Grondlegging of nederwerping der wereld

25-05-2010 door Joop Neven

Inleiding

 Het Griekse woord “katabole” komt 10 keer met een tijdsaanduiding voor in het N.T, nl 3x voor en 1 keer vanaf de grondlegging der wereld.  In kringen van Schriftonderzoek waar men tracht uit te gaan van de cordante vertaalmethode wordt deze term steeds overgezet met voor of van (de “nederwerping” der wereld i .p.v. grondlegging der wereld. En dit omdat we in Gen.1vers 2 lezen: “de aarde was woest en ledig, en duisternis was op de afgrond”. Dit woest en leeg zijn wordt veelal als een chaos gezien. En omdat God geen chaos schept veronderstelt men dat er een wereld catastrofe heeft p1aatsgevonden, die waarschijn1ijk wordt aangeduid door het Griekse woord “katabole”. Het werkwoord “kataballo” betekent inderdaad “nederwerper” {2Kor.4:9; Openb l2-10}. Alhoewel in de menselijke literatuur en woordenboeken katabole gebruikt voor “grondlegging” lijkt het Van Mierlo “meest logisch  toe in de Schrift  “nederwerping of “verwoesting” te gebruiken. Voor “grond1egging” heeft het Grieks bovendien het werkwoord “themelio”, opvallend is de grote voorzichtigheid waarmee de verschillende onderzoe­kers de vertaling nederwerping der wereld” i.p.v. grondlegging der wereld voorstellen. Het Hebreeuwse  “tohoe  wa-bohoe” {“woest en ledig” Gen.1vers2} wordt daarom synoniem {gelijkbetekenend} geacht met het Griekse woord “katabole”, dat nederwerping betekent. En het wordt onbegrijpelijk gevonden dat de vertalers steeds grondlegging der wereld vertalen. De Hebreeuwse term “tohoe wa~bohoe” wordt als vanzelfsprekend geassocieerd met het Griekse woord ‘katabolê’. De vraag dringt zich echter op, is een dergelijke associatie wel geoorloofd. Mogen deze twee begrippen als synoniem met elkaar gezien worden. Dat de heiden wereld uitgaat van chaos waaruit hun goden voortkomen, behoeft ons niet te verwonderen. Maar wat is dan de eigenlijke reden dat Schriftgelovigen. i.p.v. grondlegging steeds “nederwerping” der wereld willen lezen? Terecht wordt door Schriftonderzoekers opgemerkt dat God geen chaos heeft geschapen {Jes.45:18}. De schepping was volkomen en goed, beantwoordde aan het doel dat God zich gesteld had. Maar zo veronderstelt men door “satans val” is die “eerste schepping” tot een chaos geworden. Getroffen door een oervloed waarbij de zondv1oed in Noach’s dagen in het niet zinkt. De veronderstelde toenmalige prehistorische voorwereld zou “nedergeworpen” zijn door een ontzagwekkende oervloed. Een oordeel Gods vanwege de “val van Satan”, de overdekkende Cherub, waarvan in symbo1ische taal gesproken zou worden in Ez.28 11-19. Gen.1-1 zou dan de eerste schepping van hemel en aarde zijn. Vers.2 beschrijft vervolgens de chaos {het woest en ledig zijn}van de toenmalige schepping door de “val van Satan’ en dan volgt vanaf vers 3 de herschepping in zes dagen van de wereld die nu is {2Pet 3 .5-7}. De letterlijke vertaling van Gen 1vers 2 en de aarde was woest en ledig of wat ook mag “werd woest” en ledig. Volgers Van Mierlo twijfelden al de oude vertalers er niet over dat de chaos volgde op de kosmos {“De Openbaring Gods”, blz.136}. De term “nederwerping der wereld” wordt, als gevolg van deze val in vrije kringen van schrift onderzoek samen met de meeste buiten kerkelijke kringen, als vrijwel onbetwistbaar aanvaard.

In de theologische wereld echter wordt echter de term {grondlegging der wereld} gehandhaafd. En o.i. niet ten onrechte. Voor wij hier verder op ingaan eerst wat uitgebreider de reden, het waarom en waartoe men is gekomen tot de term “nederwerping der were1d”. Het is nl opvallend dat juist, in kringen van Schriftonderzoekers, waar men uitgaat van de concordante vertaalmethode, ondanks diepgaande verschillen van inzicht geheel overeenstemming is wat betreft de vertaling, nederwerping i.p.v. “grondlegging” der wereld.

1. De oorsprong van het kwaad.

 Met de term “nederwerping der wereld” probeert men een antwoord te geven op de “moeilijkste aller vragen” nl. het probleem van het kwaad, de oorsprong of oorzaak van het kwaad. En dit mede als antwoord op een andere richting van Schriftonderzoek van Knoch, Lukkien en Dr. Manussen e.a. welke met stellige overtuiging juist niet in “Satanval” geloofde, maar dat God de Satan als tegenstander geschapen heeft. Anders gezegd: de oorzaak van het kwaad ligt niet in de “val van Satan” maar ligt {indirect} bij God zelf, die Satan als Zijn tegenstander heeft geschapen. Hij is immers de Schepper van het goede en het kwade {Jes.45vers9}. De”val van Satan” echter veronderstelt een “zondeval”, een doelmissing van een aartsengel. Maar, zo zeggen Knoch e.a. als God een Satan als tegenstander geschapen heeft, dan bereikt God met deze door Hemzelf geschapen tegenstander Zijn doel waarop de andere richting (Pauptit cq Van Mierlo) scherp reageerde “dan is God de Auteur van de zonde”. De reactie daarop was dan weer dat God niet zondigde {zonde betekent immers doelmissen} en juist met het scheppen van Satan als Zijn tegenstander Zijn doel bereiken zal en dus zondigde en dus niet de Auteur van de zonde genoemd mag worden. Enerzijds werd het in de felle polemiek zelfs als “godslasterlijk” beschouwd dat God, Satan als Zijn tegenstander zou hebben geschapen en anderzijds wordt God gezien als de grote schaakmeester die zichzelf een tegenstander had gesteld. Het goede en het kwade, door God geschapen werd gezien als het grote leerproces van de heilsgeschiedenis. Hiermede hebben we heel summier de scherpe tegenstellingen in beide visies aangegeven. Ook onder theologen vinden we deze polemiek terug vooral in de Gereformeerde dogmatiek, o.a. bij H.Bavinck, prof.G C Berkouwer en Prof Kroeze. Het gaat ook in de kerkelijke theologie om de vraag of God de aarde heeft geschapen met de arrogantie {verzet, vijandschap, zonde} tegen God in haar. En de vraag komt ook hier naar boven “Is dit mogelijk zonder God tot Auteur, schepper der zonde, te maken?” Ook prof.Kroeze verklaart de zonde in haar oorsprong vanuit het wezen van God. En volgens Berkouwer {in “De zonde”, deel I} doemt hier opnieuw de schaduw op van het “Daus auctor peccati” {God de Auteur, de bewerker van de zonde, met hoeveel nadruk het ook wordt ontkend} Uit de felle polemiek van beide reeds genoemde richtingen van Schriftonderzoek moge blijken dat men, ondanks de concordante vertaalmethode eveneens tot zeer tegengestelde inzichten kan komen. Een concordante vertaalmethode, zonder meer, blijkt ook volstrekt onvoldoende te zijn. Wat zou hiervan, bij het bestuderen van het aller grootste probleem, “De oorsprong van het kwaad” de oorzaak kunnen zijn? In alle bescheidenheid gezegd zijn we van mening dat de vorige generatie Schriftonderzoekers en theologen nog niet voldoende konden uitgaan van de Joods/ Hebreeuwse leef en denkwereld waarin de ontstaansgeschiedenis van de Bijbel zich heeft voltrokken. Het christendom wordt immers al van aanvang af beheerst door de Grieks/Westerse denkwereld. In verband met de oorsprong van het kwaad wordt mede daardoor de vertaling “nederwerping der wereld” door genoemde richtingen van onderzoek van uitermate belang geacht. Hoe zou ook anders op dit “probleem van het kwaad” een bevredigend en Schriftuurlijk antwoord gegeven kunnen worden. De vertaling “nederwerping der wereld” werd tevens van belang geacht daarmee te kunnen aantonen dat de aarde niet slechts 6000 jaar oud zou zijn, maar vele miljoenen jaren. Bijbel en Wetenschap, schepping en evolutie – kwamen daardoor meer met elkaar in overeenstemming. Voor Van Mierlo, die in zijn tijd een wetenschappelijke methode van bijbelonderzoek ontwikkelde was de vertaling “nederwerping der wereld” daarom ook van veel betekenis. De Bijbel is echter geen wetenschappelijk boek ook al zijn er overeenkomsten te vinden tussen bijbel en weten­schap. Zeer opmerkelijk (en eigenlijk vanzelfsprekend) is, dat Van Mierlo als wetenschapper in één van zijn eerste boeken “Het Voornemen der Eeuwen en de Gemeente der Verborgenheid” met grote voorzichtigheid de mogelijke vertaling “nederwerping der wereld” heeft voorgesteld. Het is dan ook een vooronderstelde hypothese in verband met de oorsprong van het kwaad.

Het Griekse werkwoord “kataballoo” is in 2Kor.4vers9 en Openb.12vers10 terecht vertaald door “nederwerpen”. Door nu het Hebreeuwse “tohoe wa-bohoe” (woest en ledig) in Gen.1vers2 te associëren met het Griekse “katabole” {nederwerping} kwam men tot de term “nederwerping der wereld”. Van Mierlo zegt in plaats van“grondlegging” zou dus ook beter “nederwerping” gebruikt kunnen worden, in teksten waar in het N.T “katabole” voorkomt. Als wetenschapper geeft Van Mierlo deze associatie op voor­zichtige wijze aan {zoiets als een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid}. In onze tijd echter wordt meer en meer door verschillende onderzoekers de vertaling “nederwerping der wereld” i.p.v. “grondlegging der wereld” als een blijkbaar onbetwistbaar en niet meer te weerleggen vertaling aanvaard. Maar gaat men met deze conclusie niet te ver? De vertaling blijft immers een vooronderstelde hypothese. En vooral ook zou het probleem van het kwaad tot de meest aanvaardbare oplossing gebracht kunnen worden door de “val van Satan” te veronderstellen, waardoor de “nederwerping” der toenmalige voor-wereld {zo’n 1500 tot 1600 miljoen jaren geleden} een haast onbetwistbaar feit zou zijn. Met deze methode van uitleg zou God bovendien niet tot Auteur of bewerker van de zonde gemaakt worden, zoals dit bij Knoch e.a. onderzoekers het geval zou zijn. De zes scheppingsdagen zouden vervolgens een herschepping zijn van de hemel en aarde die nu zijn. Zoals we al opmerkten heeft Van Mierlo als wetenschapper deze hypothese op zeer voorzichtige wijze voorgesteld in een van zijn eerste boeken, “Het Voornomen der Eeuwen en de Gemeente der Verborgenheid” {b1z.19-21} En in “Het Goddelijk Voornemen”{Blz.19 + nootje 7}. Deze chaos {Gen.1vers2} moet het gevolg zijn van een wereld catastrofe, die overigens waarschijnlijk aangeduid wordt door het Griekse woord “katabolè” De associatie van het Hebreeuwse “tohoe wa-bohoe” met het Griekse “katabole” wordt daarmee tot een zijns inziens aanvaardbare mogelijkheid geacht. Het werkwoord “kataballoo” komt driemaal voor in het NT, nl, in 2Kor.4-9 {nederwerpen}; Hebr.6vers1 leggende het fundament} en Openb 12vers10 {nedergeworpen}.

Is de associatie van “tohoe wa- bohoe” met “katabolo wel geoorloofd?

