Hebt gij Mij waarlijk lief

25-05-2010 door Joop Neven

door Peter Slagter

Het Johannes-evangelie eindigt zo’n beetje met de woorden, die de Here Jezus spreekt tot Petrus. Hij zou de sleutels van het Koninkrijk der hemelen ontvangen (zie Matt.16) en als er een ommekeer in zijn leven zou plaatsvinden, zou hij zijn broeders versterken. Kortom, hij zou een door de Heer gegeven taak gaan vervullen. Alleen, om deze taak te kunnen vervullen was het nodig, dat Petrus vervuld zou worden met de heilige Geest! Hij moest, evenals de anderen, kracht ontvangen om te getuigen en zijn dienst te vervullen onder (de gelovigen uit) Israël.

Johannes 21:15-17. “Toen zij dan de maaltijd gehouden hadden, zeide Jezus tot Simon Petrus: Simon, zoon van Johannes, hebt gij Mij waarlijk lief, meer dan dezen? Hij zeide tot Hem: Ja Here, Gij weet, dat ik U liefheb. Hij zeide tot hem: Weid Mijn lammeren. Hij zeide ten tweeden male weder tot hem: Simon, zoon van Johannes, hebt gij Mij waarlijk lief? En hij zeide tot Hem: Ja Here, Gij weet het, dat ik U liefheb. Hij zeide tot hem: Hoed Mijn schapen. Hij zeide ten derden male tot hem: Simon, zoon van Johannes, hebt gij Mij lief? Petrus werd bedroefd, dat Hij voor de derde maal tot hem zeide: Hebt gij Mij lief? En hij zeide tot Hem: Here, Gij weet alles, Gij weet, dat ik U liefheb. Jezus zeide tot hem: Weid Mijn schapen.”

Liefde

In Johannes 21:15 e.v. wijst de Heer op de liefde die nodig is om vruchtbaar te kunnen zijn in de dienst aan God. De Bijbel zegt: “God is liefde”; en Zijn liefde wil Hij uitwerken in de harten van gelovigen. Daarvoor gaf Hij Zijn Geest. Gods liefde is in onze harten uitgestort (vgl. Rom. 5:5) als bron van leven, kracht en dienst. De Here Jezus vraagt aan Petrus: “…hebt gij Mij waarlijk lief, meer dan dezen?” Ongetwijfeld refereert de Heiland aan de uitspraken van Petrus zelf.

Mattheüs 26: 30-35.  “En na de lofzang gezongen te hebben vertrokken zij naar de Olijfberg. Toen zeide Jezus tot hen: Gij zult allen aan Mij aanstoot nemen in deze nacht. Want er staat geschreven: Ik zal de herder slaan en de schapen zullen verstrooid worden. Doch nadat Ik zal zijn opgewekt, zal Ik u voorgaan naar Galilea. Petrus antwoordde en zeide tot Hem: Al zouden allen aanstoot aan U nemen, ik nooit! Jezus zeide tot hem: Voorwaar, Ik zeg u, in deze nacht, eer de haan kraait, zult gij Mij driemaal verloochenen. Petrus zeide tot Hem: Zelfs al moest ik met U sterven, ik zal U voorzeker niet verloochenen. Zo spraken ook al de discipelen.” De Heer voorzegt, dat zij allen (de discipelen) aanstoot aan Hem zouden nemen. Daarmee zouden de (profetische) woorden van Zacharia 13:7 in vervulling gaan: “Zwaard, waak op tegen Mijn herder, tegen de man die Mijn metgezel is, luidt het Woord van de HERE der heerscharen; sla die herder, zodat de schapen verstrooid worden; en Ik zal mijn hand keren tegen de kleinen.” Het laatste gedeelte van dit vers wordt in de Statenvertaling anders weergegeven:” …maar Ik zal Mijn hand tot de kleinen wenden.” Dat klinkt positiever. De uitdrukking: ‘de hand keren/ wenden tot een persoon’ wordt gewoonlijk in verbinding gebracht met oordeel. Zoals bijvoorbeeld in Amos 1, vers 8: “…en Ik zal Mijn hand keren tegen Ekron”, of Psalm 81, vers 14-15: “Welhaast zou Ik hun vijanden vernederen, en Mijn hand tegen hun tegenstanders keren.” Toch ben ik het eens met Keil, Hitzig, Dr. Wright, en anderen, dat de uitdrukking hier gebruikt wordt in een positieve betekenis, namelijk, dat God Zijn hand zal wen­den tot de kleinen om hen heil te schenken, hoe­wel dat heil wellicht gebracht wordt door middel van tuchtiging. In die zin komt het voor in Jesaja 1, vers 25: “Ik zal Mijn hand tegen u keren (beter: tot u wenden – pas) en Ik zal uw slakken als met loog uitzuiveren en al uw looddelen verwijde­ren…”. Zo wordt het ook hier in Zacharia 13 gebruikt, net zoals in vers 8 en 9 wordt vermeld, dat er oordeel over Israël komt, doch dat een overblijfsel heil zal ontvangen. De speciale vorm van het Hebreeuwse woord ‘tsoarim’, vertaald met: ‘de kleinen’, komt nergens anders voor in de Hebreeuwse tekst. De ware betekenis kan omschreven worden als: ‘zij, die klein blijken te zijn’, zij, die zichzelf klein maken’, de ‘zwakken’, ‘nederigen’.

