God gedenkt

13-06-2010 door Dr. K.D. Goverts

«De gedachtenis des rechtvaardigen zal tot zegening zijn,  maar de naam der goddelozen zal wegrotten»  Spr.10:7.

Rechtvaardigen en goddelozen

Deze uitspraak geeft ons wel te denken. Daar wordt iets gezegd over de recht­­vaar­digen en de goddelozen. Dat zijn op zìch al twee kernbegrippen. En dan wordt er ook nog iets gezegd over de gedachtenis van de recht­vaardi­gen. Wat voor gedachtenis hebt u? En wat betekent dat woord ei­genlijk? Dat woord rechtvaardige komt in het Oude Testament al dikwijls voor. Het is in fei­te een uniek woord. Zo wordt bijvoorbeeld van Noach en Abra­­ham gezegd, dat ze rechtvaardig waren. Op het eerste gezicht zou je dan zeggen: een recht­vaardige is iemand, wiens schuld is ver­ge­ven. Maar het houdt toch wel meer in.

Een rechtvaardige is een mens die tot zijn bestemming komt. 

Dat is eigenlijk de beste definitie die je vanuit de grondtekst zou kunnen ge­ven; het is de mens die weer aan zijn be­stemming gaat beant­woor­den. Dat is een geweldige zaak en dat is dan ook het doel van het Evangelie. Het contrast is dus de goddeloze. Op het eerste gezicht zou je zeggen: dat is een atheïst, iemand die zon­der God leeft. Dan denk je ook aan die bekende tekst: «De dwaas zegt in zijn hart: er is geen God». Dat be­tekent, dat hij met God geen rekening houdt. Dat zegt hij dus ‘in zijn hart’ en je hart is het centrum van je ge­dach­ten. Je hart is ook het centrum van je keuze, van je beslissingen. Maar in dat woord ‘goddeloze’ zit toch ook nog iets anders. Het bete­kent niet alleen, dat die mens zonder God leeft. Als je het vanuit de grond­bete­ke­nis na­gaat, dan zit er veel meer een actieve zin in. Er zijn tegenwoordig verta­lingen, die het woord ‘god­de­lo­ze’ zelfs weergeven met ‘de schurk’, of ‘de schoft’. Je zou het het best kunnen vertalen met: de doemende. Het is dus degene die een doem legt op anderen. Het is de­gene die een negatieve invloed op zijn medemens en op de schepping uitoefent. Hij is dus niet alleen slecht, hij oefent ook een slech­te invloed uit. Hij is degene die een doem brengt op zichzelf en op de ander. In boven­staande tekst wordt dus gesproken van de gedachtenis van de rechtvaar­dige en de naam van de goddeloze. Die gedachtenis zal dus tot zegen zijn en die naam van de goddeloze zal wegrotten. Bij de naam van de goddeloze zie je dus ontbinding. Het is niet blijvend, het houdt geen stand. De gedachtenis van de rechtvaar­di­ge is blijvend: «Als de stormwind voorbijgaat, dan is de goddeloze niet meer, maar de rechtvaardige staat als een duurzame grondslag» Spr.10:25. Je ziet in deze tekst – wat de rechtvaardige betreft – een prach­tig beeld van bestendigheid. Dat heeft te maken met het begrip ‘ge­dach­tenis’. Die twee begrippen komen telkens tegenover elkaar naar voren. «Geen mens blijft staande door goddeloosheid, maar de wortel der rechtvaardigen is niet te verwrikken» Spr.12:3. Het belangrijkste is hier dus de wortel. Datgene wat je niet kunt zien. Die wortel van de rechtvaardige maakt, dat hij zijn bestem­ming bereikt. Eén van de diepste problemen van de mens is zijn tijdelijkheid. Onder invloed van de tijd komen er ontzettend veel pro­blemen. Alleen al het punt van ‘gebrek aan tijd’. Er bestaat een uitdrukking: Toen God de tijd schiep, toen schiep Hij er genoeg van. Wij hebben meestal tekort aan tijd. En dan kun je je afvragen: waar ligt dat dan aan. Dat heeft er ook mee te maken, dat je moet leren je tijd in te delen. Dat is ook een kwestie van geestelijke groei: hoe ga ik mijn tijd besteden. De duivel probeert altijd je tijd te roven. Hoe vaak zie je niet, dat de mens lijdt onder de tijdelijk­heid. De tijd glipt hem als het wa­re door de vingers. Willem Kloos zei al: ik had nog zo graag heel veel wil­len doen. Dan lijdt de mens onder zijn gemiste kansen. Daarom staat er in Joël ook zo treffend: Ik zal u de jaren vergoeden. «Ik zal u vergoeden de jaren, toen de sprinkhaan (alles) opvrat» Joël 2:25. God gaat dus jaren vergoeden.

