Genesis, De overdracht van het licht. Deel 11

02-04-2021 door Dr. K.D. Goverts

* De overdracht van het licht

In Exodus gaat het dus over vader en moeder, die het licht over­dra­gen. In Genesis gaat het over de zon en maan, ook als lichtdragers. Jozef ziet in zijn dromen zijn broers als elf sterren en zijn vader en moe­der als zon en maan, dus als lichtdragers. Het gaat dus om de over­dracht van het licht. En dan staat er in de Talmud: “Het woord van de wijze is als gloei­en­de as”. Waarom staat er niet: als vuur? Omdat er adem nodig is om het aan te blazen. Het woord van de wijze is voor degene, die niet al­leen oren heeft, maar ook adem. Dus zo lang als er adem is, spreekt dat woord.

Vergelijk daarmee Psalm 150:6: «Alles wat adem heeft, love de Here».

Je kunt niet zonder dat woord van de wijze, maar je moet ook zelf adem hebben. En als je zelf geen adem hebt, dan ga je dat woord van de wijze alleen maar napraten of conserveren. Dan krijg je ge­con­­­serveerde as. Dan heb je geen open haard, maar een urnenveld. Alleen in die wissel­werking van adem en gloeiende as, komt er weer vuur. Vergelijk in dit verband ook de Emmaüs-gangers. Jezus spreekt tot hen over de profeten en over Mozes. Hij geeft dus door, wat de ouden hadden ge­zegd. Dan zie je weer: traditie in de goe­­de zin. En dan zeggen ze: was ons hart niet brandende in ons? De vlam slaat om zo te zeggen in de pan.

En als je spreekt over de profeten en over Mozes, dan worden die woor­­den aangeblazen, ze worden tot vuur. En als de wind ze zeer krach­­tig aanblaast, krijg je een laaiend vuur, tongen als van vuur. E­n dat zie je op het Pinksterfeest.

* Va­ders en moeders bij de Sinaï

Vaders en moeders zijn dus overdragers. In het boek Spreuken komt dat ook telkens naar voren. Het gebod van de vader, de onderwijzing van de moeder. Vaders en moe­ders, overdragers van het licht en het woord. Daarom wordt er ook steeds gesproken van de over­dracht van het licht. Hierbij wel te bedenken, dat het hier gaat om va­ders en moeders, die bij de Sinaï staan. En in dàt kader kan va­der­schap en moeder­schap ge­stalte krijgen. In Genesis 1 staan die lichten, (lichtdragers) in het kader van het schep­pingsverhaal; van een God die spreekt.

* Geen ‘Blut und Boden’

Je kunt in deze zin slechts spreken over vaders en moeders vanuit de Sinaï. Anders krijg je binnen de kortst mogelijke keren de gedach­te in huis van ‘Blut und Boden’, de gedachte aan afstamming. Maar af­stam­ming is helemaal geen bij­bels woord. Je ‘stamt niet af’; en er is helemaal geen sprake van een ‘appel, die niet ver van de stam valt’. Op die ma­nier krijg je allerlei duistere spreek­woorden. En dan krijg je een stam­boom. En dat is ook wat Paulus zegt:

«Noch zich bezig te houden met fabels en eindeloze geslachtsregisters»

1 Tim.1:4.

Want dan ga je je alleen maar beroepen op je stam-boom. De een be­roept zich op blauw bloed en de ander op het zuivere ras. Het gaat hier over vaders en moeders, die staan onder de tucht van de Torah. Dan hebben ze bestaansrecht.

* Eer je afkomst

Eer je afkomst. Dat be­te­kent, dat je respect hebt voor je wortels. R­espect voor de achter­grond, waar je uit komt, om daarin het goede te ontdekken. Soms is dat wel eens moeilijk en heeft iemand eerder de neiging om zijn af­komst zo snel mogelijk te vergeten. Eer je afkomst. Dat geldt voor het gezin, maar ook voor de grotere ver­banden. Hierbij moet je oppassen om een beroep te doen op een na­tuurlijke the­o­­lo­gie. Het kan dus mak­kelijk ontsporen. Het gaat om het po­si­tief-­kri­tisch waarderen. In extreme vorm vind je die overwaardering voor de eigen groep bij Je­ho­vah-getuigen, die zeggen: alle kerken zijn Babel. In subtielere vorm kom je dat ook in andere kringen tegen, waar men zegt: trek uit Babel, dat wil zeggen: trek uit je kerk, breek met je verleden, breek met je fa­milie. Zo lang je nog lid was van een kerk, kwam je nooit in de volle vrij­heid. Een mens werd dan pas vrij, als hij alle ban­­den had doorge­sne­den met zijn vroegere godsdienstige mi­­lieu. Vaderland en moedertaal. Moedertaal, tale Kanaäns. Alleen vanuit het verbond kunnen we spre­ken van vaderland en moe­der­taal. Dat is niet vanzelfsprekend.

