Genesis, God en mens terug naar de oorsprong

13-06-2010 door Dr. K.D. Goverts

Genesis is het eerste boek van de vijf boeken van de Torah. Torah be­­­­te­­kent onderwijzing. Het betekent dus niet wet. Buber spreekt van weg­­­­wijzing. En een wegwijzing is alleen maar om je te helpen.

Wording, geboorte

Genesis betekent: wording, geboorte. Oorspronkelijk, in de Joodse vertaling heet het boek: “In de Beginne”; “Be­resjti”. Dat begin is dus niet zo ver weg; het begin is onder ons. Daar zit te­ge­­lijk een stuk heimwee in. Elk mens verlangt diep in zijn hart naar een begin. Dat zie je ook bij Nikodemus, die in de Paasnacht bij Je­zus komt. Kun je in feite nog wel opnieuw beginnen, kun je in feite nog wel in die moederschoot ingaan? Hier zie je de hunkering naar het begin. Is dat terug te vinden, of ligt dat voor altijd achter je? Een sleutelwoord in het boek Genesis, dat ook de structuur van het boek aangeeft, is het woord Toledot. De eerste keer komt het voor in Genesis 2:4. Daar is het vertaald met het woord geschiedenis. Het is dus de geschiedenis van hemel en aarde. Toledot is een meervoud. Het komt ook alleen in het meer­voud voor. In de Tenach komt het woord toledot 39 keer voor. T­oledot betekent eigen­­lijk verwekkingen. Het woord hangt ook samen met het woord ja­lad, wat baren betekent. Doen baren, voortbrengen is holid. Woor­den, die in het Hebreeuws met een T beginnen, duiden een han­de­ling aan. Voor de tweede keer kom je dat woord toledot tegen in Genesis 5:1. D­aar is het vertaald met het woord geslachtsregister. In feite is dat woord To­ledot het opschrift boven heel Genesis. In Gen.5:l staat letterlijk: “Het boek van de verwekkingen van de mens”. De verwekkingen van Adam. En Adam kan een eigenaam zijn, maar ook een soortnaam, de mens. Buber vertaalt: dit is de oorkonde van de verwekkingen van Adam, de mens.

De hoofdindeling

Genesis kun je wat betreft hoofdindeling in twee gedeelten onder­schei­den.

1. Gen.1–4:   de proloog.

2. Gen.5–50: de toledot.

Het boek van de verwekkingen van de mens. Hoe verwekt de mens en hoe wordt hijzelf verwekt. Eerst wordt de mens verwekt en dan gaat de mens op zijn beurt verwekken. In Genesis 5 is verwekken een motiefwoord. Dat woord hoor je daar 28 keer. Steeds is er weer die cadans van dat verwekken. Die ver­wek­­kin­­­­gen gaan voort van geslacht tot geslacht. En zo krijg je ge­schie­­de­nis. Dat verwekken moet je veel breder en dieper zien dan al­leen een bi­o­­logische zaak. Telkens wordt hier mee verbonden, en daar­door gaat het nóg dieper, het punt van beeld en gelijkenis. God verwekt een wezen naar zíjn beeld en gelijkenis. En de mens mag dat op zíjn beurt óók doen. Dat beeld en die gelijkenis worden dus vóórt­ge­dra­gen, opdat dóór de geschiedenis heen dat beeld en die ge­lij­kenis er zul­len blijven. Het beeld en de gelijkenis van God stopt nooit. «Maakte Hij hem naar de gelijkenis Gods» Gen.5:1. «Verwekte hij (Adam) naar zijn gelijkenis, als zijn beeld» Gen.5:3. Het is een verwekken van God naar mens en van mens tot mens.

De indeling van Genesis

Deel 1:   H.1-4

Deel 2a:  H.5:1-11:26.

Hierin krijg je de verwekkingen van Adam, van Noach en de zonen van Noach.

Deel 2b:  H.11:27-25:11.

Deel 2 c:  Genesis 25:12 – 35:29.

Deel 2d: Genesis 36:1 – 50:26.

Onvruchtbaarheid

Boven Genesis 11:27 staat: «En dit zijn de nakomelingen van Terach». Ook hier staat weer toledot van Terach. En dan worden die verwek­kin­gen problematisch. Bij Abraham duurt het wel erg lang. De onvruchtbaarheid van de aartsmoeders is ook een hoofdthema in Ge­nesis. Sarah, Rebekka, Rachel waren in eerste instantie onvrucht­baar. De heidenen zijn vruchtbaar genoeg, maar bij het volk van God is het steeds weer een wonder, als er verwekt wordt. «Noch uit de wil des vlezes, noch uit de wil eens mans, doch uit God ge­­boren zijn» Joh.1:13. Bij de gojim gaat dat vanzelf, die máken het wel. Bij Hannah en Pe­ninnah zie je dit ook weer. Het gaat hier steeds om het verwachten van God. Het is niet vanzelfsprekend, maar alleen als Hij spreekt. Het is niet na­­­tuurlijk, het is bovennatuurlijk. Abraham moest 25 jaar wachten op de vervulling van de belofte van het land en van het zaad. En land en zaad horen bij elkaar. «Sarai nu was onvruchtbaar (‘agarah)» Gen.11:30.Letterlijk: «De wortel is verstokt». Er komt niets meer uit die wortel. Er ont­kiemt niets meer.

Deel 2c: Genesis 25:12 – 35:29.

Daar gaat het over de verwekkingen van Ismaël en Isaak. Dat begint met: «Dit nu zijn de nakomelingen (toledot) van Ismaël».  Gen.25:12 «Dit is de geschiedenis (toledot) van Isaak» Gen.25:19. Het NBG vertaalt hier dus niet consequent.

Deel 2d: Genesis 36:1 – 50:26.

«Dit zijn de nakomelingen (toledot) van Esau» Gen.36:1. «Dit is de geschiedenis (toledot) van Jakob» Gen.37:2. In het kader van de verwekkingen van Jakob wordt dan het hele ver­haal verteld van Jozef temidden van zijn broeders. Daarin komt het ver­­­haal van die verwekkingen tot zijn hoogtepunt. Genesis eindigt met een doodskist. «En men balsemde hem, en hij werd in een kist gelegd, in Egypte». G­en.50:26

Met twee arken door de woestijn

Het laatste vers van een bijbelboek is vaak heel bijzonder. Al die ver­wek­­kingen van Genesis eindigen met een doodskist. En die kist “staat in de startblokken” voor de uittocht. Voor kist staat er het woord ‘aron. Dat woord wordt ook gebruikt voor de ark die ze in de tabernakel had­­­­den. Ze liepen dus met twee kisten, met twee arken door de woes­­­tijn. De één met het gebeente van Jozef en de andere met de twee tafelen. Die twee kisten hebben ook alles met elkaar te maken. Het is niet toevallig, dat daar hetzelfde woord voor wordt gebruikt. In die ene ‘aron zitten de tien bevrijdingswoorden en in de andere ‘aron het ge­beente van de tsaddiq; de rechtvaardige gaat nooit verloren. Die moet meedoen met de uittocht. Dat gebeente mag niet verloren gaan. De identiteit van de ware mens mag niet ondersneeuwen. Je ge­been­te is je kern, je wezenlijke identiteit.

Aäron en ‘aron

Aäron is ‘Aharon in het Hebreeuws. Aäron is de man, die de ‘aron moet verzorgen. De klankverwantschap tussen deze twee woorden zal ook niet toevallig zijn. Die verwekkingen worden op verschillende manieren belicht.

Vaders en zonen.

In deel 2b gaat het over vaders en zonen. Terach is de vader van Abram. De naam Abram betekent verheven Vader. De nadruk valt hier dus op vaders, die zonen verwekken. En juist Abram, degene die het begrip vader in zijn naam heeft, kan maar geen vader worden. Later krijgt Abram de naam Abraham, vader van een menigte.

Zonen, die broeders worden

In deel 2c krijg je de verwekkingen van Isaak. Dan komt het accent te liggen op zonen, die broeders worden. In deel 2d zien we de ware zoon temidden van de broeders. Jozef te­mid­den van zijn broers. De verworpen broeder temidden van de broe­­deren. Temidden van die zonen is er telkens één, de eruit springt. Dat is steeds de eerstgeborene, de bekor. Steeds gaat het om de bekora, de eerst­geboorte.

