God, de Almachtige

13-06-2010 door Dr. K.D. Goverts

Almacht is nooit een abstract begrip, het is nooit een ding, maar het is altijd persoons-betrokken. We moeten ervoor oppassen, dat we dat begrip almachtig niet bin­nen­halen in onze wereld. Je kunt het niet binnen­halen in de natuur­lij­ke wereld. Want dat is vaak wat er gebeurt: mensen gaan dat als het ware annexeren. Men redeneert dan in de trant: wij komen macht tekort, maar dat heeft Hij wel. Zo wordt God tot een soort supermens. Hij heeft van al­les meer. Alles wat wij tekort hebben aan macht, aan invloed heeft Gód dan gelukkig wèl. Zo wordt God gemaakt tot een projectie van onze dro­men. Een kind gaat op een bepaalde leeftijd soms zeggen: mijn papa kan ál­les. En mijn vader is toch sterker dan de jouwe. Zijn vader be­li­chaamt alles wat su­per en krachtig is. Zo’n soort idee hebben som­mi­ge mensen ook van God. God heeft nog meer spierkracht dan de sterk­ste man ter wereld. God heeft immers alle macht! Maar ik denk, dat we zo met het begrip macht toch de mist in gaan. Dan krijg je de gedachte: als je nou meer macht wilt hebben, moet je bij God wezen. Dan wordt het geloof een recept voor mensen, die het gevoel hebben dat ze niet aan hun trekken komen. Een hulpbron voor mensen, die eigen­lijk de baas zouden willen spelen. Als je God maar hebt, word je lekker sterk en lekker machtig; dan kun je van al­les. Dan kun je heerlijk je vijanden om de oren slaan. Maar dan wordt het geloof tot een soort machtswellust. We zitten er nu nog een beet­je onder, maar stràks, broeder! In het Duizend­ja­rig Rijk gaan wìj eens lekker de lakens uit­delen. Dat komt dan vaak voort uit verdrongen minderwaardigheids­gevoe-lens. Het komt dan vooral voor bij mensen, die in de maatschappij op de een of an­dere manier niet zo veel te ver­tellen hebben. Maar dat soort macht ként God helemaal niet.

Maar wat is die almacht dan wèl?

Als God zegt: Ik ben de Almachtige, dan houdt dat in, dat God mach­tig is om alles te doen wat nodig is om de realise­ring van zijn plan te be­werkstel­li­gen. Het is dus niet, dat God alles kàn. Dan ga je speculaties krijgen over wat God nou allemaal wel zou kùnnen. In de Mid­deleeuwen waren ze daar nogal sterk in: het eindeloos fan­ta­seren over wat God allemaal zou kunnen. Men kwam dan tot de vol­gende inte­res­sante kwestie: kan God een steen maken, die Hijzelf niet kan optillen? Maar dan zit je op een verkeerd spoor. Het gaat er niet om wat God the­­ore­tisch allemaal zou kunnen, maar het gaat om de feitelijke uit­oe­fening van zijn macht; wat God in de prak­tijk doet. Daar komen dan eigenlijk een paar aan­duidingen bij, namelijk: De macht, die God uitoefent op zijn wijze, naar zijn aard en naar zijn doel. De macht die God uitoefent is dus geen tovermiddel. Als het dat wèl was, zou de mens uitgeschakeld worden. Door de vele theorieën over Al­macht wordt de mens in feite lamgelegd. Je krijgt dan de gedachte van: God moet het nu maar even voor elkaar toveren. Hij kàn het, dus Hij moet het dan ook maar eens dóen! Dan gaat de mens òf be­rus­ten, òf hij wordt boos. Dan gaat de mens God aanklagen: waarom dòet Hij het nou niet!! Als Hij het nou toch kàn! De mens blijft op die manier gevangen zitten in berusting of in weer­span­nigheid. Als God dus genoemd wordt de Almachtige, heeft dat al­tijd te ma­ken met zijn wezen. God maakt die naam de Almachtige aan Abraham be­kend, maar ei­gen­lijk vrij laat. Toen Abraham negenennegentig jaar oud was, verscheen de HERE aan Abram en zei­de tot hem: Ik ben God, de Almachtige, wandel voor mijn aangezicht en wees on­be­rispelijk.  Gen.17:1. Abram was toen al negenennegentig jaar. Het is toch ook wel veel­zeg­gend, dat God dat niet eerder heeft gedaan. Het is kennelijk een naam, die God eerst een hele tijd opgespaard heeft. Die naam wordt dan ook meteen ver­bon­den met dat «wandel voor mijn aangezicht». Het gaat hier om die totale we­der­kerigheid. En dan staat er «wees onbe­ris­pelijk», dat wil zeggen: wees to­taal, wees een man uit één stuk, wees onver­deeld! Die naam wordt dus gekoppeld aan die grondhouding. Die naam heeft bovendien te maken met een verbond. Ik zal mijn verbond tussen Mij en u stellen, en u uitermate talrijk ma­ken. G­en.17:2. Die naam heeft ook heel speciaal te maken met de toekomst van het volk Gods. We moeten heel duidelijk dat begrip God, de Almachtige afgrenzen van wat men over het algemeen onder macht verstaat. We nemen zo gauw nog aller­lei gedachten mee uit het natuur­lijke, aardse denken. Als we dat begrip Al­macht dan lezen, stellen we ons daarbij na­tuur­lijk iets voor. Wàt stellen we ons er dan bij voor? Meestal datgene waar we zo in het alge­meen onder macht verstaan in ons natuur­lij­ke den­ken. Bij het woord macht denk je bij­voor­beeld aan een generaal of aan iemand met een heleboel machtsvertoon. Misschien denk je aan een groot leger met kanonnen en tanks. Dan heb je er­gens nog dat na­­tuurlijke idee over macht. En dat ga je dan projecteren op God. Sommige mensen zetten dat machtsdenken over naar de eindtijd: H­oe gaat God uiteindelijk zijn macht openbaren? Nou, dan gooit Hij een atoombom of maakt op een gegeven moment een eind aan de he­le wereld. God komt dan met een enorm machtsvertoon, met een ex­plo­sie van macht en kracht. Dan háált Hij toch uit! We moeten soms dus nog helemaal los­komen van die oude ge­dachten over macht.