 Van Mierlo associeert dus het Hebreeuwse “tohoe wa-bohoe” met het Griekse “katabole”, mede omdat ook de Septuagint {Griekse vertaling van het O.T.} vormen van het werkwoord “katabole”zou gebruiken. En hier legt o.i het probleem, Mag het Hebreeuwse “tohoe-wa-bohoe” geassocieerd worden met het Griekse “katabolè” {nederwerpen}? En dit terwijl bovendien de Septuagint Gen.1 vers 2 niet vertaald met “kataboi”, maar met “abussos” {afgrond}.Wij vragen ons af, kan of mag dit zo maar, ook al lijken deze woorden nederwerping en afgrond synoniem te zijn? En in 2Sam.20-15 gebruikt de Septuagint het Griekse woord “katabalein” nederwerpen of instorten; en in Hagg.2-23 “katostrefoo” omkeren, omgooien, naar de on­dergang brengen. Maar nogmaals, de Septuagint heeft in Gen.1vers 2 geen van deze “kata-woorden” gebruikt, naar het Griekse woord “abussos” afgrond. De merkwaardige wijze van vertalen wordt o.i juist veroorzaakt door de veronderstelling dat Gen.1 vers 2 van een “nederwerping van de eerste “voor- wereld” zou spreken. En dat is niet meer dan een hypothetische voor­onderstelling, mede om een bevredigende verklaring te kunnen geven aan het grootste aller problemen, de oorsprong van het kwaad. Bovendien geeft de tijdsaanduiding “van” of ‘voor’ bij het woord katabolè” juist aan dat er van een grondlegging gesproken wordt. Zonder tijdsaanduiding wordt terecht het woord themelio gebruikt, al vertaald door ‘fundament’. O.i. is er met de overzetting grondlegging i.p.v. “nederwerping” geen sprake van een taalkundige onjuistheid “katabole” betekent inderdaad ‘nederwerpen’. Maar zo vragen we is het dan nedergeworpen? Wel zo verondersteld men, de toenmalige prehistorische voor-wereld is neergeworpen. En wel door de val van Satan. Maar waar staat dat dan? Niet in Gen.1vers 2. Daar gaat het over het over het woest en ledig zijn van de nog ongeordende materie. Meer kunnen we ons daarbij niet voorstellen, juist omdát de heilsgeschiedenis geen wetenschappelijke beschouwingen beschrijft. Scheppend en ordenend worden “hemel en aarde” geschapen. Van een nederwerping” van een veronderstelde voorwereld wordt in Gen.l vers 2 niet gesproken. Maar hoe is men dan daar aangekomen? Het is o.i gewoon een overigens zeer begrijpelijke vooronderstelde hypothese. Vandaar hoe zou het ook anders kunnen ondanks grote voorzichtigheid van Van Mierlo t.a.v. de associatie “tohoe bohoe” en “katabolè”. Wordt “katabolê” gebruikt met een tijdsaanduiding, nl “voor” of “van”. Dan moet het  o.i vertaald worden “voor”of “van” de grondlegging der wereld en niet nederwerping! Wordt er geen tijdaanduiding gegeven dan wordt het met fundament” vertaald {themelio}. Een fundament is er {zonder tijds aanduiding}. Men ziet de vele teksten in een concordantie. Bijv. 2Tim.2 vers 19 ‘het vaste fundament Gods staat’, Rom.15 vers 20 “niet op ander fundament bouwen”. 1 Kor.3 vers10 ‘het fundament gelegd’, enz. De vertaling van Gen.1vers1 door Maimonides Luidt dan ook veelzeggend. “Fundamenteel. zijnde schiep God hemel en aarde’. Voordat God de wereld grondvestte, fundeerde, heeft God Jezus liefgehad {Joh.17 vers 24}, en hem de heerlijkheid gegeven die Jezus bij Hem had “eer de wereld was” {Joh.17 vers 5}. Het Exegetisches Wörterbuch zum Neuen Testament’ zegt hiervan het volgende: “Pro katabole” {voor de grondlegging der wereld} is een beschrijving van de absolute voortijd van de wereld. Jezus was al voor de wereldtijd de geliefde Zoon van de Vader {1Petr.1vers 20}. Voor de grondlegging {schepping} der wereld was Christus uitverkoren om verlossing te brengen door Zijn zoenbloed. Zie ook Ef.1vers 4 {vgl. 2Tim.1vers 9 en verder voor de eeuwige tijden}. Openb l3 vers 8; 17 vers 8 en Hebr.11vers 11.

Ook het “Theologisch Dictionary of the New Testament” van G.Kittel en G.Friedrich stemt hier geheel mee overeen. “Pro katabolès kosmou” is ­voor de grondlegging der wereld en “apo kataboles  kosmou” van de nederwerping der wereld. Het gaat hier gewoon om een tijdsaanduiding nl. de afsluiting van de schepping. Dit concept wordt ook bij de rabbijnen gevonden. In zijn boek “De Tijden der Eeuwen, zegt Pauptit dat hij van mening is dat “nederwerping” der wereld een betere vertaling zou zijn dan “grondlegging’ der wereld. In Pauptit’s visie was het “Eden der voorwereld” nedergeworpen als gevolg van “Satans val.” Pauptit en Van Mierlo waren van mening dat in Jes.14 en Ez.28 op symbolische wijze de val van Satan, de “overdekkende cherub” wordt geschreven. En zo werd die “toenmalige voorwereld” een chaos. Een verwoestende oervloed door de val van Satan.

 3.“Werd” de aarde woest en ledig?

In Gen.1vers 2 zouden we dientengevolge moeten lezen dat de aarde woest en ledig werd. Jes.45 vers18 zegt immers dat God de aarde “niet ledig geschapen heeft”. De aarde moet dus woest en ledig zijn geworden door de val van Satan. Het hangt inderdaad van de context af of men “was’ of “werd” moet vertalen. Er zijn inderdaad een twaalftal teksten waar de vertalers ‘was’ of ‘werd’ vertaald hebben. Vanuit de visie van Pauptit zou men als volgt kunnen samenvatten “de aarde was woest en ledig nadat ze woest en ledig werd. Maar nogmaals, in de context van het Genesis­verhaal is o.i. geen sprake van een veronderstelde “nederwerping van een voor-wereld”. Bij heidense religies was de chaos er het eerst. En hun goden zien zij opkomen uit die chaos. Goden die gesust moesten worden met genoegdoening offers, met als gevolg angstcomplexen. De vraag komt dan vanuit bijbels Licht naar boven. Wat was er nu het eerst? God of de chaos? Vanzelfsprekend vullen we dan in, God was er het eerst. Uit Hem is immers alles voortgekomen. En als God iets schept is het goed, nl. een kosmos, een sieraad. En dus schept Hij geen chaos. De O.T. -geleerde N.H.Riddsbos heeft o.i. terecht eens opgemerkt dat we enerzijds moeten oppassen het Hebreeuwse woord “tehom” niet al te onschuldig voor te stellen en anderzijds kan Ps.104 ons leren, dat wij bepaalde uitdrukkingen ook niet al te zwaar moeten belasten. O.i. hebben de voorstanders van de vertaling “nederwerping der wereld” echter het woord “woest en ledig zijn” van Gen.1vers 2 te zwaar belast door het Griekse woord “abussos (afgrond) als (absolute) “chaos” te beschouwen. Wanneer de aarde is geschapen, bestaat ze uit en door water {2Petr.3}. Dat houdt in dat de wateren de aarde nog bedekten. De aarde was toen onbewoonbaar voor de mens. In die zin was de aarde “woest en ledig”. Dat behoeft volgens N H.Ridderbos niet slechts als een “ongeordende” of “chaotische” toestand gezien te worden. De aarde was echter nog niet geschikt voor het doel, waar God haar voor schiep, nl als woonplaats voor de mens. Daar gaat het om in het Genesis/scheppingsverhaal. Gen.1vers 2 is daarom ook niet het gevolg van een verwoesting, welks ge­zien wordt als een “nederwerping der wereld” of wel van een veronderstelde “toenmalig. voor-wereld” als gevolg van de “val van Satan”. Zonder ‘hypothesen” kunnen noch de vaktheologie noch de“lekentheologie werkzaam zijn bij hun Schriftonderzoek. Maar deze vooronderstelde hypothesen en daar dienen we goed van doordrongen te zijn, kunnen ook juist zijn. Het zijn niet meer den hypothesen. De mythologieën der {heiden} volken kunnen niet anders dan slechts uitgaan van een chaos waaruit zij hun goden zien opkomen. Gaat men echter uit van een “nederwerping’ van een {toenmalige} voor-wereld’ dan zou deze chaos ontstaan zijn door de val van Satan”. In beide hypothetische voorstellingen wordt o.i. het “woest en ledig” zijn” van de aarde belast met “chaotische voorstellingen”. Er is in Gen.1vers 2 noch sprake van een chaotische verwoesting tengevolge van vloek en gericht {vol van Satan} noch dat God een chaos als ongeordende massa schiep. Maar het eerste scheppingsresultaat van Gen.l en 2, het scheppend ordenen van de materie -beantwoordde nog niet aan het doel, waartoe God de aarde maakte, de bewoonbaarheid voor de mens daartoe was nodig, de scheiding maken tussen de wateren boven en die van beneden. Gen 6-8. Aan de wateren beneden heeft God grenzen gesteld.{Gen.1-9,10; Ps 104.5 vers 9}. En ze wordt de aarde door God bewoonbaar gemaakt voor de mens, door de wateren te ordenen en dienstbaar te maken voor de mens binnen door Hem gestelde grenzen. En dat wordt ons in sobere bewoordingen verteld, niet als een wetenschappelijk betrouwbare uiteenzetting maar als een scheppingsverhaal, een lofzegging op de grote daden Gods, van Zijn scheppend en bevrijdend handelen. Die “wateren” kunnen echter wel een bedreiging voor de mens worden, hij zondigt, d.w z. zijn doel mist. Dan kan de kosmos, de aarde als raad, een chaos worden, of wel, tot een verwoeste orde.{Jer.4:5-8;  Ps.46:3,4; Ps.93:3,4}. Wij zijn van mening dat een hypothetische voorstelling van een “nederwerping” van een prehistorische voorwereld  veroorzaakt door de “val van Satan”, niet in Gen.1vers 2 ingelezen mag worden. En dit is in overeenstemming met hetgeen ook Joodse rabbijnen en leermeesters ons willen leren, nl. dat het in het scheppingsverhaal gaat om het bewoonbaar maken van de aarde {het Land } voor de mens en het scheppend, bevrijdend, het uit-reddend  handelen van God in heel zijn “geschiedend gebeuren” op weg naar de grote Voltooiing.