De eerstgeborene

Dat zie je al in Genesis 5, daar heb je zo’n tiental verhalen. Bijvoor­beeld: «Toen Set honderdvijf jaar geleefd had, verwekte hij Enos» Gen.5:6. Enos is dus de eerstgeboren zoon van Set. «En Set leefde, nadat hij Enos verwekt had, achthonderd­zeven jaar, en hij verwekte zonen en dochteren» Gen. 5:7. ‘Zonen en dochteren’, dat is de rest. Het leven van al die mensen uit Genesis 5 wordt in tweeën ‘gehakt’. Zo­veel jaar vóór de eerstgeboorte en zoveel jaar erná. Tijd is in de Bijbel altijd tijd voor of tijd na. Je leeft ergens vóór of je leeft ergens nà. Zolang je ervóór leeft, leef je ergens naar toe. En als je erná leeft, leef je er vanuit. Na die eerstgeborene verwekken ze nog zonen en dochteren. Steeds gaat het om die eerste te midden van die velen. Steeds is in Genesis 5 de structuur: «…hij leefde …. hij leefde … hij stierf». Die eerstgeborene markeert dus de tijd. Waarom wordt het nu in Genesis 5 tien keer verteld? Dat heeft te maken met het thema van héél Genesis. Het gaat om die éne te midden van allen. De eerstgeborene staat model voor allen. En die eerstgeborene staat ook in voor allen. Hij is verantwoordelijk voor de rest. Eerstgeborene zijn is niet alleen maar leuk: dubbele erfenis, een dub­bel deel. Het is niet alleen een gave, het is ook een opgave. De eerstgeborene staat in voor zijn broeders. Eén voor allen is een grondgedachte voor het bijbelse denken.

Noach

«Toen Noach vijfhonderd jaar oud was geworden, verwekte Noach Sem, Cham en Jafet».  Gen.5:32. Hier wordt het schema doorbroken. Letterlijk staat er: «Hij was een zoon van vijfhonderd jaar geworden». Je zou verwachten, dat er zou staan: ‘hij verwekte Sem…’, maar er worden er drie genoemd. Waarom springt de verteller hier ineens úit de structuur? Hier bij No­ach staat dus ook niet, nadat hij die zonen had verwekt: “Hij leef­de zoveel jaar en hij stierf”. «En Noach leefde na de vloed driehonderdvijftig jaar; zo waren al de da­­gen van Noach negenhonderdvijftig jaar en hij stierf» Gen.9:28. Bij Noach werd het leven dus verdeeld in vóór en ná de vloed. Bij No­ach had je dus een andere mijlpaal. Wij spreken meestal van vóór en ná Christus. Soms zeg je: vóór of ná de oorlog. Voor de ramp en na de ramp. Ook Abraham leefde eerst naar de eerstgeborene toe en daarna van­úit de eerstgeborene.

Abraham en Lot

Lot trekt met Abraham mee. En Abraham is beeld van het volk van God en Lot is beeld van de heiden-volken. Lot vertegenwoordigt de vol­­­keren. En Lot leefde voor en na de ramp. (Sodom). De geschie­de­nis van de volkerenwereld is vaak een leven vóór en ná de ramp. Of ze zitten erin, óf ze hebben hem net gehad. Steeds is daar die pijn van de volkerenwereld. En fundamenteel in Genesis is het gegeven: naast Lot staat Abra­ham. En dan staat er zo heel merkwaardig: «Toen gedacht God Abraham, en Hij leidde Lot uit» Gen.19:29. Er staat dus niet: God gedacht Lot. De hoop voor de volkeren is het volk van God. De eerstgeborene voor die velen. De hoop voor de rampzaligen is de eerstgeborene.

De eerstgeborene: één voor allen

Van Lót zou er niet zoveel te vertellen zijn geweest, als er geen Abra­ham naast was geweest. Wat zou er van die allen te zeggen zijn, als die ene er niet was. Daarom is Abraham er naast Lot. Daarom is Isa­ak er naast Ismaël en Jakob naast Esau. «Opdat Hij de eerstgeborene zou zijn onder vele broederen» Rom. 8:29. Eén voor allen. Eén wordt uitgekozen met het oog op allen. God wil die ene hebben om via die ene allen te bereiken. “De kern ziet wijd”. Vanuit die ene krijg je ze allemaal in beeld. Dankzij Abraham krijgt Lot zijn uittocht. Lot gaat nota bene met de engelen in Sodom onge­zuur­­de broden eten. In wezen krijg je hier een Paasverhaal. Pasen in So­dom. Er worden geen broodjes gegeten, maar matzes. Genesis is in zekere zin al een Exodus-verhaal. Abraham had ook zijn uittocht uit Ur.

Hemel en aarde

«In den beginne schiep God de hemel en de aarde» Gen.1:1. Gelukkig staat er niet: «Schiep God het heelal». Gelukkig geen heelal. Daar kom je nooit van terug. En helemaal niet van een uitdijend heel­­­al. Het Hebreeuws heeft ook geen woord voor heelal. Hemel en aarde zijn er twee. Dan kun je ook een gesprek hebben. In het heelal heb je geen gesprek. Daar verlies je je in de ruimte. Het the­ma van heel de Schrift is het gesprek tussen hemel en aarde. Het Hebreeuwse woord voor hemel is sjamajim. En naam is sjem. Dat woord sjamajim is een meervoud. Er bestaat geen enkelvoud van.

Je naam vanuit de hemelen

Door die associatie met sjem is de hemel ook de plaats van waaruit de namen worden gegeven. Van daaruit komt het gesprek op gang. Van daaruit wordt het naamloze benoemd. De hemel is dus zéér geïnteresseerd in de aarde. Je zou kunnen zeggen: God verzamelt schat­­ten op aarde. Want waar zijn schat is, daar is ook zijn hart. Voor de hemel is de aarde het middelpunt. In de hemel vragen ze niet: is er soms ook leven op andere planeten, maar: is er nog leven op aarde. Een kindertraan is voor God belangrijker dan een melkwegstelsel. Als de aarde zou ondergaan, zou dat God zijn naam kosten. Je kunt daar­om ook niet zeggen: als deze aarde vergaat, dan maakt God wel een nieuwe. Tegen een moeder, die een kind verliest zeg je ook niet: je kunt nog wel opnieuw een kind krijgen. Als er staat: ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, dan staat er in hetzelfde verband: Ik maak alle dingen nieuw. En niet: Ik maak al­lemaal nieuwe dingen.

Deze aarde en deze hemel zullen voorbijgaan

Er staat deze aarde en deze hemel zullen voorbijgaan. (Matt.24:35). V­oorbijgaan is iets heel anders dan vergaan. Een trein gaat voorbij of een trein vergaat is nog wel even iets an­ders. Dat voorbijgaan is de grote zuivering. Zoals je een kleed oprolt om het uit te kloppen. «En de hemel week terug als een boekrol, die wordt opgerold» Op.6:14. In deze tekst zit tevens de betekenis: voor degenen, die geen honger heb­ben naar de geestelijke wereld, wordt de hemel toegesloten. «God schiep (bara’)».  Gen.1:1

Scheppen, maken, formeren

Drie woorden zijn er om het werk van God aan te duiden.

Ten eerste bara, wat scheppen betekent.

Ten tweede maken =’asah

Ten derde formeren, vormen = jasar.

Die woorden worden afwisselend gebruikt; maar als het gaat om de schep­­­ping van de mens, dan krijg je ze opeens alle drie in beeld. «De aarde nu was woest en ledig» Gen.1:2. «De aarde was vormeloos en ordeloos». Vert.Buber «Wanorde en waanzin».  AV

In den beginne

«In den beginne» Gen.1:1.In het Hebreeuws één woord: Beresjit. Over deze tekst is eindeloos gedacht. Waarom begint de Bijbel met de letter B(de beth)

Je zou verwachten, dat de alef de beginletter zou zijn. De beth lees je van rechts naar links. Die beth is dus naar alle kan­ten gesloten, behalve in de rich­ting, waar­in je leest. Zo is het ook met het plan van God: gesloten naar het verleden (daar heeft de mens niets mee te maken); dat is de verborgenheid van God. En de letter is gesloten naar beneden en naar boven (verborgen wat on­­der en naar wat boven de aarde is). De letter is alleen open naar vo­­ren: bij God heeft de mens een open toekomst. De toekomst ligt open voor de lezer. Je mag jezelf in het verhaal in lezen.

 Zalig hij, die voorleest

«Zalig hij, die voorleest» Op.1:3. Het kan een zegen zijn voor een stad, als Gods woord wordt voor­ge­le­zen. Tegen Timotheüs wordt gezegd: «U toeleggen op het voorlezen» 1 Tim.4:13. Lezen werd in het oude oosten altijd hardop gedaan. Men gebruikte daarvoor het woord qara’, roepen. Van Ambrosius wordt gezegd, dat toen hij een boek zat te lezen zon­der hoorbaar geluid, de voorbijgangers dat uiterst vreemd vonden. Is­raël is ook van ouds het hoorvolk. De Bijbel is ook oorspronkelijk be­­doeld om voorgelezen te worden. Pas in tweede instantie voor je­zelf. Dat wordt vaak omgedraaid: eerst voor jezelf en dan ook nog wat voor in de samenkomst.