Gedenken en herdenken

De begrippen gedachtenis en gedenken komen in de Bijbel nogal eens voor. Dit zijn fundamentele bijbelse woorden. Het is van groot be­lang dat we op allerlei punten bijbels leren denken. Dat woord gedenken kènnen we ei­gen­lijk niet zozeer. Althans, het houdt voor ons vaak iets anders in dan het bijbelse be­grip ‘gedenken’. «Ik zal de daden des HEREN gedenken, ja, ik wil gedenken uw wonderen van ouds» Ps.77:12. In deze psalm spreekt Asaf vanuit een geestelijke worsteling. Op dit mo­ment merkt hij bitter weinig van zijn God. Hij zegt ook in vers 5: «Gij houdt mijn ogen open, ik ben onrustig en kan niet spreken» Ps.77:5. En in die worsteling zegt Asaf midden in deze psalm ineens: «Ik zal de daden des HEREN gedenken, Vers 12 is als het ware een keerpunt in deze psalm. En via dat ‘gedenken’, en dat is toch wel opmerkelijk, komt hij eruit. Dat gedenken haalt hem er doorheen. In het voor­gaande zag hij het niet meer zitten, want er stond in vers 4: «Denk ik aan God, dan kreun ik; peins ik, dan versmacht mijn geest» Ps.77:4. Al gedenkend komt Asaf er bovenuit. Dus blijkbaar is dat gedenken wel een belangrijk punt. Maar dan moet je natuurlijk wel weten wat geden­ken is. Nu is er een fundamenteel verschil tussen gedenken en her­denken. Boven deze Psalm 77 staat ‘Troost door herdenken’. Maar dat is het nu juist nìet. Gedenken is eigenlijk iets wat de we­reld niet kent, herdenken wèl, al kost dat soms ook al heel wat moeite; soms kan de 5-mei-viering er nog niet eens af. In feite kan alleen de geestelijke mens gedenken. Herdenken houdt een te­rug­blik in. Ik kijk terug naar het verleden. Herdenken is daar­om vaak een beetje een weemoedige toestand. De herdenking van de bevrijding op 5 mei 1945 heeft meteen een weemoedige component. Hoe vrij ben je nu inder­daad! Wat hebben we met de vrijheid en met de welvaart gedaan? Dan zit je meteen al op twee gedachten. Herdenken is dus vaak niet zo’n onver­deeld genoegen. Gedenken betekent eigenlijk: je stelt het verleden weer pre­sent. Als ik iets ga gedenken, dan stel ik het vóór me. Wat ik gedenk, stel ik voor mijn aangezicht. Dan stel ik het tegenwoor­dig. Als de Israëlie­ten de uittocht uit Egypte gingen gedenken, dan gin­gen ze als het ware die uittocht op­nieuw beleven. En inderdaad, in het Jo­dendom beleeft men elk jaar met het Pascha de uittocht helemaal opnieuw. Als de Paasmaaltijd wordt gebruikt, als de jongste zoon die vra­gen gaat stel­len (‘waar­om is deze nacht zo an­ders dan alle andere nach­ten?’), als dan het Paasverhaal weer wordt ver­teld, dan be­leven ze de uittocht weer helemaal ìn het heden.

Niet: ‘Onze vaderen zijn uit Egypte geleid’, maar: ‘Wìj zijn uit Egypte geleid’.

De uittocht wordt dus present gesteld. Op het moment dat ze het geden­ken, beleven ze het in het heden. Als Asaf dus zegt in vers 12: Ik zal de daden des HEREN gedenken, dan be­doelt hij niet: nu ga ik eens over dat ver­leden mijmeren. Hij gaat niet me­diteren, niet zeggen: weet je nog wel van vroeger, of: ja, die goe­de ou­we tijd. Het is iets anders dan over het verleden praten op de manier waarop oude men­sen dat soms kunnen doen. Geden­ken betekent dus: die daden van God op­nieuw present stellen… Dan belèef je die daden ook opnieuw. En dan zit er nòg een element in, want dan staat er: «Van al uw werken gewagen en uw daden overdenken» Ps.77:13. Het wordt hier dus met twee werkwoorden nog verder uitge­werkt: gewa­gen (of: proclameren) en overdenken (of: op je in laten werken). Deze factoren lopen natuurlijk vaak in elkaar over. Iets kan een geestelijk bezit van je worden door het te overdenken. De mo­­derne mens heeft altijd haast, die hééft geen tijd meer om te over­denken. En in dit gebeuren gaat ook het gewagen een rol spelen. Als je je daar eens in gaat verdiepen, kom je tot de ont­dekking, dat heel wat din­gen tot stand ko­men via dat ge­denken. Dat is een geestelijk principe. En dan kom je zelfs tot de ontdekking, dat God dat ook doet. Je zou kunnen zeggen: het is een kenmerk, een wezenstrek van God.