Want de hemel is Gods hemel, maar aan de mensen gaf Hij de aarde’{Psalm 115:16}. Of – zoals ‘Tenachon’, nr.2 dit scheppingsverhaal verwoord. Het boek Genesis vertelt niet alleen het ontstaan van de wereld. Het vertelt ook het ontstaan van het volk Israël dat in het boek Exodus de opdracht krijgt te dragen die de kern uitmaakt van de hele bijbel. Als samenvatting van deze paragraaf willen we stellen dat in Gen.1vers 2 niet gesproken wordt van satanisch/demonische machten, noch van een ‘nederwerping’ van een prehistorische wereld, als ‘eerste schepping’ welke verwoest zou zijn door een oervloed. Zowel in Gen.1 als in Gen.2 gaat het alleen om het doel waartoe God de mens in Zijn beeld geschapen heeft, omkleed in een scheppingsverhaal dat een lofzegging wil zijn op Gods scheppingsdaden, welke in het teken staan van Gods daden van scheppend, en bevrijdend verlossend of uit-reddend handelen, meer nog, het scheppingsverhaal staat in het teken van de zevende dag, de sabbat. ‘Het Jodendom is een godsdienst van de tijd en streeft naar heiliging van de tijd. Want ‘de zevende dag, de sabbat, is het paleis van de tijd’. {Abraham Joshua Heschel}. De aarde, of beter nog het land {het land Israëls}, wordt zichtbaar en bewoonbaar gemaakt voor Israël en de wereld {het Griekse woord ‘u’ heeft meerdere betekenissen, o.a. aarde of land}. Het gaat immers om de heilsgeschiedenis. Heilsgeschiedenis, welke ingekaderd ligt in het scheppingsverhaal. De aarde, het land, wordt uit de ‘wanorde’ getrokken. En dáárom wordt de uittocht uit Egypte verbonden met het scheppingsgebeuren. Schepping en verlossing boren in de Joods/Hebreeuwse leef en denkwereld onafscheidelijk bijeen. Het gaat immers om het verlossend en bevrijdend handelen van God. Het grote ‘uittochtgebeuren’ vangt reeds met de schepping aan. De aarde, het bewoonbaar gemaakte land, het land Israëls wordt uitge­trokken, weggetrokken uit de ‘chaos’, uit de angsten van slavernij en dood, mede veroorzaakt door de mythologie van de ‘heiden’-volken. En God sprak: Er zij licht en er was licht’ Uit de dood Het LEVEN. Want de God van Israël is een God van levenden en niet van doden Daar gaat het om in het heilshandelen van God. Het uittrekken uit de machten die mens en wereld gevangen houden. Heel het geschiedende gebeuren van God is samen te vatten vanuit dat ene uitreddende begrip ‘EXODUS’. De Uittocht uit de doden! Vandaar ook dat de uittocht uit Egypte in Israëls geschiedenis het Exodus-motief’ is geworden, dat Nieuw in Testamentische licht haar volle vervulling en ontplooiing heeft gekregen in de uitopstanding, de uittocht uit de doden, van JEZUS Messias {Ef.1vers 15-23}.

 In het eerste boek, Boreesjiet {Genesis}, wordt de voorgeschiedenis van het volk Israël beschreven en geplaatst in het kader van de gehele schepping. De God die Israël bij de Uittocht en Sinai heeft leren kennen, is de God van de gehele wereld en alle mensen {Tenachon, nr.2}. En zo kwam na de Babylonische ballingschap het scheppingsgebeuren vanuit de mondelinge traditie als scheppingsverhaal in onze Bijbel. Het verhaal van ‘het geschiedend gebeuren van God’ Het gaat in de bijbel in eerste instantie om ‘ethische waarden’ in heel het heilshandelen van God. Heel het scheppingsgebeuren staat daarom in het teken van dit heilshandelen van God, dat ver uitgaat boven de natuur wetenschappelijk onderzoek. Natuurwetenschappers hebben overigens alle vrijheid bezig te zijn met vragen rond schepping en evolutie. En het is zeker interessant geologische tijdvakken vanuit de natuurwetenschap te vergelijken met geo­grafische gegevens uit de bijbel. Het zou dan om vele duizenden miljoenen jaren gaan, een langdurig evolutie proces, gepaard gaande met vulkanische rampen, ijstijden, oervloeden en overstromingen. Vanuit natuurwetenschappelijk onderzoek {evolutieproces}, maar ook vanuit Bijbel en Wetenschap {schepping en evolutie} kan men zeker wel een pre-historische voorwereld veronderstellen. En wat zijn er alleen al op bijbel/wetenschappelijk niveau velerlei hypothesen. Het Genesis verhaal is echter niet zondermeer een verslag van histo­rische feiten. Nochtans behoeven bijbel en wetenschap niet met elkaar in tegenspraak te zijn. De bijbel bevat echter geen wetenschappelijke beschouwingen, maar verkondigt een scheppingsverhaal dat een lofzegging is {een doxologie} een sjabatslied, op de heerlijkheid van de zevende dag. Want de zevende dag staat centraal in het scheppingsgebeuren. God, de Schepper, bekleedde de rustdag met schoonheid, Hij noemde de sjabat een verrukking. Dit is het loflied van de zevende dag, waarop God rustte van Zijn werk {uit de “sjabat – morgenliturgie}. Het gaat in de bijbel in eerste instantie in heel het geschiedende gebeuren van God om ethische waarden. Zeer treffend wordt dit ook uit­gebeeld in Jer.4:23 ev. Het land Israëls dreigde weer een “chaos” te worden. “Woest en ledig” vanwege Israëls ongehoorzaamheid en ontrouw aan God. En Israël moet de “woestijn” weer vruchtbaar maken. Het land zal tot een woestenij worden (tohoe wa-bohoe). Jeremia kondigt het onheil aan vanuit het Noorden. Een verderver uit de volkeren {type van de mens der wetteloosheid 2Thes.2} is opgebroken om het land tot een woestenij te maken {Jer.4:5-7}. Dreigend onheil vanwege Israëls onge­hoorzaamheid {vrs.22}. En dan volgen de niet mis te verstane woorden, van vrs.23-28. De aarde, beter het land Israël “zij word woest én ledig”. De aarde was tot een woestijn geworden. Een woestenij zal het ganse land worden, al zal Ik niet voor goed met hen afrekenen!” Lees geheel Jer.4 tot en met hoofdstuk 7. En daarom nogmaals, Het gaat om het uit-reddend, verlossend en bevrij­dend heilshandelen van God, dat ingekaderd ligt in heel het scheppings­gebeuren Het is het “verhalend vertellen” van Gods grote daden in het scheppings en Exodus – gebeuren, dat zo kenmerkend is vanuit de Hebreeuwse leef  en denkwereld van het Joodse volk.

 4. Spreekt 2Pet 3:5 en 6 van een “nederwerping” of van een voor – wereld?

 Wordt er in 2Petr.2 en 3 gesproken van twee werelden die zouden zijn vergaan, nl. van een “toenmalige voor-wereld” en de wereld van Noach’s dagen, de zgn. “nu-wereld”? Van de wereld van Noach wordt terecht in 2Petr.2 vers 5 gezegd dat deze wereld van “de voortijd” niet gespaard is. Alleen Noach en de zijnen worden gespaard. Maar 2Pet.3 vers 5 en 6 zouden over nog een andere wereld spreken, nl. van een “toenmalige {pre-historische voor}wereld”, welke eveneens door een voor ons onvoorstelbare oervloed” zou zijn verzwolgen. Het Grieks heeft voor “zondvloed” het woord “kataklusmos. Letterlijk vertaalt een “neeruitgieting”. {Matth.24 vers 38,39; Luc.17 vers 27 en 2Petr.2 vers 5}. “Kataklusmos” is verwant aan het woord “katakluzoo”, dat alleen in 2Petr 3 vers 6 als passief deelwoord {kataklutheis} voorkomt. {het woord “zondvloed” hoeft niets met “zonde” te maken}. Het is afgeleid van een oud Nederlands woord dat grote vloed betekent. Denk aan de zee tussen Kopenhagen en Malmö. In de vertaling {Septuagint} komt “katakluzoo” voor in Ez.13 vers 11 en 13. Het N.B.G. vertaalt dit met “stromende regen”. Letterlijk betekent “katakluzoo” dus “overstroming. En “katakluzoo” is weer verwant aan het Hebreeuwse woord “mabboel”, dat vertaald wordt door “zondvloed” {Gen. 6vers 17; 7vers 6, 7,10,17, 9 vers11,28; 10 vers1,32}, “watervloed of “na de vloed”. Opvallend is nu, dat nergens het woord “katabolé” gebruikt wordt, dat “nederwerping” betekend. En juist dit “kata-woord” wordt door voornoem­de Schriftonderzoekers vereenzelvigd met het Hebreeuwse “tohoe” van Gen.1vers 2! Het is o.i. de vraag of deze associatie van het Hebreeuwse “tohoe” met het Griekse “katabolè” wel juist en verantwoord is. Het Griekse woord “katakluzoo” is gelijk aan het Hebreeuwse woord “sjataf”= overstroming of stromende regen. {Ps.78 vers 20}. De Septuagint, de Griekse vertaling van het O.T, vertaalt Gen.1vers 2 echter niet met “katabolé” maar met “abussos”= afgrond. {Zie ook Ps.42 vers 8; 78 vers15;Ps.33 vers 7; Ex.15 vers 5,8; Deut.8 vers 7; Ex.31vers 4}. “Tehoem” betekent “afgrond” {Job28:14;38:16, 30}, of “diepte der aarde” {Ps.71:20}. De conclusie is dat er in 2Petr.3 inderdaad over twee werelden gesproken wordt, nl. over de wereld voor Noach en de wereld na Noach. De toenmalige wereld is de wereld voor Noach, die door water is verzwolgen {katakluzoo} en niet van een veronderstelde prohistorische wereld, welke door een nog catastrofale “oervloed” zou zijn verzwolgen. De “toenmalige wereld” van 2Petr.3 vers 5 is de wereld zoals die er was voor Noach. Deze wereld is door water {zondvloed} verzwolgen. En de wereld “die nu is” is de wereld van na de zondvloed. En deze “tegenwoordige hemel en aarde” worden door hetzelfde woord als een schat weggelegd, ten vure bewaart tegen de dag van het oordeel {vrs.7}. In Gen.1 en 2 gaat het alleen over de bewoonbaar maken van de aarde voor de mens en in Gen.3 over de zonde, het doelmissen van de mens in het “paradijs”, de hof van Eden. Er is geen sprake van een “zondeval van Satan of van gevallen engelen. Kortom, van een “val” in de geestelijke wereld. Een zondeval welke men wil inlezen in Gen.1vers 2 vanuit Gen 6.vers 1-4; en 2petr. 2 vers 4 en apocalyptische geschriften.

 De engelen die gezondigd hebben”. {Judas 5-7}.

 Het boek Henoch, waarschijnlijk in de tijd der Makkabeën geschreven en later omgewerkt, wordt aan “de zevende van Adam” toegekend. De schrijver neemt daaruit de verklaring van Gen.6 over omtrent het lot, dat de geval­len engelen wachtte, en citeert de woorden “De Heer  is gekomen  met duizendtallen van engelen, om gericht te houden over allen, de goddeloze onder hen te straffen vanwege hun boze werken en de vermetele taal, tegen Hem gesproken.” {vrs.6,14,15}. En de sage van de aartsengel Michaël, met Satan twistende over het lijk van Mozes {vrs.9}, is aan de Hemelvaart van Mozes ontleend. In 2Petr.2 vers 4 en Judas 5-7 worden apocalyptische geschriften geciteerd. De aangehaalde citaten uit apocriefe geschriften zijn terug te vinden in vroegere volksverhalen en zijn bewaard gebleven in de zgn. pseudopigrafische literatuur. En deze geschriften zijn niet opgenomen in de canon van de Bijbol. De schrijvers beschouwden zich als “uitleggers” van het bijbelverhaal. Het was hun commentaar op de bijbelverhalen.