De alef en de bet

De Bijbel begint dus met een B, de beth. En de beth is niet alleen een letter, maar betekent ook nog: huis. De Bijbel begint dus met een huis. In den beginne was er een huis. God is een ‘huiselijke God’. Van meet af aan heeft Hij een huis be­reid voor zijn mensen. Het hele scheppingsverhaal heeft uiteindelijk als doel een huis te creëren voor de mens. En als je je afvraagt: waarom begint de Bijbel niet met een alef, kun je ook zeggen: omdat die alef bewaard wordt voor de tien woorden uit Exodus 20. «Ik ben de Here, uw God» Ex.20:2. Anoki, zo begint deze tekst. Hij begint dus wèl met een alef. In een rabbijns verhaal wordt gezegd: toen alle letters bij God kwa­men om hun taak te horen, wees God niet de alef aan, want het woord arur begint ook met een alef. En dat woord betekent vervloekt, wat natuurlijk niet kan. Baruch (gezegend) kan wél. Dat woord be­gint met een beth. Een andere gedachte in dit verband is: in de eerste tekst van de Bij­bel heb je het begin. Maar aan dat begin vooraf nog, gaat God. En Elo­him begint ook met een alef. God gaat vooraf aan het begin. En aan het eind is geen einde. De alef en de omega vallen dus buiten de geschiedenis. De alef heeft ook de getalswaarde een. En God is een. Daarom óók een alef. De Bijbel begint met een gesprek tussen hemel en aarde, dus met een beth. De beth heeft de getalswaarde twee. En nu gaat het erom, hoe die twee weer één worden, hoe die twee elkaar vinden. Die naam, die hemel en aarde verenigt tezaam….

In den beginne

 «In den beginne» Gen.1:1.Er staat beresjit. Als er staat: ‘in den beginne’ moest er eigenlijk staan: baresjit. Er staat dus eigenlijk geen lidwoord. Anders zou er staan: ha beresjit, dat dan samengetrokken wordt tot baresjit. Sommigen lezen daarom ook: «In een begin schiep». Je zou ook kunnen lezen: «In begin schiep». Een commentator heeft gezegd: dat betekent, dat Genesis1:l een bij­zin is. Dan moet je vers 2 als tussenzin lezen. Dan zou je dus moe­ten le­zen: «Toen God begon de hemel en de aarde te scheppen». of: «In het begin van het scheppen van de hemel en de aarde door God». Dan is vers 2 een tussenzin en in vers 3 loopt die zin dan door: «Toen zei God: er zij licht» Dus: «Toen God hemel en aarde begon te scheppen, zei Hij: er zij licht» Dan is vers 1 dus een bijzin van tijd. Zo is het begin van Hosea: «Het begin van het spreken van God tot Hosea» Toch kies ik persoonlijk wat vers 1 betreft voor een zelfstandige zin. Maar dan blijf je zitten met dat beresjit. Waarom staat er dan geen ba­resjit?. Er zijn dan ook uitleggers, die vertalen: «Mèt resjit schiep God hemel en aarde». En dan vertaal je: «Met de Wijsheid schiep God de hemel en de aar­de». Wijsheid dus bewust met een hoofdletter. Resjit kan begin betekenen, maar ook beginsel. Dus: «Met een beginsel schiep God».  

Of: «In beginsel schiep God». 

Of: «In een begintoestand schiep God». Resjit hangt ook weer samen met het Hebreeuwse woord rosj (hoofd). Willem Barnard vertaalt daarom: «Van hoofde aan schiep God». Vergelijk in dit verband ook: «Met Wijsheid heeft Hij de aarde gegrondvest» Spr.3:19. In verband met dat woord resjit en het woord rosj nog het volgende: In de muziek heb je de term DC, da capo. Dat betekent: ‘van hoofde aan’ (capo = hoofd). Of letterlijk: ‘van het begin(sel) af aan’. Dat woord capo zie je nog terug in kapittel (hoofdstuk). In Genesis1 wordt dus het hoofd­­­stuk verteld, het kopstuk. Je zou kunnen vertalen: «Ten principale schiep God».  Gen.1:1

In beginsel

Dat is het beginsel van zijn werk, dat Hij gaat scheppen. Je zou kun­nen zeggen: met wat voor beginsel is God gaan scheppen? Hij is gaan scheppen met de Wijsheid. Philo was een Joods-Hellenistische denker. Hij heeft nogal het een en ander van Plato overgenomen. En in zijn filosofie en uitleg (van Phi­­lo) wordt dan gezegd: God kan niet rechtstreeks de hemel en aar­de scheppen, maar dat doet Hij door allerlei ‘tussen-instanties’. Men zei: God is zó hoog verheven, zó gees­telijk, Die kun je je toch niet voor­­­­stellen als een soort pottenbakker. God zit daar niet met de ma­te­rie te knoeien. Eerst schept God die zogenaamde ‘ideeënwereld’. Dat is die onzichtbare wereld. Die materie doet God niet zelf. Dat be­steedt Hij om zo te zeggen uit. En dat geschiedt dan onder andere door het woord. Vandaar ook, dat Johannes zijn evangelie begint met: «Beresjit dabar, in den beginne was het woord» Joh.1:1. In deze filosofie kreeg het woord (memra’) dus bijna de functie van een persoonlijkheid. Toch, zo zei men, moet je de eenheid van God ook bewaren, an­ders krijg je straks weer twee of drie goden. Je moet dus oppassen, dat je die Wijsheid niet als een soort tussen­god gaat zien. De gangbare opvatting bij de rabbijnen was toch wel, dat de wijsheid de Torah was. En op Genesis 1 toegepast werd het dan: «Door de Torah schiep God»Gen.1:1. Want de Torah was er al vanaf de eeuwigheid. Mozes krijgt later de geschreven Torah, wat in feite een afdruk was van die eeuwige Torah. De rabbijnen zeiden: de Torah is een dochter van God. God begint de dag ook met drie uur in de Torah te lezen. Daar wordt dan mee be­doeld: God leeft Zelf óók vanuit die Torah. «Door het woord des HEREN zijn de hemelen gemaakt, en door de adem van zijn mond al hun heer» Ps.33:6. De rabbijnen lezen wel eens: In een begin

«In een begin schiep God de hemel en de aarde» Gen.1:1.En dan zeggen ze, en dat klinkt voor ons in eerste instantie wat vreemd: God had de schepping al vele malen op touw gezet. En toen zei God in Genesis 1:1: als deze het nu maar houdt. Wat je hier­­uit kunt leren, is, dat scheppen strijd kost. Genesis 1 is in feite een strijd­lied. Scheppen is niet: even iets uit je mouw schud­den.

Scheppen is ook: scheiden.

Scheppen is ook: scheiden. Het woord bara’ kan die grondbetekenis van scheiden ook hebben. Bara’ kan ook nog de betekenis hebben van het rooien van bomen. Dat klinkt in onze bosarme tijd wat negatief, maar hier moet je den­ken aan het uitsparen van ruimte, wat door het rooien van bomen ont­­­­­staat. Je krijgt dus een open ruimte, waarin iets kan gebeuren. Dat begrip horen wij nog terug in: ruimte scheppen. Isaäk van Luria zegt: Scheppen is voor God in feite een stap terug doen. Want er komt iets búiten God. God gaat in ballingschap zei men. God gunt de ander de ruimte. Het pantheïsme zegt: God is alles en alles is God. De Bijbel leert echter niet: God is overal. Dat is het riskante van dat lied: “Op bergen en in dalen…” Zo kun je in de natuur niet altijd God ervaren. Als je ziet hoe de die­ren elkaar afmaken, ervaar je daarin God niet. Wat dat betreft  zit de schep­­ping vol van wreedheid. God heeft nooit een haai bedacht. Chouraqui vertaalt: «Als hoofd schiep God hemel en aarde» Gen. 1:1. De rabbijnen komen zelfs tot 70 mogelijkheden, om dat woord be­re­sjit te verstaan. Als je de letters van beresjit omdraait, krijg je besjerit, wat rest, over­blijf­­sel betekent. En dan staat er dus: 

Met een rest schiep God

«Met een rest schiep God» Gen.1:1. De rabbijnen zeggen dan: met de rest van die 26 vorige scheppingen. Of: op de puinhopen van de vorige schepping. Dat is een gedurfde ver­­­­klaring. En 26 is ook het getal van de naam van God, namelijk, als je JHWH optelt. Ergens in de Bijbel is ook sprake van 26 ge­ne­ra­ties, wanneer er weer een herstel optreedt. Ballingschap, thuiskomst en na 26 is de zaak dan eindelijk voor elkaar.

De aarde nu ‘werd’ woest en ledig

Sommigen vertalen: «De aarde nu werd woest en ledig» Gen.1:2. Vanuit de Hebreeuwse tekst kun je echter niet anders vertalen dan: «De aarde nu was woest en ledig» Gen. 1:2. Op puur grammaticale gronden is dat dus onmogelijk. Het wordt on­der­­steund door: «De vrouw van Lot werd een zoutpilaar» Gen.19:26. En voor werd staat er inderdaad een heel ander woord dan voor was. In vers 2 wordt dat woord ook expres naar voren gehaald en staat er: «De aarde was» Gen.1:2. Hier krijg je dus een zin, die een toestand aanduidt. Voor een wording heeft het Hebreeuws ook heel andere constructies.

