Habakuk

13-06-2010 door Dr. K.D. Goverts

Inleiding                                                                    

Iemand die bepaalde gebeurtenissen beschrijft, waarbij hij subjectief is be­trokken, zal dat altijd door een gekleurde bril doen. De vraag is: hoe in­ter­pre­teer je bepaalde gebeurtenissen? Er is een Italiaans spreekwoord dat zegt: ‘de vertaler is een verra­der’. Habakuk, wonderlijke ziener, die ook heel veel geschouwd heeft. Een punt apart is de vraag, wat zien eigenlijk betekent. Zo zullen wij trachten de boekrol van Habakuk open te rollen en de stem achter de woorden proberen te verstaan. Dan zullen we trach­ten te zien hoe dichtbij dat woord is en hoe nabij God is…

Het wezen van een profeet

Het wezen van een profeet is, dat hij de mensen terug gaat brengen naar hun oorsprong. Ook boven het boek Habakuk zou je kunnen zet­­ten: ‘Terug naar het Begin’. Profeten zoeken naar datgene wat onder het stof is geraakt. De pro­fe­ten gaan opsporen wat we kwijtgeraakt zijn. Wat is er geweest en hoe kun­nen we dat terugvinden. In wezen zeggen al die profeten: Terug naar de Torah! Boven Habakuk zouden we ook een uitspraak uit de Talmud kunnen zet­ten: “Eert de grijsaard, die zijn kennis vergeten is”. En wat doe je met een volk, dat oud geworden is en zijn kennis is vergeten? In Hosea staat van Efraïm, dat er ‘grijsheid over hem gekomen is’.

Het verbroken verbond

Ook de gebroken tafelen hebben hun plaats in de ark náást de tafe­len van de Torah. Mozes heeft die tafelen kapot gesmeten op die be­wus­­te dag. Dat wordt ook herdacht een maand vóór de verwoesting van de tem­pel. En de verwoesting van de tempel is op de 9e van de maand ‘ab. God is nooit iets kwijt. Ook dat verbroken verbond wordt door God op­ge­­­nomen in zijn ‘aron, in zijn ark. En als Jezus lichaam aan het kruis hangt, is Hij niet alleen de Torah, maar ook de gebroken To­rah. Die breuk van de ta­fe­len gaat dwars door het li­chaam van Je­zus heen. Jezus heeft ook de breuk van het verbond in Zijn lichaam gedragen. Paulus heeft daar ook iets van be­­grepen als hij zegt: «Ik vul in mijn lichaam aan wat ont­breekt aan de verdrukkingen van de Mes­sias».  Kol.1:24

De tijd van Habakuk

Het interessante van Habakuk is, dat we heel nauwkeurig de jaar­tal­len van zijn profetieën kunnen plaatsen. En dat begint in 605, wat in fei­te het begin is van het Nieuw-Babylonische rijk. In 605 was de slag bij Karkemis. In 597 wordt de eerste groep Israëlieten uit hun land ge­voerd. Dan wordt de up­per ten uit Judea wegge­voerd. In 586 krijg je dan de verwoesting van Jeru­za­lem. Habakuk moeten we tussen 605 en 597 plaatsen. Vroeger dacht men, dat het woord Habakuk samenhing met omar­ming. Waarschijnlijker is, dat zijn naam samenhangt met een woord uit het Ar­ca­disch. Dat is de oude Assyrisch-Babylonische taal. Daar is het waar­schijn­lijk de naam van een groente. Sommigen zeggen, dat het kom­kom­mer is. An­deren denken aan een soort specerij, zoals basilicum.

De last van een profeet

Het NBG zet als opschrift: ‘De Godsspraak’. Letterlijk: de Last. Het woord massah is dus last. Het is een diep geheim, dat een profeet zijn woord blijk­baar als een last te dragen krijgt. Een profeet heeft ook al­­tijd iets plaats­vervangends. De last die hij te dragen heeft, draagt hij sa­men mèt en na­mens zijn volk. Iemand die een last heeft, wordt in de Bijbel een ‘ani ge­noemd. Dat is een woord, dat je veel in de psalmen tegen­komt. Of ook de ‘anaw; letter­lijk: de neergebogene. In de psal­­men wordt dat soms ook ver­taald met oot­moedigen, zoals bijvoor­beeld staat in Psalm 37: «Maar de ootmoedigen beërven het land» Ps.37:11. Dat woord komt ook weer terug in de Zaligsprekingen. Die last­dra­ger is dus iemand die op de een of andere manier ónderligt of zit. Hij is de ver­drukte, ook vaak de balling. Als Habakuk dus begint met zijn last, dan be­te­kent dit, dat hij zich tegelijk één maakt met al die ‘ana­wim, met al die neer­­ge­bogenen.