 David Baron, The visions and prophecies of Zechariah, p. 480

‘De kleinen’ zijn hier de discipelen en het heil zou daarin bestaan, dat de Here Jezus hen, na Zijn volbrachte werk, zou voorgaan naar Galilea en vrede zou schenken. De Here Jezus voorspelde hen, dat zij Hem eerst alleen zouden laten (vgl. Joh. 16:32) in Zijn eenzame strijd. De discipelen dachten daar – toen nog – anders over, vooral Petrus: “Al zouden allen aanstoot aan U nemen, ik nooit!” (vs. 33) En daarop aansluitend: “Zelfs al moest ik met U sterven, ik zal U voorzeker niet verloochenen.” (vs. 35). Nu, hoe dat naderhand gegaan is, weten we inmiddels. Uit dit alles blijkt overigens wel, dat Petrus vol was van de liefde voor de Heer! Hij was beslist van goede wil. Maar er is meer voor nodig om die liefde ook daadwerkelijk te kunnen betonen. Daarvoor is Gods Geest nodig.

 Agape en Philo

In de Griekse tekst van Johannes 21:15-23 valt onmiddellijk het gebruik van verschillende woorden op. In de Statenvertaling is daar in het geheel geen aandacht aan geschonken. De NBG-vertaling heeft de verschillen weergegeven door het woord ‘waarlijk’ in te voegen. Er worden hier twee woorden gebruikt, die beide te vertalen zijn met ‘liefde’ of ‘liefhebben’:

 1. Agape

Dit woord voor ‘liefde’ duidt op een doelbewust liefhebben. Het is meer dan een uiting van warme gevoelens of genegenheid. Het is een onvoorwaardelijke liefde, die niet eerst eist, maar zonder voorwaarden alles geeft. Het is een liefde, die voortkomt uit de wil om lief te hebben. Dit woord wordt onder meer gebruikt in teksten als: “God is liefde” en “…hebt uw vijanden lief’

2. Philo

Dit woord heeft een ‘wijdere’ strekking en omvat liefde als (natuurlijke) genegenheid. Dus: originele, spontane liefde, die meer aan de oppervlakte ligt (hoeft niet per se ‘oppervlakkig’ te zijn!). Hoewel deze omschrijvingen niet volledig zijn geven zij enig onderscheid aan. En dat onderscheid is er, want anders zou de Schrift geen verschillende woorden gebruiken. Wij kennen dat onderscheid in onze taal ook wel. Zelden zal iemand zeggen: ‘ik heb liefde voor spruitjes’. Als het om dit soort dingen gaat zeggen wij meestal: ‘ik hou van’. Anderzijds kunnen wij intens van iemand houden, omdat wij die persoon innig liefhebben… Om de verschillen in Johannes 21 te laten zien zetten we de Griekse woorden er maar even bij.

1e vraag:          “…Simon… hebt gij Mij waarlijk lief?” (agape)
antwoord: “Ja Here, Gij weet, dat ik U liefheb” (philo)

2e vraag:        “…Simon… hebt gij Mij waarlijk lief?” (agape)

antwoord:  “Ja Here, Gij weet het, dat ik U liefheb” (philo)

3e vraag:        “…Simon… hebt gij Mij lief?” (philo) antwoord: “Here, Gij weet alles, Gij weet, dat ik U liefheb” (philo)

Bij de eerste twee vragen en antwoorden spreken de Here Jezus en Petrus niet dezelfde taal. Petrus zit kennelijk (nog) op een andere golflengte. De ware ‘ommekeer’ in zijn leven heeft nog niet plaatsgevonden. Bij de derde keer gebruikt de Heer hetzelfde woord als Petrus. Je zou kunnen zeggen, dat Hij Zich begeeft op het niveau waar de apostel zich op dat moment bevindt.