Schiep God hemel en aarde

«Schiep God hemel en aarde» Gen.1:1. Als je je afvraagt, of met aarde ook sterren, planeten, enzovoort  wor­den bedoeld, dus de aardse dingen, de materie, kun je zeggen: die zijn op dit moment in feite niet in beeld. Die andere sterren en pla­ne­­ten horen in feite bij de hemel, dat is die verborgen wereld, de he­me­len.

De hemel is de verborgen wereld

En als je zegt: de hemel is de onzienlijke wereld, dan moet je wel goed twee dingen uit elkaar houden, anders krijg je begripsver­war­ring. De hemel is de verborgen wereld, of: de wereld van God. «De hemelen zijn de hemelen van de Here, maar de aarde heeft Hij gegeven aan de mensenkinderen»  Ps.115:16.Planeten, sterrenstelsels, enzovoort, zou eventueel nog weer terug te vin­­­den zijn in Genesis 2:1, waar staat: «Alzo werden voltooid hemel en aarde en al hun HEER» Gen.2:1. Al hun legers. De Septuagint vertaalt hier: «Alzo werden voltooid de hemel en de aarde en al hun KOSMOS». G­en.2:1

De kosmos

Het woord kosmos komt in de Hebreeuwse Bijbel natuurlijk niet voor. Dat is een Griekse uitvinding. Het woord kosmos betekent eigenlijk: ordening, sieraad. Ook als tegenstelling tot chaos. Vergelijk het woord cosmetica. Het woord kosmos vertalen wij dan -bij gebrek aan beter- met heelal.

Niet tot een baaierd

«Niet tot een baaierd heeft Hij haar geschapen» Jes.45:18. In deze tekst wordt inderdaad een doel aangegeven: God heeft haar niet tot een baai­­­erd, om zodanig te blijven. Je vindt daar in feite de strekking van heel het scheppingsverhaal. Hier gaat het dus om de doelstel­ling. Met welk doel heeft God de hemel en de aarde gemaakt, spe­ci­aal die aarde: niet om woest en ledig te zijn, maar om te be­woond te worden. Let­terlijk: om daar te zitten.

‘Olam; eeuw en eeuwigheid

Het woord ‘olam betekent oorspronkelijk tijdperk. Het hangt samen met een werkwoord ‘alam, wat verbergen betekent. Het is dus de ‘verborgen tijd’. En die verborgen tijd kan ver in het ver­­­le­­den liggen of ver in de toekomst. Dat woord ‘olam wordt dan soms vertaald met eeuwigheid. Van eeuwigheid tot eeuwigheid. Van’olam tot ‘olam. Je zou kunnen zeggen: van oertijd tot eindtijd. Later krijgt dat woord ‘olam in de rabbijnse uitleg de betekenis van we­­reld. De rabbijnen zeggen: je hebt de ‘olam ha-zeh (dat is deze eeuw of de­ze we­reld) en je hebt de ‘olam ha-ba (de toekomende eeuw of de toe­ko­men­de wereld). Dat zegt Paulus ook in verschillende teksten. Hij spreekt over ‘De God dezer eeuw’, de satan. En hij zegt: «Wij hebben deel gekregen aan de krachten der toekomende eeuw». «Wier overleggingen de god dezer eeuw met blindheid heeft geslagen». 2 Kor.4:4 «De krachten der toekomende eeuw gesmaakt hebben»Hebr.6:5. «Om ons te trekken uit de tegenwoordige boze wereld (‘olam)». Gal.1:4. Er blijft dus altijd een eeuw die komt. Nooit in die zin dat je kunt zeg­gen: we hebben het gehad, maar in de zin van: altijd komend. Het is dus nooit statisch. ‘Olam heeft dus nooit de betekenis van oneindigheid. Buber vertaalt het meestal met: Weltzeit. Daar zitten dus béide ele­men­ten in: wereld en tijd. De eeuwigheid wordt dan wel vaak aangeduid met: na elke ‘olam komt een nieuwe ‘olam, een nieuw tijdperk. Ook spreekt men wel van eeuwen der eeuwen. Het probleem is dan, dat men gaat vertalen met: alle eeuwigheden. D­an krijg je weer de in­­druk van eindeloosheid. De eeuw heeft in de Bijbel meer de betekenis van geïntensiveerde tijd. Ergens staat: «De besnijdenis zal een eeuwig teken zijn». En als je dan de vraag stelt: dat betekent toch niet, dat er nooit een eind aan zal komen, dan zou je kunnen antwoorden: dat is dus “een te­ken ‘olam”, een teken van heel de eeuw. Dat staat zo mooi in: «Maar het woord van God staat op (letterlijk) heel de eeuw door»  J­es.40:8

Woest en ledig

«De aarde nu was woest en ledig» Gen.1:2. Woest en ledig – tohuwabohu. Ordeloos en vormeloos. Wanorde en waanzin. Het moet nog vorm krijgen. Het is nog in staat van wording, van ge­bo­­ren worden. Je zou haast kunnen vertalen: «En wat de aarde betreft, zij was woest en ledig» Dat tohuwabohu komt drie keer voor in de Tenach. Die drie teksten roe­­­­pen elkaar dus ‘in stereo’ op. Je hebt het in Jesaja 34, in het ge­richt over Edom «Hij spant daarover het meetsnoer der woestheid en het paslood der le­­digheid» Jes.34:11. Over dat gebouw van Edom wordt als het ware door een architect of bouw­­­mees­ter het meetsnoer van tohu en het paslood (letterlijk: ste­nen) van bohu gespannen. Hier wordt dat woord dus opgesplitst. Men noemt dat in de literatuur een ‘break up pattern’. Edom wordt dus teruggebracht naar de toestand van vóór de schep­ping. En met Edom worden dan de nakomelingen van Esau, het broe­­­dervolk aangeduid. Later wordt dat dan door de rabbijnen ge­ac­tu­aliseerd en zij zeggen dan: Edom is Rome. Bepaalde landen en volken mag je dus invullen, mits met de nodige voor­­zichtigheid. Daar moet je mee oppassen, anders krijg je vreemde za­ken als Gog en Magog, dat zou dan Rusland zijn. En de Pa­les­tij­nen worden dan voor Filistijnen uitgemaakt. Zacharias heeft trou­wens voor die Filistijnen nog een prachtige belofte: «Ik zal de trots der Filistijnen uitroeien…dan zal ook hij overblijven voor onze God, zodat hij zal zijn als een stamhoofd in Juda».  Zach.9:6. Ja, dat wensen we ze allen toe. Bij Jesaja 34:11 zou je haast zeggen: de film wordt teruggespoeld. «Ik zag de aarde, en zie, zij was woest en ledig; ik zag naar de hemel, en zijn licht was er niet……er was geen mens, en al het gevogelte was weg­gevlogen».  Jer.4:23.

Eerste dag en achtste dag

Hier zien we helemáál dat terugspoelen. Jeremia krijgt de tijd van de bal­­­lingschap te zien. De schepping wordt als het ware teruggedraaid naar Genesis 1:2. Je kunt dit ook in de praktijk herkennen. Er zijn nog heel wat men­sen en volken, die nog vóór de eerste dag leven. In heel veel opzich­ten ligt die eerste dag nog voor ons. Hierbij te bedenken, dat die eer­ste dag ook weer de achtste dag wordt, het begin van een nieuwe schepping. Daarom zien we uit naar een eerste dag. De ballingschap wordt dus bij Jeremia getekend als een vóórstadium van vóór de schepping. Op de ballingschap volgt dus de schepping! “Genesis komt dus aan het einde” (Ernst Bloch). Zo zei de Franse schrijver Edmond Fleg: “Terug naar de toekomst”. Zo zie je hoe Genesis, Jesaja en Jeremia elkaar aanvullen. Als je Genesis l:2 leest, moet je die teksten uit Jesaja en Jeremia eigen­lijk in je achterhoofd hebben. En als je ziet, dat aan die schepping de ballingschap voorafgaat, dan ben je met iets totaal anders bezig dan met waanzinnige theorieën over dinosaurussen. Daar schiet een mens ook niet mee op.

 Genesis 1 is verbondsgeschiedenis

Genesis l is geen natuurhistorie, maar verbondsgeschiedenis. Genesis 1 gaat niet over de prehistorie. God is niet geïnteresseerd in de pre­historie van saurussen, maar God is geïnteresseerd in de ge­schie­­denis. Wat er buiten het verbond valt is niet interessant. God is niet bezig met fossielen, maar met doden op te wekken.

Duisternis lag op de vloed

«En duisternis lag op de vloed» Gen.1:2. Letterlijk: «Duisternis op het aangezicht van de vloed (tehom)». Het woord tehom hangt samen met het woord haman, wat rumoer ma­­ken betekent. Tehom heeft ook in zich de betekenis van: draai­kolk, chaos, vloed. De kolkende, bruisende vloed. Bij de Babyloniërs was het Tiamat. Buber spreekt van Urwirbel. Er zit dus een immense drei­ging in dat woord tehom. De aarde was dus volstrekt onbewoonbaar. God kon daar ook on­mo­ge­lijk een mens neerzetten. En dan komt de roeach Elohim, de adem van God, de wind van God, zwe­vend boven de wateren, de majim. En majim is altijd meervoud.