Gedenken is een wezenskenmerk van God

«Hij heeft GEDACHT aan zijn goedertierenheid en aan zijn trouw jegens het huis Israëls; alle einden der aarde hebben aanschouwd het heil van onze God» Ps.98:3. Dat is dus het gevolg: alle einden der aarde hebben aanschouwd het heil van onze God… Dat is dus een fundamenteel punt: God heeft gedacht. Hij heeft ge­dacht aan zijn genade. Dus God gedenkt ook. Je zou kunnen zeg­gen: dat is één van de diepste aspecten van het ka­rakter van God. God gedenkt. Dat is ook één van de diepste as­pec­ten van het Evangelie. Bij God is het niet: uit het oog, uit het hart. En als God gedenkt, dan gedenkt Hij ten goede. Als God gedenkt, dan gedenkt Hij ook creatief. «Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt, en het mensenkind, dat Gij naar hem omziet?» Ps.8:5. Dat is ook weer een basisprincipe. Wat doet God met de mens: Geden­ken! Hierbij moeten we ons realiseren, dat dit dus meer in­houdt dan: Ik zal eens aan je denken. Dat wordt onderling vaak ge­zegd: ‘k zal aan je denken hoor! ‘t Is de vraag, of dat veel zin heeft. Maar als God zegt: IK zal aan je denken, dan houdt dat veel meer in.

Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt

Dat wil dus zeggen, dat God die mens vóór Zich stelt. Dat betekent, dat zo­lang God je gedenkt, je nooit voorbij kunt gaan. Dat is het geheim: Zolang God je gedenkt, blijf je bestaan! Als God op zou houden met aan je te den­ken, dan zou je op hetzelfde moment ophouden met te bestaan. Jij be­staat, omdat God je gedenkt! Je bestaat, omdat je er bent in zìjn gedachten. Dat betekent ook, dat de duivel je nooit uit Gods gedachten kan halen. Dat is ook iets om eens goed te beseffen: de dui­vel kan je nooit uit Gods ge­dach­­ten halen, daar kan hij na­melijk niet ínkomen. God bewoont immers een ontoegankelijk licht! Dat Licht is namelijk ontoegankelijk voor de duis­ternis. Dat is dus het meest unieke wat een mens kan ont­dek­­ken: Ik ben in Gods gedachten. Ik ben besloten in zijn gedachte­nis. Hij heeft gedacht…! En omdat God gedenkt, daarom besta je! Daar­om kom je ook te voorschijn. Je zou kunnen zeggen: Alles in het Koninkrijk van God gebeurt via dat gedenken.

Het land van de vergetelheid

Nu gaan we eens naar de tegenhanger kijken: Psalm 88. Psalm 88 is de somberste psalm die er is. De meeste psalmen eindi­gen nog positief, maar deze niet, deze ein­digt met duisternis. «Vriend en metgezel hebt Gij van mij verwijderd; mijn bekenden zijn een en al duisternis»  Ps.88:19. En dan staat er in vers 13 een heel opmerkelijk punt: «Wordt uw wondermacht in de duisternis bekend, uw gerechtigheid in het land der vergetelheid?» Ps.88:13. In dit laatste vers zien we het tegenbeeld van gedenken: Vergeten! De psalmist spreekt hier over het land van de vergetelheid. Dat is niet best, als je daar moet wonen. Dat wordt hier dan gebruikt als beeld van het do­denrijk. Het typische van het dodenrijk is, dat daar de vergetel­heid heerst. Ergens in een andere psalm staat ook: vergeten ben ik uit het hart als een dode. Ook wordt dat gezegd als de mens wordt vergeleken met een bloem in het veld; de wind gaat daar overheen en er blijft niets van over. “Men kent en vindt zijn standplaats zelfs niet meer”. Dat is ook altijd de tactiek van de dui­vel: de mens in de vergetelheid bren­­gen. Dat doet hij op allerlei manie­ren. Hij zegt: God is jou vergeten. En dan krijg je, dat de mens vergeet wie hij is, dat is dan de volgende stap. Hij voelt zich vergeten en zegt: ik weet ook niet meer, wie ik zèlf ben. Dan is hij ook ver­geten wat zijn bestemming is. Als de mens uit de hof is verbannen, weet hij op een gegeven moment ook niet meer, dat hij daar van­daan is ge­ko­men. Dan is hij zijn oorsprong ver­geten. Het is als het ware een spiraal. Het eindpunt is, dat die mens tenslotte niet meer weet waar hij vandaan is gekomen. Hij is zijn oorsprong kwijt. De verloren zoon wist zijn oor­sprong nog. Als die mens dus geheel en al in het dodenrijk is, dan weet hij niet meer wie hij is. Daarom staat er ook in vers 11: «Zult Gij aan de doden een wonder doen; zullen schimmen opstaan en u loven…?» Ps.88:11. De mens wordt hier zelfs met een schim, een schaduwbeeld ver­ge­le­ken. Een schim is erg moeilijk grijpbaar, daar heb je geen houvast aan; een schim heeft geen gestalte, alleen nog wat vage contouren. «Onder de doden is mijn verblijf, gelijk verslagenen die in het graf liggen, die Gij niet meer GEDENKT, en die aan uw hand ontrukt zijn» Ps.88:6. ‘Die Gij niet meer GEDENKT’. Dan houdt de gedachtenis op, dan houdt dus eigenlijk ook het bestaan op. Dan heeft die mens geen werkelijkheid meer; dan kan hij ook niets meer, een persoon zonder kracht. Dat was dus ook het beeld van het dodenrijk in het Oude Ver­bond; dat was een soort huis van bewaring. Het was de plaats, waar zich niets meer ontwikkelde. Een plaats waar alleen nog maar de ontbinding plaatsvond.