Niemand kan twee heren dienen

Niemand kan twee heren dienen, want hij zal óf de ene haten en de an­dere lief­heb­ben, of zich aan de ene hechten en de andere min­ach­ten; gij kunt niet God dienen en Mammon.  Matt.6:24. Jezus stelt hier tegenover elkaar: de ware God en Mammon, de god van het geld. Niemand kan twee heren dienen Nu leggen wij dat meestal zo uit: je kunt geen twee heren dienen te­ge­lijk. D­at is één kant van de zaak, maar er zit nog een andere kant aan: je kunt ook niet twee heren nà elkaar dienen. Je kunt ook niet twee heren achtereen­vol­gens dienen, maar dat is nu juist wat in de praktijk vaak gebeurt. Heel vaak is er deze gedachte: elk mens heeft een god, zoals: kunst, macht, ken­nis, geld. En dan hoeft hij alleen maar die ene god uit zijn leven weg te ne­men en dan stel je de ware God daarvoor in de plaats en dan is de zaak in or­de. Bekering is dan, dat iemand van god verandert. Eerst had hij bijvoor­beeld het geld als zijn god, maar nu heeft hij de ware God. Alleen, dan wordt er één ding vergeten. Men denkt dan, dat men tot een af­god dezelfde relatie heeft als tot de ware God. Maar, dient ie­mand zijn af­god op dezelfde manier als waarop de ware God moet wor­den gediend?