De Geest van God op de wateren

Je hebt dus twee parallel-zinnen. Er is steeds iets op iets. Duisternis op de vloed en de Geest van God op de wateren. In het eerste gedeelte gaat het over de tehom. In het tweede gedeelte over de majim. Dat is hetzelfde, maar er verandert tóch iets. De tehom verandert in ma­jim. Die chaotische oervloed wordt tot ‘gewone wateren’ getemd. In die oer­dreiging voltrekt zich dus een rustbrengend proces. Regel a begint dus met duisternis en regel b met de adem van God. Die twee staan dus tegenover elkaar. De ademhaling van God is het begin van het leven. De adem van God in vers 2 loopt uit in het spre­ken van God in vers 3. Eerst komt Gods adem en dan zijn woord. Dat zie je ook in:

Woord en adem

«Door het woord des Heren zijn de hemelen gemaakt, door de adem van zijn mond al hun heer» Ps.33:6. «Hij zendt zijn woord en doet ze smelten, Hij doet zijn wind waaien,- daar vloeien de wateren».  Ps.147:18. Hier is dus ook weer sprake van woord en adem. Vergelijk daarmee ook: «En met de adem zijner lippen de goddeloze doden» Jes.11:4. De adem van God is het begin van de schepping. Van de genezing ook, van de herschepping. Levinas wijst er ook op, dat er twee keer aangezicht staat. Het aangezicht van de vloed en het aangezicht van de wateren. Bij God krijgen de dingen weer een gezicht. Dan verdwijnt de anoni­mi­­teit. Dan is er geen maskerade meer. Dan is het niet naamloos meer. De adem van God is in wezen het nieuwe begin. Daarmee begint het verhaal, dat nu gaat komen.De Geest en de adelaar

Dat woord zweven komt twee keer voor in heel de Tenach. Híer  in Genesis 1:2 en in Deut.32:11. En Deut.32:11 is aan het eind van de Torah. Dat gaat over die arend, die boven zijn jongen zweeft. «Als een arend, die zijn broedsel opwekt, over zijn jongen zweeft, zijn wie­­ken uitspreidt, er een opneemt en draagt op zijn vlerken» D­eut.32:11. God neemt er eentje op, Hij pakt het volk Israël uit het volkerennest. En dat ene jong gaat God leren vliegen. Deze teksten aan het begin en aan het eind van de Torah roepen el­kaar op. Dat geeft een stereo-effect. Die adelaar zweeft boven het nest, om er eentje op te wekken, wak­­ker te maken. Dat is beslist niet zweverig. En aan het begin zweeft de Geest boven de wateren om ook daaruit iets op te wekken, En dan komen er allemaal levende wezens, gewemel in dat water. Het begin en het eind van de Torah reiken elkaar de hand. Als je op de compositie van deze regels uit Genesis 1 let, dan zie je, dat die duis­­ternis aan het begin staat en de wateren aan het eind. En daar­tus­sen staat die roeach Elohim. Die roeach is er dus wel, maar die is nog omgeven door duisternis en wa­­teren. Gods adem bevindt zich als het ware in vijandelijk gebied. En als die vogel daarover zweeft, dat gaat er iets gebeuren mèt die duis­­­ternis en mèt die wateren. En er is al iets gebeurd: die tehom is tot wateren geworden. Met die duisternis is nog niets gebeurd. In Genesis 1:2 wordt éérst die duisternis genoemd en aan het eind van Genesis 1:2 de wateren. Of: eerst die duisternis en dan die vloed. Die vloed wordt als tweede genoemd, maar dáár gebeurt juist éérst iets mee, die wordt tot wateren.

Er zij licht – scheidingen

En dan komen die zeven dagen. En als eerste gaat God dan die duis­ter­­nis aanpakken: «Er zij licht». Op de tweede dag pakt God de wateren aan. Je krijgt twee scheidingen: Scheiding tussen duisternis en licht. En op de tweede dag scheiding tussen de wateren: water boven en wa­­ter onder het uitspansel. Omdat die roeach Elohim erin komt, gebeurt er op de eerste dag iets met de duisternis en op de tweede dag met de wateren. En die duis­ter­­­nis krijgt op de eerste dag al een naam. God roept (zoals er let­ter­lijk staat) de duisternis: nacht. Met het noemen van die naam is de duis­ternis ingeperkt. Nu de duisternis een naam heeft gekre­gen, kan hij niet meer anoniem voortwoekeren. Wie een naam krijgt, is daarmee ‘benoemd’, maar ook ‘beperkt’. Dat ben je en niet meer! Je kunt dus niet meer buiten je naam, buiten je boekje gaan. Die wateren worden dus verdeeld in beneden en boven. Je zou haast zeg­gen: verdeel er heers! Het ene deel van het water wordt omhoog gestuurd en het andere deel naar beneden. Dan is er geen samenzwering meer mogelijk. De duisternis vormt de bedreiging in de tijd en de wateren vormen de be­dreiging in de ruimte. Op de eerste dag wordt daarom de tijd bevei­ligd: licht en duisternis van elkaar gescheiden. Op de tweede dag krijg je de beveiligde ruim­te.

Tijd en ruimte

We hebben in Genesis l dus twee scheidingen. Geen drie, zoals in ver­schil­­­lende commentaren wordt gezegd. Op de eerste dag een schei­ding en op de tweede dag en verder valt er niets meer te schei­den. Tijd en ruimte heeft de mens nodig om te kunnen leven. En tijd is in de Bijbel altijd: dagen. ‘Dagen’ betekent ‘tijd op mensenmaat’. «Leer ons zó onze dagen tellen»Ps.90:12. (niet: jaren). God geeft de mens dágen. Daarom wordt het scheppingsverhaal ook ver­teld in dagen. Tijd kun je alleen maar beleven in dagen. Dus God gaat van dag tot dag. En dan de ruimte. De ruimte, dat is de aarde ònder de hemel. Tijd en ruimte moet je hebben om te kunnen leven en zeker om te kun­­­nen samenleven. Als je afspraken maakt, moet je tijd en ruim­te we­ten. En als God met de mens geschiedenis gaat maken, moet Hij tijd hebben én ruimte. De tijd is in het bijbelse denken altijd primair en dan komt de ruimte. God spreekt ook (spreekt af) met de mens in tijd en ruimte. Bij de boom des levens en in de avondkoelte. Door het Woord (Jezus) en in de rust. De avondkoelte is het symbool van de rust en verkwikking nà de hitte van de dag.

Zweven of broeden

Sommige vertalingen hebben: de Geest broedde boven de wateren. Mijn voor­keur gaat echter uit naar zweven. Zweven is in verband met die arend meer op zijn plaats. Een arend broedt niet op of boven zijn jongen (dat doet hij op de eieren), maar hij zweeft erboven. Voorzichtig zou je kunnen zeggen: dat aspect van het broeden reso­neert op de achtergrond van Genesis1 enigszins mee. Primair staat dus dat zweven. Ook in Deut.32 is natuurlijk niet meer sprake van broe­den, maar wél van zweven.

Het tienvoudig spreken van God

«En God sprak» Gen.1:3. God gaat tien keer spreken. In tien woorden verhaalt Genesis 1 de schepping. Ook in Exodus spreekt God tien keer en dat zijn de tien slagen (niet: pla­gen). Dat is het einde van het rijk van het kwaad, van het rijk van de Farao. En in Exodus 20 spreekt God de tien woorden vanaf de Sinaï . Tien bevrijdingswoorden, waarmee de nieuwe schepping wordt in­ge­luid. Tien scheppingswoorden, tien gerichtswoorden en tien bevrij­dings­­woor­den.

Er geschiede licht

«En God sprak: Er geschiede licht» Gen.1:3. In vers 3, 4 en 5 hoor je vier keer, dat God iets gaat doen.

1. God zei.

2. God zag.

3. God scheidde

4. God riep.

Deze vier daden van God beschrijven het goddelijk handelen op de eer­ste dag. Het schepsel is ontstaan, omdat God wilde, dat het zou worden en daarom horen we eerst: “God sprak”. «God zag het licht: dat het goed was» Gen.1:4. Niet: «God zag, dat het licht goed was». Dan krijg je een tamme vertaling. Dan krijg je een mededeling. Maar er staat hier geen mededeling, maar een uitroep van God!! God zag het licht en wat zei Hij toen?: Tov!! – goed! Je zou haast kun­nen ver­ta­len: «God zag het licht: goed!!»

God wendt Zich als het ware tot het licht en zegt: Je bent geweldig, licht! Je bent Tov! God bevestigt dat licht. Want het licht moet er zijn voor het schepsel dat gaat komen. Het is de moeite waard om er te zijn, als de Schepper zegt: je bent goed! Het licht begint als het ware te stralen van genoegen, dat het ‘licht’ mag zijn. Mazzeltov betekent goed gesternte. Mazzel is gesternte, en met gesternte wordt je ziel bedoeld. Dus als je ziel goed is, dan heb je een goed gesternte, een goeie ster.