Geest

Merk op wat de Here Jezus aansluitend zegt in vers 18 en 19: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Toen gij jonger waart, omgorddet gij uzelf en gij ging, waar gij wildet, maar wanneer gij eenmaal oud wordt, zult gij uw handen uitstrekken en een ander zal u brengen, waar gij niet wilt. En dit zeide Hij om te kennen te geven, met welke dood hij God verheerlijken zou.” De Here zet het leven van de jonge(re) Petrus tegenover het leven van de oude(re) Petrus! Als jongeling ging hij waar hij wilde. Later zou hij gaan waar God wilde. En om die weg te kunnen gaan was het nodig, dat er een ommekeer zou komen in zijn leven. Die ommekeer is ook gekomen, en wel door de uitstorting van de Heilige Geest (Hand. 2). Door de kracht en de leiding van Gods Geest zou Petrus later de leider van de Twaalven worden. Hij zou, samen met de anderen, een krachtig getuigenis afleggen temidden van zijn joodse volksgenoten.

Het boek Handelingen laat ons zien hoe God krachtig in hen en door hen werkte, en hen leidde in de waarheid. We zien hoe Petrus de wonderlijke gebeurtenis op het Pinksterfeest verklaart aan de omstanders en hen met grote volmacht het Evangelie verkondigt. We zien hoe hij een machtig wonder verricht bij de tempel door een verlamde te doen lopen, en aansluitend een indrukwekkende rede houdt (Hand. 3). In hoofdstuk 4 blijkt hij op geen enkele wijze nog bevreesd te zijn om ‘voor de Here Jezus uit te komen’, zelfs niet ten overstaan van de joodse Raad. Zie hoe hij zeer beslist optreedt tegen Ananias en Saffira nadat zij de Geest des Heren verzocht hebben (Hand. 5). Hij is, samen met de andere apostelen, zelfs blij “dat zij verwaardigd waren ter wille van de Naam smadelijk behandeld te zijn…” (Hand. 5:41). Waar Petrus eertijds ‘groot’ was in zichzelf, daar was hij ‘klein’ voor God. Nu hij door Gods Geest is aangeraakt komt zijn leven (en werk) in het juiste perspectief te staan: zwak in zichzelf, krachtig in de Here. En, overvloedig in de liefde… van de Heer! Wij vinden hier een geestelijke les voor onszelf. Immers, wij zitten zo ongeveer net zo in elkaar als Petrus… en ieder ander. Wij menen soms zoveel te kunnen in eigen kracht, we vertrouwen daar dikwijls op. Toch is het Bijbels getuigenis anders. De woorden van een andere dienstknecht van God, de apostel Paulus, spreken in dit verband boekdelen: “Daarom heb ik een welbehagen in zwakheden, smaadheden, noden, vervolgingen, benauwenisen ter wille van Christus, want als ik zwak ben, dan ben ik machtig.” (2 Kor. 12:10). Paulus’ naam betekent: klein. Binnen het jodendom was hij een groot man (vgl. Gal. 1:14, Fil. 3), maar hij ging zijn eigen weg “als hartstochtelijk ijveraar voor mijn voorvaderlijke overleveringen.” Na zijn ontmoeting met de Here Jezus veranderde alles. Datgene wat hem -tot dan toe- winst was heeft hij schade geacht om Christus’ wil. Hij achtte zich de grootste der zondaren en de geringste van alle heiligen. In die hoedanigheid was hij bruikbaar voor God. Iemand heeft eens gezegd: “Je kunt wel te groot zijn om door God gebruikt te worden, maar nooit te klein!” Net als Petrus, Paulus, en zovele anderen moeten wij leren niets te zijn van onszelf, maar alles te bezitten in Christus. Daar waar Hij ons leven vult en leidt kan onze dienst aan Hem vruchtbaar zijn.