Waar het nu om gaat is de vraag welke plaats de angelogie, de engelenleer in de Joods/Hebreeuws denkwereld inneemt. De “engelenleer” vinden we in Gen.6 vers1-4; Jes.14 vers 12-15 en Ps.82 vers1-8. Deze tekstgedeelten gaan uit van een mythologische achtergrond.{Pseudopigrafisch} De oudste van deze geschriften zijn ontstaan in de tweede eeuw voor Christus en de overige geschriften in de daarop volgende eeuwen tot aan het einde van de eerste eeuw. De boeken werden op naam gezet van grote bijbelse figuren, zoals Abra­ham, Mozes, Noach en Henoch. De auteurs vermeldden dus niet hun eigen naam. Sommige van deze geschriften zijn van grote invloed geweest op het vroege christendom. Het boek Henoch bevat citaten uit een oud Noach boek, “De Ethiopische Henoch”, waarin gesproken wordt van de engelen die de dochters der men­sen begeerden. In het boek Henoch II, de Slavonische Henoch”, wordt – gesproken over de opstand van Satan, evenals over de gevallen engelen. Ook het boek “Jubi1een” en het “Testament der 12 Patriarchen” bevat dergelijke citaten. Al is in het laatstgenoemde boek de legende volko­men veranderd. Het zijn fantastische verhalen. Welnu, het verhaal van de lust der engelen verdween al vóór het ontstaan van het christendom uit de Joodse literatuur. De Septuagint, ontstaan in de Grieks – Joodse wereld, welke niet overal dezelfde is, heeft in sommige vertalingen “bene haelohiem” vertaald met “zonen Gods” en in andere “engelen Gods”. Het verhaal van de gevallen engelen was de Joden in Alexandrië zeker wel bekend.

De Talmoed spreekt nooit van de “val der engelen” of de “val van Satan”.

De Targoem, de Aramese vertaling, vertaalt de “zonen Gods” met “zonen der aanzienlijken”. En dat werd de standaard vertaling in de Joodse tra­ditie. Het gaat in Gen.6 niet over {boze} engelen, maar over bijzondere mensen, die tot een verworden levenswijze kwamen. Gods vergelding volgde op dit onzedelijk gedrag. De slechtheid der mensen was groot en word vergeleken met Sodom en Gomorra. Een volkomen degeneratie waarop de zondvloed volgde. Het verhaal van de gevallen engelen word door de rabbijnen verworpen. De zondvloed kwam immers niet door de gril van de goden, maar door het gedrag van de mensen! {Phoenix-serie deel 3 “Zoals er gezegd is over de vloed en toren”, blz.25-35}. De Joodse geleerde Rasji zegt dat met “goden”, “Elohiem”, in Gen.6 vers 2 mensen bedoeld zijn die tot heerschappij geroepen waren. Het zijn zonen van vorsten of rechters, door God met een opdracht belast. Ze zijn zonen van aanzienlijken {“Over de goede enge1en”,

Dr. R. Boon}. De rechters mogen dan “zonen van de Allerhoogste” worden genoemd, toch zullen zij als mensen  “Adam” sterven.{Ps.82 vers 1,6}. Het is de mens, die door zijn zondigen een toegangspoort voor het kwaad is geworden. Bij hem, niet bij de “gevallen engelen” ligt de oorsprong van het kwaad in de wereld der mensen

 6.De val van Satan”.

De “toenmalige voor-wereld” Is volgens Pauptit en Van Mierlo e.a  door een zeer grote oervloed, welke veroorzaakt zou zijn door de “val van Satan”. Deze “val van Satan” zou in dichterlijke taal beschreven zijn in Jes.14 vers 3-23 en Ez.28 vers 11-19. De andere richting van Schrift onderzoek echter, nl die van Knoch, Lukkien, Dr. A. Manussen e.a. spreken ook van een “nederwerping” der wereld, maar zij  zien Satan als Gods tegenspeler. Satan in de grote tegenwerker en zelf door God als Zijn tegen­stander geschapen. Toen hij begon, begon ook de zonde, immers 1 Joh.3 vers 8 zegt dat de duivel “zondigde van den beginne ” en dat hij een mensenmoordenaar was van het begin af en niet in de waarheid heeft gestaan {Joh.8:44}. Satan is een leugenaar en de vader der leugen. Volgens deze richting van onderzoek wordt bijv. ook in het boek Job niet gesproken van een “val van Satan”. Toch wordt door hen  ook een oproer onder de  zonen Gods verondersteld. En zo zou dan vermoedelijk de chaos, de nederwerping der toenma­lige wereld ontstaan zijn en “werd” de aarde woest en ledig. Satan, zo veronderstelt deze richting van onderzoek, is niet “gevallen”, maar deed wat hij als door God ge­schapen tegenstander moest doen. Overigens zien beide richtingen van Schriftonderzoek wel in dat het in de scheppingsverhalen van Gen. 1 en 2 niet slechts gaat om geologische natuurkundige hypothesen of feiten. De “vorige” generatie Schriftonderzoekers heeft op deze wijze het grootste aller pro­blemen, “het probleem van het kwaad”, als de meest aanvaardbare oplossing gezien. Uitgaande van de Joods/Hebreeuwse leef en denkwereld is er een beter en meer verant­woord inzicht op het probleem van het kwaad te geven. Door het Hebreeuwse “tahoe wa-bohoe” te associëren met het Griekse “katabolé” is o.i. een scheiding gemaakt tussen Gen.1vers 1 en vers 2. En dan kan men inderdaad Gen.1vers 2 over­zetten met “de aarde werd woest en ledig”.

Eerst in apocalyptische geschriften gaan de engelen en demonenwereld onder aanvoer van Satan een grote rol spelen. De Talmoed spreekt echter zoals we reeds opmerkten, nooit van de val van engelen of de opstand den engelen. Met behulp van synoniemen is het inderdaad mogelijk de betekenis van een woord belangrijk te beïnvloeden, of door het associëren van bepaalde woorden met elkaar. Bovendien kan het woord “nederwerpen” evenzeer “op de grond werpen” betekenen. Dus grondvesten, op de grond leggen of funderen. Dat ligt, gezien de context, ook veel meer voor de hand. En daarmee is dan ook de gedachte aan een “nederwerping” van een voor-wereld inderdaad verdwenen. En dat is nu juist de betekenis vanuit de Hebreeuwse denkwereld, waarin niet gesproken wordt van een “nederwerping der wereld”, maar van een grondvesten, een grondlegging, een funderen van de wereld. In 2Sam.20 vers 25 gebruikt de Septuagint wel het Griekse woord “katabalein”= nederwerpen of instorten en in Haggai 2 vers 23 “katastrefoo” = omkeren, omgooien, naar de ondergang brengen. Maar nog­maals: De Septuagint {Grieks vertaling van het O.T} gebruikt in Gen. 1vers 2 geen van deze “kata” woorden. We mogen o.i. van het Hebreeuwse “tohoe wa-bohoe” geen Griekse constructie maken. Of deze woorden zondermeer als synoniemen gebruiken.

Vanuit de Joods/Hebreeuwse denkwere1d krijgen de Genesisverha1en o.i juist een diepere betekenis door de vertaling grondlegging der wereld”. Vandaar ook dat de grote Joodse geleerde Maimonides Gen.1vers1 als vo1gt weergeeft “ Fundamenteel zijnde schiep God de hemel en de aarde “. Pauptit zegt in zijn boek “De Tijden der Eeuwen” terecht dat “scheppen” ziet, op het als ‘ t ware afsnijden en omzetten van de oersubstantie, het voor het eerst daar stellen, het formeren ziet op het zijn vaste bestemming, zijn loop geven, het ordenen dus van de oermaterie waaruit de aarde {het land! }is voortgekomen. Maar anderzijds wordt ook door Pauptit de veronderste1de voorwere1d gezien a1s “het Eden der toen-wereld”. En men baseert dit op Ez. 28 omdat daar over “Eden, Gods Hof wordt gesproken en van de “overdekkende cherub”. En deze overdekkende cherub houdt Pauptit voor Satan, die eenmaa1 in de gedaante van een slang in de hof van Eden kwam. Deze cherub is hoogmoedig geworden en “gevallen” Satans wijsheid zou zijn omgeslagen in leugen en werd alzo de “vader der leugen“ {Joh 8: 44 }, die zondigde van den beginne. En het gevolg van Satans val zou dan de “nederwerping der voorwereld” veroorzaakt hebben. Een alles verwoestende oer­vloed, een gerichte Gods. En met deze visie was de “oorsprong van het kwaad” naar men meende, tot een meer aanvaardbare oplossing gebracht, nl dat het kwaad niet uit God was maar veroorzaakt werd door de hoogmoed en val van Satan als de “overdekkende cherub”.

7 Een duidelijk tegen commentaar van Dr A Manussen

Wij geven nu een verkort, maar duidelijk commentaar hierop van Dr. A.Manussen.

Jes. 14 vers 12. “Hoe zijt gij uit de hemel gevallen, o morgenster, zoon des dageraads, hoe zijt gij ter aarde neergehouwen? “. Wat staat er geschreven, hoe leest u? Alleen de eenvoudige Schriftlezing, wellicht verduidelijkt met wat kennis van de Hebreeuwse beeldspraak, die ik niet toepasselijk verklaar, maar die eenvoudig in Jesaja en Ezechiël dagen bestond, reeds lang voor de hedendaagse traditionele leer over Satan in het brein der mensen was opgekomen. De context dient in haar geheel gelezen te worden, van Jes 13 vers 1 tot en met Jes.14 vers 27. Het oordeel Gods over de koning van Babel. Het gaat hier in elk geval over mensen. Jes. 13 beschrijft in 49 verzen heel wat oordelen en straffen in verband met het gode vijandige Babel en de koning van Babel. Er staat niets over Satan zelf in dit hoofd­stuk, wel over zijn dienaren en trawanten, die door “de werking des satans” zich hebben laten leiden. Prototype van de “mens der zonde” { 2Thes. 2 vers 9 }.

Hoe komt men er toch toe een oude Chaldeeuwse goden voorstelling die op “onderling strijdende goden” was afgestemd voortdurend nieuw leven in te blazen, d.m.v. Jes.14 -12. Is de titel “morgenster” een te grootse benaming voor de koning van Babel, een zondig mensenkind? In het oude oosten was deze benaming in de literatuur volstrekt niet ongewoon, zoals uit Chaldeeuwse en Hebreeuwse inscripties is gebleken. Het was een “protocollaire” benaming voor groot menselijke, dus zondige vorsten en rijksgroten. Het zijn gewoon bekende aanspraaktitels voor de grote machthebbers, naar de regels van het protocol. Zó hoog ging de verering in het oosten, dat rechters zelfs “goden” werden genoemd. Wat wij in het Westen “godslasterlijk” noemen zondige mensen “goden” of “heilanden” te noemen, zijn dit in het oosten gewoon weidse, Oosterse betitelingen. In Ez. 28 vers 13-45 wordt ook over een bepaalde persoon gesproken, die was in Eden, Gods hof . Die persoon was een gezalfde, overdekkende cherub en volkomen in al zijn wegen, totdat er ongerechtigheid in hem gevonden werd. Wordt hier nu gedoeld op een geweldige tragische “val” van één der voornaamste “engelen Gods, die daardoor “satan” werd?

Ez. 28 bestaat uit drie delen:

1 last tegen en het klaaglied over de koning van Tyrus.{1-19}.

2.de profetie tegen Sidon {20-24}.

3  een profetie aangaande Israëls herstel{25, 26 }.