Scheiding tussen licht en duisternis

En dan moet God verder scheiding aanbrengen, want anders ‘neemt’ de duisternis het niet, dat het licht er zomaar komt. God moet ze uit el­kaar halen. «En God maakte scheiding tussen het licht en de duisternis» Gen.1:4. Nu is er al vier keer het woord licht (‘or ) gevallen. En dan pas het woord duisternis. Het licht heeft voorrang. «En God riep het licht: dag, en de duisternis: nacht» Gen.1:5.

God roept namen.

God roept namen. De wording van een wezen is pas af als dat wezen een naam heeft. “De naam is de rol, die dat wezen gaat spelen temidden van al die an­dere wezens in de geschiedenis en waardoor dat wezen, ook bij al die andere wezens bekend is”. Een naam is oorspronkelijk ook bedoeld om iemand te kunnen roe­pen, oproepen, aanroepen. Een naam maakt iemand ‘aanroepbaar’, aan­spreekbaar. En als je twijfelt aan je roeping, aan je bestemming en het doel van je leven, dan geeft God je een naam. Op de eerste, de tweede en de derde dag worden er namen geroepen. In de eerste twee dagen krijg je scheiding en op de eerste drie dagen na­men. Een geboorte is pas af, als er een naam is geroepen. Een naam is ook een identificatie. Daarmee kun je de identiteit van een wezen bepalen. Een naam is ook een program. Ook is een naam vaak profetisch. Daarmee wordt de weg aangeduid die je zult gaan. «En gij zult zijn naam roepen: Jezus. Want Hij is het die zijn volk zal be­vrijden van hun zonden» Matt.1:21. In die naam zit heel het program, van wat Jezus in de rest van Mat­teüs zal gaan doen. Dus op de eerste drie dagen worden er namen geroepen. Dat is de vol­­tooiing van de wording. En met de voltooiing van de wording be­gint het er-zijn, het da-sein in de geschiedenis, dat je er bent.

Hebreeuws en Grieks denken

Er is een groot verschil tussen het Hebreeuwse en het Griekse den­ken. De Griekse cultuur is geïnteresseerd in de natuur van de din­gen, in de phusis. Het Hebreeuws heeft zelfs geen wóórd voor phusis. In het Hebreeuws gaat het niet om het so-sein maar om het da-sein, het er-zijn van de dingen. Ik ben die Ik ben…. Dat betekent niet ‘Ik besta’ (de duivel bestaat ook), maar: Ik zal erbij zijn. De duivel bestaat ook, maar je kunt niet zeggen, dat hij er is. Op een keer kun je wel zeggen, dat hij er geweest is.

Genesis 1 is verbondsgeschiedenis.

Genesis 1 is dus verbondsgeschiedenis. In Genesis 1 wordt het decor klaar gemaakt om de mens te ontvan­gen en daarom moet die vloed aan de kant en die duisternis aan de kant. God is in Genesis l niet bezig met natuurwetenschappen, maar met ver­bonds­­­geschiedenis. De Grieken vragen dus: waarom zijn de dingen zoáls ze zijn. De Hebreeuwse mens vraagt naar de relaties, waarin de wezens exis­te­ren. En existeren betekent letterlijk: naar buiten treden. De He­breeuw­­­se mens vraagt niet: bestaat God, maar wat doet Hij, wat voor rol speelt God.

Het anti-godenlied

Israël leefde te midden van volken, die vele afgoden hadden, waar­on­der ook zon, maan en sterren. De maan was vooral de god van de no­ma­­den, die ‘s nachts vaak voort­­trokken. De sterren waren vooral de goden van Babel. Je lot stond immers in de sterren. De hemel was een god, de aarde was een god, de zee was een god (Tiamat). De Egyptenaren aanbaden voor­al de zon. En dan zitten de Israëlieten in ballingschap. Zonder tempel en zon­der beelden. En dan nemen ze al die afgoden op de korrel en zeggen: die hemel en aarde waren er al lang, die heeft God geschapen. En de zon, maan en sterren waren er ook al. God schiep ze pas op de vier­­de dag. Toen mochten ze ook nog mee doen. Het werden ‘Gods amb­­tenaren’. Zo zingt Israël zijn anti-goden lied. Al die goden vielen dus af. Genesis l is in feite een aftelrijmpje van afgoden. Al die afgoden wer­den god-af, ‘Gesjeesde goden’. Het wer­den schepselen.

Het licht vóór de vierde dag

Het licht krijgt dus de roeping om dag te zijn. Het licht mag daglicht zijn. De vraag wordt nog al eens gesteld: op de eerste dag schiep God het licht, op de vierde dag pas zon, maan en sterren. Waar vandaan dan dat licht, voordat de zon er was. Ook de rabbijnen hebben zich afge­vraagd: waar kwam het licht van­daan voordat de zon er was. En dan staat er in Psalm 104: «Hij hult Zich in het licht als in een mantel» Ps.104:2. Dat licht is dus de mantel van God. En dan zeggen de rabbijnen: het licht is de gebedsmantel (tallit) van God. En als God nu zijn gebedsmantel omdoet, dan wordt het licht. “God gaat ook bidden” zeggen de rabbijnen. Hij zet Zich in voor zijn schep­­ping. De Hebreeuwse mens doet zijn gebedsmantel om als het licht wordt en God doet zijn gebedsmantel om en dan wórdt het licht. Daar zit een diepe waarheid in. Het wordt nog altijd licht. Het ver­­bond van dag en nacht. God zet Zich in voor zijn schepping. Hij laat zijn zon opgaan over bozen en goeden. «Alsof God door onze mond u vermaande (zou bidden)» 2 Kor.5:20. Als God Zich zou afwenden van zijn schepping, zou de aarde donker wor­­den. Zolang mensen nog bidden, hun gebedsmantel nog aan doen, blijft het nog licht temidden van veel duisternis. Die afgoden bidden niet voor de mensen. Die zeggen: je ziet maar dat je boven komt. «Hij bracht door in het gebed tot God» Luc.6:12. Letterlijk: «Hij bad het gebed van God».

En de duisternis riep Hij: nacht!

«En de duisternis riep Hij: nacht!» Gen.1:5. De duisternis krijgt dus ook een naam. De duisternis wordt inge­perkt. De duisternis krijgt niet meer de kans om woest en onge­or­dend rond te waren. «Van U is de dag, van U is ook de nacht» Ps.74:16. Het wordt door God begrensd, het wordt door Hem beheerst. De duis­­­ternis mag alleen nog maar nacht zijn. «Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: EEN DAG» Gen.1:5. Dus niet: ‘De eerste dag’. (NBG). Pas als je de tweede dag krijgt, weet je dat je de eerste gehad hebt. En de dag begint dus met de avond. En de nacht zit daartussen in. Die kan geen kant meer op. Daardoor is die nacht begrensd. Begrensd ook door het gebed, het morgen- en het avondgebed.

De avond

In het westerse denken wekt de avond de associatie: nu is het bijna af­­ge­lopen. In het bijbelse denken is de avond juist het begin. En in de morgen ga je gewoon weer door met waar je ‘s avonds was ge­ble­ven. Alle feesten in Israël beginnen ook op de avond. Pesach begint met de sederavond; ook Jom Kippur en al die andere feesten be­gin­nen ‘s avonds. De sjab­­bath begint op vrijdagavond; niet op za­ter­dag­mor­gen. Die gebeden omspannen de nacht. In Zacharjah staat exact dezelfde uitdrukking als in Genesis 1:5. «Ja, het zal één dag zijn – die is bij de HERE bekend – geen dag en geen nacht; maar ten tijde van de avond zal er licht wezen» Zach.14:7. Dat is profetisch! Daar gaat het weer naar toe. Het begint met één dag en het loopt ook weer uit op één dag. Daar­tus­sen ligt de nacht van de wereld. De nacht van de geschie­de­nis. D­ie nacht wordt omspannen door dat morgen- en avond­gebeu­ren.

Daar zij een uitspansel

«En God zeide: Daar zij een uitspansel (raqia) in het midden der wa­te­ren».  Gen.1:6.

Dat woord betekent iets dat stevig is, een firmament. Je zou het ook met gewelf kunnen vertalen. Het is een dak. Dus op de tweede dag komt er een dak. Een dak boven je hoofd en op de derde dag grond on­­der je voeten. En dan heb je een maqom, een huis. «In het midden der wateren» Gen.1:6. En dat uitspansel moet dan scheiding vormen tussen majim en ma­jim. «En God zeide: Daar zij een uitspansel (raqia) in het midden der wa­te­ren, en die make scheiding tussen wateren en wateren» Gen.1:6. Steeds hoor je daar het woord wateren, majim. «En God zeide: Daar zij een uitspansel (raqia) in het midden der wa­te­ren, en die make scheiding tussen wateren en wateren» Gen.1:6. «En God maakte het uitspansel en Hij scheidde de wateren die onder het uitspansel waren van de wateren die boven het uitspansel waren; en het was alzo» Gen.1:7. «Uitspansel…uitspansel…uitspansel…uitspansel» Gen.1:7. Steeds hoor je daar ook het woord uitspansel, raqia. Eerst hoor je steeds water, dan dat stevige uitspansel. Ondanks al dat water komt er een stevig dak. Het wordt dus de be­vei­ligde ruim­te. En er is weer een scheiding voltrokken.