De klacht in de Bijbel

Het boek Habakuk geeft een heel merkwaardig inzicht in profetie. H­a­ba­kuk begint met een klaaglied. Klagen kan heel belangrijk zijn. Bij een sterfgeval lieten de Joden een klaagvrouw komen. Wester­lin­gen kun­­­­nen hierover wat denigrerend denken, maar in feite haal je de Stem bin­nen. Misschien op een moment, dat je zelf stemmeloos bent. Je haalt stem­men binnen, omdat jij op dat moment het verdriet nog niet onder woorden kunt brengen. Zelf ben je wellicht met stom­heid ge­sla­­gen. Zo functioneert ook Habakuk als stem in dat eerste hoofd­stuk. Het boek Spreuken eindigt merkwaardigerwijs met het volgende: «Doe uw mond open ten bate van de stomme, ten behoeve van het recht van allen die wegkwijnen» Spr.31:8. Letterlijk: «Alle zonen van de verkwijning». Dat staat vlak voor het hoofdstuk waar gesproken wordt over de degelijke huis­vrouw, be­ter vertaald met: ‘de vrouw van kwa­li­teit’. Klagen is in de Bijbel niet: mopperen. Anders krijg je van die mooie uit­­­spra­­ken zoals ‘niet klagen maar dragen’. De grondregel is: de klacht is gegrond in de lofprijzing. Het echte klagen komt voort uit het we­­ten, dat het anders kan. Je belijdt dan tegelijk, dat het betere bestaat. De klacht zegt: Hoe lang nog. Daarin ligt opgesloten, dat het goede, het Ko­ninkrijk, kómt. Om te kun­nen klagen moet je wat in huis heb­­ben. In wezen kan alleen een ge­lo­vige klagen. Als de gemeente niet klaagt, wie moet het dan doen? Dus de klacht is gegrond in de lof­zang. Daarvan is Psalm 74 een schoolvoor­beeld. Er staat daar: «T­och is God mijn Koning» Ps.74:12. De klacht moet dus heel gegrond zijn. Je moet niet zomaar wat jam­­me­­ren. Een pastoraal werker zei: je moet nooit zeggen tegen men­sen in de proble­men, die dus klagen: “En toch”, of: “Kijk eens naar de po­si­tie­ve kanten”, of: “God is er toch ook nog”. Met zulke uitspra­ken veeg je hun ver­haal van ta­fel. Iemand zei eens: Nu gaan we de Heer prijzen, maar je mag niet zeg­gen: Hal­leluja, of Prijs de Heer of Looft zijn naam. De bedoeling hier­­van was, om creatief de lofprijzing te ontwikkelen. Voor sommi­gen was de­ze manier nog­al moeilijk. Die houden dan niet veel meer over. Habakuk begint dus met een klaaglied en eindigt met wat we voor­lo­pig zul­len noemen: een lofzang. Dat betekent niet ‘van zwart naar wit’ of ‘sorry voor mijn geklaag’. Het is ook niet: ‘na het zure komt het zoet’. André Ne­her zei: aan het eind neemt het geluk altijd iets van de pijn van de misère mee. Het eindigt niet met een oppervlak­kig vreugde-ge­hup­­­pel.

Een profeet schouwt

«De godsspraak, die de profeet Habakuk geschouwd heeft» Hab.1:1. Bij schouwen zie je de dingen áchter de dingen. Hier staat het woord chazah. Dat is niet het gebruikelijke woord voor zien. Het is dóórzien, het woord chazon, wat ook gebruikt wordt voor visioen. Een visioen staat niet buiten de werkelijkheid, maar het ís de wer­ke­lijkheid. Dat is zien tot op de realiteit, dat is zien tot op God.

