Hebreeuws denken

25-05-2010 door Joop Neven

Het Hebreeuwse denken verschilt nogal van het westerse denken. Enkele grote lijnen, met al de beperkingen van dien:

A. Verhouding christendom t.o.v. Jodendom

De wortels van ons geloof liggen in het Jodendom. Voor Joden is het vaak onbegrijpelijk hoe Christenen met de Bijbel omgaan. En het spreken over het ‘Oude Testament’ is een regelrechte belediging. Het is niet oud en het is geen testament. Dus spreken we over ‘de Hebreeuwse Bijbel’ of de ‘Tenach’. Het een miskleun van de eerste orde, dat bij het maken van de N.B.G. – vertaling er geen gebruik is gemaakt van Joodse theologen. Immers vanzelfsprekend vallen hen als experts details op in de tekst, die in een vertaling niet tot hun recht komen. Aan de op handen zijnde ‘Vertaling 2000’ van het N.B.G. zullen wel joodse theologen meewerken. Binnen het Jodendom zijn minstens net zoveel stromingen als binnen het christendom. Een groot verschil wordt echter duidelijk gemaakt door wat een Jood zei: Je mag bij ons alles zeggen en alles denken over een tekst, zolang als je maar niet zegt dat je gelijk hebt. Dat was een rijke, diepe en leerzame gedachte. Uitgangspunt is de opvatting van de ‘orthodoxe Joden’, die aan de Hebreeuwse Bijbel een Goddelijke oorsprong toekennen en als gezaghebbend beschouwen.

B. Verschillen.

Er zijn grote verschillen tussen de Joden en de Christenen. Begrippen als ‘zondeval’ en ‘erfzonde’ zijn hen totaal onbekend. Voor Joden is het op zoek gaan naar de waarheid in de Bijbel een avontuur. Wij Westerlingen zijn in hun ogen ook veel te serieus. Joodse commentaren herkennen in de Bijbel volkshumor, geestigheid en ironie. Niet het verstaan van de letter is het belangrijkst, maar het verstaan van Gods stem. De Bijbel uitleggen vergt in hun ogen een behoorlijke dosis zelfkritiek en zelfkennis. De Joden lezen tussen de regels door en proberen het innerlijke verband te ontdekken. Het is een voortdurende worsteling tussen interpretaties en de uitdaging van een tekst en de mens. De Bijbel is in gesprek met ons. Er moet ook verwondering zijn. Als de verwondering eruit gaat, wordt het gevaarlijk. God is niet ‘vanzelfsprekend’ of ‘natuurlijk’. Wij Christenen willen maar al te vaak ons eigen godsdienstige standpunt bevestigd zien. Voor de Joden zijn veel verschillende ervaringen met de Bijbel mogelijk en geoorloofd. Zij lezen – zoals gezegd – tussen de regels door en proberen het innerlijke verband te vinden.

Het christendom vraagt zich af: ben ik wel orthodox genoeg? Het Hebreeuwse denken vraagt ben je orthoprax, ben je recht in de daad. Je kunt prachtige theorieën hebben, maar als het geen praktijk is, dan heb je er niet zoveel aan.

C. Indeling Hebreeuwse Bijbel

De Hebreeuwse Bijbel bestaat uit drie delen: De Torah, de Neviim en de Ketuvim. De volgorde van de Bijbelboeken is ook anders dan bij ons. Het hart is de Torah, de eerste vijf boeken van Mozes. De vertaling van Torah met ‘Wet’ is in veel Joodse ogen onjuist. Het is een weg, een pad dat men betreedt en een middel om een bepaalde bestemming te bereiken, zowel als enkeling als volk. Het woord Torah is afgeleid van de stam jarâ, dat als betekenis heeft: ‘een pijl op een doel schieten’. Daarna volgen de Neviim, de Profeten en de Ketuvim, de Geschriften. Zoals gezegd is de volgorde van de Bijbelboeken anders. Het zijn opeenvolgende ringen, zoals uienringen rond de Torah. De Profeten bevat: Jozua, Richteren, 1 en 2 Samuël, 1 en 2 Koningen, Jesaja, Jeremia Ezechiël en de twaalf ‘kleine profeten’. De Geschriften bevatte de overige Bijbelboeken (dus ook Ruth, 1 en 2 Koningen, Ezra en Nehemia, Ester en Job behoren tot het derde deel ‘de Geschriften’).