Het verschil tussen de eerste dag en de tweede dag

Alleen, op de tweede dag is het een beetje anders dan daarvoor. W­ant hier valt de scheiding samen met het maken van het werktuig, waar­mee God de scheiding voltrekt. Op de eerste dag maakte God het licht. En dan komt er een daad, waar­door God scheiding maakt tussen licht en duisternis. Dat licht op zích is de scheiding niet. Maar op de twee­de dag maakt God dat gewelf en dat gewelf is de scheiding. En dan hoeft God niet nogmaals scheiding te maken, als Hij dat dak heeft, want dat dak is de schei­ding. Dat is dus het verschil tussen dag één en dag twee. Op dag één heb je dus twéé daden: licht maken en scheiding maken. Op de tweede dag één daad: het uitspansel maken. «En dit make scheiding» Gen.1:6. Je zou ook kunnen lezen: «En God maakte scheiding». Je zou kunnen zeggen: God maakte een gewelf en daarmede maakte Hij scheiding…

De wateren blijven iets dreigends houden

«En God riep (er wordt weer een naam geroepen) het firmament hemelen» Gen.1:8. In dit vers wordt dus niet gezegd, dat het goed was. Je zou kunnen zeggen: die wateren zijn nu wel opgeborgen, maar ze blij­­ven toch nog wel iets dreigends houden. En als de zondvloed losbarst, zie je dat dat gewelf open gaat, omlaag komt. Dan worden de sluizen van de hemel geopend en ook de te­hom gaat weer open. Dan wordt die scheiding van de tweede dag doorbroken. Die wateren hou­den dus iets dreigends. Het komt pas tot een oplossing in Open­ba­ring. «En de zee was niet meer» Op.21:1. Dan is eindelijk dat kolkend geweld voorgoed teniet gedaan. Tót die tijd blijft de zee iets onberekenbaars. Dat zie je ook dóór de Bijbel heen, Gods volk moet altijd nog een keer door die zee.

En het was zeer goed

«En het was zeer goed»Gen.1:31 Ogenschijnlijk zou je zeggen: die zee was dan toch wat minder goed. A­ls totaliteit zegt God: zeer goed. Letterlijk: goed, ten zeerste. Rab­bijn­se uitleggers zeggen: en tóch zat de dood er eigenlijk al in. In heel het scheppingsverhaal zit toch ook de geschiedenis verweven.

Het begrip ‘hemel’

«De hemel en de aarde»Gen.1:1 «En God noemde het uitspansel hemel» Gen.1:8. Kun je dat woord hemel in deze beide teksten beschouwen als aan­dui­­­ding voor dezelfde zaak ? In de Joodse traditie onderscheidden de rabbijnen zeven hemelen. Paulus was dan tot de derde geweest. Je kunt je bij dit laatste af­vra­gen, of dit in de ruimte was of in de tijd. De eerste hemel is nú, de twee­de hemel die komt nog en de der­de hemel is het paradijs. En als er staat: het dak (uitspansel) was de hemel, dan moet je op­pas­­­sen om niet te veel planetarisch te gaan denken. Je moet op­pas­sen om het geestelijke en natuurlijke niet door elkaar te gaan mixen. Je moet ervoor oppassen om te trachten de dingen ruimtelijk te plaat­sen. Hoe meer kennis er komt van ruimtevaart en heelal, hoe ver­der God uit het gezicht verdwijnt. En dan staat er ook nog in de Psalmen: «Boven de hemelen is zijn heerlijkheid» Ps.113:4. «Die zeer laag neerziet in de hemel» Ps.113:6. God kijkt dus van bovenaf de hemel in. En op de aarde. En de aarde op.

 Stof en dodenrijk

«Die de geringe opricht uit het stof»  Ps.113:7.

God kijkt ook onder de aarde. Het stof. Het stof is vaak aanduiding van het dodenrijk. God kijkt dus een aantal etages naar beneden. Je moet dus niet trachten die beelden natuurwetenschappelijk in te voe­­gen, dan loop je vast.

De zee

Die wateren beneden het uitspansel krijgen ook een naam. Die heten zee­­ën. Merkwaardig, dat de wateren boven het dak géén naam krij­gen. Die wateren spelen namelijk geen rol in de geschiedenis. En als ze wél een rol gaan spelen, dan is het foute boel. Dan krijg je de zond­­­vloed. Boven het uitspansel zijn de wateren, die uitgerangeerd zijn. Die zitten als het ware in het huis van bewaring. Die moeten dus beslist niet loskomen. Veel van die beelden zijn ambivalent. Vuur is zowel positief als negatief. De Here is een rots. Maar je hebt ook andere rotsen; onder de vrucht­­bare grond bijvoorbeeld De zee kan ook beeld zijn van het onderbewuste. Ook in dromen komen die beelden met hun diverse betekenis-nu­an­ces weer terug.

Uit de zee komt ook heel wat onheilspellends, zoals we kunnen lezen in het boek Openbaring en Daniël. Ook de volken worden wel eens vergeleken met de zee. «Een rumoer van vele volken, die rumoer maken als rumoerige zeeën»Jes.17:12.  Die volken woeden; gaan chaotisch tekeer. Israël is ook nooit een zee­varend volk geweest.

En als die zee er in Openbaring niet meer is, dan is alles ook tot klaar­­­­heid gebracht. Dan wordt alles transparant, als kristal. «En voor de troon was als een glazen zee, kristal gelijk». Op.4:6.

 Zoals Huub Oosterhuis zegt:

Doorschijnend ons gezicht,

doorschenen van zijn licht,

voltooid is ons verleden.

De derde dag

Dan is de zee weg, dan heb je land gekregen.

Dat is ook die derde dag: grond onder je voeten.

De derde dag is de dag van de opstanding, de dag van de beslissing. Op de derde dag staat Jezus op uit de doden; dan begint de nieuwe aar­­de. En dan heeft Hij de zee, het dodenrijk overwonnen. Dan komt Je­zus uit die doodswateren vandaan en dan staat Hij daar als de nieu­­we Adam. Dan staat Hij daar in de hof… «Dat de wateren onder de hemel op één plaats samenvloeien» Gen.1:9. De Septuagint gebruikt hier een woord, dat samenhangt met syna­go­­ge. Er komt een synagoge van wateren. «En het droge zich late zien». Gen.1:9 (letterlijk)

Op de eerste dag het licht.

Op de tweede dag is er sprake van dag.

En dan kan op de derde dag iets zich laten zien. Die aarde kan zich laten zien, omdat het licht, omdat het dag is ge­wor­den. En die aarde moet dan zichtbaar worden als land des le­vens. In het licht van de dag en onder het gewelf van de hemelen kan zich nu iets laten zien. De wateren moeten daarom opzij. Dat is niet nog eens een schei­ding.

Hoe zult Gij mij ontvangen

Als je over de schepping van de mens spreekt, kun je aan de ene kant zeggen: God gaat die mens ontwerpen, aan de andere kant kun je zeggen: God gaat die mens conceptiëren (ontvangen). Het concept mens, die mens wordt ontvangen. Een kind wordt ontvangen. Zoals dat adventslied zegt: “Hoe zal ik U ontvangen…” En daarbij is het misschien goed er een couplet bij te maken:

“Hoe zult Gij mij ont­vangen…”

God gaat de mens ontvangen. En dat ontvangen houdt tegelijk in: om­­vangen, opvangen. «Gij hebt mij uit de moederschoot getogen, Gij deedt mij vertrouwend rusten aan de borst van mijn moeder aan U werd ik overgegeven vanaf mijn geboorte, van de moederschoot af zijt Gij mijn God» Ps.22:10

«Vertrouwend rusten». Letterlijk: «Gij deedt mij verzekerd zijn…». «Aan U werd ik overgegeven». Letterlijk: «Op U werd ik geworpen…». De pijn van de mens van vandaag is juist, dat hij zich geworpen of ver­worpen voelt, geworpen in het bestaan. De mens voelt zich als het ware in het leven’gegooid’. Het begin van een mens is niet zomaar een lege ruimte, maar je be­gin is bij God. Zelfs als niemand je gewenst heeft; God in ieder geval wèl. God zegt: Ik heb je gewild, Ik heb je bedacht. Je bent uit Mijn ge­­­dachten voortgekomen. Ik sta aan de wieg van je bestaan. Juist in deze zo sombere Psalm 22 komt dit lichtend naar voren.

Dat er lichten zijn

Genesis 1 dus een anti-goden-lied.

Merkwaardig, dat de zon en de maan in heel Genesis 1 niet worden ge­­noemd.