* De moeder geeft het kind toekomst

Een vader en een moeder hebben bijbels gezien geen ‘rechten op een kind’. Ze kunnen geen rechten doen gelden. In 1 Koningen 3:16ev staat dat beroemde gedeelte over de recht­spraak van Salomo over twee moeders, die beiden ‘rechten op een kind deden gel­den’. Die twee vrouwen willen hun rechten doen gel­den met de uit­spraak: ‘ik heb het gebaard’.

«Omdat haar moederlijk gevoel voor haar zoon was opgewekt» 1 Kon.3:26.

Letterlijk staat er: rachamim = erbarming.

Rèchem = moederschoot.

Veel ouders zien hun kind als hun bezit. En vaak projecteren ze hun ide­alen op hun kind. In het bijzonder hun eigen gemiste kansen. Het kind wordt dan geperst in het keurslijf van de idealen van de ouders. En dan wil die echte moeder bij Salomo ten koste van alles het leven van dat kind redden. Daarom wil ze het desnoods afstaan. Het punt is hier dus: het kind is niet van degene, die het gebaard heeft, het kind is van de­gene die het kind toekomst gunt. Het wordt niet vanuit het verleden bekeken, maar vanuit de toe­komst. De moeder is dus degene, die het kind toekomst geeft. Die andere vrouw denkt geheel en al vanuit het hebben. Zo heeft Salomo het moederschap kritisch doorzien.

Levinas zegt: moederschap is subject. Sub=onder. Letterlijk be­te­kent sub­­ject dan: degene, die zich eronder werpt. Degene, die de an­der draagt. Niet degene, die de ander tot object maakt. Als je iemand tot object maakt (letterlijk: tegenover je), dan kun je hem be­schou­wen, objectief, je neemt afstand. Het gevaar is dan, dat de ander tot een ding wordt, tot een ‘het’.

* Verwekking of afstamming

Het Hebreeuwse denken is sterk toekomst-gericht. In Genesis wordt daar­­om ook niet gesproken van afstamming, maar van verwekking. Bij afstamming ga je terug in de tijd. Sommige men­sen zoeken hun stam­boom uit tot eeuwen terug. Bij verwekking kun je spreken van: va­ders ver­wekken zonen. In Genesis gaat het steeds over de toledoth, de verwekkingen. Dat verwekken wordt niet zozeer in strikt biologische zin bedoeld. Pau­lus zegt eens tegen de Korinhiërs: ‘ik heb jullie verwekt’. En hij zegt: jul­lie hebben veel opvoeders, maar jullie hebben maar één va­der en dat ben ík. Verwekking en geboorte hebben uiteraard alles met elkaar te ma­ken. Bij verwekking zit er iets in van: opwekking uit de dood vandaan. H­et Hebreeuwse denken denkt dus niet zozeer vanuit ras en stam­boom.

* Vader en moeder verlaten.

Dat is geen kwestie van buiten het huis gaan wonen. Dit verlaten gaat wel wat dieper. De vraag is: wat neem je mee. Het heeft te ma­ken met een hele gedachtewereld; een manier van dingen bekijken. Soms is er sprake van een generatiekloof. Het ouderlijk huis kan ook een rem zijn op de ontwikkeling van het kind. Een zoon wordt vaak ge­­remd door de beuzelachtigheden van de vader.In een gedicht klaagt een jongen over dit benauwde milieu en hij zegt dan, dat hij zo graag wil zijn: ‘een ridder, een ruiter, een wereldver­schrik­­ker’. In zijn fantasie komen dus positieve en nega­tieve impul­sen naar boven. In de woorden van dit gedicht worden de vadercomplexen in een con­­­text geplaatst. De problemen, die de zoon heeft met de vader, kun­­­nen een grond zijn voor die ‘wereldverschrikkingen’.

Juist de wijsheid van de vader, die leeft vanuit de Torah, is nodig om wer­­­kelijk mondige mensen te worden; vrije mensen. Dat ontwor­ste­len aan die vaderbinding kan wel eens tot die wereld­verschrik­kin­gen leiden. Zelfstandig worden, zelfstandig leren denken, dat heeft toch te ma­ken met wat een kind mee­krijgt. Hoeveel weerbaarheid, maar ook hoe­­veel gevoeligheid krijg je mee. Hoe kwetsbaarder je bent, hoe moei­­lijker het wordt om zelf­stan­dig te wor­den.

