Hebreeènbrief

14-06-2010 door Dr. K.D. Goverts

De Hebreeënbrief kan gemakkelijk verkeerd geïnterpreteerd wor­den en soms maakt men misbruik van dit geschrift om bepaalde vooroordelen te versterken. We dienen derhalve behoedzaam te wan­­delen wanneer wij deze grond betreden en we houden ons vast aan ons uitgangspunt: het Oude Testa­ment is niet oud en het is géén testament. Nimmer zal een bijbelschrijver het zogenaamde Oude Tes­tament de­­gra­de­­ren of als achterhaald betitelen. De Schrift (Tenach en Evan­­­gelie) vormt een onverbrekelijke eenheid. Diverse kern- of mo­­­­­­­tief­­­woorden kun­nen ons een entree ge­ven om deze brief bin­nen te treden.

 Het spreken Gods

1. Dit is meteen de inzet van het hele betoog: Op vele wijzen en vele malen heeft God tot de vaderen gesproken in de profeten; op het uiterste van deze dagen heeft Hij tot ons gesproken in een zoon, of ‘in één die zoon is’. Ditzelfde woord spreken komt nog twaalf keer in de He­breeënbrief voor.

«Een zaligheid (bevrijding) waarover om te beginnen gesproken is door de Here» Hebr.2:3.

«De komende bewoonde wereld waarover wij spreken»  Hebr.2:5.

«De dingen waarover gesproken zou worden» Hebr.3:5.

«Zou hij niet gesproken hebben over een andere la­tere dag»  (een dag daarna)» Hebr.4:8.

«Hij die tot Hem sprak»  Hebr.5:5.

«Ook al spreken wij zo»  Hebr.6:9.

«Ten aanzien van welke stam Mozes niets gesproken heeft over priesters»  Hebr.7:14.

«Want nadat elk gebod overeenkomstig de Torah was gespro­ken door Mozes tot al het volk»  Hebr.9:19.

«Hierdoor (namelijk door dit geloof cq. vertrouwen) gestorven zijn­de, spreekt hij nog»  Hebr.11:4.

«(Abraham) tot wie gesproken werd… »  Hebr.11:18.

En dan als hoogtepunt:

«Het bloed dat ‘beter’ SPREEKT dan Abel»  Hebr.12:24.

«Zie dan toe dat ge niet afwijst Hem die SPREEKT»  Hebr.12:25.

Hier vindt de serie teksten over het spreken een afslui­ting. Samenvattend kunnen we stellen dat het een van de centrale the­­­ma’s is in het betoog van Hebreeën. Het gaat de auteur er ken­­­­­­nelijk om: hoe reageert de mens, het Gods­volk, op het spre­ken Gods. De teksten aan het begin (1:1-2) en aan het eind (12:24-25) vormen daarbij een soort inclusio. (een omslui­ting, omlijsting). De brief zet in bij het spreken Gods door de tijden heen, om dan tenslotte te­recht te komen bij het spreken van het bloed van de Messias en de dringende oproep om degene die spreekt niet af te wijzen, een appèl dat herinnert aan 2:3.

Een die een zoon is

2. In de eerste verzen van Hebreeën 1, die we beschouwen als de toon­zetting van de hele brief, klinkt meteen al de kern­uitspraak: “God heeft in het uiterste der dagen gesproken in een zoon”.

Opmerkelijk is hier, dat het be­paald lidwoord in de grondtekst ont­­breekt. Daarom vertale men: een zoon of die een zoon is. Dat wil dus zeggen: iemand die de kenmerken, de kwaliteiten van zoon vertoont. Daarbij dienen we ons ervoor te be­hoe­den het be­grip zoon al te haastig in te vullen vanuit een, voor ons wellicht vanzelfsprekende, beeldvorming. Laat de Hebree­ën­schrij­ver de ruim­­­te om zijn eigen beeld van wat een zoon is, voor ons te schil­deren. In Hebreeën 1:5 gaat hij inderdaad het thema zoon verder uit­wer­ken en wel aan de hand van twee Schriftteksten:

a. «Zoon van mij zijt gij Ik heb u deze dag verwekt»  Ps.2:7.

b. «Ik zal voor hem worden tot een vader en hij zal voor mij worden tot een zoon»  2 Sam.7:14.

In de tweede Psalm is Israël zoon voor God temidden van de go­jim, de vol­keren. In Samuël zien we David als de centrale gestalte aan wie afge­le­zen mag worden wat een zoon is. Die zoon is Gods rechterhand. In Hebreeën 1:8 komt de schrijver bij de troon die ge­­geven wordt aan degene die zoon is. Maar wie is dat, die op de troon mag zitten? Hebreeën 2 geeft ons de ‘profielschets’ van de wa­­­re troonpre­tendent: van zoon verschuift het beeld naar men­sen­zoon, ben adam: «Wat is een mens dat Ge hem gedenkt of een mensenzoon dat Ge op hem let?»  Hebr.2:6.

De Mensenzoon

Dat is Hij, die het menszijn tot het uiterste gestalte heeft gegeven, dat is de mens van de laatste mijl. Zoon is hij, die de wil van de Vader tot het einde toe op zich neemt en die zó Vaders rech­ter­hand wordt. En wat is de wil van de Vader: mens-zijn tot het ui­terste. Want de Vader heeft het intense verlangen dat er, wan­neer een mens helemaal aan het einde is, dan nog, ja dan nog en juist dan, een mens voor Hem zal zijn, die bereid is mens voor Hem te zijn tot het uiterste. Dat is de gestalte van een zoon, een mensenzoon: hij is, hij wordt, mens tot voorbij de laatste grens. Die mensenzoon her­ken­nen we in Jezus. Die mensenzoon herkennen we soms in zijn volgelin­gen. Zó heeft God de Vader ons bedoeld; dit heeft Hij ons toege­dacht.

