Genesis. De kosmos, een huis. Deel 7

25-03-2021 door Dr. K.D. Goverts

* De kosmos, een huis

Zo spreekt de Bijbel niet kosmisch over de mens, maar menselijk over de kosmos. De mens is geen kosmisch wezen (dat is tegen het new-age-denken), maar de kosmos is een menselijke ruimte. Het Hebreeuws heeft ook geen woord voor kosmos. Dat krijg je pas in de Septuagint. God spreekt menselijk over de kosmos. Daardoor wordt de kosmos als het ware onttroond, ont-demoniseerd. Zo wordt de kosmos een huis en – ook al is de maat wat groot – krijgt een men­­se­lijke maat.

En dan krijgt de mens dagen. Dagen, waarop hij tijd krijgt om wer­ke­lijk mens te worden. Daarom is Genesis 1 een verhaal met dagen.

* De aarde wordt vervuld

«De kinderen Israëls werden uitermate talrijk»  Ex.1:7       Niet, zoals het NBG vertaalt: ‘de Israëlieten’.

«Zodat het land met hen vervuld werd. En ze werden vruchtbaar, ze we­mel­den en ze werden veel»  Ex.1:7.     

«Zodat het land……» 

Voor land kun je ook aarde vertalen. Dat is hetzelfde woord: ‘èretz. In Genesis l staat: «Vervult de aarde». In Exodus: «Vervult het land (of: aarde)».

Het woord adama heeft meer de betekenis van: akker. Buber vertaalt vaak met: aardland. Het land Kanaän staat model voor heel de aarde.

Juist in dat (ellendige) land wordt de aarde vervuld met het ware mens­zijn. De zonen Israëls staan model voor het ware mens-zijn. En vaak zijn het nu niet direct van die model-mensen geweest.

Aan de ene kant lezen we in Genesis 6, dat God verdriet heeft over de mens, die Hij gemaakt heeft. Aan de andere kant heeft God er toch geen berouw van, dat Hij met de mens is begonnen. Dan zou God al­leen zijn ge­bleven. Door alle verdriet en teleurstellingen van God heen, houdt God de mens vast en heeft Hij vertrouwen in de mens­heid. Ondanks alles is heel de geschiedenis toch vruchtbaar. Sommigen zijn in de meest barre omstandigheden toch mens geble­ven; dwars door alles heen. Zo za­melt God heel die geschiedenis in. En ondanks al­les kun je aan het eind zeggen: God is er rijker van geworden. Al die mensen had God eerst níet en ook niet al die verhàlen van men­sen. Mensen, die toch iets van het beeld van God hebben laten zien. Misschien wel in Auschwitz.

In zekere zin kun je zeggen: God heeft ook talenten, die zijn verme­nig­vuldigd aan het eind van de geschie­de­nis.

* Vervuld met het ware mens-zijn

De mens als beeld van God. Vervult de aarde. Dat vervullen kwam dus in Exodus 1 weer terug. Egypte wordt dan ver­vuld met Israël. Vervuld met het ware mens-zijn.

«De ganse aarde is van zijn heerlijkheid vol»  Jes.6:3

«De vervulling van heel de aarde is zijn heerlijkheid» AV

Het gaat er dus niet om, dat de aarde in hoeveelheid mensen vol wordt. Heel de aarde moet vervuld worden met het echte mens-zijn. De vol­heid van de aarde is Gods heerlijkheid. Zoals Spreuken zegt:

«In de menigte van volk is des konings heerlijkheid»  Spr.14:28.

Ook in deze tekst gaat het weer meer om de kwaliteit dan om de kwan­ti­teit. De mens is bedoeld als kwaliteitswezen. Vaak ligt er een grauw­slui­­­er over het denken van de mens, die hem in zijn ont­plooi­ing te­gen­­­houdt. Een denken, dat hem ook gedachten van verwerping in­geeft.

* Geen tweede schep­­­pings­verhaal’.