K­an iemand zeggen: zoals ik vroeger altijd het geld gediend heb, zo ga ik nu God die­nen? Ik heb nu alleen een ànder voorwerp van verering. De relatie tot een afgod wordt altijd gekenmerkt door de vol­gende prin­­ci­pes: ervaren en gebruiken. Als een mens een af­god dient, wil hij die afgod er­varen en gebruiken. Je dient het geld om het plezier daar­van te kunnen er­varen en om het geld te kunnen gebruiken. Het gaat erom: wàt levert die afgod me op! Iemand dient de god van de macht om zelf macht te krijgen, dus om macht te kunnen gebruiken. Iemand dient altijd een afgod met de ach­ter­liggende gedachte om gebruik van die afgod te kunnen maken. Stel, iemand dient de Mammon, maar komt tot bekering en gaat de wa­re God dienen. Maar als er nu verder niets in zijn leven veranderd is? Dan dreigt de relatie tot de ware God weer dezelfde te worden als wel­ke hij met de Mammon had: hij wil wat ervaren en hij wil wat ge­brui­ken. Maar zo’n persoon moet niet alleen van doel veranderen, maar moet ook van houding veranderen. Als iemand bezeten was van geld en van god ver­andert, gaat hij zijn bezetenheid op God richten. Dan ben je niet veel opge­scho­ten. Wat baat het een gebondene of een bezetene, als hij in plaats van een de­mon, Gòd gaat aanroepen. In feite is dat alleen maar Godslaste­ring. Met die afgoden heb je ook nooit een ik-gij-relatie. Dat is dan in feite de kern van de zaak. Met die afgoden heb je nooit een persoonlijke relatie. Die afgo­den doen altijd dienst als voorwerp, als ding. Kan de knecht van de Mammon zeggen tot het geld: “gij”, “gij zijt mijn geld”? Nee, niemand gaat op zo’n manier een relatie aan tot zijn por­temon­nee. Er is alleen een relatie van bezitten. Maar bij de ware God is er geen sprake van bezitten, maar van de te­gen­­woor­digheid. Niet de lust van het grijpen en het oppotten, maar de vreugde over de tegenwoordigheid van de ware God. Wat moet iemand met God beginnen, als hij niet geleerd heeft om Gij te zeg­­gen! Als iemand altijd gewend geweest is om te denken in voor­wer­pen, in dingen die hij kan gebruiken, is het voor hem niet zo een­vou­dig om Gij te zeggen tegen God. Je kunt niet twee heren na elkaar dienen. Eerst moet er dan een ra­di­cale breuk komen. Je kunt niet zomaar overspringen van de ene heer naar de an­dere. De mens moet niet alleen van doel veranderen, maar hij moet op­ge­wekt worden tot verbondenheid. Bij de afgoden is er sprake van bezit­ten, met als eindresul­taat bezetenheid. Maar bij God gaat het om verbondenheid, ver­bon­denheid met een Per­soon. Juist daarom zegt Jezus: het kàn niet, twee heren dienen. God laat Zich niet bezitten. Die mens moet eerst anders leren dienen. Vandaar ook, dat de Bij­bel zich zo fel keert tegen de macht­hebbers. M­achthebbers zijn altijd tijdelijk, macht gaat voorbij. Voorts sprak God tot Mozes en zeide tot hem: Ik ben de Here. Ik ben aan Abraham, Isaak en Jakob verschenen als God de Almach­ti­ge, maar met mijn naam Here ben Ik hun niet bekend geweest.  Ex.6:1,2. Dat hele aspect van macht kun je alleen in het verband plaatsen, dat de mens Gij gaat zeggen; Gij zijt de Machtige. Zolang de mens gevan­gen zit in een verkeerde gedachte over almacht, zal hij nooit echt de bevrijding kunnen ontvangen. Hij blijft dan altijd in de ge­dach­te­gang verkeren, dat God een soort veredelde tovenaar is. In bovenstaande tekst wordt juist als kenmerk van de aarts­vaders genoemd, dat zij de naam God de Almachtige kenden. De afleiding van het Hebreeuwse woord, vertaald met de Al­machtige, is nogal pro­ble­matisch.

El Sjaddai

Het Hebreeuwse woord luidt El Sjaddai. Dat woord komt naar alle waar­schijnlijkheid van een grondwoord, dat berg betekent. Die naam El Sjaddai maakt God dus van Zichzelf bekend. Je zou hier dus kun­nen zeggen: het is de oerberg, de oerheuvel. In de oude voorstel­lings­we­reld werden de bergen gezien als het meest oorspronkelijke van de schep­ping. Denk bijvoorbeeld aan Psalm 90. Eer de bergen geboren waren, en Gij aarde en wereld hadt voortgebracht, ja, van eeuwigheid tot eeuwigheid zijt Gij GodPs.90:2. Ook wordt er in de Bijbel gesproken van ‘oeroude bergen’. Zo wordt God uit­gebeeld als het meest oorspronkelijke, als de oergrond, de oer­­grond van het bestaan. Als God dan die oerberg is, dan is Hij zeer zeker in de eerste plaats de garantie van je oorsprong; je oorsprong ligt dus vast; die grond heb je onder de voeten.

In de tweede plaats is dat ook de garantie voor je wezen, van je oer-iden­titeit. Je bent gegrond in El Sjaddai.

In de derde plaats is Hij dan ook de garantie van de toekomst.