Dat verlaten van vader en moeder heeft ook te maken met integre­ren, verwerken. Want verlaten is niet hetzelfde als je afzetten tégen. Want dan ben je er júist nog niet los van. Je afzetten tegen je ouder­lijk huis is in wezen een symptoon van onvolwassenheid. Je ziet dat ook in de puberteit en adolescentieleeftijd, waarin de jongen zegt: pa weet er niets van. En op latere leeftijd: mijn vader wist het toch wel. Kon ik het hem nog maar vragen.

* Mijn vroegere wandel in het Jodendom

«Want  gij hebt gehoord van mijn vroegere wandel in het Jodendom: ik heb de gemeente Gods bovenmatig vervolgd als hartstochtelijk ijve­raar voor mijn voor­va­der­lijke overleveringen»  Gal.1:13.

Hier vertelt Paulus wat over zijn eigen geschiedenis. Deze tekst is nog­al eens misbruikt. Uit bovenstaande woorden: «Vroegere wandel in het Jodendom», heeft men wel geconcludeerd: nú wandelt Paulus niet meer in het Joden­dom.

Letterlijk staat er: «Gij hebt gehoord, mijn wandel eens in het Joden­dom»

Of: «Eertijds in het Jodendom»

Er is geen tegenstelling aangegeven tussen eertijds en nu, maar er is een tijdsverband beschreven tussen eertijds en wat hij nu geopen­baard heeft gekregen. Zie in dit verband de verzen 11 en 12: die blijde boodschap, de open­ba­ring van de Mes­si­­as. Maar de ondertoon blijft: het gaat om het Jo­dendom. Om de wan­­del in het Jodendom eertijds en nu. Dus niet: nu ben ik eruit ge­stapt; maar het heeft een vervolg. Hij blijft dus in het Jo­den­dom. En wij ook: we zijn tenslotte navolgers van een Jood.

* Een Jood herken je niet aan het bloed

En als je zegt: naar de geest was Jezus een Jood, maar naar het vlees niet, dan wil ik opmerken: ik denk niet, dat je dat van elkaar kunt loskop­pe­len. Jezus als Jood is niet een kwestie van alleen maar bi­o­­lo­gische afstam­ming. Het Jood-zijn is veel meer: dat is bij de To­rah opgevoed zijn, bij de Sinaï hebben gestaan en de uittocht heb­ben meegemaakt.

Elie Wiesel zegt:

“Een Jood herken je niet aan het bloed, maar aan het verhaal”.

Daarbinnen hoort natuurlijk ook heel dat natuurlijke ka­der van ras en afstamming, waarbij je dan na kunt gaan wanneer iemand een Jood is. Dit dan in verband met het punt van de voortgang van de ge­slachten.

* Paulus en de traditie

Paulus had dus die ‘vaderlijke paradosis’. En als je dat letterlijk ver­taalt, staat er: traditie. Paulus zegt dus: ik heb dus gewandeld en ge­ij­verd voor die tradities van de vaderen. Er is dus geen sprake van een breuk met het Joden­dom, maar het gaat om die nieuwe ont­hul­ling, wat hij noemt:

«De openbaring van Jezus Christus»  Gal.1:12.

Jood-zijn: getrokken uit Egypte, gestaan bij de Sinaï; drager van de To­rah. Je herkent elkaar aan het verhaal. En dat verhaal is Paulus nooit kwijt­­geraakt. En die Torah is hij ook nooit kwijt geraakt.

* Jezus en de Farizeeërs

Jezus heeft nogal wat rigoureuze uitspraken gedaan ten aanzien van de leer en wandel van bepaalde groepen in het Jodendom destijds: ad­­de­ren­­­gebroed, witgepleisterde graven, enzovoort. Je kunt hier spre­ken van een interne Joodse kritiek. Dat is te vergelijken met wat ook de profeten eertijds deden. Die wa­ren soms ook niet zo mals in hun kritiek. Die durfden soms ook heel wat te zeggen. Het gaat daar om een schiftingsproces. En dat hoort er ook hele­maal bij. Jezus kon als Jood te midden van Joden ook zeg­­­gen, waar het op stond.

Daarbij moet je wel enige dingen onderscheiden.

1. Niet alle uitspraken kun je zo maar overnemen en toepassen op het Jodendom van van­daag. Dan koppel je het los uit het verband.

2. Bovendien stond Jezus veel dichter bij de Farizeeërs als vaak wordt gedacht.

3. In de derde plaats moet je onderscheid maken tussen Farizeeërs en Farizeeërs. Het is trouwens op zijn minst gezegd ‘slordig’, om dat woord ‘fari­zeeër’ als scheldwoord in te voeren, dat is ongenuanceerd.