Genesis 2:4 loopt door tot Genesis 4:26.

Je kunt van dit gedeelte niet zozeer zeggen, dat het een ‘tweede schep­­­pings­verhaal’ is.

Het eerste geeft het overzicht van het geheel.

Het tweede verhaal is een nadere uitwerking van het eerste.

Eerst de groepsfoto, daarna de close-up. In Genesis 2 gaat het in het bijzonder over de mens. Dat is bijbelse an­tro­pologie. Het gaat daar ook over de bedreigde hu­­maniteit. De mens krijgt dus de opdracht om veel te worden. Dat speelt ten eer­ste een rol in Exodus1, in Egypte. Ten tweede speelt het een rol in Babel. Zo­wel Babel als Egypte zijn de oorden van de ballingschap. Vergelijk daarmee ook de tekst uit Jesaja:

«De kinderen der eenzame zijn talrijker dan de kinderen der gehuwde» Jes.54:1.

* De onvruchtbaarheid van de aartsmoeders

«De kinderen der eenzame zijn talrijker dan de kinderen der gehuwde» Jes.54:1.

We zien dat al die aartsmoeders onvruchtbaar waren. Dat ‘vruchtbaar worden’ en ‘veel worden’ uit Genesis 1:28 is niet zo­maar een natuurlijk gegeven. Die onvruchtbaarheid van de aarts­moe­ders is juist een belangrijk gegeven in Genesis. Sara, Rebekka, Rachel, Hanna waren allen onvruchtbaar. De vruchtbaarheid is dus niet maar vanzelfspre­kend, er zijn weerstan­den. Hierbij kan je de vraag stel­­len: komt er nu nog een volk van God?

Genesis is immers de wor­ding van het volk van God te midden van de vol­keren. Bij de hei­de­nen is de vermenigvuldiging blijkbaar geen pro­bleem. Komt er een volk van God? Dat is niet natuurlijk, maar bo­venna­tuur­­lijk. Dat is niet vanzelfsprekend. Dat spreekt níet van­zelf, maar God spreekt! En God spreekt niet vanzelf. Niet auto­ma­tisch, maar al­leen als God iets in beweging zet. Door heel Genesis heen, lijkt het wel of het be­staan van God aan een zij­­­den draadje hangt. Zou er nog zaad van Abra­ham overblijven? En die lijn loopt door tot Jesaja 54:

«Veel zijn de kinderen van de eenzame»

«Jubel, gij onvruchtbare (akkara)»  Jes. 54:1.

Je hebt dus het spanningsveld of het wat wordt met het volk van God. In de nadere uitwerking van Genesis 1 en Genesis 2 kom je dat ook weer tegen.

«Toen formeerde de HERE God de mens»  Gen.2:7.

* God en HERE God

Formeren

Let erop: in het tweede verhaal kom je steeds de naam HERE God te­gen. In het eerste hoofdstuk is het steeds God. In het tweede hoofdstuk: Adonai Elohim. Adonai is de verbonds­naam. In het tweede hoofdstuk gaat het dus heel specifiek over God als de Verbondsgod en de mens als verbondspartner.

* Aarde en hemel

«Ten tijde, dat de HERE God aarde en hemel maakte»  Gen.2:4.

In deze tekst staat dus aarde en hemel. In Genesis 1 staat: hemel en aarde. In heel de Bijbel zie je de volgorde he­­mel en aarde. Slechts twee keer in de Bijbel zie je de volgorde: aar­de en hemel. Dat is hier in Genesis 2:4 en ook in Psalm 148:

«Zijn majesteit is over aarde en hemel»  Ps.148:13.

Als opschrift staat boven Genesis 2:

«Dit zijn de verwekkingen van hemel en aarde (toledoth)»

Maar dan begint het verhaal met: «Ten tijde dat de HERE God aarde en hemel maakte»  Gen.2:4. Dit om aan te geven, dat de aarde nu speciaal in het middelpunt komt. Op de aarde gaat het zich dan concentreren op die Adam, de mens. In Genesis 2:5 staan een aantal aspecten, die er eerst niet waren:

* Geen veld­­ge­was,

* geen kruiden uitgesproten,

* geen regen,

* geen adam om de adama te dienen.