Het is frappant, dat als die naam in het boek Genesis voor­komt, dat vrij­wel steeds is in verband met de toekomst van Israël, de toekomst van het volk van God. Daar wordt die naam mee verbonden. We zagen dat in Genesis 17. Verscheen de Here aan Abraham en zeide tot hem: Ik ben God, de Al­mach­tige. G­en.17:1. En God zeide tot hem: Ik ben God, de Almachtige, wees vruchtbaar en word talrijk; een volk, ja een menigte van volken, zal uit u ontstaan, en koningen zullen uit uw len­denen voortkomen.  Gen.35:11. Ook in deze teksten wordt dus weer gesproken in verband met de toe­komst van het volk van God. De garantie, de zeker­heid van de be­lof­ten in deze tek­sten uitgesproken, ligt in de naam El Sjaddai. Bij dit alles moeten we in ogenschouw nemen, dat God zijn macht ver­­we­zen­lijkt door middel van mensen. Dat woord ‘macht’ moeten we hier dan tussen aanhalingstekens plaatsen. Gods macht wordt eerst open­baar in de wederkerigheid; in die we­derkerigheid van Gods daad en mensendaad. De daad van God en de daden van mensen grijpen op elkaar in. De mens draagt dus mede-verantwoordelijkheid. God zegt niet: Ik maak het allemaal wel voor elkaar en ga jij maar lekker zit­ten zolang. De mens krijgt dus ver­ant­woording. En verant­woording be­tekent: de opdracht om te antwoorden. De daden van de mens be­in­vloeden de geschiedenis. Het gevaar is juist, dat er zo vaak gedacht is: alles komt zoals het komen moet. Deze gedachtegang speelt ook een grote rol bij diverse eindtijd-visies. Het ligt toch allemaal al vast; het is alle­maal reeds voorspeld of voorzegd.

Als God spreekt, houdt dat ook in, dat het spreken van God een aan-tal din­gen niet is.

Als God spreekt, is dat niet het verstrekken van informatie. God geeft niet vrijblijvend een aantal inlichtingen.

Als God spreekt, betekent dat niet, dat Hij iets voorspelt.

 Als God spreekt, is dat ook niet bedoeld als kalmeringsmid­del.

God gaat niet een aantal vriendelijke dingen zeggen om de mens in slaap te sussen. Niet in de geest van ‘alles sal reg kom’. Niet: “stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw”. Als God spreekt, betekent dat, dat Hij een vraag stelt. «Daarop hoorde ik de stem des Heren, die zeide: Wie zal Ik zenden en wie zal voor Ons gaan? En ik zeide: Hier ben ik, zend mij» Jes.6:8. Die vraag staat dus weer in het kader van de dialoog, van het ge­sprek, van de roep om een antwoord. Als iemand mij alleen maar een aan­tal inlichtin­gen komt geven, hoef ik daarop geen antwoord te ge­ven. Als iemand mij iets kalme­rends vertelt, hoef ik ook niet te ant­woor­den. Ook als er iemand een voorspelling doet, hoef ik niet te ant­woor­den. Een waarzegger wacht nooit op antwoord, die stort gewoon zijn voorspellingen over je uit. Wat je er­mee doet, is zijn zorg niet. God stelt vragen, zoals in deze tekst uit Jesaja. Jesaja staat daar in de troon­zaal en hoort de stem des Heren die vraag stellen: wie zal ik zen­den? Jesaja hoort geen infor­matie, maar een vraag. Pas als Jesaja die vraag beantwoord heeft, gaat God hem het een en ander vertellen. Die vraag die God stelt is zodanig, dat Jesaja als het ware wordt uit­ge­nodigd om te antwoorden, om er zèlf op in te spelen. Jesaja springt dan daarop inderdaad ìn en zegt: Hier ben ik, zend mij. Jesaja zegt: ik wil gaan voor U, ik wil gaan voor Ons. Zo wordt Jesaja in de sfeer van God gebracht. Niet omge­keerd: Jesaja pro­beert niet de macht van God in zijn wereld te trekken. Nee, Jesaja wordt in Gods wereld getrokken, doordat hij antwoord geeft. Doordat de mens antwoord geeft aan God, antwoord wòrdt voor God, krijgt hij mede daardoor ook invloed op de geschiedenis. Hij krijgt in­vloed op wat er verder gaat geschieden. Omdat Jesaja ingaat op de vraag van God, wordt hij deel van de ge­schiedenis van God. Je zou dus kunnen zeggen: de mens is verantwoordelijk voor het lot van God in deze wereld. Hier ontdek je ook iets van wat je zou kunnen noemen: de ootmoed van God. God zegt niet: Ik doe dat wel even, God is zo ootmoedig, dat Hij wacht op het antwoord van zijn partner. God drukt niet iets door, om­dat het met die mensen erbij het Hem veel te lang duurt. God wacht op zijn partner, God wacht op dat antwoord, net zo lang tot­dat die mens antwoord gééft. Het is een van de meest unieke eigenschappen van God, dat Hij oot­moe­dig is. Dat staat zo mooi in Psalm 18. Ook gaaft Gij mij het schild uws heils, en uw rechterhand ondersteunde mij, uw nederbuigende goedheid maakte mij groot. Ps.18:36. ‘Nederbuigende goedheid’ is in het Hebreeuws één woord. Dat woord in het Hebreeuws betekent eigenlijk: ootmoed. En Uw zachtmoedigheid heeft mij groot gemaakt. (SV) Daarin zie je dan een totaal ander beeld van macht. God is niet een ti­ran; God is niet Iemand, die wat meer macht heeft dan de duivel. God heeft een ander soort macht dan die van de duivel. Stel je voor, dat God dezelfde soort macht had als de duivel, dan zou je een soort dui­vel in het kwadraat krijgen. De macht van God is juist van een to­taal andere orde. Uw ootmoed maakte mij groot. God wil juist zijn part­ner groot maken. God gaat juist zijn partner verheffen. God gaat steeds weer dat ge­sprek open­houden.