Tot tweemaa1 toe wordt de koning van Tyrus een “mens” genoemd. { 2 en 9 } en dus geen “Satan”. Maar, zo meent men vers.13-15 kan alleen “symbolisch op Satans val van toepassing zijn. Dit moet dan duidelijk uit de tekst blijken, of er wel van beeldspraak of allegorie sprake is. Dat kan in Ez.28 vers 13-15 niet het geval zijn! Wij hebben hier immers geen hoofdstuk dat als geheel, een allegorie of iets dergelijks bevat. Deze teksten zijn een gewone, hoewel oosterse bloemrijke omschrijving van de trotse, van stinkende hoogmoed vervulde koning van Tyrus, ook weer een mens. Die termen getuigen in hoge mate van Goddelijke ironie, dus van goddelijke, in menselijke woorden uitgedrukte spot. In de 10 de en 9e eeuw voor Chr. was deze stad Tyrus gelegen op een rotsachtig eiland nabij de kust reeds in haar bloeitijd. Dat staat beschreven in Ez. 26 en27. Een machtige stad, weelderig gebouwd. De koning van Tyrus had zichzelf “God” genoemd. “1k zit in Gods stoel” {Ez . 28 : 2}. Ook weer een prototype van de mens der wetteloosheid!

vers. 12-15 zijn dan ook weer een menge1ing van:

le  ironische spot;

2e  weidse gewoonte be­titelingen jegens vorsten;

3e materiele waarheid. Dit alles blijkt uit de context van vers 26 en 27. Een klaagzang, in dichterlijke taal beschreven! Het landschap Tyrus was in haar bloeitijd en koopmanshandel als de Hof van Eden. {27 vers 23 }. Sodom en Gomorra  was ook een weelderige landstreek, als Eden, Gods hof. {Gen. 13 vers 10}. Tyrus had een handelsrelatie met Eden. Edelstenen werden er gevonden (Gen. 2 vers 12; Ez. 27 vers 22 }, reeds voor ‘ s konings geboorte {ten dage als gij ge­schapen werd”} denk aan het spreekwoord: “hij is met een zilveren lepel in de mond geboren”! {28 vers 13}. En Satan was toch niet “in de staat der rechtheid” met edelstenen getooid? Of waren het soms “geestelijke’ edelstenen? “. Alle kostelijk gesteente was uw deksel, terecht, de schatten van de weelde lagen voor het grijpen. En deze grote koning viel door hoogmoed. Hij zag zichzelf als “een God”. Dr. Oord, een uitstekend kenner van het Hebreeuws, vertaalde Ez.  28 vers 14 als volgt: “Bij de beschuttende cherub had 1k u geplaatst gij ( koning van Tyrus ) bevond U op de heilige godenberg en gij wandelde tussen de vurige stenen “. Hier zien wij de koning zelf dus, dus geen cherub, maar hij had in zijn jeugd, toen hij aanvankelijk nog menselijk “onberispelijk” wandelde, Gods bescherming genoten; {er was als ‘ t ware een beschermengel geweest die zijn prille jeugd had geleid}. Zie bijv. Matth.18 vers 10; Hand.12 vers 15 “beschermengelen”. De heilige godenberg” {14b}alle oosterse godsdiensten hadden hun “godenbergen”. Ook Israël had zijn “bergen” waar geofferd werd. Het waren heilige bergen door de offerdienst gewijd. Deze bergen kunnen dus niet de “hemel” voorstellen, met Satan als bewoner er van, totdat hij “viel”.

Vrs.15  “Gij waart volkomen in uw wegen” onberispelijk in uw gedrag, totdat gij op oneerlijkheid werd betrapt { Leidse Vert } en zichzelf tot “God” had geproclameerd. Dat is de betekenis van Ez.28 vers13-15 ontdaan van fantasie en traditioneel dogma. De oordelen zijn dan ook aan Tyrus voltrokken . “

De bedoeling van deze uitleg van Dr.Manussen was, te laten zien dat men het bestaan van Satan niet moet afleiden uit teksten, waar hij niet in zit. Er zijn wel betere bewijsplaatsen voor zijn ontstaan in de Schrift, zoals l Joh.3vers 8 en Joh. 8 vers 44. Hij was de mensenmoorder van den beginne. Naar zijn wezen en karakter een leugenaar. In een slotconclusie tracht Dr Manussen beide richtingen van Schriftonderzoek dichter tot elkaar te brengen. Onverschillig of men aanneemt dat het hemelse wezen, dat later als “satan” optreedt, aanvankelijk “recht” geschapen is geweest en dat hij eerst later {in elk geval voor Adam en Eva}door God tot satan is gesteld en hij met zijn boden onder Gods bestel, hun heersersambt {Grieks: archè, Judas vers 6} hebben losgelaten. Of dat men aanneemt dat Satan reed onmiddellijk als “satan” is geschapen, het maakt praktisch weinig uit hoe men dit onderdeel opvat. Als men maar vasthoudt dat hij in elk geval van zijn satans aanvang af {d.i. .van het begin van zijn sataniteit af! } dus voor Adam en onder Gods bestel, een mensenmoordenaar en zondigend wezen is geweest”.

Maar ook deze conclusie van Dr.Manussen brengt ons niet verder. 0. i  kan  alleen de Joods /Hebreeuwse denkwereld ons hierin meer  licht geven. De oorspong van het kwaad {Joods/Hebreeuws denken vanuit de schriftelijke Torah en de mondelinge traditie}. Met deze laatste paragraaf komen we tot de kern waar het in deze uitvoerig besproken problematiek om gaat. De Oorsprong van het kwaad.

Vanwaar het kwaad? Wat is de allereerste bron waaruit de zonde is voortgekomen? Hoe kwam de eerste mens {de Adam”} tot zondigen? Wat dreef hem daartoe? Viel de mens door de verzoeking van Satan, een door “hoogmoed gevallen engel of cherub” ? Of  was Satan het  Hebreeuwse  woord  voor  “tegenstander”een door God zelf geschapen tegenstander? Waarbij dan weer onmiddellijk de vraag  opdoemt, kan de oorsprong van het kwaad, op welke wijze dan ook, verklaard worden vanuit het wezen van God? Kan dit gezegd worden zonder God tot Auteur van de zonde te maken? Of wordt er mogelijk in het wezen van God een bepaald dualisme verondersteld? Vragen te over! De in dit onderwerp besproken visies, uitgaande van de concordante vertaal methode van Schriftonderzoek {en dispensationalisme } hebben met hun onderzoek getracht een Schriftuurlijk en bevredigend antwoord te kunnen geven op bovengenoemde vragen betreffende de oorsprong van het kwaad. Ook theologen van diverse kerkelijke richtingen en gezindte hebben steeds getracht een bijbels verantwoorde theologie te geven ter verklaring van dit “grootste aller problemen”. In de kerke1ijke dogmatiek ging dit soms eveneens gepaard met een felle polemiek. {Par.2}.

Zowel het Jodendom als het christendom werd beïnvloed door Perzisch dualisme { Israël tijdens en na de Babylonische ballingschap} en de Grieks/hellenistische en Romeins/juridische denkwereld {christendom gedurende de eerste eeuwen van onze jaar­telling}. De vroeg christelijke gemeenten werden reeds  sterk beïnvloed door gnostiek/dualis­tische leerstellingen. De zendbrieven van Johannes waarschuwden reeds voor de geest van de antichrist, en de vele antichristen” {1Joh.2 vers 18-22; 4 vers 1-6; 3 vers 7-11}. We denken in dit verband ook aan de vele apocriefe en pseudepigravische geschriften met hun soms zeer uiteenlopende fantasieverhalen en mysteries. Apocalyptische li­teratuur welke vooral ontstond gedurende de intertestamentaire periode {de periode tussen het Oude en Nieuwe Testament }. Toen de profetie verstomde ontstonden in tijden van grote nood en verdrukking de apocalyptische geschriften. Joodse leermeesters keerden echter steeds weer terug naar de woorden GODS van de Torah en verwierpen de verhalen van de ‘gevallen engelen’. In de Talmoed {mondeling traditie} wordt dan ook nooit van de “val der engelen” of de “val van Satan gespro­ken.

In het boek Schepping, “Val en Vloed” van K.A. den Breejen volgt na een inleidend woord een reeks van de voornaamste opvattingen op het scheppingsgebeuren van Gen1. Kort samengevat zijn het fundamentalistische, corcordistische en restitu­tie opvattingen. {blz.9-17}.

Voor ons onderwerp beperken we ons tot de restitutieleer, welke uitgaat van een veronderstelde val van Satan en dientengevolge van een “nederwerping der wereld” de ineenstorting van de “eerste schepping door een oervloed, een gericht Gods vanwege de hoogmoed van een cherub, die als gevolg daarvan een Satan of duivel zou zijn geworden.

We vinden deze restitutieopvattingen ook weer met onderlinge verschillende inzich­ten o.a . bij  Jakob Böhme, Fr.Delitzch, Frhr.von Huene, dr. E.W.Bullinger, Sco­fields Reference Bible, Erich Sauer. Het concordistisch Schriftonderzoek in Nederland van G. J . Pauptit en S.van Mierlo ging eveneens uit van de restitutieopvatting. We beperken ons tot deze meest gedegen richting van Schriftonderzoek in ons land. Het is de restitutieleer welke Gen.1vers 3-2:4 als een herschepping ziet. In zes schep­pingsdagen {hetzij in dagen van 24 uur of van 6 lange tijdsperioden}. De veronderstelde oorspronke1ijke {eerste} schepping van Gen.1vers 1 zou door de “val van Satan” woest en ledig geworden zijn. {vrs.2}. En vanuit deze visie van genoemde onderzoekers meende men een meer aanvaardbare oplossing gevonden te hebben voor de oorsprong van het kwaad, in tegenstelling t.o.v. de visie van Knoch, Lukkien, Dr. Manussen, e.a., die stellig poneerden dat God Satan als zijn tegenstander zou hebben geschapen. (par.6 en 7).

Vanuit de Joodse mystiek {Kabbalah} vermelden we nog een zeer mystieke beschouwing over het wezen Gods en de oorsprong van het kwaad. Bij de aanvang van de schepping wordt eveneens een catastrofe verondersteld. Maar deze catastrofe heeft niets van doen met een “val van Satan” of “gevallen engelen, duivel of demonen”. In deze mystieke beschouwing wordt de schepping ervaren als een proces in God zelf. De schep­ping is niet uit het niets” geschapen {filosofie}. God is echter buiten Zichzelf getreden. In het wezen van God heeft, zo verondersteld de Joodse mysticus Jitzchak Luria {1534-1572}, een uitzuivering van kwade krachten plaatsgevonden. God verkeerde daardoor als het ware in ballingschap binnen zichzelf. En door deze catastrofale breuk bevond de gehele kosmos zich van het begin af in chaos en bal1ingschap. De oorsprong van het kwaad en het lijden gaat volgens deze mysticus dus in feite terug op een proces in God zelf. Deze visie wordt wel de Luriaanse mystiek genoemd. Deze wel zeer ver doorgevoerde, diepzinnige mystieke beschouwingen laten we verder maar buiten beschouwing. Vanuit deze mystieke visie is het misschien verklaarbaar dat de concordistische methode van Schriftonderzoek van Knoch, leerden dat God Satan als Zijn tegenstander geschapen zou hebben. Het kwaad kan echter niet als een deel van God gezien worden. God wordt met derge­lijke mystieke beschouwingen tot Auteur van de zonde gemaakt.

In zijn slotconclusie wijst Dr. Manussen er terecht op dat het weinig uitmaakt of men aanneemt dat Satan is “gevallen” of dat God Satan reeds onmiddellijk als “Satan” geschapen heeft, als men maar vasthoudt dat hij in elk geval van zijn satans aanvang af {d. i. van het begin van zijn sataniteit af!} een mensenmoordenaar en zondig wezen is geweest.En daarmee blijft het ook voor Dr. Manussen een ondoorzichtig onderdeel.