«Maar een damp steeg op uit de aarde en die bevochtigde de gehele adama» 

Gen.2:6.

Die damp maakt de aarde dus tot akker. Zo wordt de weg bereid, dat de mèns daar kan leven.

* God formeerde de mens, stof uit de akker

Genesis 2:7 wordt dan de eerste scheppingsdaad in dit verhaal, de eer­ste van zestien daden van God.

«Toen formeerde de HERE God de mens van….»  Gen.2:7.

En nu vertaalt het NBG met: «van stof». Maar dat staat er niet. Daar zijn heel wat misverstanden van in de we­­reld gekomen. Je krijgt dan het idee dat God een soort pottenbak­ker is, die poppetjes van klei aan het maken is.

Het woordje van is door de vertaler ingevoegd. Letterlijk staat er:

«De HERE God formeerde de mens, stof uit de akker»  Gen 2:7. Een kernpunt is, dat de Hebreeuwse mens niet geïnteresseerd is in het materiaal waarvan de mens zou zijn gemaakt.

Stof…. En dan krijg je al die misverstanden over ‘stoffelijk omhulsel’ en ‘stoffelijk overschot’. En dan zegt men: wel, het stof is dus je li­chaam. En dan zegt men: het lichaam is ‘maar stof’, maar gelukkig heb je ook nog een ziel. Dat is echter geen bijbels denken, maar Grieks denken. Plato zei ook al: het lichaam is een kerker. En als je dat lichaam nu maar kwijt bent, dan kun je pas goed hogerop. Dat li­chaam is maar een blok aan je been.

De Hebreeuwse mens is niet geïnteresseerd om dat lichaam in ver­schil­­­lende begrippen op te delen, zodat je zegt: je hebt een lichaam, dat is maar stof, je hebt een ziel, dat is dan een stuk beter. En dan heb je ook nog een geest, dat is dan natuurlijk helemaal jè van het. De Hebreeuwse mens denkt niet analytisch, maar meer synthetisch. Hij zegt: je kunt de mens bezien van twee kanten, maar niet vanuit twee onderdelen, waar­uit die mens is samengesteld. Twee aspecten van het hele menszijn.

Als je hem van de ene kant bekijkt dan zeg je: hij is stof. Niet alleen zijn lichaam, maar de hele mens. En stof is de totale afhankelijkheid. Die mens is afhankelijk van God. Want met stof op zích kun je niets doen, daar kan zelfs een potten­bak­­ker niets mee beginnen. Met leem kun je nog wel iets doen. Hier gaat het om dat rode, pulverachtige stof, dat je op een oosterse akker vindt.

Maar de mens is stof.

«Want Hij weet, wat maaksel wij zijn, gedachtig dat wij stof zijn»  Ps.103:14.

Hier staat dus niet, dat wij van stof zijn. Het gaat er niet om, waarvan je gemaakt bent. De mens zonder God is stof. En stof is de sfeer van het dodenrijk. Het stof op zich kan niets.

«Kan het stof U loven»  Ps.30:10.    

Antwoord: nee! Dat stof op zich is ten dode gedoemd.

Je kunt het menszijn echter ook nog van een andere kant bekijken. Het tweede aspect is dan:

* Leven op de adem van God

«En blies de levensadem in zijn neus»  Gen.2:7. Mens-zijn is ook: leven op de adem van God. W.Barnard zegt zo treffend: “Wij leven van de wind”. Echt mens-zijn is: doorademd worden door God. Als God gaat bla­zen, dan wordt die levensadem aan de mens gegeven, die misjpat cha­jim.

