ook de Zoon des mensen zich schamen wanneer Hij komt in de heerlijkheid van zijn Vader, met de heilige engelen” (Markus 8:38, vgl. Lukas 9:26) “Ik nu zeg u: Ieder die Mij belijdt voor de mensen, die zal ook de Zoon des mensen belijden voor de engelen van God. Maar wie Mij verloochent voor de mensen, zal verloochend worden worden voor de engelen van God” (Lukas 12:8-9) Vandaar de oproep van de Mensenzoon tot zijn “slaven” in Sardes om van gedachten te veranderen, niet hem die komt in zijn eigen naam als Messias te aanvaarden, maar te blijven uitzien naar de komst van de ware Messias uit de hemel.

Vers 6

Wie een oor heeft, laat hij horen wat de Geest tot de gemeenten zegt. “Wat de Geest tot de gemeenten zegt” is gezien het voorafgaande: “Blijf Mij belijden voor de mensen. Bewaar het woord, de openbaring die u via Mij, door bemiddeling van een engel en van mijn slaaf Johannes, hebt ontvangen, ook al lijkt het veel gemakkelijker om het beest de eer te gaan bewijzen die Mij toekomt”.

1 comment on “Het Bijbelboek Openbaring Deel 10”


  1. Duurt sikkens says:

    Mooi hoor, helder.

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

390908 bezoekers sinds 07-06-2010