Het begrip ‘Koning’

Daarom is het ook interessant om in dit verband te letten op het begrip ko­ning. Van God wordt ook vaak gezegd, dat Hij Koning is. Dat begrip koning is ook weer sterk onderhevig aan mis­verstand. Bij het be­grip koning denk je al gauw aan macht. Het is op zijn minst ver­dacht, dat som­mige Christenen zo graag koning willen worden. Wat willen die men­sen dan ei­genlijk zo graag? Ben je dat soms als kind tekort gekomen? Als kind kon ik mijn zin niet krijgen, maar nu ge­lukkig wèl, broeder. Naar wat voor soort koningschap zit je dan te snak­­ken? Dat is dan een soort Chris­te­lij­ke heerszucht. Er zijn mensen, die in de maatschappij nooit aan bod kunnen ko­men, maar die zich in de gemeente kunnen uitleven. In de maat­schap­­pij worden vaak veel strengere eisen gesteld dan in de ge­meen­te. Trouwens, de structuur van de gemeente is vaak zodanig, dat te­gen­spraak of een andere mening dan vaak meteen als rebellie of zon­de wordt gebrandmerkt. Veel men­sen, die zich in de maatschappij niet omhoog kunnen werken, lukt dat in de ge­meente vaak wél. Daar ko­men dan ook vaak enorm veel problemen uit voort. In de gemeente word je in het algemeen niet zo hard aangepakt als in de wereldse maat­­­schappij. In de wereldse maatschappij gaat het vaak hard tegen hard, terwijl je in de gemeente vaak kan rekenen op een hele­boel lief­de en barmhartigheid. In de gemeente hebben mensen met heers­zucht vaak veel meer kansen.