Het is vaak moeilijk om de realiteit onder ogen te zien. En voor Ha­ba­kuk, die geschouwd heeft, wordt het dan ook een last. Een mens klampt zich altijd vast aan het kleinste sprankje hoop. Het maken van een nuchtere analyse is een bovenmenselijke krachts­­in­span­ning. Er zijn men­­­sen die blind zijn uit eigen verkiezing, ook al be­schou­wen zij zich­zelf als ziende. Misschien is dat het geheim van onze onver­woest­ba­re taaiheid. Een mens leeft vaak dankzij zijn illu­sies, dankzij het feit, dat hij zo nu en dan zijn ogen dicht doet. Wie kan verdragen om te zien… Aan het eind van de Torah staat van Mozes, dat zijn oog niet ver­don­kerd was. Vaak is dat anders. Van Isaak staat in Genesis 27 dat zijn ogen niet meer in orde waren. Hij weet ook niet goed meer wie hij zegenen moet. Hij hoort de stem van Jakob en hij voelt Esau. Hij denkt: Esau is een fijne knul, ik geef Hem de zegen. Isaak ziet niet meer met de ogen van God. De ogen van Isaak begonnen uit te doven. Hetzelfde wordt gezegd van de oude priester Eli. Eli had geen greep meer op de toestand; gedoofde lichten. Toen wilden zijn ogen ook niet meer. Een mens wil dan liever de ogen dicht doen en vergeten. Van Mozes staat dus, dat zijn ogen niet verdonkerd waren en dat zijn kracht nog niet afgenomen was. En Mozes is de Torah. De To­rah blijft zien tot het einde. De Torah kijkt hoog over de grenzen heen. Mozes’ ogen zijn de ogen van de Torah. Oude ogen, die veel gezien hebben. Van God wordt ook ge­zegd in het boek Daniël: «Hij is de Oude van Dagen». God heeft ook heel lang geschouwd en Hij ziet nog steeds.

De klacht van Habakuk

Dan komt de klacht van Habakuk: «Hoelang, HERE, roep ik om hulp, en Gij hoort niet; schreeuw ik tot U­: G­e­­­­weld! en Gij bevrijdt niet» Hab.1:2,3. Dit zijn twee parallel-zinnen. Je zou dit intensiverend parallellisme kun­­­­­nen noemen, of toespitsend parallellisme. Bij de eerste regel is het dus roepen en dan intenser: schreeuwen. Wat er in de dagen van Habakuk speelde, wordt hier gety­peerd met het woord chamas, geweld. Hetzelfde woord werd gebruikt in ver­band met het geweld in de dagen van Noach. De aarde was vol chamas. Het woord za’aq wordt altijd ge­bruikt voor het schreeuwen van een hulpeloze. Merk­waar­­di­ger­wijs gaat Habakuk hier helemaal die taal vanuit de Psal­men spreken. Al­leen, hij draait iets om: «Ik heb om hulp geroepen en Gij hoorde niet». In de Psalmen staat altijd «Ik heb om hulp geroepen en Gij hebt ge­hoord». «Sla acht op mijn hulpgeroep, o mijn Koning en mijn God». En dan:….HERE, des morgens hoort Gij mijn stem». Ps.5:3,4.«Tot mijn God riep ik om hulp Hij hoorde mijn stem» Ps.18:7. «Hebt Gij voorwaar mijn luide smekingen gehoord, toen ik tot U riep om hulp». Letterlijk: «In het roepen hoorde de HERE» Ps.31:23.In dat roepen is God reeds aanwezig. In dat smeken is Hij al pre­sent. Niet daarna. «HERE, hoor mijn gebed, laat mijn hulpgeroep tot U komen». Ps.102:2. «Ten dage dat ik roep, antwoord mij haastelijk» Ps.102:3. Een frappante parallel met Habakuk 1:2 is een uitspraak uit het boek Job. «Zie, ik schreeuw: Geweld! Maar ik krijg geen antwoord. Ik roep om hulp, maar er is geen recht»  Job.l9:7.«Ik roep tot U om hulp, maar Gij antwoordt mij niet».Job 30:20. Je krijgt hier een spanningsveld. God is in dat smeken, maar in dat sme­­ken schijnt toch geen antwoord van God te komen. En dan zie je in Job en ook in Habakuk, dat die mens in wezen weer een stukje ver­­der gaat op die Mes­si­aan­se weg. Je zou kunnen zeggen: Job gaat met zijn vragen voorbij het laat­ste station. Job is totaal eerlijk. Hij wil zich niet – met wat voor kluitje dan ook – in het riet laten sturen. God houdt van lastige bidders, van mensen, die niet gauw tevreden zijn. H­et is goed, om gelovig te zijn, maar niet goed, om goed­gelovig te zijn. Ook die zielen onder het altaar roepen: tot hoelang… Het is de majesteit van God, dat Hij de vragers niet weg­drukt. Die stem­­­men – zoals van Habakuk – worden tóch in de canon, in de Te­nach ge­plaatst. Ook Job komt er in en ook Psalm 88. God is niet bang voor vragen. De andere kant van de zaak is, dat God ook vragen stèlt. Ook aan Job stel­­de God vragen.