Jezus kwam met zijn kritiek juist daar, waar de Jood zich niet als Jood gedroeg. Geen kritiek op het Jodendom, maar wel: je bent niet Joods genoeg. Dus een terugbreng tot de wortels, in wezen een res­tau­­ratie. Bij Messias-be­lij­dende Joden kun je in feite spreken van een thuis­komst.

* Afgezonderd van de moederschoot

Bij Paulus in Galaten 1 is het in feite ook een thuiskomst. Zelfs let­ter­­lijk een thuiskomst in Jeruzalem, want daar gaat hij dan ook naar toe.

«Maar toen het Hem, die mij van de schoot mijner moeder aan afge­zon­­derd en door zijn genade geroepen»  Gal.1:15.

Dit vers wordt soms wat riskant geïnterpreteerd. Soms wordt dat ver­­­staan, alsof er een breuk zou zijn met die moederschoot. En die moe­­der­schoot zou dan Jeruzalem zijn geweest, waar Paulus van de rab­­bi’s zijn opleiding had gehad. En daarvan zou hij dan moeten wor­­­den afge­schei­den. Er zou pas iets van hem kunnen worden, toen hij aan die moeder­schoot werd ontrukt.

Maar, dan ga je de tekst overbelasten. Het is in feite een citaat uit Jere­mia 1. Paulus vergelijkt zichzelf hier met Jeremia. En van Je­re­mi­a wordt gezegd, dat hij geroepen werd van de moederschoot af. D­at is niet zozeer een separatie, maar, daar begon het al.

«Eer Ik u vormde in de moederschoot, heb Ik u gekend en eer gij voort­kwaamt uit de baarmoeder, heb Ik u geheiligd»  Jer.1:5.     

Dit is eigenlijk de grondtekst van Galaten 1:15.

Eer gij uitgingt uit de rèchem, de baarmoeder, de plaats van de er­bar­­ming. Die moederschoot bij Paulus slaat niet alleen op de biolo­gi­sche moe­­der­schoot, of: deze slaat niet zozeer op de biologische moe­der­schoot, maar meer op zijn begin, op zijn eerste opvoeding. Deze afzondering van de moederschoot van Paulus gaat dus buiten zijn wil om. Later zie je dus wel, dat hij erop ingaat. Wel moet je op­pas­sen om hier niet een stuk uitverkiezing ­binnen te voe­ren. Paulus moest zich ook bekeren.

Ook in het leven van Jeremia zijn momenten geweest waarop hij er­op ingaat. Ook momenten, waarop hij voor de keus staat wat hij met zijn roe­ping gaat doen. Het is dus niet een voorbeschikt-zijn. Je zou mis­schien kunnen zeggen: God heeft een bepaald bestek, een plan­ning en Jeremia (Paulus) gaat daarop in. Daarom kan Jeremia wor­­den, wat God van huis­uit in hem gelegd heeft.

* Loskomen van verwachtingspatronen

Bij opdrachtdiensten zie (hoor) je wel, dat over een zuigeling een pro­fe­­­tie wordt uitgesproken. Uiteraard in positieve zin. Hier is ook voor­zich­­tigheid geboden. Een kind wordt op die manier gauw in een be­paalde richting ge­stuurd. Zo hoor je wel eens, dat een moeder zegt: ik geef mijn kind aan de zending. In die zin moet je een kind niet te veel besturen. Dan verbreek je ook een stuk eigen ontwikkeling. Ook dat heeft te maken met: vader en moeder verlaten.

Soms moet je je bewust losmaken van het verwachtingspatroon van je om­geving. Dat kan soms heel drukkend zijn. We hopen, dat onze oud­ste zoon dominee wordt…  Soms moet zo’n ver­­­­wach­tings­patroon, dat als een juk op iemand ligt, verbroken wor­den.

* Het dochtertje van Jaïrus

Het dochtertje van Jaïrus was twaalf jaar oud. In dezelfde geschiedenis komt die bloedvloeiende vrouw voor, die al twaalf jaar aan die kwaal leed. Twaalf jaar was ook de leeftijd waarop een meisje als vrouw werd be­schouwd, de huwbare leeftijd. Haar vader was overste van de synagoge. Er valt in dit verhaal op, dat dan steeds gesproken wordt van dochtertje en mijn dochtertje. Ze zat he­lemaal onder de stolp van vader en moeder. Het hele dorp sprak van ‘het dochtertje van de overste’. Ze leefde in een glazen huis. Twaalf jaar lang heeft ze niet echt kunnen leven.