D. Hasjem, De Naam

Het is bekend dat de Naam van God niet uitgesproken wordt. De Naam wordt gespeld met de Hebreeuwse letters jod-hej-vav-hej. Namen voor God, die vaak gebruikt worden zijn: Adonai, Elohim, Hasjem (‘de Naam’), de Eeuwige, HERE.

Teneinde in de Hebreeuwse tekst aan te geven dat niet gepoogd wordt het tetragrammaton uit te spreken, zijn waar het in de tekst voorkomt de klinkers van de naam Adonai aan de medeklinkers toegevoegd. Hierdoor ontstond de naam Jehovah. Buber en Rosenzweig kozen voor de vertaling: ‘Hij die is’; en dat is een zeer juiste weergave.

E. Ontstaan van de Hebreeuwse Bijbel

De oorspronkelijke Hebreeuwse Bijbel kende (net als het Grieks) geen interpuncties. Deze zijn pas rond het jaar 700 na Chr. toegevoegd. In tegenstelling tot ons gebruik van interpuncties geeft het in het Hebreeuws alleen aan hoe zinnen in kleinere zinsdelen verdeeld kunnen worden. Oorspronkelijk werden de Torah-rollen dan ook gelezen zonder enige richtlijn hoe ze uitgesproken moesten worden en was men afhankelijk van de kennis, ervaring en interpretatie van de voorlezer. Een voorbeeld in het Nederlands: tussen de medeklinkers zn, kun je ‘zon, zoon of zin’ lezen.

F. Verschil in omgaan met de Bijbeltekst

In dit licht is de uitspraak van de rabbijnen: ‘de Torah heeft zeventig gezichten’ beter te begrijpen en het belichaamt openheid. Voor Joden zijn veel verschillende benaderingen en ervaringen met de Bijbel geoorloofd. Men ziet het over het algemeen als verrijkend van elkaar te leren vanuit iemands unieke persoonlijkheid, kennis en levenservaring. Men heeft er dan ook vaak geen moeite mee te onderkennen dat de Bijbel zich soms ‘tegenspreekt’ en ‘speels’ is. Het belangrijkste verschil is, dat Joodse exegeten de Hebreeuwse Bijbel lezen door de bril van de Talmoed en andere rabbijnse geschriften, terwijl Christenen de Hebreeuwse Bijbel lezen door de bril van het Nieuwe Testament. De Talmoed (eigenlijk zijn er twee Talmoeds: de Babylonische, die is opgesteld in wat nu Irak is, en de Palestijnse) is nog het best te vergelijken met een discussieboek. Hierin zijn de discussies, die rabbijnen met elkaar gevoerd hebben over de praktische uitleg van de Torah bewaard gebleven. Deze uitspraken van de rabbijnen zijn gebaseerd op de mondelinge leer of overlevering. Deze mondelinge leer neemt een even belangrijke plaats in als de schriftelijke Torah. Aan deze mondelinge leer van de Torah kennen de rabbijnen ook Goddelijke oorsprong toe. God heeft haar aan Mozes gegeven en via Jozua en de oudsten (dat zijn de opvolgers van Jozua – Jozua 24:31) en de profeten (van Samuël tot Maleachi) is zij bij de Grote Synagoge terechtgekomen. Dit was een raad van oudsten, die vanaf de tijd van Ezra was ingesteld om zich bezig te houden met de Torah.

