Het Bijbelboek Openbaring Deel 1

21-12-2013 door Aren van Waarde

Johannes’ eerste visioen

(Openbaring 1:1-3) Opschrift en heilwens

“Openbaring van Jezus Christus, die God Hem heeft gegeven om zijn slaven te tonen wat spoedig moet gebeuren; en Hij heeft die door zijn engel gezonden en aan zijn slaaf Johannes te kennen gegeven. Deze heeft het woord van God betuigd en het getuigenis van Jezus Christus, alles wat hij heeft gezien. Gelukkig hij die leest en zij die de woorden van de profetie horen en die bewaren wat daarin geschreven staat; want de tijd is nabij”

Vers 1

Openbaring van Jezus Christus is de titel die God aan dit boek heeft gegeven. Niet zoals dikwijls wordt gezegd “Openbaringen” (meervoud) maar “Openbaring” (enkelvoud). Niet “Openbaring van Johannes” maar “van Jezus Christus”. Niet Johannes heeft geopenbaard wat in dit boek wordt getoond maar Christus. Niet de ziener staat in het boek centraal maar de gekruisigde en opgestane Messias. Johannes was slechts de aardse schakel die de woorden en beelden van Christus mocht doorgeven.

Openbaring is een vertaling van het Griekse woord apokalypsis. Dat betekent letterlijk “onthulling”, de wegneming van een sluier. Zoals een kunstwerk op de dag van de presentatie feestelijk wordt onthuld door de burgemeester, en voor iedereen zichtbaar wordt, zo worden Christus en zijn toekomstig rijk in dit boek uiteindelijk zichtbaar. Bij de ontknoping zegt God: “Zie, Ik maak alles nieuw!” (21:5). De genitief (van Christus) kan op twee manieren worden opgevat. Allereerst als aanduiding van auteurschap. Jezus is de auteur van het boek. Tijdens het openingsvisioen dicteerde de opgestane Heer aan Johannes wat die moest schrijven. De gevaren die Gods “slaven” bedreigen en de houding die zij ertegen moeten innemen werden daarbij onthuld. Aan het eind van het boek staat: “Die deze dingen getuigt, zegt: Ja, Ik kom spoedig!” (22:20) Het hele boek is een getuigenis van Jezus Christus. Hij heeft de profetie gegeven. De tweede naamval kan ook het onderwerp van het boek aanduiden. In de Openbaring wordt de Messias zichtbaar. “Hij komt met de wolken, en elk oog zal Hem zien” (1:7). Het laatste Bijbelboek onthult Hem als de hemelse Hogepriester die wandelt tussen de gouden kandelaren (1:17), het Lam in het midden van de troon (5:6), de Mensenzoon die komt op de  wolken van de hemel (14:14-16), de Koning der koningen die de volken oordeelt en hoedt (19:11,15), de Rechter van levenden en doden (20:11-12) en de Heer die zijn slaven een ereplaats geeft (22:3-4). De Messias staat in de Openbaring centraal.

Die God Hem heeft gegeven. Het is opmerkelijk dat hier onderscheid wordt gemaakt tussen “God” en “Jezus Christus”. De apostel Paulus maakte dit onderscheid ook: “Want er is één God en één Middelaar tussen God en mensen, de mens Christus Jezus” (1 Tim.2:5). De Messias volbrengt de wil van zijn Vader (Joh 4:34, 5:19-30, 5:36, 6:38, 17:4; Mat 26:39, Mar14:36, Luk 22:42, 1 Kor 15:25- 28). De Middelaar openbaart zich op een bepaalde manier omdat de Ene het zo heeft beschikt. God heeft Hem een openbaring gegeven. Om zijn slaven te tonen wat spoedig moet gebeuren is het doel van het boek.