De andere kin­­deren konden nog wel eens iets uithalen, maar zij niet. En dan komt die luisterrijke verjaardag. Ze had nooit kind kunnen zijn en nu moest ze ook nog vrouw wor­den. Het hoefde voor haar niet meer. En het eerste wat Jezus tegen haar zegt is niet dochtertje, maar kind. Jezus zegt: Tabitha, meisje, niet: dochtertje. Voor Mij hoef je nog geen vrouw te zijn, wees jij nu nog maar eens lekker kind.

D­aarom staat er ook aan het eind van het verhaal: vertel het aan nie­mand. Anders was de ellende ook niet te overzien geweest. Dan had het he­le dorp nog meer over ‘het doch­tertje van de overste’’ ge­spro­ken. Ze was een bezienswaardigheid ge­wor­den. De mensen had­den gezegd: ik denk, dat God iets heel bij­zon­ders met haar van plan is. Jezus stuurt dan ook eerst iedereen de deur uit. Wellicht is dit la­ter wel door­­gesijpeld. Maar het funda­men­tele punt was, dat zij tijd moest heb­­ben om dit te verwerken.

Iemand zei: “Een echt wonder gebeurt in het hart en daar moet het blij­ven”. Een wonder is geen mirakel of spektakel. Het meisje moest weer tijd krijgen om kind te zijn. Daarom staat er ook aan het slot: «geef haar te eten»

* Een geest van diepe slaap

Merkwaardig, dat die bloedvloeiende vrouw er in het verhaal wordt tus­­­­sen­geschoven. Eerst krijg je het dochtertje van Jaïrus, dan die bloed­­vloeiende vrouw en dan weer dat dochtertje. Deze vorm van vertellen vind je wel vaker bij Marcus. In de litera­tuur noemen ze dat een sand­wich-verhaal. Twaalf is het getal van Israël. Je hebt hier een dubbel-verhaal. En het gaat hier dus in wezen over het herstel van Israël. Aan de ene kant wordt dat uitgebeeld in dat dochtertje, waar de omstanders zeg­­gen: ze is dood. Maar Jezus zegt: ze slaapt. En slaap is in het rab­­bijnse den­ken een beeld van de ballingschap.

De rabbijnen zeg­gen: “slaap is éénzestigste van de dood”.

Dat is weer een type­ren­de uit­­drukking.

E­énzestigste betekent een voorsmaak. Net zoals er ge­zegd wordt:

De sabbath is éénzestigste van de komende wereld.

Ze slaapt; dus dat is Israël in ballingschap.

Zoals ook Paulus zegt in Romeinen 11:

«God gaf hun een geest van diepe slaap»  Rom.11:8.          

Bij die vrouw vloeit het leven eruit. Ook een beeld van dat volk. En op die dubbele manier, in die twee getuigen wordt dan de gene­zing van Israël beschreven. De verhalen over de Messias zijn verhalen met een meerwaarde. Het zijn verhalen met een extra dimensie. Jezus deed wat Hij de Va­der zag doen. En dat heeft Hij ook mede gezien vanuit de Torah en van­­uit de profeten.

* Loskomen van familiebanden

Dat verlaten of loslaten van vader en moeder kan een hele worsteling zijn. Verlaten, ook in de zin van óvergeven, prijsgeven. Je ziet het ook heel duidelijk in het verhaal van Abraham. Letterlijk wordt er tegen Abraham gezegd: «Ga voor jezelf (lek leka)».

1. Ga uit uw land (èretz).

2. Uit uw geboortegrond.

3. Uit het huis van uw vader.

In het vaderhuis zit dus ook iets van dat oude, vertrouwde. Dat kan ook functioneren als een binding, als een rem om te gaan. Het hele le­­­ven van Abraham wordt getypeerd door het woord gaan.

Dat zie je telkens weer terug: dat gaan uit het huis van de vader. In Ur vereerde men de maan. De maan was de god van de vruchtbaar­heid en van de nomaden; want de nomaden trokken vaak ‘s nachts. Abraham had een vrouw die onvruchtbaar was; en dan breken, juist met de god van de vruchtbaarheid…. Ook bij Jakob zie je dat sterk: het losmaken van familiebanden. J­akob leefde heel sterk onder de vleugels van Rebekka. In die wor­ste­­ling bij de Jabbok maakt hij zich helemáál los van die beknel­ling. Jakob moest die grens over trekken, om de zonsopgang te vinden.

«En de zon ging over hem op»  Gen.32:31.

* Vadermoord en moeder­binding

Er is een boek verschenen, getiteld: “De Terugkeer van de Ver­lo­ren Vader”. In zo veel situaties is de vader eigenlijk op de achtergrond geraakt. Een andere schrijver zegt: veel dingen, die je vandaag tegen­komt, zou je kun­nen typeren als een soort vadermoord (patricide), een breuk met de vader. Hoe keert die verloren vader terug. Ik denk, dat dat ook een heel bijbels thema is. Over Oedipus werd een orakel uitge­sproken: hij zou zijn vader ver­moor­­den en met zijn moeder trouwen.