Ten eerste: Eén van de meest wezenlijke punten van het mens-zijn en van het Hebreeuwse denken is vertellen. De Hebreeuwse mens is dan ook bij uitstek een verteller. De Hebreeuwse mens is sterk ingesteld op het horen, het Griekse denken (zie punt 1) op het ZIEN. Daarom is het vanouds: “hoor, Israël {o.a. Deuteronomium 6:4}. Het Hebreeuwse woord voor boek hangt dan ook samen met het woord voor vertellen. Het woord voor boek is seper en hangt nauw samen met het woord “vertellen” en “tellen”. Vertellen is in wezen een vorm van tellen; het optellen van daden. Psalm 118:17: ‘ik zal de daden des Heren vertellen”.

De Messiaanse Psalm 22 gaat eerst over de totale eenzaamheid en godverlatenheid. Dan komt er een keerpunt in vers 23: Ik zal uw naam aan mijn broeders verkondigen”. letterlijk staat er: “vertellen”.

In Exodus 9:16 staat: “opdat men mijn naam verkondige op de gehele aarde”. (Weer letterlijk: “vertellen”). Van Genesis tot Openbaring gaat het in wezen om het vertellen van de Naam. Dat is de bestemming van de mens: het vertellen van de daden des Heren. Eén verhaalprincipe is dat eerst de grote lijn verteld wordt en dan de details. Bijv. Genesis 1:1: “In den beginne schiep God de hemel en de aarde”. Daarna krijg je de details. In Johannes 1:1-18 staan de grondprincipes van het hele Evangelie; en daarna wordt het uitgewerkt.

Ten tweede: Het verhaalprincipe is dat herhalingen in de Bijbel nooit herhalingen zijn. Het is ook geen samenvoeging van bepaalde bronnen. Het is bewuste compositie. Bijvoorbeeld in Genesis 12 wordt verteld dat Abraham naar Egypte gaat en hij zegt dat Sarah zijn zuster is. In Genesis 20 doet Abraham dat opnieuw. En in Genesis 26 doet Izaäk hetzelfde.

Dat zijn geen doubletten, maar het staat er met opzet drie keer. Het heeft een functie. In Genesis 12 staat het i.v.m. het bedreigde land. Het gaat daar over de belofte van het land. In Genesis 20 staat het vlak voor de geboorte van Izaäk. Daar gaat het dus over de bedreiging van het zoonschap. In Genesis 26 heeft het weer een andere functie. Daar staat het net tussen de geboorte van Jakob en Ezau in. Het gaat dan om de zegen. Die wordt in Genesis 27 gegeven.

Ten derde: de oosterse mens is ook heel taalgevoelig. Het Hebreeuws in de Tenach is niet zo gewoon als het in onze vertalingen doorklinkt. Het is vaak heel poëtisch. Het is ook een goed idee de vertalingen van Buber en Rosenzweig eens te bestuderen; zij vertalen heel poëtisch. Het Bijbelse Hebreeuws is dus geen huis- tuin en keukentaal. Daarom kun je de Bijbel ook niet aanpassen in ‘omgangstaal’. Dan blijft alleen over wat de doorsnee mens van deze eeuw past. De moderne mens denkt en spreekt in de taal van de commerciële omroepen en de Telegraaf.

Ten vierde: is taal een openbaringsmedium. De priesters hebben dat taalgeheim doorgegeven van geslacht op geslacht. Het spreken van God is ook creatief. En daarom mag de verteller dat ook zijn. Dat doet niets af aan de betrouwbaarheid van de openbaring. De historische betrouwbaarheid en de creativiteit van de verteller gaan hand in hand.

Ten vijfde: verwijzen het begin en het einde van een episode naar elkaar.