De Openbaring is gegeven om aan “slaven” te laten zien wat spoedig moet gebeuren. Hoewel Paulus zich een “slaaf van Jezus Christus” noemt, wordt de uitdrukking “slaven” (of “knechten”) in het Nieuwe Testament nooit gebruikt als aanduiding van de christelijke gemeente. Christenen zijn “leden van Christus” maar niet Zijn slaven. In de Hebreeuwse bijbel komt de term “slaven” echter dikwijls voor als erenaam van de Israëlieten. Zij zijn de “knechten van Jahweh” (Lev.25:42, 25:55; Deut.32:36, 32:43; Psa.34:23, 79:10, 89:51-52, 90:13, 90:16, 102:14-16, 102:29, 105:25, 113:1, 134:1, 135:1, 135:14; Jes.54:13, 63:17, 65:9). “Uw knechten” is een parallel van “Uw volk”, “de Israëlieten”, “de stammen van uw erfdeel”, de aanbidders in de tempel, de bouwers van Sion, de nakomelingen van Jakob en de inwoners van Juda. “Uw knechten” is de tegenpool van “de volken”, d.w.z. de niet-Joden (Psa.79:10, 89:51-52, 102:14-16). Het boek Openbaring is volgens vers 1 gericht tot Joden. Uit allerlei details blijkt dat ook de “zeven gemeenten” die later worden genoemd uit Joden bestaan. “Hem die ons gemaakt heeft tot een koninkrijk, tot priesters” (1:6) is een belofte die God heeft gegeven aan Israël (zie Exod.19:6, Jes.61:6) en die in het Nieuwe Testament wordt betrokken op Israëlieten (vergelijk 1 Pet.2:9 met 1 Pet.1:1). Uit het feit dat van tegenstanders wordt gezegd dat zij “zeggen dat zij Joden zijn, en het niet zijn maar een synagoge van de satan” (2:9, 3:9) blijkt dat de hoorders in Smyrna en Filadelfia wel tot het Joodse volk behoren. In de boodschap voor Pergamum zegt Christus: “Bileam leerde Balak de kinderen Israëls een strik te spannen… Zo hebt ook gij…” (2:13). In Pergamum wordt de leer van Bileam verkondigd, en de slachtoffers van die leer zijn net als vroeger “kinderen Israëls”. Aan Thyatira belooft Jezus: “Wie overwint… zal ik macht geven over de volken, en hij zal hen hoeden met een ijzeren staf” (2:26). Daaruit blijkt dat de overwinnaars niet behoren tot de volken. Volgens de Bijbel bestaat de mensheid uit “Israël en de volken”. Trouwe Israëlieten zullen een aandeel hebben in de heerschappij van de Messias over de volken, zoals is voorzegd door de profeten. Als de opgestane Here belooft, dat de tegenstanders van de gelovigen uit Filadelfia zullen komen, zich zullen neerbuigen voor hun voeten, en zullen erkennen dat de Messias hen heeft liefgehad (3:9), dan is die belofte ontleend aan de profetie van Jesaja (43:4, 60:14) waar hij betrekking heeft op Israëlieten. Wanneer Christus Laodicea aanraadt om te “kopen” wat blijvende waarde heeft (3:18), dan is dat een echo van het advies van de HERE aan het Joodse volk (Jes.55). Uit zulke details blijkt dat de Openbaring is gericht tot Joden en niet tot gelovigen uit de volken.