Het is ons niet gegeven het “verborgen mysterie’ van de oorsprong van het kwaad te doorgronden. Het Oude Testament waarin centraal staan de vijf boeken van Mozes daarentegen zoekt de oorsprong van het kwaad bij de mens zelf, die de ingeschapen mogelijkheid heeft te kiezen voor het goede of het kwade. De mens wordt verantwoordelijk gesteld voor de keuze die hij doet, De mens is immers naar {beter: in} het beeld Gods geschapen! Dat houdt in de vrijheid van keuzemogelijkheid. Door de verkeerde keuze wordt “zonde” dan doelmissen, of overtreding van het gebod, waardoor de mens schuldig komt te staan tegenover God. Over de bron van het kwaad wordt in de Torah geen diepzinnige of nadere uitwerking gegeven. De mens blijft te allen tijde verantwoordelijk voor zijn daden en is instaat te kiezen om te doen wat God van hen verwacht. {Deut: 30:11-20}. Dat is het eenvoudige en ongecompliceerde mensbeeld waar het Oude testament van uitgaat {Cohen Stuart in tweestrijd Blz.16}. In de mondelinge traditie wordt de Torah steeds opnieuw geïnterpreteerd in de situ­atie waarin het volk Israël leeft. Door confrontatie met en beïnvloeding door het Perzische en Griekse denken werden Joodse leermeesters genoodzaakt vanuit de Torah opnieuw door te denken over de vraag naar de oorsprong van het kwaad. Een herinterpretatie vanuit de Torah, de bron van de woorden Gods waarin geen plaats blijkt te zijn voor een “duivel en demonenleer” en dientengevolge ook niet van een “neder-werping” van een voor-wereld welks veroorzaakt zou zijn door de “val van Satan”. Vanuit de Torah is er ook geen plaats voor een “erfzondeleer {kerkvader Augustinus}. Deze leer werd dogmatisch vastgelegd, blijkbaar beïnvloed door het Griekse noodlots­geloof.

De rabbijnen hebben sinds de eerste eeuw voor Christus, door confrontaties met andere culturen, geworsteld met de indringende vragen naar de oorsprong van het kwaad. Ook Jezus leefde, als zoon van Israël, in deze Joods/rabbijnse denkwereld. Zo ook Paulus, als apostel der volkeren, die opgegroeid was in de Joods/hellenistische denkwereld. Er was een steeds voortdurende herinterpretatie vanuit de Torah. De Joodse geleerde Pinchas Lapide noemt Paulus in één van zijn boekjes zelfs een “uit­nemend Hebreeuwse denker”

Het Hebreeuwse woord voor “satan” komt van het werkwoord STN, dat weerstaan, tegenstaan, dwarsliggen betekent {Num. 22:22}. Het begrip “satan” dient dan ook niet vereenzelvigd te worden met “opstandige engelen” of zelfs “lucifer” genoemd te worden. {een naam die in de Middeleeuwen gezien werd als de knecht van de “vorst van deze wereld}. Deze “Lucifer” werd tot een tegen-god {of Antichrist} gemaakt. {Perzische tweegodenleer!}. We dienen er goed van doordrongen te worden dat het kwaad noch een tegengod, noch een deel van God is. Het kwaad kan niet in het wezen van God verondersteld te worden. Het kwaad behoort tot de schepping, welke door God, als Schepper, in dualiteit is geschapen. In God, die EEN en enig is, is geen dualiteit

De duivel, ook wel Bee1zebul of Bileal genoemd, is geen bijbelse gestalte, maar een figuur uit dualistische wereldbeschouwingen. In de geschiedenis van de mensheid hebben dergelijke dualistisch/gnostieken beschouwingen steeds opnieuw weer geleid tot vijandsbeelden. Alle schuld wordt dan gelegd op één persoon of op een bepaalde groep mensen, bijv. op de Joden, de communisten of de Nazi’s, enz . De blanken hebben een “zwarte duivel” en de zwarten een “blanke duivel”. zo maakt men door verper­soonlijking van het kwaad, het kwaad tot een tegengod naast God. De mens is echter geen speelbal van kosmische nachten, God en Satan, als twee elkaar bestrijdende machten. Het is de mens, die steeds weer naar absolute macht streeft. We behoeven slechts te denken aan de toren van Babel {Gen11.} Het is de macht van de mensen met hun tota­liteitssystemen. Machten die “tot aan de hemel reiken” en juist daardoor zo onmenselijk worden. Met als gevolg het maken van vijandsbeelden, zondebokken en tegengoden. Het getal 6 6 6 {Openb. 13:8}, het getal der mensen, het apocalyptische “Beest van de afgrond” demonstreert zich op velerlei wijze in dictatoriale macht systemen. Het zijn door de boosheid der mensen opgeroepen machten {excousia}. Machten die men niet meer kan beheersen, en dat is het “duivelse” in de mens niet van een bovennatuurlijk wezen maar in de mens zelf. Het zijn de “wereldgeesten”, de “stoicheia” {de wereldbeginselen waar Paulus van spreekt in Gal. 4,3 ,9 Col.2 vers 8,10,20}. En die stoicheia worden vergoddelijkt en verabsoluteerd…. Het is de strijd waarvan Paulus spreekt in de Efeze brief, tegen de’ “overheden en machten, tegen de wereldbeheersers dezer duisternis, de geestelijke boosheden in de lucht.” De taak van de Gemeente, als het lichaam van Christus, is deze machten te ontzenuwen, of wel te ontmaskeren. {Efe.5 vers 11}. Die machthebbers zijn immers als goden. Maar, zij zullen als mensen sterven {Ps.82 vers 6,7. Het zijn “stoicheia”{wereldgeesten of eerste beginselen der wereld} en de “excousia” {de machten} en de “kosmokrator” {geweldhebbers of wereldbeheersers} welke samengaan en in Ef.6 vers 12 “de overheden en nachten der duisternis “genoemd worden. En daarom ook de “wapenrusting Gods” om weerstand te kunnen bieden tegen de door de mens opgeroe­pen machten. Inderdaad: Wij hebben niet de strijd tegen vlees en bloed, maar tegen de door de mens opgeroepen “overheden en machten” die we niet meer kunnen beheersen. Met 2Thess.2vers 7 gezegd: Het is “het geheimenis der wetteloosheid” dat “nu reeds in werking is” en zich steeds weer verpersoonlijken kan in een “mens der wetteloosheid” (3 , 4). De tot volheid komende wetteloosheid (normloosheid) wordt tot uitdrukking gebracht met het getal “eens mensen 6 6 6  {Openb.13:18}. Het is de volheid der ongerech­tigheid. Maar de oorsprong van al dit kwaad, dat zich als maar opstapelt tot niet meer te beheersen wantoestanden, ligt geheel en al bij de mens zelf . De Bijbel legt de verantwoordelijkheid voor de zonde dan ook direct op de mens. Het zijn de menselijke begeerten en driften van het “eigen ik” of rabbinistisch gezegd de “yetser hara”, de boze drift, die beheerst moet worden door de “yetser tof’, de goede drift. Het is de “duivel” in de mens zelf. Of wel de duivel als symbolisch beeld van de verpersoonlijking van het kwaad in de mens. Zoals voor Paulus de zonde verpersoonlijkt wordt. Je vecht er tegen als tegen een persoon! {Rom 7 vers 17 en 20}. Het is het kwaad, de zonde, die door de begeerten van de mens wordt opgéwekt en tenslotte tot de dood leidt {Jak.1 vers 13-15}. Zo wordt ook in het boek Spreuken de wijsheid verpersoonlijkt {Spr.22-31}. Christus is immers de “wijsheid Gods”! {Kol 2 vers 2 en 3}. In Hem is de wijsheid verpersoonlijkt. En zo werd ook de Torah symbolisch verpersoonlijkt, allereerst in de rechtvaardigen van Israël die leefden in gehoorzaamheid en vanuit Gods trouw, naar de richtlijnen van de Torah. En deze geloofsgehoorzaamheid en trouw werd tenslotte verpersoon­lijkt in die ene Rechtvaardige, de mens Jezus Hij vereenzelvigd zich op volkomen wij­ze met de weg die het volk Israël moest gaan.

En vanuit deze “symbolische verpersoonlijking” spreekt het Nieuwe Testament eveneens over “duivel en satan” als de verpersoonlijking van het kwaad. Het was het toen gang­bare taalgebruik, ten tijde van Jezus leven in het land Israëls. Een taalgebruik dat mede beïnvloed was door de  Grieks/hellenistische denkwereld. Vanwege het belang van deze visie, belicht vanuit de Torah en mondelinge traditie herhalen we wat we reeds in par. 5 met enkele aanvullingen getracht hebben te verwoorden. De apocalyptische geschriften bevatten vele fantastische verhalen over huwe­lijken van “zonen van God” met “dochters der mensen”. Huwelijken van hemelse en aardse wezens. Daaruit zouden bovenmate grote kinderen zijn voortgekomen, nl. de reuzen uit vroegere tijden, mannen van naam. Het zijn mythologische voorstellingen uit de belevingswereld van andere omringende culturen.

De Aramese vertaling van het {Oude Testament Tenach} de Targoem, vertaalde de term “zonen Gods” met “zonen der aanzienlijken”. En deze zeer oude vertaling werd o.i. terecht de standaardvertaling in de Joodse traditie. In beeldende taal wordt de slechtheid der mensen uitgebeeld “ De Heer zag dat de slechtheid der mensen groot was”{Gen.6 vers 5). En daarop volgt het gericht van de vloed. “Zonen der aanzienlijken” {voorname mannen} namen zich dochters van lagere rang hetzij ongetrouwd of getrouwd. En de vloed was Gods vergelding voor hun onzedelijk gedrag. Het is een uitbeelding van de slechtheid der mensen. De zondvloed kwam niet vanwege het gedrag van “goden­zonen”, maar door het gedrag van slechte mensen.

Terecht verdween het verhaal van de “godenzonen” de lust der engelen uit de Joodse literatuur al voor het ontstaan van het christendom. Het christendom dat zeer beïnvloed was door apocalyptische en pseudepigrafische geschriften. Geschriften die vooral door Joodse geleerden {rabbijnen} als niet-canonieke boeken werden beschouwd. En in het christendom was het zelfs Calvijn die consequent achter deze rabbijnse beslissingen stond. De problematiek welke boeken wel of niet in de canon opgenomen mochten worden heeft dan ook heel wat hoofdbrekens veroorzaakt.

De apocalyptische literatuur van voor en na onze jaartelling gaat geheel uit van dit taalgebruik van duivel, gevallen engelen, demonen en bezetenheid. In die denkwereld kwam Jezus als de zoon van Israël, als de mensenzoon. “Satan, geval1en engelen en demonen” zijn termen, die, door beïnvloeding van andere culturen als omgangstaal bij het volk waren binnengedrongen. “Duivels” of “boze geesten” behoren echter tot de categorie van afgoden. Men offert dan ook aan “goden die geen goden zijn” {Deut. 32 vers17}. Zelfs zonen en dochters werden geofferd aan de boze geesten {Ps.106 vers 36 en 37}. Door Perzisch/dualistische beïnvloeding werd het boze in den mens {yetser hara = boze drift} als een kwade persoon voorgesteld, tot een bovennatuurlijke duivel of Satan en tenslotte tot een tegengod. Het was de gangbare terminologie van de wereld waarin Jezus als mensenzoon verscheen. Jezus onderricht kenmerkte zich reeds, als een terugkeer naar de Torah. De woorden Gods, de bron des levens. De woorden Gods, die krachteloos gemaakt werden door men­selijke leringen.{Mark.7 vers13}. De rabbijnen stelden Satan en boze drift aan elkaar gelijk, zodat de mens de verantwoorde1ijkheid voor het begane kwaad niet kan ontlopen {Cohen Stuart in “Twee­strijd” blz.25}. Van binnenuit, uit het hart komen de kwade over1eggingen voort. Van binnenuit naar buiten en niet van een bovennatuurlijke vijand, een duivel, gevallen engel of cherub. Het Hebreeuwse woord “satanas”, {STN} betekent tegenstaan, dwars1iggen. Mensen kunnen elkaars tegenstanders zijn. Ook de engel des Heren kan zich als tegenstander opstellen. {Num.22 vers 22}.