Wat voor beeld heb je van een koning? God is ook Koning, maar hóe? Dat ligt in dezelfde lijn als dat punt: Ik ben de Almachtige. Het Hebreeuwse woord voor koning betekent van huis uit: raadgever. Het Hebreeuwse woord voor koning is melech. We komen dat bij­voor­beeld te­gen in Abimelech (mijn vader is ko­ning), in Melchisedek, in Mo­loch. De koning als raadgever is degene, die het volk aanwijzingen geeft en op die manier leiding geeft. Van oorsprong is de koning dus een leider. Maar dan leider in de zin van ons woord hertog. Een hertog was iemand, die voor het heer uit­toog. Hij ging dus in het leger voorop! Hij toog dus voor het heer, voor de heer­scha­ren uit. Hij trekt dus uit mèt zijn volk. Hij is dus niet zo­zeer de heerser, als veelmeer de pionier. Hij is degene die het volk leidt op on­gebaande wegen. Hij leidt het volk op wegen, die ze uit zich­­zelf nooit zouden bedenken. Dus de Koning is oorspronkelijk de God, die meetrekt; Hij is de Lei­der. Hij is de God, die geschiedenis maakt. Het begrip Koning heeft een heel diep ver­band met geschiedenis. Hij gaat zijn volk leiden in de wending van de tijden; Hij brengt ze tot keerpunten, Hij brengt ze tot kruispunten in de tijd. Hij in­spireert ze, Hij trekt voor ze uit, Hij trekt met ze mee. Het begrip Koning is dus oorspronkelijk een relatiebegrip. Een ko­ning duidt een relatie aan. Hij is Koning ten overstaan van zijn volk. Bijbels gezien is een koning, die ongenaakbaar op zijn troon zit, dus on­denkbaar. Een ko­ning, die zich nooit met zijn men­sen bemoeit, is in bijbelse zin geen koning. Een koning, die alleen maar omhoog komt over de ruggen van zijn onder­da­nen, ís geen koning. Vandaar dat je in de Bijbel nogal eens tegenkomt: de bestrij­ding van het hei­dense koningschap. Het boek Richteren staat daar bij­voor­beeld vol van. Ook in het boek Samuël wordt uitvoerig het begrip koning belicht, als de Is­raëlieten net als alle andere volken wil­len zijn en óók een ko­ning willen hebben. Er zit een enorm stuk polemiek in de Bijbel te­gen dat wereldse ko­ningschap. In de Bijbel heeft de ware koning niet zozeer een troon als wel een weg. Het belangrijkste van een koning is niet, dat hij zit, maar het be­langrijkste van een koning is de weg, die hij bewandelt. In het Hebreeuws is er een woordspeling tussen het woord koning en het woord gaan. Dat zijn de woorden melech en halach. Een koning is altijd ie­mand, die gáát, die met zijn mensen gáát, die voor zijn men­sen uitgaat. Een koning is iemand, die zijn mensen doet gáán. Een ko­ning doet de mensen gaan op zijn we­gen. Je ziet hierin in wezen iets, wat je zou kunnen noemen: de weerloos-heid van God. Ik denk, dat dat ook vaak een van de moeilijkste pun-ten is om te gaan verstaan. God stelt Zich in de wereld weerloos op. En dan wordt er gezegd: waarom grijpt God niet in?! Maar dat is juist zijn principiële weerloosheid. In die zin zou je kun­nen zeggen: God is Pacifist. God is principiëel weerloos. God is alleen weer­baar tegenover de vijanden, tegenover de geestelijke machten. Zo moeten wij ook worden. Weerloos en tegelijk geestelijk weerbaar. Als Jesaja het hoogtepunt gaat tekenen van het plan van God, dan te­­kent hij een knecht des HEREN, die helemaal weerloos is. Die knecht laat zich slaan en laat zich mishandelen, de lijdende knecht des HEREN. Jezus verdedigde Zich ook niet, Hij was in de zichtbare wereld ook weer­loos. Als ze tegen Hem zeggen: Je kunt je toch verdedigen, Je kunt vuur van de hemel bidden en je kunt twaalf legioenen engelen laten ko-men, dan zegt Jezus: daar komt niets van in. Hij was alleen weerbaar in de geest. Zo wordt de macht van God juist openbaar in die weerloze mens. Want wie heeft er meer de geschiedenis beïnvloed dan die lijdende knecht des HEREN? Zo zal ook de gemeente van de eindtijd in de zichtbare wereld een weer­loze gemeente zijn, maar wel weerbaar in de geest. Dan zie je, dat uiteindelijk die naam de Almachtige voor God, zijn toe­­komst­naam is. Want juist in het boek Openbaring komt die naam heel vaak voor. Het is de naam, die de toekomst vult en bepaalt. God is op weg naar zijn Almacht. God is op weg naar die Naam. Op dit moment zien we dat nog niet. Op dit moment zie je de verne-der­de gestalte. Maar God is op weg naar zijn totàle macht. Dat is niet, dat Hij dan een eind maakt aan alles, maar dat is, dat Hij dan alles gaat vervullen. Als God aan de macht komt, is dat niet de macht van de tirannie, maar de macht van de bevrijding. Dan gaat Hij ruimte geven aan zijn schepselen.

Gij hebt mij ruimte gegeven voor mijn schredenen mijn enkels wankelden niet.  Ps.18:37.

Gods macht is, dat Hij ruimte geeft aan zijn schepselen. Dat is een van de aspecten van de identiteit van God. Voor ons om over te nemen: macht door ootmoed. Dan betekent macht: meetrekken met de ander, zoals God meetrekt met zijn volk. Macht betekent dan: verantwoording nemen; antwoord leren geven aan God en aan mensen. Macht zoals Gòd die uitoefent. Macht om Zijn plan te realiseren. God gaat zijn macht juist verwezenlijken samen mèt en door middel van zijn mensen. Die mensen zijn dan niet de krachtpatsers, maar de recht­vaardigen. Dat is de weg van de Koning.

De volledige studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

384771 bezoekers sinds 07-06-2010