Bijv. Markus 1:10: “toen Hij uit de Jordaan opsteeg zag Hij de hemelen scheuren” en Markus 15:38: “het voorhangsel scheurde”. Verder komt dit woord in Markus niet voor. Het is in stereo luisteren; als je Markus 15 leest, moet je Markus 1 nog in je oren hebben. In beide gevallen heeft het “scheuren” te maken met de ontsluiting van de verborgen wereld.

Dat zie je ook in: Genesis 1:1 “In den beginne schiep God” en Genesis 2:3 “die God geschapen had”.

Ten zesde: Bijbelverhalen blijven open naar de toekomst. Bijv. Jona. Aan het eind van het boek spreekt God. Hoe Jona reageert wordt niet meer verteld. Bij de gelijkenis van de verloren zoon {Lukas 15:11-32} is er ook een open slot. Het laatste is de uitnodiging van de vader aan de oudste zoon. Zijn reactie wordt niet vermeld. Het boek Handelingen heeft ook een open slot. Paulus is in Rome en je vraagt je af, hoe het met hem afloopt. Het slot is met opzet open: het is nog niet af; het gaat door tot op de dag van vandaag. Dat is ook een fundamenteel punt in het Hebreeuwse denken, nl. dat de toekomst open is. Verhalen moeten daarom open zijn naar de toekomst. De laatste letter van het Hebreeuwse alfabet is de taw. En dat is de letter van de toekomst. Bij de vervoegingen van de Hebreeuwse werkwoorden naar de toekomende tijd beginnen die vormen altijd met een taw. Bijv. al de ‘tien woorden’ van Exodus 20: “gij zult” beginnen met een taw. “Gij zult” is dan ook een openleggen naar de toekomst. Het is meer een belofte dan een gebod. De kern is “Ik ben de HERE, uw God” {Exodus 20:1}. En dat is geen gebod maar een aanbod. Ze kwamen als slaven uit Egypte en nu zegt God: vrijheid. Het is dus eigenlijk: de Wet der vrijheid.

De voertaal van de vroege rabbijnse periode was Aramees. Zoals gezegd is de Joodse benadering anders dan de onze. Mensen als David, Samuël, Saul en Salomo hebben in de Bijbel zoveel gezichten, dat er geen duidelijk beeld van hen te krijgen is.

Joden zijn daar eerlijker in dan Christenen, die veel gemakkelijker ‘etiketten’ opplakken. Bijvoorbeeld Salomo wordt geacht zo wijs te zijn, maar is een vat vol tegenstrijdigheden, want hij krijgt in de Bijbel ook de reputatie van een losbol en afgodendienaar.

G. Nationalistisch en toch universeel

De nadruk bij Christenen ligt vaak op ‘persoonlijke redding’. Bij Joden ligt dat anders, daar wordt (gelukkig) veel universeler gedacht. Het gaat om de terugkeer tot harmonie tussen volken, mensen, schepping en God. Enerzijds is de Jood heel nationalistisch (hoewel we ons ook moeten realiseren, dat we tegenwoordig met een hele generatie Israëli’s te maken hebben, die zich geen Jood noemen), maar anderzijds heel sterk doordrongen van het feit dat Israëls God, de God van de hele wereld is. Vanuit de Torah hebben de Profeten het monotheïsme en nationalisme verkondigd, maar ook het universalisme. Voor de Bijbelschrijvers, van de eerste tot de laatste, is God niet alleen de God van Israël, maar is Hij de God van het heelal en de enige God die er ooit geweest is en zal zijn.

Voor alle duidelijkheid: God is geen ‘internationale’ God. Met geen enkel ander volk dan Israël ging God ooit een juridisch bindende overeenkomst aan. M.a.w. de ‘nationale’ God van Israël is een universele God. Nog anders gezegd: het nationale universalisme van het geloof der profeten.

De hele Hebreeuwse Bijbel is hier vol van {o.a. Genesis 12:3; 22:18; Psalm 24:1; Jesaja 19:24,25; 42:6; 43:9-13; 55:4; Jeremia 29: 4-7; 31:31-34; Amos 9:7; Micha 4:3}.