Freud heeft dat later gebruikt in zijn theorie over het oedipus-com­plex: een kind dat in opstand komt tegen zijn vader en zich bindt aan zijn moe­der. Vadermoord en moeder­binding. Juist als de mens zichzelf weer terugvindt, kan hij ook zijn ouders weer terugvinden. Zo eindigt het OT.:

«Hij zal het hart der vaderen terugvoeren tot de kinderen en het hart der kinde­ren tot hun vaderen»  Mal.4:6.

Je doet een mens recht door verhalen over hem te vertellen. En God komt tot zijn recht door verhalen over Hem te vertellen. Dat is wat Jezus ook zegt: «doe dit tot mijn gedachtenis». Gedachtenis beoefen je door verhalen te vertellen.

* De vrouw is het huis

Je kunt je afvragen, waarom er van de vrouw niet wordt gezegd, dat ze vader en moeder moet verlaten en haar man aankleven. De vrouw houdt haar zelfstandigheid. Uit psychologische achtergrond is er wel eens op gewezen, dat er merk­­­waardige verschilpunten zijn in de ontwikkeling van de man en de vrouw. De man is meestal bijvoorbeeld gewend, dat er een vrouw van zijn jeugd af aan voor hem zorgt. In dat patroon wordt hij dan ook vaak grootgebracht. De vrouw neemt dan vaak later ook de rol over van de moeder. De Talmud zegt: de vrouw is het huis. In het algemeen kun je zeggen, dat de vrouw veel eerder leert, haar ge­­­voelens te hanteren. Een meisje spreekt makkelijker over haar ge­voels­­le­ven dan de man. Bij de man krijg je eerst de periode van het stoer doen.

* Vergeet uw volk

«Hoor, o dochter, en zie, en neig uw oor,

  vergeet uw volk en het huis van uw vader»  Ps.45:11.      

Dus hier zien we, dat niet alleen Abraham uit het vaderhuis moet gaan, maar ook de dochters. Dit wordt dan gezegd tot de dochter van Ty­rus. Wel, het vaderhuis van Tyrus was nu ook niet alles. In deze tekst wordt dus niet alleen gesproken over verlaten, maar ook over ver­geten. Je ziet dat bijvoorbeeld ook bij Ruth. Die gaat ook uit het huis van haar vader en uit haar hele volksverband. Wonderlijk, ze zegt ook eerst: uw volk is mijn volk en daar bovenuit: uw God is mijn God. Ruth is als het ware een soort vrouwelijke Abraham. Psalm 45 staat in de context van een vorstin, die moet kiezen; een kan­di­­daat-vorstin. Ze moet kiezen voor haar nieuwe Heer.

«Want hij is uw heer; buig u dus voor hem neder»  Ps.45:12.

Het gaat hier ook om het loskomen van een heel andere religieuze ge­­dach­tewereld, waarvan Tyrus dan de representant is. Soms moet je dus vergeten, anders ga je zo gauw vergelijken.

* De genadegaven en de roeping Gods zijn onberouwelijk

«Want de genadegaven en de roeping Gods zijn onberouwelijk»  R­om.11:29.

Dat woord onberouwelijk komt maar twee keer voor in het NT. Deze tekst moet je weer in zijn verband bezien. Je kunt deze tekst niet zo­maar toepassen op de individuele gelovige. Soms wordt dan gezegd: de be­die­ning die iemand eens heeft gekregen, wordt hem ook nooit meer af­genomen. Er staat dus: «De charismata van God en de roeping van God». In dit ver­band zie je bijvoorbeeld dat koning Saul nog steeds de gezalfde werd ge­noemd, terwijl hij in feite alles al kwijt was. Als je bovenstaande tekst uit zijn verband haalt, ga je in zekere zin men­sen weer overbelasten. Soms wordt zelfs gezegd: als iemand een­maal oud­ste is, is hij dat voor heel zijn leven. De Levieten mochten zelfs met hun 50e levensjaar al in de VUT. Die werkten van hun 25e tot hun 50e .

Paulus had ook nogal wisselende bedieningen.

Eerst apostel, daarna her­der in Efeze; daar zit hij ze dag en nacht on­­der tranen terecht te wij­zen. Een genadegave is geen noodlot. Het gaat erom: in welk ver­band leef je, hoe is de situatie en hoe is je ge­loof. En hoe func­tioneer jij daar allemaal in. De rabbijnen zeggen: het is goed de Torah te bestuderen. Maar on­der één voorwaaarde: je moet er wel gezelschap bij hebben. Een le­raar zon­der leerlingen wordt een doodlopende weg.