Chajim, leven, is altijd een meervoud. De mens heeft een meer­voudig le­­ven. Het menselijk leven is zeer rijk geschakeerd. Dat heeft ook weer te maken met die kwaliteit. De mens is een bouwer van tijd en hij is een bouwer van ruimte. En dan staat er zo mooi aan het eind van Genesis 2:

«Aldus werd de mens tot een levend wezen»  Gen.2:7. Letterlijk: een levende ziel, een nephesj chajim.

* Je ziel is je persoonlijkheid.

Je ziel is je persoonlijkheid

In feite kun je niet zeggen: je hèbt een ziel, maar: je bènt een ziel. Mis­schien mag je zeggen: je ziel is de kern van je persoonlijkheid. Je moet dus oppassen, dat je de mens niet te veel in vakjes verdeelt. Als beeld heeft men wel eens een schip gebruikt: het hart is het roer, je lichaam is dan de romp, je ziel dat zijn de zeilen en de geest is de wind in de zeilen. De wind, de geest brengt er dus vaart in. Het hart is het roer, want het hart beslist waar je heen gaat.

“Aan het roer die avond, stond het hart” staat zo mooi in een gedicht van Gerrit Achterberg. Je hart is in het bijbelse denken niet zozeer je ge­voel, maar veel meer: je planning. Je lebh;  je moet lef hebben.

Er staat in Hooglied  zo’n mooie uitspraak van de bruid: «Ik sliep, maar mijn hart was wakker»  Hl.5:1. Slapen is vaak beeld van de ballingschap.

Als het hart wakker is, ook in die ballingschap, dan is het goed. “Hart goed, al goed”. In het boek Spreuken staat ook heel wat in verband met het hart.

«Laat uw hart mijn woorden vasthouden» Spr.4:4.

«Behoed uw hart boven al wat te bewaren is»  Spr.4:23.

«Vóór de val is het hart van de mens hoogmoedig»  Spr.18:12.

«Mijn zoon, geef mij uw hart»  Spr.23:26.

* Stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren

«Stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren»  Gen.3:19.

Oppervlakkig gezien, zou je hier denken: je valt weer uit elkaar in de be­­stand­delen, waaruit je gevormd bent. Het gaat hier echter veel die­per: je keert terug tot die sfeer van het dodenrijk. Deze teksten moet je echter ‘in stereo’ horen. Want tegenover Genesis 3:19 staat dan die prach­­tige tekst uit Psalm 113 van Het Hallel. En dit was de eerste psalm die dan op het Paasfeest werd gezongen:

«Die de geringe opheft uit het stof, de arme omhoog heft uit het slijk, om hem te doen zitten bij de edelen»  Ps.113:7.

Het stof heeft dus niet het laatste woord. Dit is een kardinaal punt. Te veel nog wordt bij het woord stof in de Bij­­bel nog gedacht aan materie. Je denkt dan bijvoorbeeld aan een li­­chaam, dat tot ontbinding overgaat of het graf. Stof is dus veel meer een sfeer. En een sfeer is geen materie. Bovendien zit je dan ook nog met de ver­war­ring van de stof en het stof. Bijbels gezien kan iemand nog ‘vrolijk’ rondlopen, maar zich toch al in de sfeer van het stof bevinden.

In de sfeer van ‘aphar, waar je in feite het echte leven mist. Je ‘hebt geen leven’ meer.

In Psalm 113 staan stof en slijk parallel. Als iemand sterft, moet je niet zeggen: zie je wel, hij wordt stof en slijk. Je kunt deze tekst dus niet letterlijk op het natuurlijke vlak op­­­vatten. Elifaz zegt heel treffend:

«Welker grondslag is in het stof»  Job.4:19. 