De Eerstgeborene

3. In de Hebreeënbrief verbinden zich met het basiswoord zoon enkele an­de­re kernwoorden, ook hierin staat deze brief geheel in de lijn van de Tenach. We noemden al mensenzoon; daarnaast is er ook de term Eerstgeborene. «Als Hij echter opieuw de eerstgeborene binnen­brengt in de be­woon­­de wereld, zegt Hij: aanbidden moeten Hem alle boden (enge­len) Gods»  Hebr.1:6. Maar wát en wie is de eerstgeborene? Dat kan alleen de Tenach ons ver­tel­len. De eerstgeborene, bekor, is degene die ìnstaat voor zijn broeders. Dat is degene die doet wat Kaïn had moeten doen: hij hoedt, hij bewaart zijn broeder. Zijn broeder is veilig bij hem, want deze mens wil niet leven zonder zijn broeder. Hij is de ene voor allen. Hij is de eerste, maar daarom is hij ook de laatste. Want hij wacht tot allen hun plaats bereikt hebben, tot de laatste de finish heeft bereikt. Dan pas gaat ook Hij naar binnen. Ook hier reiken hoofdstuk 1 en 12 elkaar de hand: het be­gin van de brief spreekt over de bekor die in de bewoonde wereld, de oi­kou­­­mené, wordt bin­nengebracht. Het eind spreekt over de ver­ga­dering (de gemeente, ecclesia; qahal = samenroeping in het He­breeuws) van bekorim (=eerstge­bo­renen). Zie Hebreeën 12:23. Bo­ven­­dien horen we in 12:16 over Esau, die in ruil voor één spijze zijn eerstgeboorterecht (bekorah) weggaf. Hebreeën 12:28 memo­reert het Pascha (Pesach) dat gevierd werd (en wordt) opdat de verderver hun eerstgeborenen niet zou aanra­ken.

De eerstgeborene en het uiterste der dagen

4. Thematisch zijn Eerstgeborene en Uiterste der dagen in­tens en hecht op elkaar betrokken.

In Hebreeën 1:2 zegt het NBG: «Nu in het laatst der dagen». Vanuit de grondtekst lezen we: «Op het uiterste van deze dagen». Het betreft een term die we onder andere tegenkomen in Genesis 49, waar Jakob zijn zonen zegent en dat inleidt met deze woor­den: «Ik zal u melden wat u ontmoeten zal in het achterste der dagen» Gen.49:1. Septuagint: «Op het uiterste der dagen». Verder ook in diverse teksten in de Profeten. De relatie is dubbel:

a. De bekor, Messias, de Messiaanse mens, veroorzaakt het uiter­ste der dagen: hij zet de dagen op scherp; hij drijft de contrast­wer­king op tot het uiterste.

b. Juist wanneer de dagen op hun uiterste lopen (dat is het kri­tieke uur, het beslissende tijdsgewricht, de finale; de Hebreeuwse mens denkt al­tijd in dagen. Dagen is toegemeten tijd, tijd als gave van Godswege), juist dan is de bekor, de messias, de rechtvaar­dige, (de tsaddiq) daar. Want hij is degene die gaat tot het uiter­ste; als allen het laten afweten, zal hij er zijn; in de grenssituatie is hij present. Zo staat heel deze brief in dit teken: het uiterste der dagen, dat be­paalt kleur en toon van alles wat ge­zegd wordt. De Brief aan de Hebreeën is een verhaal over mensen in een grenssituatie van het bestaan. Zoals een lied het zo treffend formuleert:

Nu is de dag van oogsten daar

het hoogste van de tijd;

een koning als een korenaar

staat op in majesteit.  (W.Barnard).

Voor de Hebreeuwse mens weegt de tijd het zwaarst, zwaarder dan de ruimte. God is met heel zijn wezen de God van de ge­schie­de­­­­nis; daarom gaat de tijd ergens naar toe. Daarom, en daar­om alleen is er een uiterste der dagen. Als God niet déze God was, zou er helemaal geen uiterste der dagen zijn. Dan was er mis­­­­­­schien de kringloop, de eindeloosheid, de ‘eeuwige wederkeer’, kort­om: de zinloosheid. Maar dankzij deze God is er geschiedenis!

Vele zonen tot heerlijkheid

5. Er is niet alleen sprake van een die zoon is, maar ook van zonen, meervoud. Kerntekst is:

«Om vele ZONEN tot heerlijkheid te brengen»  Hebr.2:10. Letterlijk: «Gewicht, lichtglans te brengen». Hierbij sluiten onmiddellijk weer enkele andere grond­motieven aan, na­me­lijk:

Deelgenoten

a. De zonen zijn deelgenoten van die Ene die Zoon is (was). Het woord deelgenoten, chaberim, horen we vijf keer in de Hebreeën­brief:

«Uw God met vreugdeolie gezalfd boven uw deelgenoten»  Hebr.1:9.

«Deelgenoten der hemelse roeping»  Hebr.3:1.

«Want deelgenoten van de messias (de Christus) zijn wij gewor­den»  Hebr.3:14.

«Deelgenoten geworden van de Heilige Geest»  Hebr.6:4.