De beperking van de menselijke taal maakt het helaas onmogelijk een beschrijving te geven van wat per definitie niet te beschrijven en te definiëren is. Toch houdt onze God Zich steeds weer in Zijn Woord tot in de kleinste details bezig met de menselijke ervaring en het menselijk leven.

H. Is God in de Tenach anders dan in het Nieuwe Testament?

Ook is het absurd om de God in de Hebreeuwse Bijbel af te schilderen als toornig, wreed en boosaardige e.d. en de God van het Nieuwe Testament als de God van Liefde. In de Hebreeuwse Bijbel geeft God de mens de opdracht “uw naaste lief te hebben als u zelf” {Levitcus 19:18} en beschrijft Hij Zichzelf als “Barmhartig en genadig, lankmoedig, groot van goedertierenheid en trouw” {Exodus 34:6} . Dat God Zich in het Nieuwe Testament openbaart aan ons in de Here Jezus Christus {o.a. Openbaring 3:8} is voor ons een geweldig voorrecht. Maar voor de Joden moet de Messias nog komen en zij zien uit naar die komst. Het vraagt van ons respect.

De kloof tussen Jodendom en christendom is, door ons geloof in de Here Jezus, groot, maar kan met wederzijds begrip steeds smaller worden. Het gaat om Dezelfde Bron en dat is God!

I. Het Westers denken

De Bijbelschrijvers waren Joods en dachten Hebreeuws. Het Hebreeuws of Aramees was hun voedingsbodem en hun moedertaal. Dat geldt ook voor de schrijvers van het Nieuwe Testament. Dat geldt ook voor Paulus. Als je het Grieks van Paulus tegen het licht houdt, dan zie je het Hebreeuws er nog doorheen. De schrijvers van het Nieuwe Testament schreven ‘doorschijnend’ Grieks. Het Grieks is de buitenkant en het Hebreeuws de binnenkant. Dan ga je het hart, de kern beter verstaan.

Juist uit de brieven van Paulus zijn zoveel leerstellingen gehaald. En dat is vaak een strakke, starre dogmatiek. De christelijke theologie is vaak verhard; het leven is er uit. Als je dat en dat maar onderschrijft, dan zit je goed. Maar dan haal je het hart en het leven eruit. Mensen hebben in hun leed en verdriet weinig aan boeken vol dogmatiek. En wat te denken van de vele kerkscheuringen? Met de brieven van Paulus sloegen ze elkaar om de oren, daar zijn heel wat klappen mee uitgedeeld en hebben mensen hun kerk, al dan niet vrijwillig moeten verlaten, omdat de brieven van Paulus misbruikt werden voor ‘de ware leer’. Vaak wordt ook vergeten dat Paulus een echt mens was. Er zijn vele teksten die het menselijke aspect van Paulus in zijn brieven benadrukken {o.a. 2 Tim. 4:13; 4:21}. Dan zie je geen stoere dogmaticus.

God doet trouwens in Zijn Woord helemaal niet aan dogmatiek of systematische theologie: God is anders.