Wat spoedig moet gebeuren. Uit deze bijzin concluderen velen dat Johannes verwachtte dat zijn visioenen binnen enkele jaren in vervulling zouden gaan. In zekere zin was dat ook zo. Johannes was ervan overtuigd dat de “slaven” aan wie hij schreef de komst van de Messias in heerlijkheid zouden meemaken. Maar de “slaven” tot wie hij zich richtte waren niet zijn tijdgenoten. Terwijl de ziener op Patmos was, een eilandje in de Aegeïsche zee, kwam hij “in geest op ’s Heren dag” (1:10). Zijn lichaam bleef op het eiland, maar “in geest”, d.w.z. in een visioen, werd hij verplaatst naar de dag van de Heer, die nog niet was aangebroken (vgl. 2 Thess.2:1-3). Binnen het kader van dat visioen kreeg hij opdracht om aan bepaalde mensen te schrijven (1:11). De “slaven” voor wie het boek is bestemd waren niet in leven gedurende het verblijf van de ziener op Patmos, maar leefden in de tijd waarnaar hij werd verplaatst in zijn visioen. Het zijn Joden die tijdens de dag van de Heer op aarde zullen zijn. “Knechten van God” die meemaken dat een mens in de tempel gaat zitten en zich daar als god laat vereren zodat vele Joden afvallig worden en zich niet langer houden aan het verbond (2 Thess.2:3-5). Op die dag zal de Openbaring het enige houvast zijn. Op het bezit van het boek zal dan de doodstraf staan! (6:9, 20:4). De gebeurtenissen die in de rol worden beschreven zullen voor Joden die dan leven “spoedig” plaatsvinden, d.w.z. binnen enkele jaren. Het geschrevene “moet gebeuren” omdat het in Gods raad is beschikt. “Voorzeker, de HERE HERE doet geen ding, of Hij openbaart zijn raad aan zijn knechten, de profeten” (Amos 3:7)

En hij heeft die door zijn engel gezonden. Ook uit deze mededeling blijkt dat de Openbaring is gericht tot Joden. De vermelding van de “engel” verbindt het laatste Bijbelboek met de wet van Mozes. Gods onderwijzing die Israël bij de Sinaï heeft ontvangen is óók door engelen gegeven. We lezen dit op vier plaatsen in het Nieuwe Testament (Handelingen 7:38, 7:53; Galaten 3:19; Hebreeën 2:2) Zoals de wet “vast stond” en elke overtreding en ongehoorzaamheid rechtvaardige vergelding ontving, zo staat ook de Openbaring vast. Wie de woorden van het boek bewaren worden gelukkig geprezen (1:3), maar wie eraan tornen komt dit duur te staan (22:18-19). Tijdens zijn visioenen hoorde Johannes op meerdere momenten een stem die hem opdrachten gaf en hem uitleg verschafte. In vers 10 staat bijvoorbeeld: “Ik kwam in geest op de dag van de Heer, en ik hoorde achter mij een luide stem als van een bazuin die zei: Wat u ziet, schrijf dat in een boek….” (1:10) De bazuinstem die Johannes op dat moment hoorde, was niet de stem van de opgestane Heer, die klinkt “als het gedruis van vele wateren” (1:15), maar de stem van de openbaringsengel. Om verwarring met de stem van de Messias te voorkomen wordt de engelstem aangeduid als “de eerste stem die ik gehoord had als van een bazuin” (4:1). Zo’n stem klinkt in het boek vaker (10:4, 10:8, 12:10, 14:13). De “bazuin” is de ramshoorn (sjofaar) of de zilveren trompet die het volk Israël bij allerlei gelegenheden bijeenriep (Numeri 10:2-10, vg. Ezech.7:14 en Hos.5:8). In een later visioen zag Johannes de bode die met hem sprak. Het was één van de zeven engelen die de schalen van Gods gramschap over de aarde zullen uitgieten (17:1,7,15). Aan het slot van het boek wordt deze engel drie maal genoemd (22:6,8,16).