De fundering van de mens is in het stof. Overigens zeiden die vrienden van Job vaak de vreemdste dingen. In de visie van Elifaz betekent deze tekst: de mens is niet zo veel. Daar zit heel dat beeld in van die mens, die ten dode is opgeschreven. Stof geeft dus een bepaalde sfeer weer. Wij komen dat nog tegen in de uitdrukking: in de goot terecht komen, daar waar stof en slijk is. In plaats van stof zou je ook vaak kunnen spreken van sheoel, het do­­den­rijk. Je zou ook kunnen spreken van de diepte.

* Een geestelijk lichaam

Bij de opstanding van de totale mens ben je volkomen uit die sfeer van het stof. Je krijgt dan een getransformeerd lichaam, een ver­heer­­­lijkt li­chaam. Je zou kunnen zeggen: dat is een lichaam, waarin vol­­­komen de lichtglans van God komt. Van veel mensen is van het aardse lichaam allang geen spoor meer overgebleven.

«Er wordt een natuurlijk lichaam gezaaid, en een geestelijk lichaam op­gewekt» 1 Kor.15:44.   

Dat is dus een lichaam, waar roeach in zit.

Als je spreekt van een geestelijk lichaam, moet je wel weten, waar je het over hebt. Het betekent niet, dat je een schim wordt of een zwe­ve­­ri­ge figuur. Je komt in een hogere staat, maar je blijft mens. God heeft niets hogers dan een mens. God heeft Zich bij de schepping niet vergist. In een geestelijk lichaam zit volkomen roeach, maar er blijft continu­­ïteit. Je blijft dezelfde persoon. Paulus blijft altijd Paulus. En hij draagt nog steeds een verhaal met zich mee. Anders zou de geschie­de­­nis geen zin meer hebben. Steeds wil de duivel de mens zijn verhaal afpakken. Hij wil de geschiedenis uit­wissen, ausradieren. Maar God geeft de geschie­denis niet met het grof vuil mee.

* Hersteld naar Gods beeld

God maakt alle din­gen nieuw, maar Hij maakt geen nieuwe dingen. Wie tot bekering komt, is een nieuwe schepping. Maar daarom ben je nog wel dezelfde mens. Dan word je helemaal hersteld naar Gods beeld en naar Gods ge­lij­ke­nis. Dat is dan de voltooiing van Gods schep­pings­werk. Dan wordt het li­chaam helemaal aan de sfeer van het stof ont­heven.

«Wij zuchten bij onszelf in de verwachting van het zoon­schap: de ver­lossing van ons lichaam»  Rom.8:23.      

Dat betekent niet dat je verlost bent vàn je lichaam, maar dat je lichaam ver­lost wordt. «Zo werd de mens dus een levende ziel» Gen.2:7.

In deze tekst werd het mens-zijn dus van twee kanten bekeken. En leven in de Bijbel is: geschiedenis maken. Leven is meer dan alleen maar bestaan. Zoals David zegt: de Here leeft! Dat betekent niet alleen, dat Hij bestaat. Ook de dui­­­vel gelooft, dat God bestaat. Van de duivel kun je zeggen: hij be­staat; maar je kunt niet zeg­gen, dat hij leeft. Hij weet ook niet wat le­ven is. De duivel maakt alleen maar anti-geschiedenis, hij wil de ge­schie­­denis uit­wis­sen.

* En het geschiedde

Zo staat het zo mooi in Lucas 2 (drie maal): «En het geschiedde» De herders zeggen dan: «Laten wij naar Bethlehem gaan, om het woord te zien, dat geschied is»

Helaas is dat in het NBG wegvertaald. Dus wanneer het woord van God komt, vindt de mens een antwoord. Dan geschiedt er eindelijk wat. De mens is bedoeld, om samen met God te creëren. Maria ant­woordt dan ook in Lucas 1: «Mij geschiede naar uw woord»  Luc.1:38.

* Adam geeft namen

«En de HERE God formeerde uit de aardbodem al het gedierte des velds en al het gevogelte des hemels. Ook bracht Hij het tot de mens, om te zien hoe deze het noemen (roe­pen) zou; en zoals de mens elk levend wezen noemen (roepen) zou, zo zou het heten (zijn naam zijn)»  Gen.2:19.