«Dat er lichten zijn (letterlijk: lichtdragers)» Gen.1:14. Die lichten zijn er dus om te bedienen. Zon en maan zijn geen goden. Ze worden genoemd: de beide grote lich­­­ten. Hun namen worden hier dus bewust verzwegen. Het zijn maar ‘schepsels’. Genesis1 is een aftelrijmpje van de goden. De afgoden worden god-af. Ze komen naar beneden. Ze komen van hun troon. Net zoals er staat in dat mooie hoofdstuk Jesaja14, waar ook al die koningen van hun troon afkomen. Zoals de koning van Babel (Jes.14), die op wou klimmen tot boven de ster­ren. En dan wordt er gezegd: je zult tot het dodenrijk afdalen. Van een opgang wordt het een neergang. En dan ziet hij beneden ook al die koningen. Een reünie van koningen, die het ook niet hebben ge­haald, een reünie in het dodenrijk. Het is een grondgedachte in het Hebreeuwse denken: goden worden ont­­­goddelijkt. Zon, maan en sterren zijn dus het licht niet, het zijn “ambtenaren”, die de verlichting moeten verzorgen.

Laat Ons mens maken

«En God zeide: Laat Ons mens maken». Gen.1:26. Het kan zowel enkelvoud zijn als een collectief. De voorkeur in deze tekst is het enkelvoud. Het gaat om die ene mens, die te voorschijn wordt geroepen en zich later ontvouwt in een veelvoud van mensen. Vanwaar dat Ons…. Daar zijn heel wat verklaringen voor.

1. Het is een majesteitsmeervoud.

2. Het gaat hier om heel die hofhouding van God.

God spreekt dit tot de engelen. Je komt dat ook tegen in Job.l:6, waar gesproken wordt van al die zonen Gods. Ook in Jesaja komt het voor: «Wie zal Ik zenden en wie zal voor Ons gaan?» Jes. 6:8. Vergelijk ook: «Het ganse heer des hemels aan zijn rechter- en aan zijn linkerhand stond» 1 Kon.22:19. Hier is dus ook sprake van die hemelse hofhouding. Toch is het wat problematisch om te zeggen: dat Ons slaat op God en de engelen. En dan is er een rabbijnse kanttekening, die zegt: toen God zeide: «Laat Ons mensen maken», zagen de engelen dat niet zo zitten. Ze antwoordden toen met de woorden van Psalm 8: «Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt». De tweede opvatting is dus, dat God sprak tot zijn hofhouding.

3. Het woord Elohim is reeds een meervoud. Dus dan krijg je auto­ma­­tisch Laat Ons.

4. Het is een soort bewijs, manifestatie van de Drie-eenheid.

Het zou dan een soort gesprek in God Zelf zijn. Vader, Zoon en Hei­li­ge Geest. Deze opvatting is in de loop van de eeuwen ontstaan. Hier­bij heeft de gedachte een rol gespeeld, dat men bepaalde dog­ma’s graag terug wil vinden. Dat zou dan zogezegd al op de eerste blad­­zij­de van de Bijbel te vinden zijn. Men is dan verheugd, om niet al­leen aan­gewezen te zijn op die tekst uit 1.Joh. (1.Joh.5:7,8). Deze tekst staat trouwens tus­sen haken, om­dat het in bepaalde hand­schriften ontbreekt.

5. God zou tot de mens spreken, die Hij van plan is te gaan maken. Met andere woorden: die mens wordt ingeschakeld bij zijn eigen wor­ding. Voor deze visie is wel wat te zeggen. De mens wordt niet gemaakt in de zin van: buiten u, over u en zonder u. Het is ook een principe in het bijbelse denken: de mens wordt betrokken in zijn wording. De mens wordt niet gemaakt zoals je een object, een ding maakt. Onze voorkeur zal dus naar deze laatste opvatting uitgaan. God maakt geen dingen. Dat is juist een van de problemen van de mens van vandaag, dat al­les wordt teruggebracht tot een ding. De mens wordt gedegradeerd tot een voorwerp, zelfs een gebruiksvoorwerp. In de wegwerp-maat­schap­pij dreigt de mens dan ook te worden wegge­wor­­pen, in ieder ge­val te worden verworpen. In de Bijbel is de mens dus nooit object, maar altijd subject. Een mens die ontleed wordt, is geen mens meer. En als je een zin ont­­leedt, hèb je ook geen zin meer. De zin is weg. De mens heeft er dan ook meestal geen zin meer in. De dingen worden zin-loos. Dat is ook het lijden van de mens van vandaag, dat hij vaak leeft met allemaal losse fragmenten. Hij leeft vaak ook fragmentarisch.

Adam en adamah

«Laat Ons Adam maken».  Gen.1:26.

Adam is dus één van de Hebreeuwse woorden voor mens. In de eerste plaats wordt dan woord adam verbonden met adamah (akker). De mens wordt dus geformeerd uit de akker. Die mens en die akker horen dus ook bij elkaar. Die akker wordt ook arbeids­ter­rein van de mens. Die mens leeft niet ‘ergens’, maar hij heeft grond onder de voeten. «De schepping wacht op het openbaar worden van de zonen Gods» R­om.8:19. De akker, de ‘adamah wacht op het openbaar worden van de ware ‘adam. Als de mens hersteld wordt, wordt van daaruit ook de aarde her­­­steld. ‘Adam en ‘adamah horen dus in dubbele zin bij elkaar. Fo­ne­tisch kun je dat ook horen.

Stof, bloed en gal

De tweede opvatting: de rabbijnen beschouwen dat woord adam als een letterwoord.

De a staat voor ‘aphar (stof).

De d staat voor dam (bloed)

De m staat voor mem (gal).

De mens bestaat dus uit bloed, stof en gal (lichaamsvocht). Stof.  ‘Stof zijt gij’. Bloed. Daar moet de mens zijn leven van hebben. Gal.  In de gal zitten dan zogenaamd al die temperamenten.

Ik zal gelijken op God

In de derde opvatting wordt deze tekst verbonden met Jesaja 14. «Mij aan de Allerhoogste gelijkstellen» Jes.14:14. Adama Elohim… «Ik zal gelijken op God». Adam wordt dan geassocieerd met: éddammeh le ‘eljon. Het wezen van het menszijn is dus het gelijken op de Allerhoogste. A­an de ene kant is die mens dus stof, bloed en gal en aan de andere kant is hij “gelijkend op de Allerhoogste”.

De droom van Jakob

Genesis 28 De rabbijnen zeggen: waarom gingen de engelen langs de ladder op en neer? Bene­den zagen ze die arme sloeber liggen met zijn hoofd op een steen. Bo­ven zien ze dat prachtige stralende beeld, dat oerbeeld, dat God van Ja­kob heeft. Als ze dat zien, rennen ze vol verbazing naar beneden. En dan kunnen ze zich niet voorstellen, dat die twee dezelfde per­soon vertegenwoordigen en dan haasten ze zich weer naar boven.

Scheppen, maken, formeren

«Laat Ons mens maken»Gen.1:26. Let op de werkwoorden. Eerst krijg je het woord maken (‘asah) en dan in vers 27 drie keer het woord scheppen (bara’).  De mens wordt gemaakt en dat wordt dan nader uitgewerkt in dat schep­­­pen. God schept al makende. En dat scheppen is geen moei­te­loos creëren. Scheppen kost strijd. God moet Zich inzetten. Niet al­leen vóór zijn schepping, maar ook óm te scheppen. Vergelijk daar­mee een beeldhouwer. Anders zou het haast lijken of God er niet echt bij betrokken is. 

1. Bara’ kan samenhangen met een woord, dat vormgeven betekent.

V­orm­geven wat vormeloos is.

2. Een tweede afleiding is, dat het te maken heeft met scheiden.Schep­pen is scheiding aanbrengen.

3. Een derde woordafleiding hangt samen met een Hebreeuws woord, dat betekent: het rooien van bomen. Dat rooien van bomen moet je in dit verband niet negatief zien. In onze tijd krijgen we in dit verband meestal een negatieve associ­a­tie. Door het rooien van bomen krijg je een open ruimte. Als God gaat scheppen, dan komt er een open ruimte. Wij kennen nog de uit­druk­­king ‘ruimte scheppen’.

Beeld en gelijkenis

«Naar ons beeld, als onze gelijkenis» Gen.1:26. Wat is nu dat beeld en wat is nu die gelijkenis. God gaat ruimte scheppen voor zijn mens. En de mens mag op zíjn beurt ook ruimte scheppen voor anderen. Daarin is hij beeld, na­vol­ger van God. Het beeld Gods zijn heeft te maken met de weg die je gaat. Het beeld van God wil niet zozeer zeggen, dat je een soort por­tret van Hem bent, zoals het portret van een vader en een zoon naast el­­kaar tegen de muur kunnen hangen. Zo’n portret dóet verder niets.

De volledige studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds 

1 comment on “Genesis, God en mens terug naar de oorsprong”


  1. g. bakker - nieland says:

    Geachte heer Bies

    Ik heb belangstelling voor het boek Genesis.

    Zou u deze naar het volgend adres willen sturen:

    Zuiderdiep 337
    9521 AJ Nieuw Buinen

    Hoe gaat de betaling van het boek?

    Groeten Mevr. G Bakker

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

406168 bezoekers sinds 07-06-2010