Gods Naam is zijn gedachtenis

God gaat die gedachtenis herstellen. En God gaat de mens zelf weer leren gedenken. God begint daar Zelf mee en gaat dat dan ook op de mens overbrengen. In Exodus 3 lezen we, hoe Mozes naar de Farao wordt gezon­den. Mozes zit dan met het probleem, wat hij straks moet gaan zeggen. «Daarop zeide Mozes tot God: Maar wanneer ik tot de Israëlieten kom en hun zeg: De God uwer vaderen heeft mij tot u gezonden, en zij mij vragen: hoe is zijn naam – wat moet ik hun dan antwoor­den?»  Ex.3:13. Hier gaat het dus om de NAAM. In de Bijbel is iemands naam zijn wezen. Iemands naam is ook zijn toekomst. Een naam is ook vaak profetisch. Als bij de geboorte de naam wordt ge­geven, is dat vaak al een profetie voor het hele leven. En hier gaat het dus om de naam van God. «Toen zeide God tot Mozes: Ik ben, die Ik ben. En hij zeide: Aldus zult gij tot de Is­ra­ëlieten zeggen: Ik ben heeft mij gezonden» Ex.3:14. God zegt nooit: ‘Ik was’, maar altijd ‘Ik ben’, altijd tegen­woordige tijd. Dat was juist het probleem voor die mensen in Egypte. Dat God er was, wis­ten ze wel, dat hadden ze wel van vroeger gehoord. Maar dat God er in het heden ook nog is, dat was juist hun probleem. Ze wisten wel: vroeger bij Abraham was God er, maar waar is Hij nu? God geeft zijn naam dus juist als een antwoord op hun pro­bleem. De Isra­ë­lieten zaten ergens met een leegte wat be­treft het heden; dan geeft God die naam om de leegte op te vullen. Daarom zegt God IK BEN, want juist het he­den was hun probleem. «Voorts zeide God tot Mozes: Aldus zult gij tot de Isra­ëlieten zeggen: De HE­RE, de God uwer vaderen, de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob, heeft mij tot u gezonden; dit is mijn naam voor eeuwig en zo wil Ik aangeroepen worden van geslacht tot geslacht» Ex.3:15. ‘Dit is mijn NAAM’, zo staat er in vers 15. Maar er staat een ander woord voor naam dan in vers 13. In vers 13 staat het gewone woord voor naam. In vers 15 staat een ander woord; de SV heeft dat wel goed weergege­ven. Er staat eigenlijk: «Dit is mijn gedenknaam». Je zou ook kunnen vertalen: dit is mijn gedachtenis. Dit is mijn ge­dach­tenis voor eeuwig. Gods NAAM is dus zijn GEDACHTENIS. In het gewone leven komt het voor, dat je iemand doodzwijgt. En je kunt ook door over iemand te spreken, hem waarde toe­kennen. De groot­ste pijn die je iemand kunt aandoen is, dat je net doet alsof hij er niet is. Gods ge­dach­tenis zou je een teken in de geestelijke wereld kun­nen noemen. Als ie­mand een naam heeft, dan heeft hij waar­de, dan heeft hij invloed, dan heeft hij betekenis. Zo gaat God zijn gedachtenis oprichten. Dit is mijn ge­dach­tenis voor eeuwig. En dan staat erbij: «Zo wil Ik aangeroepen worden van ge­slacht tot geslacht». God zegt: jullie moeten mijn naam aanroepen (of: uitroepen). Dus een van de taken van de gemeente, van het volk van God is om de naam van God uit te roepen. Want er staat: dit is voor eeuwig, van geslacht tot ge­slacht, dus dat gaat door tot in de eindtijd. De namen van de afgoden gaan verdwijnen. De naam die je gaat uitspreken, gaat tot werkelijkheid wor­­den. Dit is mijn gedenknaam, zegt God; en Mozes moet dat dan aan het volk overbrengen. Mozes moet die naam van God bekend­heid geven. Het boek Exodus heet in het Hebreeuws, in de He­breeuwse Bijbel ‘NAMEN’. De vijf boeken van Mozes worden genoemd naar het woord waar­mee ze beginnen.