«De paideia (opvoeding) waarvan allen deelge­noten zijn gewor­den» Hebr.12:8. In deze verzen tekent zich een bepaalde weg af, een zekere gang in dit deel­genootschap, het krijgt con­touren. Het gaat hier over de chaberim (de gabbers van de Messias, zijn bondgenoten, zijn lot­genoten, de met Hem verbondenen). Ze delen in zijn roeping – ze delen in zijn messiaans be­staan, dat wil zeggen: ze worden als zaad uitgestrooid; ze zijn er voor de ander. Ze delen in zijn ruach (geest) – ze delen in zijn pai­deia (zijn training, zijn leerschool).

 Hij noemt hen broeders

b. Meteen na de tekst over zonen klinkt een woord over broeders.

«Daarom schaamt Hij Zich niet hen broeders te noemen»   Hebr.2:11.

«Vertellen zal ik uw NAAM aan mijn broeders (citaat uit Psalm 22)»  Hebr.2:12.

«Hij moest in alle opzichten de broeders gelijk worden»  Hebr.2:17.

«Heilige broeders, deelgenoten»  Hebr.3:1.

«Ze zullen geenszins onderwijzen(…) ieder zijn broeder»  Hebr.8:11.

Zie verder nog: Hebreeën 10:19 en 13:22. In het gedeelte vanaf He­breeën 11:2 ko­men we de term broeders liefst viermaal tegen. We mogen het daar als sleutelwoord beschouwen. Schematisch loopt de lijn als volgt: zonen – broeders – deelgenoten. Het thema van de broederband kennen we al vanuit de Torah, (Genesis onder andere). Reeds daar gaat het over zonen die broe­ders worden en broeders die elkaars lotgenoten en bond­genoten worden. Met de aandui­ding broeder bevinden we ons in het taal­veld van solidariteit. Broeder is degene die solidair is tot het ui­ter­­ste. Vandaar het motief van het ‘gelijk worden aan de broe­ders in alles’. In alle aspecten, op alle terrei­nen van het bestaan. Psalm 22, waarbij de Hebreeënschrijver aanknoopt via het ver­bin­dings­woord broeder, onderstreept deze gedachte. Hier is immers een mens aan het woord die inderdaad in alles lotgenoot is van de minste zijner broeders en die daarom ook recht van spreken heeft. Zelfs de minste broe­der, ja de diepst vertrapte en verschop­te broeder kan zich in Hem herkennen.

Het centrale motief in de Hebreeën-brief

Conclusie:

Centraal motief in de brief aan de Hebreeën is: De Messias als Broeder, in zijn lotsverbondenheid tot het einde. Het uiterste der dagen draagt het stempel van de mens die tot het uiter­ste ging. Jezus, de Broeder tot het einde toe. “Gij zijt de broeder die wij ten offer hebben gebracht”. Deze broeder keert ons bestaan binnenstebuiten. Hij licht ons door tot in onze diepste kern. Hij, wiens weg van be­gin tot eind ge­tekend is door dat wonderlijke woord: «Hij schaamt zich voor hen niet». Hij is bereid met hen in één adem genoemd te worden.

Draagt hij hun naam,

geeft Hij zijn naam aan hen,

deelt Hij met hen zijn brood,

gaat met hen in hun dood.

Hij treedt hun pad

en op zijn weg neemt Hij hen mee,

Hij draagt hun last,

Hij brengt hen naar zijn huis.

Hij is de broeder die wij ter dood verwezen en zonder wie wij niet kun­nen leven. Aan Hem lezen wij af wat broeder-zijn inhoudt.

Deze Mensenzoon, erfgenaam van alles

6. Van deze ZOON, deze MENSENZOON, wordt in Hebreeën 1:2 ge­zegd:

 «Hij heeft Hem ingezet tot erfgenaam van alles».

Dit motief: erfgenaam – beërven keert meermalen terug.

Meteen in het eerste hoofdstuk al tweemaal.

«Hij heeft een meer onderscheiden naam dan zij (namelijk de en­ge­­len) beërfd  (of: geërfd)»   Hebr.1:1.

«Terwille van hen die de bevrijding zouden beërven»  Hebr.1:14.

Verder wijzen we nog op:

«Navolgers van hen die door geloof en geduld (of: trouw en groot­moe­­dig­heid) de beloften beërven»  Heb.6:12.

«De erfgenaam der belofte»  Hebr.6:17.

«Opdat (…) de geroepenen de belofte der eeuwige erfenis ontvan­gen zou­den»  Hebr.9:15.

«Hij (Noach) is een erfgenaam geworden van de gerechtigheid die overeen­koms­tig het geloof (het vertrouwen) is»  Hebr.11:7.

«Naar een plaats (maqom) die hij (Abraham) zou ontvangen tot er­fe­nis (erf­deel)»  Hebr.11:8.

«Later toen hij (Esau) toch de zegen wilde beërven»  Hebr.12:17.

Beërven, een fundamenteel thema

Beërven is een van de fundamentele thema’s in de Torah en ook in het boek Jozua (het eerste boek van de profeten). Het is iets wezenlijk anders dan bezitten. De mens ontvangt een erfdeel, niet om daar de baas over te spelen, maar om op en met dat erfdeel recht te ver­schaffen aan de armen en ellendigen. Zijn erfdeel biedt hem de mogelijkheid om mens te zijn ten behoeve van de an­der. Had hij geen erfdeel, hoe moest hij dan ge­rech­tig­heid beoefenen? Waar moesten de hulpelozen dan heen?! Jezus wordt ingezet (aangesteld) als erfgenaam van alle dingen. Omdat Hij bewezen heeft dat Hij goed is voor de mens en voor de aarde. De kernvraag is: Voor WIE is de aarde? En het antwoord is: de aarde is voor wie er goed voor zijn.