In onze vertaling lezen we regelmatig: “dit is de geschiedenis van” {o.a. Genesis 6:9; 37:2}. Het Hebreeuws heeft echter geen woord voor geschiedenis. In het Grieks is het historia en dat betekent: je op de hoogte stellen, navorsing, onderzoek, te weten komen. Dat was ook wat de Grieken graag wilden: zij wilden ‘alles op een rijtje’ hebben. Deze erfenis heeft de Westerse mens, dat is in alle duidelijk, overgenomen. De Bijbel is geen informatieboek. Als het alleen om informatie ging dan zouden de meeste Bijbelboeken trouwens heel inefficiënt geschreven zijn. Bijv. de bekering van Paulus staat drie keer in de Handelingen, in hst. 9, 22 en 26; die geschreven zijn door Lucas, die toch alles “nauwkeurig heeft nagegaan” {Lukas 1:30}. Over de andere apostelen wordt nauwelijks iets gerept. Wij zouden verteld hebben hoe het afgelopen is met Paulus en Petrus. Johannes zegt: “Er zijn echter nog vele andere dingen, die Jezus gedaan heeft; indien deze één voor één beschreven werden, dan zou, naar ik meen, de wereld zelf de boeken, die geschreven werden, niet kunnen bevatten” {Johannes 21:25}. Maar Johannes schrijft hierover zelf een dun boekje van 21 hoofdstukken. Ook zien we hier een mooi voorbeeld van het Hebreeuwse denken. Wij zijn geneigd te denken, dat is toch wat overdreven, omdat we het rationeel willen verstaan. Johannes bedoelt gewoon te zeggen dat het met geen pen te beschrijven is, geen papier het kan bewaren en geen wereld kan dragen wat God in de Here Jezus Christus voor ons gedaan heeft.

De Bijbel staat vol metaforen, beeldspraak. Tegenover het Griekse histroria staat het Hebreeuwse d~bar, het woord. Dat is ook waar Johannes in zijn Evangelie mee opent; een oeroude Hebreeuwse inzet. Het woord dabar heeft heel wat betekenissen: woord, zaak, ding, gebeuren, bevel, gebod, openbaring. Al die aspecten zitten er in als God een ‘woord’ geeft. Dabar is een woord dat geschiedt, een woord dat wat doet, een ‘daad-woord’ en een ‘woord-daad’. Het zijn woorden die uitgaan en het zijn woorden die geschiedenis maken. In de Tenach vinden we 1436 keer: “en het geschiedde”. Woord is in het Grieks vertaald met logos en dat betekent behalve woord ook {be}rekening, rekenschap, rede, redenering. Ons woord logica is hier ook van afgeleid. En daar zit het probleem: in ons denken. Wij als Westerlingen zullen moeten leren ontdekken, dat God anders dan Hij vaak afgeschilderd wordt. Hij is de gans andere; deze God heeft een hart. Hij heeft een hart voor mensen.

Het verschil tussen het woord dabar en historia, is dat bij dabar heb je de benadering van binnenuit en historia benader je van buitenaf, objectief. Wij hebben vaak het probleem van Gods Almacht. Waarom grijpt Hij niet in? God gaat Zichzelf niet bewijzen, Hij bewijst alleen maar Zijn Liefde. Het Westerse denken is meer statisch, objectiverend, abstract. Het Oosterse denken is meer dynamisch, functioneel, concreet. Ons westers denken is, ook in de theologie, heel sterk beïnvloedt door Plato, die een scheiding maakte tussen lichaam en ziel. Het lichaam is de kerker van de ziel.

Het Hebreeuwse denken kent geen splitsing van lichaam en ziel; het is veel meer een eenheids-denken. Een Hebreeuwse denker heeft gezegd dat Plato de wereld in tweeën heeft geknipt. Het Hebreeuwse denken zoekt naar eenheid, is synthetisch. Het Griekse denken is meer analytisch. Het ziet ook verbanden en is sterk associatief. Bijv. Adam en adama, mens en akker, horen bij elkaar. Je kunt bij een wereldbeschouwing {de Bijbel heeft trouwens geen wereldbeeld} het accent leggen op het kosmische of op het historische. Het Hebreeuws kent ook geen woord voor ‘heelal’. Voor de Grieken was de wereld kosmos en voor de Joden geschiedenis. Voor de Hebreeuwse mens is tijd veel belangrijker dan ruimte. De Grieken denken kosmoscentrisch en de Joden antropocentrisch. Moet je de mens nu verstaan vanuit de kosmos of andersom? In het moderne, westerse denken wordt de mens heel vaak verstaan vanuit de kosmos. De mens is dan een heel klein radertje in het heelal. Dat zit heel sterk in het existentialisme: de mens is geworpen in het bestaan en hij moet maar zien, dat hij het land haalt.