Het boek ‘Namen’

«Dit nu zijn de NAMEN van de zonen van Israël, die met Jakob naar Egypte geko­men zijn»  Ex.1:1. De titel van het boek is dus oorspronkelijk: het boek namen. In Exodus gaat het ook inderdaad allereerst om de naam van God. En van daaruit dan ook om de namen van de zonen van Israël. Dat heeft alles met el­kaar te maken. Dat geldt vandaag de dag ook nog steeds. Voor ons gaat het om de naam van God en om de namen van de zo­nen; dat zijn ònze namen, dat zijn de na­men van de zonen Israëls. In het boek Exodus wordt in het begin gesproken over een Farao, die het volk gaat onderdrukken. En dan wordt de naam van die Farao niet ge­noemd. Dat is merkwaar­dig, dat is betekenisvol; de Farao blijft anoniem. De Farao heeft geen naam, die mag geen naam hebben. De naam van die Fa­rao wordt dus dood­gezwegen. De vijand moet geen naam hebben, dat is hij niet waard. Maar Gòd krijgt een naam! Dat is het hoogtepunt van het boek Exodus, de open­baring van de naam van God. En de zonen Israëls krij­gen ook een naam. Die staan reeds in het eerste vers met naam en toe­naam ver­meld. Hoogstens staat die naam van de Farao nog ergens op een verbor­gen manier in de tekst. In het eerste hoofdstuk wordt gezegd:

«Voorraadsteden bouwen, Pitom en Raämses» Ex.1:11. In de naam van die voorraadsteden zit dus nog de naam van de toen­ma­li­ge Farao (Ramses). De naam van deze Farao bete­kent let­terlijk: ‘Zoon van de zon’. De Farao werd beschouwd als zoon van de zonnegod, na­me­lijk: Zoon van Ra (of: Re). Het draait in deze hoofd­stuk­ken van het boek Exodus dus om de naam van God, de namen van de zonen van Is­raël en daarnaast ook nog om de naam van Mozes. De naam van Mozes wordt dan in Exodus 2 ge­open­baard. Let op de lijn: 

Exodus 1 – de namen van de zonen van Israël.

Exodus 2 – de naam van Mozes en

Exodus 3 – de naam van God.

En als je dan die drievoudige namen hebt gehad, kan God gaan begin­nen. Op die drie schakels wordt het plan van God gebouwd. Daarom wordt dat ook geproclameerd in het boek Exodus, dat moet immers tot een gedach­te­nis worden! En als God je naam gedenkt, gedenkt Hij je wezen. Als wij Gods naam gedenken, gedenken we ook zijn wezen. Dan zie je, hoe belangrijk dat gedenken is. Lofprijzing is ook een vorm van gedenken. Ook zingen is een vorm van gedenken.