Een korte tijd beneden de engelen

7. Van deze Zoon wordt gezegd, dat Hij (voor een korte tijd, of een weinig) onder de engelen vernederd werd. (Hebreeën 2:7 en 9).

Hij werd de onterfde, beneden de engelen, de boden Gods, verne­derd. Hij werd de onterfde, opdat de onterfden een broeder zou­den hebben. In de Hebreeënbrief gaat het derhalve om de mens die nu juist geen engel is. Juist vanwege zijn niet-engel-zijn. Van­wege dat so­li­dair zijn met de mensen, met de vertrap­ten, met de verneder­den. Met alle onterfden van al­le tijden, tot in het proeven van de dood. Juist daarom is Hij met licht­glans en eer bekranst.

Door Wie Hij ook de GESCHIEDENIS heeft gemaakt

8.  Van deze Zoon wordt ook verteld, dat Hij is:

De beslissende Mens in de geschiedenis Hebreeën 1:2 luidt in de NBG-vertaling: «Door wie Hij ook de wereld geschapen heeft». Hierbij moeten wij aantekenen: Er staat niet geschapen, maar ge­maakt. In het Hebreeuws niet: bara’, maar ‘asah. Dat is maken of doen. Dat heeft te maken met Gods daden. In de tweede plaats: er staat een woord aioones, hier weergegeven met wereld. Maar dit is in Tenach oorspron­ke­lijk een tijdsbegrip: ‘olam, meervoud ‘ola­mim. Olam betekent: eeuw, tijdperk. Onze tekst zegt derhalve: «Door Wie Hij ook de GESCHIEDENIS heeft gemaakt». We hebben reeds eerder gezien dat het Hebreeuwse denken uit­gaat van het primaat van de tijd. De tijd weegt zwaar­der dan de ruimte. Door de Messias, de messiaanse mens, maakt God de ge­schie­denis. Het woord aioon, ‘olam, komen we bijvoorbeeld ook te­­gen in Hebreeën 1:8. Daar staat het in verband met de troon van de Mes­sias. En verder treffen we het aan in:

«Gij zijt priester voor (heel) de ‘olam»  Hebr.5:6.

«Hogepriester geworden voor (heel) de ‘olam»  Hebr.6:20.

«Gij zijt priester voor heel de ‘olam»  Hebr.7:17.

«Gij zijt priester voor heel de ‘olam»  Hebr.7:21.

«Omdat Hij blijft (heel) de ‘olam lang»  Hebr.7:24.

«Een zoon (één die zoon is) die voor (heel) de ‘olam tamim (gaaf) ge­worden is»  Hebr.7:28.

Het meervoud treffen we nog aan in:

«Jezus Messias is gisteren en heden dezelfde en tot in de aionen (tot in de ‘’olamim, de tijdsgewrichten, de tijdperken) » Hebr.13:8.

Het bijvoeglijk naamwoord aioonios.

«Eeuwig heil, of: duurzame bevrijding, bevrij­ding die heel de eeuw ver­­duurt»  Hebr.5:9.

«Een eeuwig oordeel, een recht of gericht, een rechtzitting die heel de eeuw verduurt»  Hebr.6:2.

«Een eeuwige verlossing gevonden hebbende»  Hebr.9:12.

«Die door (de) eeuwige Geest (ruach) zich­zelf smetteloos aan God heeft toegebracht»  Hebr.9:14.

«De eeuwige erfenis»  Hebr.9:15.

«In (door) het bloed van een eeuwig verbond»  Hebr.13:20. Zo zien we dat de Hebreeënbrief de nadruk legt op de duur­zaam­heid van de messiaanse bevrijding. Nog een tekst moet in dit ver­band ge­noemd worden, waar ook aioon, (‘olam) in het meer­­­­­voud voorkomt, na­me­lijk in Hebr.11: «Door het geloof verstaan (bedenken) wij dat de aionen (‘olamim) be­reid zijn (tot stand gekomen zijn) door het woord (dabar) Gods» Hebr.11:13. Dit vers herinnert ons weer aan: «Hij draagt alle dingen door het woord (dabar) van zijn kracht  (door zijn machtig woord)»  Hebr.1:3. Het woord van de Messias draagt de geschiedenis, het woord van de Messias brengt de geschiedenis tot stand. Het doet de tijdper­ken op gang komen en zich afwikkelen. Door het geloof verstaan we dat de ge­schie­denis tot stand komt vanuit het geschiedende woord Gods. De boze hààt geschiedenis. Alles moet maar blijven zo­als het was. De Messias (de messiaanse mens, de messiaanse gemeente) is de geschie­denis van God. Eindelijk gebeurt er wat; er komt voort­gang; de tijd breekt open.