Stem namens de stemmelozen

Jezus stelde ook vragen. Ook op Golgotha stelde Jezus vragen uit Psalm 22. Een uitspraak luidt: “zwijgen is een misdaad tegen de mensheid”. Ik ben tot de con­clusie gekomen, dat je soms moet schreeuwen. En die mach­­­telo­ze schreeuw dringt soms heel ver door. In bijna geluiddichte cel­len gaat het laatste restje menselijke waar­digheid verloren. Met deze schreeuw laat de mens een spoor achter op de aarde. Eli Wiesel zegt ook ergens, dat hij niet mag zwijgen, om op deze ma­nier ge­tuige te zijn namens de doden, en om de doden te helpen de dood te over­win­nen. Ook Habakuk heeft gevoeld: ik mag niet zwijgen. Ik moet een stem zijn op de aarde. Een stem namens de stemmelozen. Dat is typisch pro­­­fetisch. Een plaatsvervangende stem. Ook Jezus is stem geweest na­mens àl degenen, die geen stem hadden. «Hoelang»  Hab.1:2. «Waarom»  Hab.1:3. «Waarom doet Gij mij zien onrecht en moeite, en moeite schouwt Gij?» H­ab.1:3.En dan gaan de woorden als het ware rollen en tuimelen ze over el­kaar. Een veelheid van beelden.

Eerst krijg je het woord awen, dat is ongerechtigheid.

Dan het woord ‘amal, dat is moeite, hier met ellende vertaald.

Vervolgens het woord sjod, hier met onderdrukking weergegeven.

Dan het woord chamas, geweld.

Vervolgens ribh, twistgeding.

Madon, vertaald met tweedracht.

We zien achtereenvolgens:

Awon is onrecht of boosheid.

Het komt overeen met het woord arg­waan, arglistig. ‘Amal…. moeite. Sjod…. onderdrukking. Het betekent zoiets als gewelddadigheid.  C­houraqui vertaalt het met razzia. Het heeft dus iets te maken met een pres­sie, een storm die over mensen heengaat. Chamas is geweld. Madon betekent zoiets als conflict. «Waarom aanschouwt Gij» Hab.1:3. Er waren natuurlijk genoeg mensen die het niet zagen, alles went. Ha­bakuk was pijnlijk begenadigd, dat hij het wèl zag. Dat was zijn last. «Waarom doet Gij mij zien, en aanschouwt Gij» Hab.1:3.Dit zijn parallelzinnen. God ziet het kennelijk ook. Er is dus even een mens, die met God mee mag kijken. «Onderdrukking en geweld zijn voor mijn ogen» Hab.1:3. «Daarom verliest de wet haar kracht» Hab.1:4.

Levend water

Dat is het gevolg daarvan. Er staat hier een woord dat zoiets als stol­­len be­te­kent. De kerntegenstelling is dus geweld (chamas) en aan de an­­dere kant de Torah. Een Torah, die stolt kan net zo nood­lottig zijn als bloed dat stolt.  God wil dus, dat die Torah stroomt, dat hij is als een rivier. De Torah is le­vend water. Dat is een beeld, dat vanouds gebruikt wordt. Vergelijk daar­­mee Johannes 4: «Hij zou u levend water hebben ge­ge­ven». En dat levend water is de Torah. Je zou levende onderwij­zing heb­­ben gekre­­gen. De Torah brengt en wekt leven. Vergelijk daarmee Amos 5: «Maar laat het recht als water golven, en gerechtigheid als een im­mer vloeiende beek» Amos 5:24. Als de Torah stolt, dan krijg je ingevroren Torah zou je haast zeg­gen. En dan wordt de wet inderdaad keihard. «Dik geworden op hun droesem» Sef.1:12. Die Torah moet geen bezit, geen status worden. De profeten moeten als het wa­re de adem van God er doorheen blazen, zodat er weer le­ven komt. Een soort reanimatie.