In het Hebreeuwse denken is het net andersom: de kosmos wordt verstaan vanuit de mens. Dus over de kosmos wordt menselijk gedacht. Er wordt niet kosmisch gedacht over de mens. In de Griekse denkwereld heeft het ook vaak ontbroken aan het besef van zonde en aan het besef van lijden. Daar zijn ze niet uitgekomen Er niet aan toe gekomen. De Griekse mens was vol van de schoonheid.; het ging vooral om het zien. Wat dat aangaat is de Griekse cultuur ook heel indrukwekkend. Het is dan ook niet toevallig, dat we in Johannes 12:20-22 lezen: “er waren enige Grieken onder hen ……… wij zouden Jezus wel willen zien”. Van een van de Griekse woorden voor zien is  ons woord theorie afgeleid. Ze willen schouwen, aanschouwen, maar moeten leren horen. Daarom worstelden ze met het raadsel van de schuld en het raadsel van de ruimte. Het is in het Griekse denken één: één heelal; daarin vind je jezelf niet terug. Het is twee: hemel en aarde. Daar begint Genesis 1:1 al mee.

Als je een hemel en een aarde hebt, dan is er een gesprek mogelijk. De hemel is geïnteresseerd in de aarde. Genesis 1:1 begint daarom al met genade.

Psalm 115:15,16: “Gezegend zijt gij door de HERE, die hemel en aarde gemaakt heeft. De hemel is de hemel van de HERE, maar de aarde heeft Hij mensenkinderen gegeven”. Wij hebben een dak boven ons hoofd en grond onder onze voeten.

Bij de Grieken zie je de enkeling die iets onderneemt; bij de Joden is het heel sterk de gemeenschap met God en met elkaar. In het Griekse denken mag niets mag niets verborgen of onuitgesproken blijven. Bij de Hebreeuwse vertelkunst vind je heel vaak het tegenovergestelde. Je ziet in het Griekse denken ook geen karakterontwikkeling van personen. Bij Homerus blijft Achilles van begin tot eind dapper. In de Bijbel zie je karakterontwikkeling. Verder is een verschil, dat wat de figuren in de Griekse mythologie doen en zeggen geen gevolgen heeft buiten het beperkte verband. Wat bijbelse figuren doen heeft invloed op heel de wereldgeschiedenis. Bijv. de weg die Abraham gaat, heeft gevolgen voor de hele mensheid; tot de dag van vandaag toe. En dan zwijgen we maar over de Messias.

Het Griekse denken leert dat de mens zelf de zin van z’n bestaan moet leren ontdekken, terwijl de Bijbel ons dat op elke bladzijde duidelijk probeert te maken. De Grieken plaatsen, zeker Homerus, hun hoofdfiguren op doorgrond. In de Tenach blijven veel zaken op de achtergrond. En daardoor krijgt het verhaal een ongelofelijke spanning. Denk maar aan de geschiedenis van Abraham en Izaäk in Genesis 22. In vers 6 lezen we: “zo gingen die beiden tezamen”. In het Hebreeuws drie woorden. Er wordt zoveel blanco gelaten. Er wordt niet vermeld wat er onderweg besproken is. In vers 8 weer: “zo gingen die beiden tezamen”. Pas in vers 7 lezen we: “toen sprak Izaäk tot zijn vader”; het zijn zijn eerste, maar ook laatste woorden in dit hoofdstuk. Het begint met: “mijn vader” en eindigt met: “mijn zoon”. En dan dus weer: “zo gingen die beiden tezamen”. Soberder kan het niet.

Het kenmerk van het Hebreeuwse denken is; barmhartigheid; Liefde, het wezen van God; altijd ten dienste van de ander. Het maakt de Boodschap zo bijzonder.

Commentaren zijn gesloten.

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

406173 bezoekers sinds 07-06-2010