Een beter verbond

9. Het nieuwe verbond is beter dan het oude. Dit betekent niet dat het Nieuwe Testament beter is dan het Oude Testa­ment. Dat zou een noodlottig mis­verstand zijn. Niet het Oude Testament is ver­ou­derd en verjaard. De gedachte van een Nieuw Verbond vin­den we juist in het Oude Testa­ment, bij Jeremia. Wie het Oude Testa­ment afschaft of minder­waar­dig acht, heeft ook geen nieuw ver­­bond meer. Hier komen we tot de kernvraag: Wat is er nu be­ter? De eerste keer dat het woord beter in de Hebreeënbrief voor­komt, kan ons wellicht op het spoor brengen. Dat is in Hebreeën 1:4. Het NBG vertaalt daar met: «Zoveel machtiger geworden dan de engelen». Zoveel beter geworden dan de engelen (boden) als Hij een meer on­­­der­­schei­den naam boven hen beërfd heeft. Ten aanzien van het thema beter in de Hebreeënbrief dreigt een misverstand. Men meent dat het in deze brief gaat om de ‘verhevenheid van Gods Zoon, boven heel de oude bede­ling’. Hij is verheven boven de profeten, boven engelen, boven Mozes, bo­ven Aäron, boven de wetgeving, boven de offer­cultus, enzo­voort. Op die ma­nier zouden we toch weer terecht komen in een be­­delingenleer. De op­schrif­ten in de NBG-vertaling werken deze ge­­dachte mogelijk enigszins in de hand:

“De Zoon boven de engelen”.

“Jezus boven Mozes verheven”.

“Christus hoger priester dan Aäron”. Maar waarom en waarin is Jezus de betere? Hij is beproefd gebleken, in de proef overeind gebleven. Hij heeft voor ons allen als mens stand gehouden. Zijn kracht is niet een geheimzinnig soort verhevenheid, die Hem heel ver weg plaatst, op grote afstand van Mozes en Aäron en ons. Nee, zijn majesteit bestaat juist hierin, dat Hij nergens de ‘kondition hu­maine’, het mense­lijk bestaan met alle begrenzingen die daaraan zijn verbonden, is ontlopen. Voor de schrijver van de Hebreeënbrief bestaat er niets hogers dan de mens. En Jezus is juist daarin groots, dat Hij nooit iets an­ders heeft willen zijn dan puur, louter, enkel mens. Hij heeft niet getracht te vluchten in een engelen-bestaan. Hij heeft Zich niet verheven boven Mozes. In plaats daarvan ging Hij de weg van Mozes tot het einde toe. Zo is Hij het definitieve (voor)beeld geworden van Gods bedoeling met de mens, van Gods verbonden-zijn met de mens. Er is een uitleg die de Hebreeënbrief doodmaakt: daarin wordt Je­­zus helemaal geïsoleerd.

a. Hij wordt losgesneden van de Torah (en van de Tenach).

b. Hij wordt losgesneden van ons.

Dan staat Jezus op een eenzame hoogte. Dan wordt Hij ge­plaatst in het isolement, dat Hij nu juist kwam opheffen! Want we moe­ten niet vergeten, dat de Hebreeënbrief begint met: In de mens Je­zus spreekt God tot òns. Let wel: Tot ons! Jezus was er niet voor zichzelf. Toen God tot Je­zus zei: een Zoon van Mij ben Jij, toen zei Hij dat tot ons! En toen God tot Jezus zei: Zet Je aan mijn rechter­hand, toen zei Hij dat tot óns! Tot wie van de engelen heeft Hij ooit zoiets gezegd? Maar wel tot ons! Het woord beter (kreittoon) betekent eigenlijk: sterker. Jezus is ster­ker dan de engelen; waarom? Hij is tot het einde op zijn post gebleven. Hij heeft juist geweigerd ver­heven te worden bo­ven mensen. Hij wilde geen ivoren toren, Hij wilde dáár zijn, waar zijn broeders waren. Wie Jezus in een verheven isolement plaatst, maakt het hele Evangelie steriel. Jezus wilde zaad zijn, en Hij ging de weg van het zaad; Hij liet Zich ver­strooien. Engelen kunnen geen zaad worden; dat is alleen gegeven aan de mens.

De problematiek van de Hebreeën

10. Een bijbelboek is altijd geschreven vanuit een bepaalde pro­blematiek, nooit vanuit een theoretische beschouwing. De Bijbel geeft ons geen wereldbeschouwing. Wat was dan de proble­ma­tiek, waar de lezers van de Hebreeënbrief mee worstelden? Dat was de angst voor de begrenzing en de vergankelijkheid van hun be­staan. Ze voelden zich maar kleine men­sen. Ze kwamen uit een eeuwenlange lijdenservaring. Als ze achter­om keken, zagen ze een eeuwenlange nacht achter zich. En als ze voor­uit blikten, was daar voor hun besef een eeu­wenlange nacht vóór hen. Voor hen was het mens-zijn getypeerd met de woorden van de He­breeën­schrijver in Hebreeën 2: «En allen zou bevrijden, die gedurende hun ganse leven door angst voor de dood tot slavernij gedoemd waren» Hebr.2:15. Of: Ze zaten in de greep van de dienstbaarheid. Bij alles wat je doet, die schaduw. Die nooit aflatende somberheid: je begint er­gens aan, maar mor­gen kan het afgelopen zijn. Je weent om bloe­men, in de knop gebro­ken. Lijden, niet alleen als een zwaar­moe­di­ge deken, die zich over je uitspreidt, doch ook als een onont­koom­bare realiteit, ge­geven met je bestaan als mens, als volk. Wat zeg je dan? Is er dan een woord, een antwoord?