Wezens zonder naam zijn niet af. Zo wordt de mens betrokken in dat schep­­­pingswerk. God gaat die namen achteraf ook niet verbeteren. Zo zei een geleerde: God gaf het mysterie van de schepping niet aan de mens om het alleen maar te bestuderen, maar met het oog op de con­­­ti­nuering van het werk van de schepping. God legt het boek van de schepping in de handen van de mens. God geeft de mens ook speelruimte. Dat hoort ook bij dat menszijn. En als je iemand speelruimte geeft, dan loop je wel een risico. Wat gaat de mens met die speelruimte doen. God neemt het risico om die mens in het scheppingsboek te laten schrijven. Adam moest namen geven. Hij moest die dieren niet nummeren. En God zag ook, dat dít goed was.

* Het begrip trimtsum

Dan nu iets over het begrip trimtsum. Dat kan aan de ene kant betekenen, dat God in de schepping bin­nen­­komt. Dat is Gods intrede. Zíjn tijd komt in ónze tijd. En ónze tijd komt in Zíjn tijd. Daar zit ook nog de kant aan, dat God Zich terugtrekt om de mens ruim­­­te te geven. God geeft de mens ruimte, zelfstandigheid. Dus het is niet zo, dat alles van tevoren al vast ligt. Dus niet bijvoorbeeld zoals in sommige kringen wordt gezegd: als God wil, dat ik tien kinderen krijg, dan komen er ook tien. En dan zie je ook inderdaad, dat een vrouw zich van kraambed tot kraam­bed voortsleept. Dan wordt heel het aspect van de menselijke verant­woor­delijkheid van de tafel geveegd.

Wat is belangrijker: de moeder, die nog adem heeft om mens te zijn of dat ze een machine is om te pro­duceren.

* Drie aspecten van het menszijn

In Genesis 2 gaat het in feite om drie aspecten van het menszijn:

Dat begint in Genesis 2:4 en loopt dan door tot Genesis 4:26.

1. Je bent mens voor Gods aangezicht.

2. Je bent mens als man en vrouw. Dat zie je vooral in Genesis 3.

3. Je bent mens als man en broeder. Dat zie je vooral in Genesis 4.

Dat zijn de drie grondrelaties, waarin het menszijn gestalte krijgt. Mens ben je nooit op je eentje.

­

* Mens ben je nooit op je eentje

«Het is niet goed, dat de mens alleen zij»  Gen.2:18.

Dat zegt God! Er is dus een alleen-zijn, die ook niet door de aanwe­zig­­heid van God wordt opgeheven. Anderzijds geldt ook, dat een alleenstaande mèt God, compleet mens kan zijn. Je kunt ook misbruik maken van dergelijke teksten en zeg­gen: dan maar trouwen, anders is het niet goed. Een mens kan tòch als al­leen­staande in zoveel verbanden functioneren, dat hij best com­­­­pleet mens kan zijn. In die relaties kan dat beeld van God er vol­ko­men uitko­men.

* Een schepsel is een te­gen­­over van God

Toen God ging scheppen beperkte Hij als het ware zijn machtsge­bied. In feite deed God een stap terug. Want eerst was God alles en er was niets buiten Hem. Hij neemt wat minder plek in en daardoor komt er ruimte voor iemand tegenover Hem. Een schepsel is een te­gen­­over van God. Dat is een fundamenteel punt van het bijbelse scheppings-denken. Je hebt allerlei theorieën, onder andere het pantheïsme, die zeggen: de schepping vloeit uit God voort, maar dat is niet bijbels.