En aan zijn slaaf Johannes te kennen gegeven. De ziener noemt zich Gods “slaaf”. Hij vereenzelvigt zich met de geadresseerden, en geeft aan dat hij in opdracht van God handelde toen hij zijn visioenen te boek stelde. Of deze man ook het vierde evangelie en de brieven van Johannes heeft geschreven, is ons niet geopenbaard. Eén ding is duidelijk: de schrijver was een Jood. Hij was een “slaaf van de Messias” en hij heette Jochanan, “de Heer is een genadig Gever”. God gaf hem wijsheid om zijn volksgenoten op de dag des Heren te ondersteunen. De engel heeft Johannes niet alleen iets laten zien maar hem ook de betekenis van die beelden “te kennen gegeven”. Het werkwoord semainoo staat ook in Handelingen 11:28., De profeet Agabus “gaf door de Geest te kennen dat er een grote hongersnood zou komen over het hele aardrijk. Die is ook gekomen onder Claudius”. Zowel in Openbaring 1:1 als Handelingen 11:28 gaat het om het verschaffen van specifieke voorkennis die een mens van nature niet bezit.

Vers 2

Deze heeft het woord van God betuigd en het getuigenis van Jezus Christus, alles wat hij heeft gezien. Dat Johannes “het woord van God heeft betuigd en het getuigenis van Jezus Christus” betekent niet, dat hij als predikant is opgetreden. Met “het woord van God” en “het getuigenis van Jezus Christus” wordt bedoeld: de inhoud van het boek Openbaring. Uit de toevoeging “alles wat hij heeft gezien” blijkt dat het gaat om visioenen die Johannes mocht ontvangen. In Openbaring 1:2 wordt Johannes getekend als Bijbelschrijver. Evenals oudtestamentische profeten een “last” ontvingen, de last van het woord des Heren, zo ontving Johannes het woord van God om dat aan zijn medeslaven door te geven. Het “woord van God” en het “getuigenis van Jezus Christus” zijn niet twee verschillende dingen, maar één enkele last. Het Griekse voegwoord kai, dat doorgaans met “en” wordt vertaald, heeft verklarende betekenis. Johannes heeft “het woord van God betuigd, namelijk het getuigenis van Jezus Christus, alles wat hij heeft gezien”. God gaf de Messias een bepaalde openbaring en de Messias zond die via zijn engel aan de ziener Johannes (1:1). Johannes heeft wat hij zag te boek gesteld en daarbij niets achtergehouden. Als een ooggetuige doet hij verslag van wat de engel hem heeft laten zien.

Vers 3

Gelukkig hij die leest en zij die de woorden van de profetie horen. De schrijver verwachtte niet dat zijn boek zou worden gelezen door de eenzame enkeling – zoals de eunuch uit Ethiopië de boekrol van Jesaja las (Handelingen 8:26-40). Hij voorzag dat de Openbaring in samenkomsten zou klinken, waarbij één persoon hardop zou voorlezen en de overigen zouden luisteren. Zo gaat het toe tijdens de bijeenkomsten van het Joodse volk in hun synagogen. Het synagogebestuur kan een bezoeker uitnodigen om de lezing voor die sabbat te verzorgen. De betrokkene treedt dan op als sheliach tsibboer, of “boodschapper van de vergadering”. De gang van zaken is opgetekend door Lukas: “[Jezus] kwam in Nazareth waar Hij was opgevoed en ging naar zijn gewoonte op die dag van de sabbat naar de synagoge en stond op om te lezen. En het boek van de profeet Jesaja werd Hem gegeven; en toen Hij het boek had ontrold, vond Hij de plaats waar geschreven stond: ‘De Geest van de Heer is op Mij, doordat Hij Mij heeft gezalfd om aan armen het evangelie te verkondigen; Hij heeft Mij gezonden om aan gevangenen loslating te prediken en aan blinden het gezicht, om verbrokenen heen te zenden in vrijlating, om te prediken het aangename jaar van de Heer’. En nadat Hij het boek had opgerold en aan de dienaar teruggegeven, ging Hij zitten en de ogen van allen in de synagoge waren op Hem gericht. Hij nu begon tot hen te zeggen: Heden is dit Schriftwoord in uw oren vervuld” (Lukas 4:16-21) Zo ging het ook in het Pisidische Antiochië: “Zij nu… kwamen in het Pisidische Antiochië aan; en zij gingen in de synagoge op de sabbatdag en namen plaats. En na het lezen van de wet en de profeten zonden de oversten van de synagoge een boodschap tot hen en zeiden: Mannen broeders, als u een woord van bemoediging voor het volk hebt, zegt het. En Paulus stond op, wenkte met de hand, en zei…” (Handelingen 13:14-16) In de synagoge wordt op elke sabbat voorgelezen uit de wet van Mozes (Handelingen 15:21). Johannes verwachtte dat zijn boek op de dag des Heren ook zó zou worden voorgelezen.