Geliefden

Het feit, dat de Here Jezus Zich zo om Petrus bekommert bepaalt ons bij Zijn liefde voor hem. Gods liefde is altijd de bron van Zijn handelen, ook jegens de gelovigen. Gelovigen worden in de Bijbel “geliefden” genoemd (Petrus gebruikt dit woord zes keer in zijn beide brieven). Dat komt, omdat zij opgenomen zijn in de liefde van God. God heeft ons lief, niet omdat wij altijd zo aardig zijn, maar omdat “Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde.” (Efe. 1:6) Omdat wij Christus toebehoren zijn wij geliefden van God. En Zijn liefde voor ons is onveranderlijk! Denk U dat eens in: elke dag heeft God U even lief. En uw medebroeders en -zusters evenzo! Daarom zegt Paulus ook tegen geliefde kinderen: wandelt in de liefde…!

In het ‘gezin van God’ is de allerbelangrijkste levensregel: de liefde.

 Dat is dé levensregel voor elke gelovige apart en voor de gelovigen samen. Liefde tot God, en ook tot de naasten, dat zijn volgens de Bijbel in de eerste plaats onze volksgenoten, leden van hetzelfde volk c.q. Lichaam (vgl. Efe. 4:25). Natuurlijk, net zoals in elk gezin, vallen er in de Gemeente ook wel eens woorden, lopen wij elkaar wel eens in de weg, maken we fouten, doen we anderen (ongewild) pijn. Dat zijn dingen die kunnen en moeten, als het goed is, worden uitgepraat, zodat de liefde zegeviert. En waar liefde woont, gebiedt de Heer Zijn zegen! De tegenstander zal altijd proberen een wig te drijven tussen gelovigen. Hij wil hen tegen elkaar op zetten, hen tegen elkaar uitspelen, en vooral van Christus afhouden. Wij moeten daar waakzaam voor zijn! De Bijbel zegt: “Zo kennen wij dan van nu aan niemand meer naar het vlees.” (2 Kor.5:16) In de praktijk echter zien we zo vaak op mensen, voelen wij ons zo gauw op de teentjes getrapt, gaat het (soms zo vroom ingekleed) dikwijls om ons eigen ‘ik’. Wij voelen ons soms zo tekort gedaan: “Wat ze mij allemaal hebben aangedaan…!” En: “Ik kan hier niet mee uit de voeten… ik ben het daar niet mee eens… ik zie dat heel anders… ik vind dat niet leuk…” ik, ik, ik! Vaak zijn wij het woord van de Heiland vergeten, Die tot Zijn discipelen sprak bij de voetwassing in Johannes 16: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, een slaaf staat niet boven zijn heer, noch een gezant boven zijn zender. Indien gij dit weet, zalig zijt gij, als gij het doet.” (vs. 16,17) Inderdaad, wij zijn veel gauwer geneigd iemand de oren te wassen dan zijn voeten, want daarvoor moeten wij bukken…! Toch is dát het geheim en het kenmerk van gezond geestelijk leven, namelijk, dat de gezindheid van Christus in ons is, en dat is: liefde, overgave, dienstbaarheid, niets eisen… alles geven, het goede (voor de Gemeente) op het oog hebben, niet zien op onszelf of op anderen, maar op de Heer Jezus alleen. Wat heeft het de Heiland niet gekost om U en mij te redden van het oordeel. Hoe werd Hij niet tegengewerkt, onheus bejegend, belasterd, besmeurd, gehoond…! Daarom: “Vestigt uw aandacht dan op Hem, Die zulk een tegenspraak van de zondaren tegen Zich heeft verdragen, opdat gij niet door matheid van ziel verslapt.” (Hebr. 12:3). Als wij op Hem zien en het van Hem verwachten, dan kunnen wij elkaar ook aanvaarden als ‘geliefde kinderen Gods’. Dan wandelen wij naar de ‘eis der liefde’, en zullen wij van God genade ontvangen, telkens weer…

Dan kennen wij elkaar niet naar het vlees… maar naar de Geest. Dan vergeven wij elkander van harte; dan bemoedigen wij elkaar. In Galaten 6:2 zegt Paulus: “Verdraagt elkanders moeilijkheden; zó zult gij de wet van Christus vervullen.” De wet van Christus is: de liefde. Als wij die wet vervullen, zijn wij ‘navolgers Gods’. Dan wordt de Gemeente een werkplaats van de Heilige Geest. Dan kan er vrucht komen voor God. Dan wordt ons leven een getuigenis, ook voor hen die (nog) buiten staan.

Uit: ‘Amen’ www.amen.nl

 

Commentaren zijn gesloten.

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

410212 bezoekers sinds 07-06-2010