De herinne­ring aan Amalek wordt uitgewist

«En de HERE zeide tot Mozes: Schrijf dit ter gedachtenis in een boek, en prent het Jozua in, dat Ik de herinne­ring aan Amalek onder de hemel volledig zal uit­wis­sen» Ex.17:14. De overwinning, die geestelijke strijd, moet dus ter gedach­tenis in een boek worden geschreven. Wat er in de geeste­lijke wereld is uit­ge­voch­ten, moet als een gedachtenis wor­den opgetekend. In dit verband wordt ook duide­lijk, wat Jezus zegt: Verheug je nou niet, dat die geesten zich aan jou onderwerpen, maar verheug je, dat je naam staat opgetekend in de hemel. Dat betekent dus: verheug je erover, dat je een ge­dachtenis hebt in de hemel. Als je een naam hebt, heb je een ge­dach­tenis. En dat bete­kent, dat ze je uit de hemel niet wegkrijgen. Dáár ligt je bete­ke­nis. En als je daar een gedach­te­nis hebt, dan zal de vijand pro­beren om je gedachtenis daar uit te wissen. De duivel probeert je uit de hemel weg te krijgen, daarom probeert hij je te verleiden, daarom pro­beert hij je negatief te ma­ken. Daarom probeert hij je gedachten te beïnvloeden, zodat je naar be­neden stort. Dàt is de tactiek van de vijand: de gedachtenis van de ge­meente moet uit de hemel! En als de gedach­tenis van de ge­meente in de he­mel is uitgewist, heeft de duivel daar het rijk alleen. Daarom probeert hij ook altijd de gemeente te besmetten. De duivel probeert de mens, de gemeente, ook altijd aan te klagen. Daar­om wordt hij genoemd: ‘de aanklager van de broeders’. Daarom probeert de duivel ook altijd de kinderen Gods tegen elkaar op te zetten, want dan heb je geen gedachtenis meer. Daarom zegt God in vers 14: IK zal jullie gedenken, maar de her­innering aan Amalek wordt uitge­wist. God zegt niet alleen: Ik ga die Amalekieten uit­roeien, maar Ik ga ook de herìnnering aan die Ama­le­kieten uitroeien. Dat is een unieke gedachte. Als er ooit in de verre toekomst, misschien in het Duizendjarig Rijk, iemand de naam Amalek nog zou noemen, dan zou er niemand zijn die dat nog be­greep. Er staat ook ergens, dat God de her­in­nering aan de af­goden zal uit­wis­sen. Bepaalde dingen gaan voorgoed voor­bij. En dan zegt vers 14 dat die herinnering vollédig zal worden uitgewist. Dat gaat God ook doen door middel van de gemeente; en dat is op zich ook een zegen. Het is een zegen, dat er in je denken bepaalde dingen wor­den uit­gewist. Dat is een stuk genezing van je gedachtewereld. Zij zullen geen gedachtenis hèbben. En dan zien we, dat God zijn volk daar­­­bij ook gaat inschake­len. Dat zien we in Numeri 10. Dit is een heel opmerkelijk ge­deelte. Hier staat boven ‘De trompetten’.

Trompetstoten op strategische mo­menten

«De HERE sprak tot Mozes» Num.10:1.

«Maak u twee zilveren trompetten» Num.10:2. Die trompetten dienden tot het samenroepen van de ver­gadering en tot het opbreken van de legerplaatsen. Met de trompetten (of rams­hoorns, of ba­zui­nen) werd dus een signaal gegeven. «En wanneer gij in uw land ten strijde trekt tegen de vijand die u benauwt, dan zult gij op de trompetten een signaal blazen, waardoor gij in gedachtenis ge­bracht zult worden voor het aangezicht van de HERE, uw God, zodat gij van uw vijanden verlost zult worden» Num.10:9. Door dat blazen op de bazuin, werden ze in gedachtenis gebracht voor God, dus in de hemelen. Dat bazuinblazen was dus eigenlijk niet iets wat ze op aarde deden, maar iets wat ze in de hemel deden. Nu is het merkwaardig, dat je in het boek Openbaring ook weer van ze­ven ba­zui­nen hoort spreken. Dat heeft ook weer te maken met die ge­dach­tenis. Door dat signaal wordt als het ware bewerkt, dat God gaat ge­denken. Door dat blazen op de bazuin wordt het volk pre­sent gesteld voor God. En als God aan je denkt, word je verlost van je tegenstanders. Dat gedenken bete­kent dus ook, dat God zegt: nu zal Ik met je mee­strijden. «Ook op uw vreugdedagen, op uw feesten en op uw nieuwe­maans­dagen zult gij een stoot op de trompetten geven bij uw brandoffers en vredeoffers; zij zullen u dienen om u voor het aangezicht van uw God in gedachtenis te brengen; Ik ben de HERE, uw God»  Num.10:10. Die trompetstoten werden dus allemaal op strategische mo­menten gege­ven.

Stop een feest in je tijd

Het is opmerkelijk, hoeveel feesten de Israëlieten wel niet vierden. Ze had­den op zijn minst zo’n zeven feesten per jaar. En sommige duurden ook nog eens zeven dagen. Ze had­den nauwelijks tijd gehad om van het ene feest te bekomen, of het volgende stond al weer voor de deur. De tijd van het Oude Testament was beslist geen saaie boel. Het is trouwens ook een op­merkelijke karaktertrek van God, dat Hij al die feesten instelt. God is niet zo saai, als sommige mensen wel denken. Daarin zie je ook, dat God de tijd indeelt óp de feesten. De tijd wordt onderbroken en ge­scandeerd, op maat ge­bracht naar de feesten. Daar zit dus als het ware een bepaald ritme in; de feesten brengen het ritme in de tijd. Als je spreekt van ‘de tijd doden’, is dat eigenlijk een merkwaar­dige uitdruk­king. Je moet die tijd juist levend ma­ken. God maakt de tijd levend; Hij stopt er een aantal feesten in. ‘Stop een feest in je tijd’. Dat woord feesttijden betekent eigenlijk ontmoetingstijden. Het zijn de ont­moe­tings­tijden tussen God en mens. Die trompetstoten dienden dus om het volk voor het aange­zicht van God in gedach­tenis te brengen. Daar­om staat er meteen achter in vers 10 – Ik ben de HERE; daar zien we de gedenknaam weer. Het blazen op die trompetten, op die bazuinen, heeft dus zijn uitwer­king in de gees­te­lijke wereld. Zo is dat ook met de gemeente. Als de ge­meente in de lof­prijzing is, is dat ook een gedachtenis voor God.