De profetie. De Openbaring is een profetie. Het hoofddoel van het boek is om “slaven” te bemoedigen in de donkere dag waarin zij leven, en hen aan te sporen tot trouw aan Gods verbond. De verleiding om de God van Israël de rug toe te keren en zich niet langer te houden aan Zijn wet, zal ongekend groot zijn. Wat in deze rol staat kan hen ervoor bewaren om door de “afval” te worden meegesleurd (vgl. 2 Thessalonicenzen 2:3, 8-13). En die bewaren wat daarin geschreven staat. Deze zaligspreking wordt aan het eind van het boek herhaald. Daar lezen we: “Gelukkig hij, die de woorden van de profetie van dit boek bewaart” (22:7) De engel zegt dan tegen Johannes: “Ik ben een medeslaaf van u en van uw broeders, de profeten, en van hen die de woorden van dit boek bewaren” (22:9) Het werkwoord “bewaren” (Gr. tereoo) geeft aan dat men het boek bewaakt als een kostbare schat, de inhoud ervan ter harte neemt, die overpeinst en hem als richtsnoer gebruikt. “Bewaren wat erin geschreven staat” betekent: aan de inhoud niet toedoen of ervan afdoen (22:18-19). De opdracht om het boek te bewaren krijgt een bijzondere klank wanneer we beseffen dat het bezit ervan als hoogverraad zal worden beschouwd – een vergrijp dat met de dood wordt bestraft (vgl. 6:9 en 20:4 met 1:2).

Want de tijd is nabij. Voor “slaven” die op aarde zijn wanneer de dag des Heren aanbreekt is “nabij” wat in het boek wordt beschreven, inclusief de verschijning van de Messias in heerlijkheid. Alles zal “spoedig” gebeuren. Deze verzekering wordt zeven maal herhaald, zodat hij een grote nadruk krijgt (1:1, 1:3, 22:6, 22:7, 22:10, 22:12, 22:20) Voor “tijd” gebruikt Johannes niet het woord chronos (d.w.z. “tijdperk”), maar kairos (d.w.z. “tijdstip”). Het gaat om het tijdstip van de openbaring van de Messias. De belofte dat de Heer spoedig komt is voor deze mensen van groot belang, aangezien zij de “grote verdrukking” meemaken en lijden onder de vervolging die de “mens der zonde” ontketent tegen trouwe dienaars van de God van Israël (13:7, 13:14-18). De weergave van en tachei met “haastig” is minder juist. Voor wie zich in nood bevindt, is het een schrale troost om te vernemen dat er “haastig” hulp komt. Wanneer de hulpverleners een grote afstand moeten afleggen kunnen “haastige” helpers nog best te laat komen. Het is wél een troost om te weten dat de hulp niet lang op zich zal laten wachten. In de Openbaring worden in dit verband meerdere tijdsaanduidingen gebruikt: tweeënveertig maanden (11:2, 13:5), twaalfhonderdzestig dagen (11:3, 12:6), en “een tijd, tijden en een halve tijd” (d.w.z. drie-en-een-half jaar, 12:14, vergelijk Daniël 7:25 en 12:7). “Als die dagen niet werden verkort, zou geen enkel vlees behouden worden, maar ter wille van de uitverkorenen zullen die dagen worden verkort” (Mattheüs 24:22)

 

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

391735 bezoekers sinds 07-06-2010