Ook Werblowsky heeft overtuigend aangetoond dat binnen het christendom de Satan veelal tot een tegengod of Antichrist is geworden. Vooral in dispensationalistische kringen werd tegenover de “Goddelijke Drie eenheid’ {Leer Athanasius} een tegengod, een antigoddelijke drieëenheid verondersteld als de Antichrist. In sommige buitenkerkelijke evangelische kringen wordt zelfs verondersteld dat deze Antichrist” een Jood zal zijn. Vanuit de Joodse denkwereld is dit geheel in strijd met hun Messias verwachtingen. Vandaar ook de huiver bij Joodse leermeesters voor deze op velerlei wijze Chilias­tisch geprogrammeerde eindtijd verwachtingen. Terechte vrees voor een zich herhalend christelijk antisemitisme. De goede God kwam steeds weer te staan tegenover de kwade god, Satan. Het rijk van het Licht tegenover het rijk der duisternis, die elkaar bestrijden. De goddelijke Drie-eenheid tegenover een anti-goddelijke drieëenheid {Satan, valse Profeet en de mens der zonde!}. Er is heel wat getheologiseerd en gediscuseerd over de slang, het listigste, van alle dieren des velds, die de Here God gemaakt had{Gen.3 vers 1}. God heeft vijand schapgezet tussen het zaad van de slang en het zaad van de vrouw {Gen 3vers15}. De vraag in het Genesisverhaal is niet zozeer wie Satan is, maar wat hij is. Hij is de verpersoonlijking van het kwaad. Het symbool van tegenstand of weerstand bieden, het dwarsliggen. En het Griekse “diabolo’s”, duivel, is het symbool van “alles dooreenwerpen”, uiteengooien wat God in harmonie samengevoegd heeft. Gepersonifieerde is Satan of duivel de tegenstander, de vader der leugen en mis verstanden, de mensenmoorder van den beginne. {Job.8 vers 44}. Namelijk van het begin der mensengeschiedenis en niet een begin van voor de schepping de veronderstelde “val van Satan” of gevallen  cherub

Geloven we dan niet dat Satan werkelijk een “persoonlijkheid” is? Nee, het kwaad wordt in symbolische taal voorgesteld als een persoonlijkheid. Het is de geest der leugen, de geest van het kwaad, de geïncarneerde boosheid. En die geest van het kwaad wordt in onze menselijke taal voorgesteld als een persoon, zoals Izaak Da Costa het dichte “Aan de eindpaal van de tijden, ziet ons oog de geest van het kwaad, moe ge­worsteld en ontwapend, tot geen afval meer in staat”. Anders gezegd, het begrip “satan” is een onpersoonlijk iets, hoewel deze geest van het kwaad zich krachtig in personen kan manifesteren. Maar de “kop van de slang is vermorzeld”{Gen. 3 vers 15} en dan denken we toch ook niet aan een “lichamelijke persoon­lijkheid”? Maar het kwaad kan zich wel manifesteren en transformeren in een mens. De tegenstander, de geest van het kwaad, of wel de belichaming van het kwaad, heeft Jezus Christus teniet gedaan. En de “laatste vijand” die teniet gedaan wordt is de dood.

 De macht van zonde en dood.

 De schrijver van de Hebreeën brief zegt dat, de mens Jezus op gelijke wijze als wij deel heeft gehad aan bloed en vlees, opdat Hij door zijn dood hem, die de macht over de dood had, de duivel zou onttronen {Heb2 vers 14}. Maar het is toch God. alléén die de macht over de dood heeft? Buiten Hem is er geen God. “1k dood en doe herleven”{Deut.32 vers 39; Jes 45 vers 6 en 7}. De “duivel” heeft geen macht over de dood. Het is de macht van de zonde, het “duivelse’ in de mens zelf. Ook in Hebr.2 vers 14 wordt de “duivel” gezien als de verpersoonlijking van de zonde. Van de zondige be­geerten, de boze drift in ons zelf. En het gevolg van die macht der zonde is de dood. Jezus is echter gekomen om de macht van zonde en dood teniet te doen, te onttronen. het Griekse woord betekent “buiten werking stellen”, “krachteloos nakeru”. Want de “laatste vijand” die teniet gedaan wordt is niet een “boven natuurlijke duivel”, maar de dood! {lKor.15 vers 54}. Satan is ook niet door God als tegenstander geschapen. {Knoch, e.a.} het kwaad zit niet in God, die èèn, enig en uniek is, maar in de schepping, welke door Hem, de Schepper, in dualiteiten is geschapen. En het is de mens die verantwoordelijk wordt gesteld wat hij met die schepping doet. De mens is geschapen in het beeld Gods, d.w.z. dat de mens in staat is te kiezen tussen het goede en het kwade, tussen het leven of de dood. Anders gezegd “Vuur” en “water” zijn op zichzelf genomen goede scheppingen. Door menselijk handelen het keuze doen kan vuur ons verwarmen of verteren. Water kan bij goed gebruik vele nuttige elementen hebben, maar we kunnen er ook in verdrinken, enz. Kortom, wij kunnen het goede kiezen of het kwade, het leven of de dood! “Kies dan het leven, opdat gij leeft” {1Deut.30vers 15,19 en 20}.

Want God is geen God van doden, maar van levenden {Matth.22 vers 32}.

Reeds in Genesis, het eerste boek van de Bijbel, wordt de zonde in beeldende taal. omschreven: “De zonde ligt als een belager aan de deur, wiens begeerte naar u uitgaat” De zonde bespringt de mens als een belagend roofdier. Zo is ook de gestalte van de duivel geen bovennatuurlijke persoon, een gevallen engel of cherub, maar een symbolisch beeld, dat de mens zelf de bron is van de zonde, het doel missen, gevolg gevend aan de begeerte van zijn “boze drift”. De verantwoordelijkheid voor de zonde ligt geheel bij de mens zelf. En wat krijgt juist daardoor de strijd tegen de zonde een diep realistische zin! Namelijk zoals Hebr. 4 vers 12 en 13 dit verwoord: Want het woord Gods is levend en krachtig en scherper dan enig tweesnijdend zwaard, en het dringt zo diep, dat het van één snijdt ziel en geest, gewrichten en merg, en schift overleggingen en gedachten des harten; en geen schepsel is voor Hem verborgen want alle dingen liggen open en bloot voor de ogen van Hem ‘ voor wie wij rekenschap hebben af te leggen.” Dan beseft  de mens  ten volle dat hij  verlossing, uit-redding  uit de slavernij van zonde en dood nodig heeft.

Joods/hebreeuws gedachte kunnen we zeggen dat het woord “zonde” bij Paulus verdiept wordt in het licht van de Sabijnse leer aangaande de “goede en de boze drift. Terecht zoals Cohen Stuart. in zijn boek “Tweestrijd” zegt, van de zonde “als macht” 3-1 blz 101-119

Vanwege, het belang van de in dit onderwerp besproken problematiek besluiten we met de belangrijke verschillen aan te geven tussen Profetie en Apocalyptiek.

 Twee verschillende denkwerelden .

 In de profetie gaat het in tijden van afval en afgodendienst om terugkeer naar de Torah, de richtlijnen van God, met als doel een harmonische, Messiaanse samenleving. Een soms zeer felle boeteprediking. Schuld en straf, maar ook bevrijding na ommekeer. Na de Babylonische ballingschap, toen de profetie verstomde, verschenen in tijden van verdrukking en vervolging vele apocalyptische voorspellingen. Een kenmerk van de Apocalyptiek is, dat deze literatuur uitgaat van gedetermineerde schema van historische gebeurtenissen. Niet alles is echter gedetermineerd {geen absoluut fatalisme!}, maar wel de tijdvakken, alsmede het lot van de mensheid. Kenmerk van de apocalyptiek is dus dat alles is voorspeld en onveranderlijk vastligt. In de profetie staat altijd de roep tot ommekeer {tesjoevah} centraal. De profetie van Jona ging bijv. niet in vervulling. Ninevé bekeerde zich.

Profetie is vooral herkenning in een bepaalde historische situatie van afval, nood en verdrukking. De profetie gaat dan ook op meerdere wijze in vervulling.

De apocalyptiek daarentegen begint al vanaf de schepping {strijd tussen de Schepper, God en zee monsters; een veronderstelde “val van Satan” en “gevallen engelen”. Het beweegt zich alles via onafwendbare gebeurtenissen naar het einde van de wereld. Veel deter­minatie en speculatie met daarbij gepaard gaande eindtijd verwachtingen. Deze twee denkwerelden dienen o.i. goed onderscheiden te worden in verband met de vele eindtijdverwachtingen van toekomstvoorspellers in onze dagen als bijv. Hal Lindsey en vele andere evangelisch/fundamentalistische richtingen met hun geprogrammeerde en daarbij schematische bedelingenstelsels. (dispensationalisme).  Wat al niet enkele eindtijdberekeningen, in het bijzonder betreffende toekomstvoorspel­lingen aangaande een herstel van het Romeinse rijk, de Europese tien Statenbond en een wereldleider als politieke, geestelijke en universele Antichrist. De problematiek rond het kalendergebruik en de daarmee gepaard gaande veelsoortige chronologie is zo groot dat er steeds opnieuw misrekeningen worden gemaakt. Onder Schriftonderzoekers die trachten uit te gaan van de concordante vertaalmethode is een zeer gedegen Schriftchronologie samengesteld, welke vrijwel geheel uitgaat van getallen, jaartallen, enz., we1ke in de Schrift worden vermeld.

De Schriftonderzoeker S van Mierlo heeft destijds in zijn werk “De chronologie van het Oude Testament” in een voorwoord erop gewezen dat eerst in de 17e eeuw bisschop Jakobus Usscher erin slaagde een aanvaardbare tijdrekening te maken. Ook Isaac Newton {1642-1727} heeft zich op de chronologie toegelegd, nl. in zijn werk “Verbeterde chronologie van de oude koninkrijken”. Newton trachtte reeds de data van de geschiedenis der Oude volken te combineren met de data welke in de bijbel worden gegeven. In 1922 verscheen het werk van T. X. Kugler “Von Moses bis Paulus”, dat wederom een belangrijke vooruitgang bracht in het samenstellen van een goede chronologie. En later ook de tijdrekeningen van bijv V.Coucke, J.Lewy, J.Begrick, S Mowinckel en W.A1bright. Van Mierlo verwijst tenslotte naar de meest belangrijke studie van Edwin R.Thiele, professor aan de universiteit van Chicago. “The Mysterion  Numbers of the Hebrew Kings”{1951}. Steeds meer gingen genoemde onderzoekers uit van de betrouwbaarheid der Schriftgegevens. Ook het belangrijke boek “The Chronology of acient western, Azia and Egypt” {Prof. Pvan der Meer, 1955 ,Brill} wordt door Van Mierlo nog genoemd. Alsmede het zeer geleer­de boek van Dr. J .van {Goudoever “Biblical Calendars” (1950, Brill}.

Van Mierlo zelf schreef nog een belangrijke studie over “De oudste kalender bij de Hebreeuwse en zijn verband met de lijdensweek”{1963, Kok/ Kampen}.