Doe dit tot mijn gedachtenis

Die lijn loopt ook door tot in het Nieuwe Testament. Denk in dit ver­band maar aan het Avondmaal. Dan zegt Jezus: Doe dit tot mijn ge­dachtenis. Dat betekent veel meer dan soms verondersteld wordt; daar zit een hele dimen­sie ach­ter. Dan ga je ook ontdekken wat een unieke zaak het Avond­maal is. Doe dit tot mijn gedachtenis. Dat is dus niet: denk nog eens aan Me. Avondmaal is dus ook niet een herdenking. Het is ook niet een terug­blik. Avondmaal is niet een weemoedig terugblikken. Het is niet een soort herinneringsmaaltijd.

‘Doe dit tot mijn gedachtenis’.

Dat betekent: als jullie dit doen, stellen jullie Mij tegen­woordig. Dat is de tegenwoordigheid van de Meester. Je kunt zelfs nog een stapje verder gaan.

‘Doe dit tot mijn gedachtenis’.

Dan stel je als het ware Jezus present voor de Vader. Dan maak je, dat de Vader Hèm gaat gedenken. En dit heeft een uitwer­king tot gevolg. De uit­wer­king is dan, dat zijn heerlijkheid, zijn heil gaat komen. Je gaat zijn over­win­ning, je gaat zijn heerlijkheid, je gaat zijn kracht, je gaat zijn offer, je gaat zijn volbrachte werk present stellen in de hemelen. Dat betekent dus ook, dat de overheden en machten moeten geden­ken. Dus door het Avondmaal ga je ook de kracht van het bloed en de kracht van Jezus’ overwinning present stellen te midden van de geeste­lij­ke we­reld. Daarom is het Avondmaal ook een getuigenis. Je gaat een getui­ge­nis geven aan de mach­ten. In het Avondmaal zitten dus heel wat dimensies. Paulus zegt in 1 Korinte 11 – «Dan verkon­digt gij de dood des Heren. Als je Avondmaal viert, ga je dus eigen­lijk verkondigen. Je gaat het aan jezelf verkondigen en je gaat het aan elkaar verkondigen. Daarom vier je Avondmaal ook in de gemeente.

In de derde plaats ga je het verkondigen aan de overheden en de mach­ten. De dood des Heren – dat is het einde van het oude. En dat is het be­gin van een nieuwe schepping.

In de vierde plaats ga je het verkondigen aan de engelen. Daar zitten dus heel wat kanten aan. Het Avondmaal maakt ons tot getuigen, tot ver­kon­di­gers. Dat is dus de diepe betekenis van gedachtenis. Je zou kun­nen zeggen: door gedachtenis ga je een monument oprich­ten in de he­me­len, een banier opheffen in de hemelse gewesten.

Liefdewerk geeft een eeuwigdurend ge­dach­tenis

«Voorwaar, Ik zeg u, overal waar het evangelie verkondigd zal wor­den, over de ge­he­le wereld, zal ook tot haar gedachtenis gesproken worden van wat zij ge­daan heeft» Marc.14:9. Hier gaat het dus over die vrouw die Jezus zalft. ‘Van wat zij gedaan heeft’. Ze heeft liefdewerk verricht. Dat is een sleutelwoord; zij heeft liefdewerk gedaan voor Jezus. Als zij liefdewerk doet voor Jezus, dan heeft zij een ge­dach­tenis tot het einde toe. Haar gedachtenis gaat nooit meer onder. De mens die liefdewerk doet voor Jezus, die het kost­baarste wat hij heeft uit­giet voor de Meester, die heeft een gedachtenis. Er staat trouwens ook, dat de geur van die mirre het gehele huis vervuld. Die vrouw is een prachtig beeld van de gemeen­te. Als de gemeente haar lief­de uitgiet voor Jezus, dan heeft zij een gedachtenis in de hemel. Dan zijn we eigenlijk weer terug bij het begin: de gedachtenis van de rechtvaar­dige zal tot zegen zijn.«Tot eeuwige gedachtenis zal de rechtvaardige zijn»  Ps.112:6.

Het dodenrijk

Welke visie had de mens in het Oude Verbond op begrippen als dood, op­stan­­ding, dui­vel. Welke verschillen lagen er tussen hen en het denken in het Nieuwe Ver­bond op dit gebied?