De Torah stolt

«Daarom stolt de Torah, nimmer komt het recht tevoorschijn» H­ab.1:4.

Hier staat het woord nètsach, dat is duurzaamheid. Hier vertaald met nimmer. Van God wordt gezegd:   “Hij is de duurzaamheid van Israël” ‘Tot duur­zaam­heid’ staat hier. Dat kan dus betekenen: het komt nooit te­ voor­schijn. De vertaling van Buber luidt: «Tot duurzaamheid komt het niet te ­voorschijn». «Het recht gaat uit, maar niet tot duurzaamheid». Het recht wordt als het ware de adem afgesneden. Hier staan naast elkaar de woorden Torah en misjpat, onderwijzing en recht. En recht heeft te maken met ‘het tot zijn recht laten ko­men’.

De rasja omsingelt de tsaddiq

«Want de goddeloze omsingelt de rechtvaardige» Hab.1:4. «Want de rasja omsingelt de tsaddiq». En de rasja is de boosdoener. Maar dan wel in versterkte zin: ie­mand, die een doem legt op een ander. De rasjas omsingelen de recht­­vaar­di­gen. Hier heb je dus die beide woorden tegenover elkaar. De afwijkers tegenover de waarachtigen. De mens, die in de wegen van de Torah wil gaan, maar dat is tege­lijk ook de mens die meer doet dan zijn plicht. Het woord tsaddiq heeft ook een gevoelswaarde. Hij is degene die iets aan­­voelt van het leed van de ander en daarvan een gedeelte op zijn schou­ders neemt. Van Jezus staat, dat Hij de Tsaddiq bij uitstek is (Lucas 23). Hij is de Lot­ge­noot van anderen. Een tsaddiq word je nooit op je eentje. Dat woord recht­vaar­di­ge (en recht) heeft in de westerse samenleving te­veel een juri­dische kant gekregen. Dat heeft een verengende werking. In de wes­ter­se gedachtegang is dan een rechtvaardige iemand, die niet meer ver­oordeeld kan wor­den. «Want de goddeloze omsingelt de rechtvaardige, daarom komt het  recht verdraaid te voorschijn» Hab.1:4. «De tsaddiq wordt omsingeld door de rasja, en daarom gaat uit misj­pat (het recht) verdraaid». Als dat recht dan naar buiten komt, is het zó in de tang genomen, dat het verkromd naar buiten komt. Net als die vrouw, die achttien jaar een geest van zwakheid had en zich ook niet meer kon oprich­ten. Het recht wil zich wel oprichten, maar het gaat niet. Let op het contrast: Habakuk 1:3 eindigt met de twist, die zich verheft en Habakuk 2:4 eindigt met het recht, dat wordt verkromd. Die madon, die twist staat dus rechtop. In Habakuk 2:4 komt dus twee keer het woord jatsa voor: te voor­schijn komen. Dat woord wordt ook gebruikt voor een geboorte. Het recht wil ge­bo­ren worden, maar het wordt meteen om­singeld. Zoals bij een geboorte, die maar niet wil gelukken. Iemand noemde als titel voor het boek Habakuk: ‘Het venster van het wachten’. Zoals iemand door het raam uitkijkt, omdat er iemand thuis zal ko­men. Daniël had ook van die open vensters (naar Jeruzalem). Ook bij Eli­sa wordt dat vermeld. Zalig de mens die nog een open venster heeft.

 Ik doe een werk in uw dagen

Habakuk 1:5-11 wordt het antwoord. «Ziet onder de heidenen en let op, en verbaast u, ontzet u» Hab.1:5. Die gebiedende wijs staat hier in het meervoud. Het wordt dus niet al­leen tegen Habakuk gezegd, maar tegen al degenen, die hij ver­te­gen­woor­digt. «Want Ik doe een werk in uw dagen, dat gij niet zoudt geloven, wan­neer het ver­teld wordt». Hab.1:5

Po‘al po’el.