En in Romeinen 11, waar het over die genadegaven gaat, staat dat in heel het verband van Israël. Het gaat dus over de genadegaven van het volk en de roeping van dat volk. En wat die genadegaven zijn, dat heeft Pau­lus aan het begin van Romeinen 9 gezegd. Dat is één ge­heel, dat zijn wel die verschillende punten, als daar staat:

«De aanneming tot zonen, de heerlijkheid (sjechina), de verbonden, de Torah, de eredienst en de beloften»  Rom.9:4.

Dus aan het eind van Romeinen 11 komt Paulus terug op het begin van Romeinen 9. Dus die onberouwelijkheid kun je niet zomaar op in­di­vidu­en la­ten slaan. Roeping is ook een wisselwerking. Iemand kan zijn roeping weigeren. Je kunt dus niet per definitie zeggen, dat alle persoonlijke roe­pingen en ga­ven levenslang zijn en onherroepelijk. In hetzelfde hoofdstuk wordt ook gesproken van takken. Die kunnen weer van die boom worden afgehouwen en er weer ingeënt. Ook dat is dus geen statische zaak.

* De rijke jongeling

Het probleem is, dat men vaak alle punten verbindt met de kwestie van behouden worden of verloren gaan. Die rijke jongeling ging niet in op de roepstem van Jezus. ‘Dus is hij ver­­loren’ wordt er dan wel gezegd. Maar, er staat alleen, dat hij weg­gaat. En het is trouwens de vraag, of dat definitief is geweest. Boven­dien heeft dat alleen te maken met zijn bestemming als mens. Alleen op dat mo­ment is zijn leven verloren. Het beantwoordt na­me­lijk niet aan zijn doel. En dan staat er zo barmhartig achter: wat bij de men­sen onmoge­lijk is, is mogelijk bij God. Het is trouwens ook op­­mer­ke­lijk, dat er staat, dat Jezus hem lief kreeg.

* Abraham weet van ons niet

«Gij immers zijt onze Vader; want Abraham weet van ons niet en Is­ra­el (Jakob) kent ons niet; Gij HERE, zijt onze Vader, onze Verlosser van oudsher is uw naam»  Jes.63:16.    Bij de behandeling van deze tekst moeten we goed bedenken, dat in God zowel het vaderlijke als het moederlijke aspect aanwezig is.

«Zoals iemands moeder hem troost, zo zal Ik u troosten»  Jes.66:13

In het Hebreeuws is het woord roeach voor geest ook vrouwelijk. In de oude Syrische kerk beschouwde men de Heilige Geest als moeder.

In Jesaja 63 staat een wonderlijke tekst.

«Want Abraham weet van ons niet en Israël kent ons niet»  Jes.63:16.

Je zou zeggen: een soort breuk met het voorgeslacht. Het gaat hier om een gebed van Israël in de ballingschap. Die aartsvaders waren toch al­tijd erg belangrijk. Er werd altijd gezegd: het verbond met Abra­­­ham, Isaak en Jakob bevestigt Hij van geslacht tot geslacht. En de rabbijnen zeggen dan ook: dankzij de verdiensten en de moe­ders in Israël werd de slavernij in Egypte met honderdnegentig jaar be­­kort. En ook bij het gouden kalf gedenkt God het verbond met Abra­ham, Isaak en Jakob en Hij spaart het volk. Telkens is daar dat be­roep op de vaderen.

* Want U bent onze Vader

Een rabbijns verhaal zegt: Als Abraham eens aan God vraagt: Heer, waar zijn mijn kinderen, dan antwoordt God: ze hebben gezondigd, daar­­­door zijn ze in ballingschap gegaan. En dan zegt Abraham: ja, maar het zijn toch ook Uw kinderen!!

«Ik hef mijn ogen op naar de bergen:

  vanwaar zal mijn hulp komen?»  Ps.121:1.

En dan wordt er in een commentaar gezegd: die bergen dat zijn de va­­­deren. Bergen is in het Hebreeuws: harim en horim = verwekkers. Dus zeggen ze: we willen niet vertrouwen op onze aartsvaders, onze ber­­gen, die kunnen ons niet redden in het gericht. We willen ver­trou­wen op onze Vader in de hemel. ‘Want U bent onze Vader’ zeg­gen ze in deze tekst. En dan kun je van de gedachte uitgaan: niet wie voortbrengt is de vader, maar wie grootbrengt.

«Wezen zijn wij geworden, vaderloos,

  onze moeders werden als wedu­wen»  Klaagl.5:3.