Vergaderd tot zijn voorgeslacht

«En Abraham gaf de geest en stierf in hoge ouderdom, oud en van het le­ven ver­za­digd en hij werd vergaderd tot zijn voorgeslacht» Gen.25:8. Je kunt dit voor de mens als een wel heel ideale situatie be­schou­wen; in deze tekst zitten heel positieve elemen­ten. Je moet bovenal zien, dat er in dit opzicht één lijn loopt door het Oude Verbond en het Nieuwe Verbond. We moeten niet zozeer letten op de verschillen, als wel op de overeenkom­sten. Je dient die lijn wel te zien, anders ga je de twee ver­bon­den te veel splitsen. Het was in feite maar één Ver­bond. Je moet dus oppassen, dat je niet kleinerend over het Oude Verbond gaat spreken. In Genesis zitten al heel duidelijk grondge­dach­ten, die vanuit Gòd komen. In bovenstaande tekst zien we dan een prachtig beeld van de mens die in hoge ouderdom sterft. In het Hebreeuws staat er: «in goede grijs­heid». Abra­ham wordt vergaderd tot zijn voorgeslacht, tot zijn va­de­­ren. Letterlijk staat er: «tot zijn volken», of: «tot zijn volksge­no­ten». In feite wordt het sterven hier als een thuiskomen getekend. ‘Vergaderd tot zijn volken’. Deze uitdrukking kom je meermalen tegen, hier bij Abra­­ham, en ook zie je dat bij Isaak. «En Isaak gaf de geest en stierf en hij werd tot zijn voorgeslacht ver­ga­derd, oud en van het leven verzadigd, en zijn zonen Esau en Jakob begroeven hem»  Gen.35:29. Letterlijk: «verzadigd van dagen». Je ziet het ook in: «Toen Jakob geëindigd had zijn zonen bevelen te geven, trok hij zijn voeten te­rug op het bed en gaf de geest, en hij werd tot zijn voorgeslacht vergaderd» Gen.49:33. Je ziet, dat het verband met de geschiedenis wordt vast­gehouden.Je wordt verzameld tot je  vaderen, je volksge­noten. Die mens raakt niet weg, maar wordt verzameld tot degenen waar hij bij hoort. Wanneer wij pressie, verdrukking, ziekte of angst er­varen, wordt met­een de duivel genoemd; maar in hoeverre heeft de dood hiermee te maken?

De hand van het dodenrijk

We gaan eerst eens zien, wat er over het dodenrijk wordt gezegd. In de Psalmen komen we de uitdrukking ‘dodenrijk’ nogal eens tegen. «Maar God zal mijn leven verlossen uit de macht van het dodenrijk, want Hij zal mij opnemen»  Ps.49:16. Deze Psalm gaat in feite helemaal over het sterven. Zie bijvoorbeeld ook: «Als schapen zinken zij in het dodenrijk, de dood weidt hen; de oprechten heersen over hen in de morgenstond;  hun gedaante moet in het dodenrijk vergaan, zodat zij geen woning meer heeft» Ps.49:15. Hier gaat het over mensen, die op zichzelf vertrouwen. Vers 16 kun je ook lezen: «Maar God zal mijn ziel los­kopen». Hier staat voor dodenrijk dus steeds dat woord sje’ool. Wat opvalt, is, dat er hier wordt gesproken van de macht van het dodenrijk. Letterlijk: «de hand van het dodenrijk». «Hij zal mij loskopen uit de hand van het dodenrijk». Hier krijg je inderdaad het beeld, dat het dodenrijk een macht heeft en is; het wordt als het ware gepersonificeerd. Het dodenrijk wordt hier als een persoonlijkheid voorgesteld. Een persoonlijkheid met een hand; en uit die hand word je dan door God verlost. Dat begrip hand zie je bij­voor­beeld ook in Psalm 89: «Gij hebt de rechterhand van zijn tegenstanders verhoogd, Gij hebt al zijn vijanden verheugd»  Ps.89:43. In deze psalm gaat het ook over de redding uit het doden­rijk. Dat do­den­rijk, die sje’ool omvat veel meer dan wij vaak denken. De bij­belse mens zag dat dodenrijk veel meer als een heel groot terrein. Dat omvat dus meer dan wat wij ver­staan onder ‘dood’. ‘Dood’ wordt bij ons meestal al­leen verbon­den met het punt, dat iemand sterft. Dan gaat hij over van het leven in de dood. En dan kun je vanuit de moderne me­dische wetenschap je afvragen, wanneer dat punt dan valt. Iemand kan in coma liggen, of ie­mand kan kli­nisch dood zijn. En met kwesties rond­om euthanasie speelt dit dan natuur­lijk ook een rol.  Hier speelt dan ook het punt, dat er onder­scheid wordt ge­maakt tus­sen menswaardig leven en leven dat in feite dan niet meer waard is om voortgezet te worden.

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

384774 bezoekers sinds 07-06-2010