Wat is een mensje, dat Ge hem gedenkt

11. De Hebreeënschrijver grijpt voor zijn mensen naar een Psalm:

 «Wat is een enosj (mensje) dat Ge hem gedenkt? Een mensenkind, dat Ge op hem let? Ge hebt hem een weinig onder de engelen vernederd, met lichtglans en eer hebt Ge hem bekranst. Alles hebt Ge ondergeschikt gemaakt onder zijn voeten» Ps.8:5-7. Dit oude lied heeft een hele geschiedenis doorgemaakt. Je zou haast zeg­­gen: dit lied is met de mensen meegegaan. Dagen en nach­­ten, vele geslachten, het is met de mensen oud geworden en toch was het weer nieuw. Het heeft in hen gezongen en als ze niet meer zingen kon­den, dan droeg het hen als in de dagen van ouds. Het stond aan hun sterfbed, het zong zacht aan hun graf. Samen met hen trok het mee in hun ballingschap. Het wachtte op hen, als ze naar huis kwamen. Psalm 8 heeft op zijn minst een vijftal fasen doorlopen.

1. Het was het lied van David, waarin hij zich bezint op het wezen van de mens en zijn plaats in de schepping.

2. In de ballingschap is dit lied op een nieuwe wijze gaan spreken. De bal­lingen voelden zichzelf als kinderen en zuigelingen, mach­te­loos en beroofd van hun moeder, hun moederstad, ontheemd en onmondig te midden van het machtige Babel. Voor hen werd die vraag nijpender dan ooit: ‘wat is een Enosj’, want enosj bete­kent: mens in zijn sterfelijk­heid, in zijn broosheid en zwak­heid. Mensje, zou je kunnen vertalen. Zo werd Psalm 8 hùn lied, want ze herkenden zichzelf en ze kon­den in elk geval de vráág meezingen: Wat is de enosj? Dat is al heel wat. Soms begon het bij hen te dagen en dachten ze: Dus tòch! Uitgerekend uit de mond van onmondigen zal Adonai weer­baarheid grondvesten en zo zul­len vijand en wraakgierige ver­stom­­men.

3. Dan komt het verhaal van Job. Volgens sommigen is dat ge­schre­­ven als verwerking van de vragen die door de ballingschap waren opgeroe­pen. In Job 7 horen we pre­cies dezelfde vraag als in onze Psalm opklin­ken: «Wat is (een) enosj, dat Gij hem zo groot acht dat Ge uw hart op hem zet hem bezoekt elke morgen elk moment hem toetst?» Job 7:17-18. Aan deze vraag wordt het hele boek Job gewijd. Voor de schrijver is er nog maar één vorm van menselijke groot­heid en dat is de tsad­diq, de rechtvaardige. Of beter: de beproefde, de mens die in de proef overeind ge­ble­ven is, de mens die het goed-zijn, het waar­-zijn, het schoon-zijn van het leven, tegen alle schijn van het tegendeel in, staande houdt en die zo zelf staande gehouden wórdt. Psalm 8 tekent de mens als middelpunt; Job 7 tekent de mens als mikpunt.

4. Ook ná de ballingschap is Psalm 8 door blijven klinken.

Dit blijkt bij­voor­beeld uit: «Om te bewaren, om te doen al de geboden van de ENE, onze Here J…  on­ze Adon (Meester)»  Neh.10:29. Deze specifieke uitdrukking: J… Adoneenu komt in de Tenach in de­ze vorm alleen op deze twee plaatsen voor: in Nehemia 10 en als om­ran­ding van Psalm 8, vers 2 en 10.  Zo leefde ook in de da­gen van Nehemia het gebed van de achtste Psalm voort.

5. Hebreeën 2. De Hebreeënschrijver richt zich tot de mensen, die ge­­bukt gaan onder het ‘Sein zum Tode’, het zijn tot de dood, on­der de doem van hun tijd. Hij wijst hen op de grote Jobsgestalte van zijn dagen: Jezus, de Messias. Hij knoopt aan bij die oude Psalm, die nog steeds ge­schiedenis maakt. «Maar nu zien wij nog niet ‘alles aan hem ondergeschikt’. Maar de ‘een weinig onder de engelen vernederde’ zien we wel: Jezus, om het lijden van de dood. Met eer en lichtglans bekranst, opdat Hij door de genade van God voor ieder zou proeven wat sterven is» Hebr.2:9. Mozes pleitte voor de mensen bij God. Jezus was: Mozes ­tot-het-uiterste. Hij ging verder dan allen die voor Hem gegaan waren. Al­leen daarin is Hij ‘verheven boven Mozes’. (Men bedenke, dat deze formulering zéér vatbaar is voor misverstan­den). De pries­ters stonden voor de men­sen bij God. Jezus werd: Priester tot het uiterste. Zo komt de Hebreeënschrijver tot zijn hoofdthema:

Onze Hogepriester ter rechterzijde van de troon

«De hoofdzaak van ons onderwerp is, dat wij zulk een hogepriester hebben, die gezeten is ter rechterzijde van de troon der majesteit in de hemelen» Hebr.8:1. Elke hogepriester die uit mensen genomen wordt, kan dat, want hij is ook zelf ‘met zwakheid omvangen’. «Want elke hogepriester, die uit mensen genomen wordt, treedt voor de mensen op bij God, om gaven en offers te brengen voor de zonden. Hij kan tegemoetkomend zijn jegens de onwetenden en dwalenden, daar hij ook zelf met zwakheid omvangen is» Hebr.5:1-2. Er staat: met zwakheid omhangen, of: met zwakheid omkleed. De priester ontvangt zijn priesterkleed, dat is zijn inves­tituur; het ambts­kleed wordt hem aangedaan. Het kleed dat bij hem hoort, is de mantel van de zwakheid. Hij is een enosj. Jezus was dat niet minder, maar veel méér ! Hij heeft veel meer geleden dan de doorsnee-burger, omdat zijn maat­staf van huma­ni­­teit zoveel gevoeliger en kritischer is geworden dan die van de massa. Van Hèm wordt gezegd: «Die in de dagen van zijn vlees beden en smekingen heeft toege­bracht tot Hem die Hem kon bevrijden uit de dood met sterke schreeuw en tranen en verhoord werd uit zijn angst»  Hebr.5:7. Zo zwak werd Hij, en ook dat werd Hij ten einde toe. Zo werd Hij gelijk aan de minste van zijn broeders. «Hoewel Hij Zoon was heeft Hij geleerd (als een leerling) uit de dingen die Hij geleden heeft te horen en daarin voleindigd, is Hij ge­worden voor allen die naar Hem horen oorzaak van eeuwige be­vrij­ding» Hebr.5:8-9.