Pa’al is werken, speciaal aanduidend het werk van God in de ge­schie­­de­nis. Als je deze tekst nauwkeurig bekijkt, staat er geen persoons­vorm bij. Dus het blijft in het midden wie het doet. Chouraqui vertaalt: «Het werk werkt». En wie….? God! Je kunt wel in Habakuk 1:5 zeggen: Ik , maar dat moet nog blijken. «Hij werkt een werk….».

De Alexandrijnen hebben dit woord in de Septuagint vertaald met het woord ik. Ze hebben al vooruit gekeken naar Habakuk 1:6, waar in­der­­­daad Ik staat. Maar onze voorkeur gaat uit naar de Masoreten, die dit in Haba­kuk 1:5 nog in het midden laten. Buber vertaalt: «In uw dagen werkt iemand een werk». In Habakuk 1:5 zie je dus wat gebeuren, maar de contouren zijn nog niet he­le­maal duidelijk. Alleen, je verbaast je. Dat is juist wat er staat: Verbaast u’. «Ontzet u en aanschouwt onder de gojim» Je kunt dan zeggen: wat schiet ik daar mee op, want er waren juist pro­­­ble­men in Juda. Als je het overzet naar het heden zou je kunnen zeggen: Er zijn problemen in de gemeente en God zegt: kijk eens on­der de volkeren. Er geschiedt dus een werk onder de heidenen, maar de contouren blij­ven nog verborgen. Dat is vaak het probleem: er ge­beurt heel wat in de wereld, maar wie doet dat? Wat is de hand van God in de ge­schie­de­nis? De Duitse Chris­te­nen zeiden in de dertiger ja­ren: Hitler is een ge­schenk van God. Zij zeiden dus ook: God werkt in on­ze dagen. De hand van God moet toch in ieder geval aan twee dingen zijn te her­ken­nen: goedertierenheid en waarheid, chesed en emet. Die twee ont­moeten el­kan­der. Zie in dit verband Psalm 85

Ik doe de Chaldeeën opstaan

«Want zie, Ik verwek de Chaldeeën»Hab.1:6. «Want zie, Ik doe de Chaldeeën opstaan». of: «Ik breng de Chaldeeën in beweging». Nu staat er Ik.  Het ging hier dus om dat Nieuw-Babylonische rijk. Hier krijg je dus het veld van: Hoe interpreteer je geschiedenis… Je zou het kunnen verstaan vanuit het standpunt: God wil in ieder geval niet de status quo. Uiteindelijk doet God door zijn woord de dingen in beweging komen. Als er geen woord van God was, was er ook geen geschiedenis. Wat slui­mert, wordt door het woord gewekt. En waar dat woord komt, wor­den ook de tegenkrachten wakker gemaakt. Zoals de Farao van Egyp­te, die op zìch misschien nog niet zo’n slecht karakter had, maar dat juist in be­we­ging wordt gezet door de prik­kel van de aanwezigheid van het volk Is­ra­ël. Dat volk had als het ware de functie van het woord, dat het kwaad wak­ker maakt. Het is alsof het goede het kwade wakker maakt. Van dat gebod spreekt Paulus ook in Romeinen 7. In het klein zie je dat ook: als iemand iets verbiedt of als er iets verboden wordt, wordt het vaak juist aan­trek­ke­lijk. En dan komen bij de Farao ook nog Mozes en Aäron. De Farao is nog nooit zo kwaad geweest sinds hij het woord heeft gehoord. Je kunt natuur­lijk moeilijk zeggen, dat God de Farao tot het kwade aan­zet. Het woord ver­­wekt geschie­de­nis. Kennelijk is God niet zo gesteld op rust als ideaal zonder meer. Be­paalde soorten rust kunnen roesten. «Dat grimmige en onstuimige volk» Hab.1:7. Voor grimmig staat in de grondtekst mar en dat betekent letterlijk: bitter. Het tweede woord hangt samen met gehaast. Het bittere en gehaaste volk. Buber vertaalt: «Rau und rasch». Het probleem van die Chaldeeën is dus, dat ze in wezen verbitterd zijn. En uit die verbittering komt die haast voort. Bitterheid kan een enor­me kracht zijn in de geschiedenis. In Spreuken staat: «Een verongelijkte broeder is ontoegankelijker dan een sterke stad» S­pr.18:19. Een verongelijkte broeder is als een vergrendelde burcht. Die verbit­ter­de mens gaat zijn bitterheid afreageren, over­brengen.