 Onder Schriftonderzoekers die uitgaan van de concordante vertaalmethode is een Schriftchronologie samengesteld, welke vrijwel geheel tracht uit te gaan van bijbelse jaar­tallen, enz. De Schriftonderzoeker S van Mierlo heeft o.i. destijds de meest verant­woorde chronologie gegeven. Maar ook deze Schriftchronologie is hoe betrouwbaar ook, teveel geschoeid op Westers chronologisch denken. 0. i . wordt te weinig rekening ge­houden met de Joodse beginselen van Schriftuitleg. Dit hangt vooral ook samen met de twee verschillende denkwerelden Profetie en Apocalyptiek. Zoals er in nieuwe historische situaties een herkenning en vervulling der profetie is, zo heeft ook elke nieuwe situatie en tijdsperiode haar eigen, of zich in grote lijnen herhalende chronologische orde. De beste remedie, ook t.a.v. de Schriftchronologie, is daarom o.i .met Israël meedenken, want vanuit Israël zelf zal de herkenning van de profetie aangegeven worden. Zij zijn het volk van de verbonden, de wetgeving, de eredienst en de beloften, en zo voegen wij er aan toe de profetie {Rom.9 vers 4}. Immers: “Hun zijn de woorden Gods toevertrouwd” {Rom.3 vers 1en2}. De Perzen bezaten een uitgebreide engelen en demonenwereld. Het latere Joodse denken is daar ook door beïnvloed geweest. Dit blijkt vooral uit de Joods/apocalyptische ge­schriften. Maar steeds meer distantieerden Joodse leermeesters zich, vanuit de Torah van een “gevallen engelen en demonenwereld”. Want juist in deze apocalyptische li­teratuur  worden vele symbolische beelden gebruikt in verband met de engelen en demonenwereld. Ook in de Bijbel worden uit deze niet, canonieke geschriften enkele passa­ges geciteerd. O.a. in de brieven van Petrus en Judas. Het boek “De openbaring van Johannes” Is eveneens een apocalyptisch boek. Vandaar ook de problematiek of dit boek “Openbaring van Johannes” in de canon kon worden opgenomen. Ook in het Oude Testament {Tenach} komt reeds apocalyptische taal voor, nl. in Daniël en Ezechiël. In de Hebreeuwse canon wordt Daniël niet bij de profeten ingedeeld, maar bij de Geschriften Ten tijde van Jezus prediking echter deed de apocalyptiek van zich spreken. Wederom tijden van verdrukking en vervolging. Ook Jezus sprak daarvan in zijn rede, beschreven in Matth.24. Hij ziet in de historische situatie van Zijn tijd een herkenning van de profetie. Wederom een vervulling der profetie. De verwoesting van de tempel {70 na Chr.} is aanstaande. Ja, nog ingrijpender. Jezus zelf was de verpersoonlijking van de tempel.

 En die tempel Zijns lichaams zou afgebroken worden. Breek deze tempel af, en binnén drie dagen zal Ik hem doen herrijzen {Joh.2 vers18-22}. Merkwaardige woorden die Jezus sprak bij de tempelreiniging. En vanwege dit volgens de overpriesters “valse getuigenis” van Jezus werd hij door de verontwaardigde hoge­priester wegens gods1astering veroordeeld. Dat prachtige stenen gebouw, de tempel van Israëls eredienst zou door Jezus zelf worden afgebroken? Dat is godslastering! Het was echter een vals getuigenis, want zó had Jezus het niet gezegd. Zijn woorden werden verdraaid door zijn tegenstanders tot een vals getuigenis. En zo kon Jezus als “een mens der wetteloosheid” veroor­deeld worden die Israëls tempel ontheiligd had. Voor de Raad was Jezus als een gruwel der verwoesting, die uitgeroeid moest worden.“Hij is des doods schuldig” {Matth.26vers59-66). Jezus had echter gesproken over zijn aanstaande dood en verrijzenis. Maar ook het “stenen gebouw” zou in 70 na Chr. verwoest worden en ontheiligd worden door de Romeinse overheersing Jezus had zijn tijdrede uitgesproken in een apocalyptische tijd. Profetie en Apocalyptiek vloeiden als het ware ineen. Herkenning van de profetie in een apocalyptische tijd. In heel de apocalyptische literatuur komt echter veel symboliek en beeldende taal voor, vooral in verband met een “gevallen engelen en demonenwereld”. Satan, Duivel, Lucifer, Beëlzebul, Bel en Baal, grote zeemonster, verschrikkelijke diergestalten, enz. Het woord “apocalyptiek” mag echter niet alleen tegenover al die geheime taal en fanta­sie als iets onechts en verdachts worden gezien. Deze literatuur heeft haar betekenis in tijden van nood en verdrukking, als troost en bemoediging. De beloften Gods zullen toch verwezenlijkt worden. Het gaat er allereerst om, dat deze geschriften “buiten-canonieke” boeken zijn. Het Griekse woord “apocrief” betekent dingen die aan het oog onttrokken zijn, die verbor­gen zijn of geheim. Vele legenden, verdichtsels, verhalen en visioenen van heidense oorsprong komen er in voor. Veel ervan kan gezien worden als “verzetsliteratuur” in tijden van vervolging en uiterste nood.

In de apocalyptische literatuur komt een vast patroon voor van eindtijd onthullingen, mede in verband met heel Gods voornemen met het heelal, vanaf de schepping tot het einde der tijden. {het laatste der dagen, het Messiaans rijk of de komende eeuw}. In tijden van nood en verdrukking deed de apocalyptiek van zich spreken “Het einde is nabij ” maar ondanks alle ellende  is er toch hoop op de overwinning over de machten der duisternis {Terugblik op deToekomst Dr.  M v Loopik Hoofdstuk1}

 Oude Babylonische mythen spelen een belangrijke rol in de apocalyptische geschriften. Bijv. de veronderstelde strijd tussen de Schepper en grote zeemonsters. {de weerzinwekkende draak Marduk en Tiamat}. Symbo1ische voorstellingen van de chaotische wereldzeeën, diepten en de “abussos”, de afgrond of het Beest van de afgrond, Azazel als vorst der gevallen engelen, enz. Vele diergestalten Beestrijken, zoals we die ook aantreffen in Daniël en Openbaring. De beestrijken als symbolen van mensen en volken.Veelal afschrikwekkende monsterdieren en roofvogels. Alsmede verhalen van gevallen engelen die gemeenschap zouden hebben gehad met dochters der aarde {Henoch7 vers1}. Vooral toen de profetie verschenen zoals we reeds benadrukten. In tijden van afval en chaos de apocalyptische geschriften. Hun boodschap week veelal af van het woord der profeten. Bijv. door het systematiseren in grote tijdsperioden. Een deterministisch, vaststaand programma van eschatologische verwachtingen, tevoren vastgelegd door de wil van God en aan mensen geopenbaard. Ook het zgn. dispensationalisme, de bedelingenleer of schematische reportage-eacha­toloqiee zijn daaruit voortgekomen.

 De personificatie van boze machten komt in de apocalyptische geschriften veel voor, vooral door Perzische invloeden niet.

De eschatologie mag overigens ook niet, zoals Den Breejen in zijn brochure “De Toekomst des Heeren”, zegt opgeofferd worden aan de christologie en evenmin tot de tijdloze algemeenheden gemaakt worden door elke tijd tot eindtijd en alle dagen tot de laatste dagen te maken {blz 61-62}. We kunnen inderdaad niet meer dan gebrekkige tijdtafels geven, maar we kunnen wel enige lijnen zien in de volgorde der gebeurtenissen.

Profetie en apocalyptiek alsmede Christologie en eschatologie hebben elk hun plaats in het geheel van de Schrift als Openbaring van Gods heilsbedoelingen of wel het Voor­nemen der eeuwen {Ef. 3 vers11}. En daarom, de Bijbel is ook een boek voor de toekomst. De beloften Gods worden vervuld. Maar chrono1ogische tijdrekeningen worden veelal gebrekkige tijdtafels en daardoor falende toekomstvoorspellingen. Dientengevolge worden er vele misrekeningen gemaakt, in het bijzonder wat betreft de “laatste jaarwe­ek”, genoemd in Dan.9 vers 24-27.

 Samengevat is het van uitermate belang de betekenis en het doel van deze twee “denkbeelden

Profetie en Apocalyptiek goed te onderscheiden. Profetie als toekomstvoorspelling doet tekort aan de betekenis en het doel van het profetische woord. Anderzijds kan ook de apocalyptiek tekort gedaan worden door deze slechts alleen te zien als geprogrammeerde en gedetermineerde reportage-eschatologieen.

Dat profetie echter van veel grotere betekenis is dan de vele apocalyptische geschriften met hun geheimtaal en fantastische verhalen zal ons dan eveneens steeds meer duidelijk gaan worden. Profetie wordt steeds opnieuw geactualiseerd in nieuwe {historische} situaties. Profetie heeft op deze actualiserende wijze wel met de toekomst te maken, maar niet met onherroepe1ijk vaststaande, geprogrammeerde toekomstvoorspellingen.

 Geraadpleegde literatuur.

 Betreffende de restitutieleer.

 Uitgaven “Uit de Schriften” .

 S.van Mierlo. Het Voornemen der Eeuwen en de Gemeente der verborgenheid. (1927).

S.van Mierlo.  Het Goddelijk Voornemen.

 S.van Mierlo. Over geestelijke wezens.

 S .van Mierlo. De Openbaring Gods. (1954, Uitg.Holland)

 G.J.Pauptit.  Uit Israëls Profetie.

G.J.Pauptit.    De Tijden der Eeuwen. (1933).

 KA.den Breejen.    Schepping, Val en Vloed. (1970, Wever/Franeker),

K.A.den Breejen.   De Toekomst des Heren. (1977,Uit   bijbels denken”).   

 Drs. A.Keizer.        De grote toekomst voor  Israël, de Kerk en de Volken.(1992, Kok/Kampen

 Betreffende de Talmoedische- en  rabbijns/halachische denkwereld.

 Dr. C.J.den Heyer.      De Messiaanse weg. (deel I, 1983,Kok/Kampen).

D.S . Russell.               Tussen  Maleachi  en Mattheüs. (1962 Ten Have/Baarn)

John. Franks.              Veelkoppige monsters. (1970, (Oosterbaan/Le Cointre Goes).

Phoenix-serie.              Zoals er gezegd is.(deel 3, 1963 De Haan/Zeist) Dr.R. Boon.                                             Over de goede Engelen. 1983, Boekencentrum/Den Haag.

Dr. M. van Loopik.     Terugblik op de. toekomst. Messianisme, een  joodse  visie op tijd en geschiedenis 1993.

Fo1kertsma-Stichting voor Talmudica/Hilversum.

Dr. G. H. Cohen Stuart.  Tweestrijd. (strijd tussen goed en kwaad  bij Paulus en zijn. tijdgenoten. 1988.(Kók/Kampen).

Dit boek “Tweestrijd” is een populaire uitgave van Cohen Stuart  n.a.v. zijn dissertatie: “The struggle in Man between good  and evil  An inquiry into  of the Rabbinie Concept of Yetser Hara”. (1984).

 Voor het grondtekstonderzoek werd door Henk Pfoster o.a. geraadpleegd

 The  New englishman’ hebrew concordance.

The   New englishman’ greek    concordance  and lexicon.

Wilson’s Old testament word studies.

A commentary on the old and  new  testament.

The interlinear bible Hebrew-englisch

The interlinear bible greek-englisch.

Strong’ s exhaustive concordance of the bible.

Exegetisches Worterbuch zum Neuen Testament.

Theologisch Dictionary  of the New Testament (G. Kittel/G.Friedrich). Hebrew-Chaldee Lexicon to the Old Testament. (H.W.F.Gesenius).

 Nederlands:

 Handwijzer op de grondtekst van de  Bijbel. (Ned./Hebr/ Hebr. /Ned..; Ned./

Grieks/Grieks/Ned. Dr. H.N. Ridderbos en  Dr. W.van der Meer)

Concordantie op de Bijbel in de  Nieuwe Vertaling. (3e druk 1992,Kok/Kampen).

 W.Godijn, Driebergen.

H.Pfoster, Den Helder.

Commentaren zijn gesloten.

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

390910 bezoekers sinds 07-06-2010