De goede en betrouwbare voogd, die de wezen grootbrengt is de Hei­li­­ge.

* Biologisch en moreel va­derschap

«Aanschouwt Abraham, uw vader»  Jes.51:2.         

Hoe moet je nu déze tekst zien in dit verband? Je krijgt dus een on­der­scheid tussen het biologische en morele va­derschap. Abraham is de bio­lo­gische vader, maar God is de morele Vader.

«Want Abraham weet van ons niet en Israël kent ons niet»  Jes.63:16.

Hier wordt het woord jada’ gebruikt = kennen. En het woord jada’ is vaak de term voor de verbroken verbintenis, namelijk: niet-kennen. In de klaagpsalmen speelt heel sterk het verbondsdenken. Kennen of niet-kennen heeft te maken met die verbintenis. Het niet-kennen is dus het verbreken van het verbond. Zo wordt van de zonen van Levi gezegd in verband met het gouden kalf:

«Die van zijn vader en van zijn moeder zeide: ik zie hen niet; zijn broe­ders wil­de hij niet kennen en van zijn kinderen wilde hij niet weten. Want zij onder­houden uw woord en bewaren uw verbond»  Deut.33:9.  

Die zonen van Levi hebben dus het verbond bewaard en hebben af­stand genomen van hun familie, die dat verbond door het dienen van het gouden kalf hebben geschonden en verbroken. Jezus zegt:

«Wie is mijn moeder en wie zijn mijn broeders?…Want al wie doet de wil mijns Vaders, die in de hemelen is, die is mijn broeder en zuster en moeder» 

Matt.12:48,50.          

Alleen in deze twee teksten van de Bijbel, namelijk Jesaja 63:16 en Deu­te­ronomium 63:16 heb je de werkwoorden kennen en herkennen in parallel­positie. Respectievelijk: jada’ en hikkir.

* Abraham erkent ons niet

«Abraham weet van ons niet»  Jes.63:16.

Dat wil niet zeggen, zoals sommige uitleggers zeggen: Abraham is al lang dood. Maar er staat: voor Hem leven ze allen. Het gaat er dus niet om of Abraham dood is en machteloos. Maar de verbinding is ver­broken. De situatie is zó moeilijk voor het volk, dat Abraham zijn na­geslacht niet meer kan erkennen. Ze zijn af­ge­sneden van de le­vens­bron, dus de grond van de verkiezing is weg. Als Abraham ons niet meer erkent, dan heb­ben we geen grond meer om op te staan.

Als God ons dan maar erkent! Maar God is niet een Verbondspartner al­leen maar voor het verleden. De grond waar­op men Gods barm­har­tig­heid verwacht, is waardevoller dan die barm­har­tigheid zelf. Zon­der grond, zonder bodem heb je niets. Dan kun je ook niets meer ver­­wach­ten. En als Abraham ons niet meer er­kent, dan hebben we geen grond meer om te bidden en te ver­wach­ten. Die aartsvaders zijn dus heel be­langrijk. Dan kun je niet meer zingen: ik ga staan op de beloften van mijn Heer en God. En die grond is, dat God een ver­bond heeft met Abraham, Isaak en Ja­kob. Dit is een van de meest kri­tieke en belangrijke teksten van de Bijbel.

En als je zegt: Jezus Christus als grond is toch veel belangrijker dan Abra­ham, dan moet je bedenken dat we pas bij Jesaja zijn en dat die bal­­lingen nog geen Messias kenden. En ook: via Abraham komt de Mes­­sias. Je moet dit dus in één lijn zien. Die aartsvaders zijn de wortels van die boom. En als die wortels wor­den weggehakt, dan stort die boom om. Jezus is wel uit God geboren, maar uit het geslacht van David, via Abra­ham. Jezus zegt:

«Ik ben de wortel en het geslacht van David»  Op.22:16.

Vergelijk ook:

«En er zal een rijsje voortkomen uit de tronk van Isaï»  Jes.11:1.

Die ballingen zijn dus – zeggen ze – afgesneden van het levenverwek­ken­­de verbond.

Deze studie is in gebonden vorm te verkrijgen bij:

E.Mail: jh.ree@kpnmail.nl, onder de naam: “Genesis”

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Sagrada Familía in Barcelona

Enige tijd geleden zijn we enige dagen in Barcelona geweest. Een prachtige stad. De prachtige kathedraal de Sagrada Família was voor mijn vrouw en ik het absolute hoogtepunt. In 1883 begon de architect Gaudí zijn levenswerk. Nu 138 jaar later genieten miljoenen mensen per jaar van deze nog steeds onvoltooide kerk. Indrukwekkend is de schitterende […]

572287 bezoekers sinds 07-06-2010