Hebreeën 12 zegt: ‘het is een zaad, een wortel’.

Bitterheid leidt weer tot agres­sie. «Dat de breedten der aarde doortrekt» Hab.1:6. Het gaat tot de ruimten der aarde. Van Kanaän wordt gezegd: het is een goed en ruim land. De Chal­deeën wil­len dus die ruimten in bezit nemen. «Om woonsteden in bezit te nemen (beërven), die de zijne niet zijn» H­ab.1:6.Ze willen dus ergens wonen. Dat woord woningen in combinatie met die ruimten heeft een heel ster­­­ke gevoelswaarde. Ruimte is een plek waar je op adem komt. Een woning is een plek, waar je thuis bent. Die Chaldeeën komen dus om te overweldigen. Ze komen binnen zon­der recht. Ze gunnen geen ruimte, ze willen alleen ruim­te hèbben. Alles wat ruim­­te en woning is, willen ze opslokken. «Verschrikkelijk en vreselijk (geducht) is hij, zijn recht en zijn hoogheid  gaan van hemzelf uit»  Hab.1:7. Hij heeft dus een misjpat en een se’et, een verheffing. Dus zijn misjpat en zijn verheffing gaan uit door middel van hemzelf. Daar zit iets in van eigen baas, eigen prin­cipes.  Ook te ver­ta­len: «Zijn recht en zijn opdracht». Dat herinnert ergens weer aan het woord last uit het op­schrift, mas­sah. Dus Habakuk krijgt de last van God. Je zou het ook kunnen ver­talen met man­daat. En de Chaldeeën hadden het recht en hun man­daat vanuit zichzelf. Je kunt ook in de richting gaan van trots, ver­hef­fing.

«Zijn paarden zijn vlugger dan panters en sneller dan avondwolven» H­ab.1:8. «Speren, scherper dan de wolven van de avond» Wolven, die ‘s avonds uitgaan om te plunderen.

Adelaars en gieren

«Zijn ruiters komen van verre zij vliegen als een gier gehaast om te verslinden» Hab.1:8. Het woord, dat hier gebruikt wordt, kan zowel betekenen adelaar als gier. Soms moet je uit het verband opmaken welke vogel bedoeld wordt, de gier is een aaseter. H­ier ‘gehaast om te verslinden’. Vergelijk ook die wonderlijke tekst uit Mattheüs 24: «Waar het lichaam is, zullen de gieren zich verzamelen». Hier ligt het accent dus op het komen van verre, op het zich uit­brei­den. Met die ruiters wordt ook die donkere dreiging omschreven. In het Hebreeuws hoor je ook de klanknabootsing van dat dreigende, je hoort ze als het ware overkomen met het geluid van hun vleugels. Je hoort hoe die vogels als een wolk het land overspoelen. Vergelijk ook een tekst uit Jes.40:31: «Maar wie de HERE verwachten, putten nieuwe kracht; zij varen op met vleu­gelen als arenden». In Deuteronomium 32 staat: «Als een arend, die zijn broedsel (nest) opwekt, over zijn jongen zweeft, zijn wie­ken uitspreidt»  Deut.32:11.In verband met die gieren zegt Mattheüs letterlijk: «Waar het gevallen lichaam is». Letterlijk staat er dus: lijk. In Jesaja 40 staat dus: «Ze varen op met vleugelen als arenden». Hier worden uiteraard geen gieren bedoeld. «Als een arend, die zijn nest opwekt, over zijn jongen zweeft, zijn wieken uitspreidt, er een opneemt en draagt op zijn vlerken» Deut.32:11. Hier is dus sprake van een adelaar. Hier staat het woord pèger. Daar komt ook het woord progrom voor de Jo­den­vervolging van­daan «Waar het gevallen lichaam is, daar zullen de gieren verzameld wor­den» Matt.24:28. Dat gevallen lichaam is het lichaam van de Messias, dat geteisterd wordt, dat verdrukt wordt. Dat vertrapte en verbrijzelde lichaam is ook de ge­meen­te in zijn ver­drukt zijn. Daar verzamelen zich dan ook die roofvogels. Daar ver­za­melen zich de machten van het kwaad. Een pro­f­etisch beeld, dat het volk van God dóór lijden en verdrukking heen zal gaan.

De volledige studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

391322 bezoekers sinds 07-06-2010