Het lijden van Jezus

13. In Hebreeën 2, 5 en 13 lezen wij over het lijden van Jezus:

«Het lijden van de dood»  Hebr.2:9. «Jezus werd door lijden heen voleindigd»  Hebr.2:10.  «Omdat Hij zelf geleden heeft in aanvechting, kan Hij de aange­voch­­tenen helpen»  Hebr.2:18.

«Uit het lijden leerde Hij horen»  Hebr.5:8. «Hij heeft buiten de poort geleden»  Hebr.13:12. De lezers van de brief hebben ook het een en ander meege­maakt:  «Herinnert u de dagen van weleer, toen gij, na verlicht te zijn, zo me­nig­maal lijden doorworsteld hebt (of: verduurd hebt)» Hebr.10:32. Zo is deze brief een hart onder de riem voor mensen in de druk, in de benauwdheid, in de pressie van de tijden.

De Archègos  

14. Hier hebben we een van die markante termen, die de Hebree­en­brief hanteert om de Messias te typeren:

«De Leidsman hunner behoudenis» Hebr.2:10 – NBG. «De Leidsman des geloofs» Hebr.12:2 – NBG. De archègos is de aarts-leider, de oer-leider; een heel goede verta­ling is: de Pionier. Thematisch is het begrip verwant met: Prodro­mos ­= voorloper. (in Hebreeën 6:20). Jezus is als Voorloper ten behoeve van ons binnengegaan in het bin­nen­ste heiligdom. Jezus als Messias, is de pionier van de messiaanse bevrij­ding ge­wor­den, Hebreeën 2:10, de pionier van de ‘emunah (de trouw, de betrouwbaarheid, het vertrouwen, het geloof) Hebreeën 12:2. Hij is degene, die de wedloop geheel en al ten einde heeft gebracht. Daarom wordt Jezus ook genoemd: de voleinder van de ‘emunah (12:2). Hij is de weg van de trouw tot het einde toe gegaan.

Sooteria

15. Dit woord komt met het stamverwante werkwoord, negen keer in de Hebreeënbrief voor.

Het NBG geeft het weer met: heil, redding, behouden, enzovoort.  De voorkeur verdient mijns inziens een consequente verta­ling met: bevrijden, bevrijding. Dit, omdat het teruggaat op het He­breeuw­se jasja’, dat ook bevrijden, in de ruimte zetten bete­kent. «De engelen worden uitgezonden als dienende (liturgische) gees­ten, tot diakonia (dienstwerk) terwille van hen, die de (messiaan­se) bevrijding zullen beërven» Hebr.1:14. «Als wij een zo grote bevrijding verachten» Hebr.2:3. «De pionier van hun bevrijding» Hebr.2:10. «Die Hem kon bevrijden uit de dood» Hebr.5:7. «Een oorzaak geworden van eeuwige bevrijding» Hebr.5:7. «Wij zijn overtuigd (…) van het betere (de betere dingen) die ook bevrijding(en) inhouden (omvatten) » Hebr.6:9. «Vandaar, dat Hij ook volkomen kan bevrijden wie door Hem tot God gaan» Hebr.7:25. «Die Hem verwachten tot bevrijding» Hebr.9:28. «De ark, tot bevrijding van zijn huis» Hebr.11:7. De messiaanse bevrijding houdt in, dat heel de aarde vrijkomt. De engelen (boden) werken daaraan mee; “zij zijn vurige, kos­mi­sche en zelfs historische krachten, ten dienste van de Messias en het messiaanse volk” (1:7). Maar de engelen zijn geen erfgena­men; de erfgenaam is de messiaanse mens, dat is Jezus met de zijnen. Jezus is de pionier, de baanbreker van deze bevrijding, in het He­breeuws: Jesju’ah of Tesju’ah.

Jezus, de Priester-Voorspreker

16. De schrijver van de Hebreeënbrief tekent de Messias vooral als de PRIESTER-VOORSPREKER. Hij is het, die altijd leeft om voor hen in te treden. «Daarom kan Hij ook volkomen behouden, wie door Hem tot God gaan, daar Hij altijd leeft om voor hen te pleiten» Hebr.7:25. Daarom gaat de geschiedenis door, omdat er een Voorspreker is. Een Voorspreker, die vraagt voor hen die niets vragen. Die spreekt namens hen die monddood zijn gemaakt. Een voorspreker, die te allen tijde leeft; en leeft is meer dan bio­lo­gisch bestaan. Dat houdt in: als niemand meer verder kan, heeft Hij nog adem. Adem om te roepen, adem om stem te zijn, opdat nie­mand alleen zal zijn in de nacht.

Oude Verbond – Nieuwe Verbond

17. Wat is het verschil?

De schrijver van de Hebreeënbrief citeert Jeremia, die profeet op de grens van de ballingschap. Jeremia zegt het zo: «Welaan, dagen komen, luidt het woord des HEREN, dan sluit Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond. Niet zoals het verbond, dat Ik met hun vaderen gesloten heb op de dag dat Ik hen bij de hand greep, om hen uit het land Egypte te voe­ren: dat ze zelf mijn verbond konden breken, terwijl Ik het toch was die meester was geworden over hen, luidt het woord des HEREN. Want dit is het verbond, dat Ik met het huis van Israël sluit na deze dagen, luidt het woord des HEREN: Ik geef mijn onderwijzing (Torah) in hun binnenste op hun hart zal Ik ze schrijven, zo word Ik hun tot een God en zij, ze worden mijn volk» Jer.31:31-33. Hier wordt het verschil helder: bij het Oude Verbond was het zo, dat de mens de mogelijkheid had, het ver­bond te breken; nu is ech­ter het verbond onbreekbaar, het ligt geheel en al verankerd in God. Het gaat om een Vernieuwd Verbond, net zoals met de nieu­­we aarde een vernieuwde aarde bedoeld wordt en niet een an­­­dere planeet. Nieuw zou betekenen een ander verbond dan het oude. Vernieuwd betekent, dat het oude tot mensen komt in een ver­nieuwde uitstraling. Nu komt eindelijk de Torah waar zij we­zen moet: in het bin­nenste, in de kern van de mens.

De Torah komt thuis.

De afstraling van Gods lichtglans

18. «Hij is de AFSTRALING geworden van Gods lichtglans en de af­druk (karakter) van Gods wezen» Hebr.1:3. Hoe is Hij dat geworden? Door de weg te gaan, die Hij ging. Want Gods lichtglans wordt zichtbaar in een weg. Om die weg aan te duiden, ge­bruikt de Hebreeënschrijver het woord prosphora, in de NBG-vertaling weer­gegeven met: offer, offerande. Doch letterlijk is het: toebren­ging. Het is het woord, dat in Leviticus staat voor toe­na­dering. Hier klopt het hart van de Hebreeënbrief. Leviticus en He­­­breeën vor­­men stem en tegenstem. Ze reiken elkaar de hand. Beide zijn ge­bouwd op of rondom de VERZOENDAG. Kerntekst over de prosphora is: «In deze wil zijn wij geheiligd door de toebrenging (of toewijding) voor het lichaam van Jezus Messias eens en voor altijd»  Hebr.10:10. Let ook op vers 14: «Want in éen toewijding heeft Hij de geheiligden voleindigd duur­zaam voor immer»  Hebr.10:14. Hier vertale men niet met offer. Daarvoor heeft het Grieks een an­der woord: thusia. (dat horen we in vers 12: «Maar deze heeft een of­­fer toegebracht vanwege de zonden» ). Wij hebben met onze machtswil de Meester gemaakt tot ons offer; Hijzelf was alleen maar ons ten zeerste toegewijd. De toewijding van zijn lichaam, zegt vers 10, dat is de toe­wijding van zijn hele be­­­staan. De toewijding van de Messias vormt de kracht van het Vernieuwde Verbond. Dat is zijn prosphora: toegewijd ten einde toe.

 Zo is Hij de hemelse Liturg

19. Zo is Hij de Hemelse Liturg.

«Hij is gezeten aan de rechterhand van de troon in de hemelen, de dienst verrichtende in het heiligdom,  in de ware tabernakel» Hebr.8:1.- NBG. Dienaar van het heiligdom, en wel van de ware tent, die de HERE heeft opgericht,  niet een mens». Vanuit de hemel gaat er iets geschieden op de aarde. Zo is van meet af aan de grondgedachte van de Schriften ge­weest. De Mes­si­as dient het heiligdom; dat is de eredienst van de bevrij­ding. Van­uit het heiligdom (in de hemel) zal de bevrijding komen over heel de aarde. Daar staat deze liturg garant voor; deze dienst­­knecht verricht zijn dienst ten volle, totdat alles is ge­schied.

Zet u aan mijn rechterhand

20. Psalm 110.

We kunnen de Brief aan de Hebreeën ook lezen als een commen­taar op Psalm 110. «Zet u aan mijn rechterhand totdat Ik uw vijanden maak tot een voetbank van uw voeten»  Ps.110:1. «Gij zijt priester voor heel de eeuw volgens de aanspraak van Melchisedek» Ps.110:4. Hij is Koning van Salem (sjalom-heelheid), Koning van de Gerech­tig­heid (tsèdeq), en blijft priester tot in duurzaam­heid, Hebreeën 7, 2 en 3. Vooral dat duurzame heeft de Hebreeën­schrijver gefas­ci­­­neerd; steeds komt hij daarop terug. Daarmee verbindt hij de ge­­dach­te, dat de Messias afmaakt wat Hij begon.

De Voleinder van ons geloof

21 Voltooien

Maar liefst 23 keer horen we in deze brief woorden van de stam: telos, teleios, enzovoort. Einde, einddoel, voleindigen, voleinder en dergelijke. De Messias heeft het einde bereikt; Hebreeën 5:9. Daarom is Hij ook bij machte om de Voleinder, de Voltooier te zijn. Hebreeën 12:2. Dit geeft ons de moed en grond onder de voeten om door te gaan, en vast te houden tot het einde.

De volledige studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds 

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

391322 bezoekers sinds 07-06-2010