De schepping is niet een soort uitvloeisel of aanhangsel van God. Het schep­­­sel is iets buiten God. Het is Gods partner. Het is juist de el­len­­­de van al die oosterse religies, dat je nooit partner kunt zijn. Je bent daar een druppel in de oceaan. Nou, dan ben je nergens meer. Dan word je ziel opgelost; dan kun je de tent wel sluiten. Zo was er een lied waarin stond: “Totdat mijn ziel is opgelost in Jezus”. Maar dat is niet bijbels. Je bent niet opgelost; dat is niet de oplossing. Je moet niet opgelost wor­den; God bedoelt juist, dat je er bènt. Je mag er zijn!! Als je opgelost bent, heeft God nog niets. Het is juist de bedoe­ling, dat de mens een persoonlijk­heid wordt. Je ziet in de boeken van het zogenaamde O.T. duidelijk, dat de mens best het een en an­der durft te zeggen. En God durft ook heel wat tegen de mens te zeg­gen.

* Het woord beproeven

Als God spreekt, zit daar ook iets in van een uitdaging. Dat woord spoort je aan. Het woord van God spoort je aan en oefent druk op je uit. En omge­keerd ga jij ook druk op dat woord uitoefenen. Je wil wel eens zien, wat er uit dat woord komt. Je wilt dat woord wel eens be­proe­ven. De mens wordt een levende ziel door de adem van God. Door die adem wordt hij aangeblazen. Maar nu mag de mens op zijn beurt ook dat woord weer aanblazen. Door de adem van de mens wordt die vuur­gloed aangewakkerd. Vergelijk de tekst uit Timoteüs:     

«De gave Gods aan te wakkeren die in u is»  2 Tim.1:6.

Je ziet zo, dat het geen statische zaak is. Als Jezus daar met die Emmaüsgangers heeft gewandeld, zeggen die man­­nen: «Was ons hart niet brandende in ons». Jezus had ze her­in­nerd aan al die woorden van de Torah, vanaf Mozes. En dan gaat die vlam weer branden, bezielen, beademen, aansporen, druk uitoe­fe­nen.

* God is blij met vragers

De Emmaüsgangers stelden ook vragen. In de Joodse traditie is het vra­­­gen soms belangrijker dan de antwoorden. Dat is ook de roe­ping van de gemeente: vragen stellen. De vragen te stellen, die niemand meer stelt. In de loop van de tijd is er vaak al zo veel geantwoord, ter­­­­wijl er nie­mand iets vroeg. En als je zegt: we zijn het in de kern met el­kaar eens, dan moet je wel weten wat die kern is. Zalig de mens die vraagt, want hij zal onderwezen worden. Vragen betekent, dat je geest wakker wordt, dat je weer mens gaat worden. Juist kin­de­­ren stellen allerlei vragen. Door de ouderen is hen vaak het vra­gen-stellen af­geleerd. Je hebt meelo­pers en je hebt dwarsliggers. En juist het volk van God zijn vaak de dwars­liggers geweest. Dat volk stelde vaak de lastige vra­­gen. Darsjenu, vraag ons. God is blij met vragers (darsjenu = door­zoek ons).

* Mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen

«Mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen»  Gen.1:27. Het Hebreeuwse woord voor man = iesj en voor vrouw = isja. Men vertaalt dat dan wel met man en mannin (Gen.2:23). Het woord iesj heeft drie letters in het Hebreeuws: een aleph en een jod en een sjin. Het woord iesja heeft een aleph, een sjin en een hé. Isja lijkt op het eerste gezicht de vrouwelijke vorm van iesj. De man heeft dus een letter, die de vrouw níet heeft, namelijk de jod. De vrouw heeft een letter. die de man niet heeft, de hé. Als je nu achter elkaar de letters zet, die ze niet gemeenschappelijk heb­ben, namelijk de jod en de hé, dan krijg je jh, JH.

* Man en vrouw zonder God wordt tot vuur

En JH is de korte Godsnaam. De lange is dan JHWH. Die korte Godsnaam zie je bijvoorbeeld in Halleluja. Je ziet dus: man en vrouw hebben beiden iets specifieks, dat als dat wordt samengevoegd de naam van God oplevert. Daar is de inwoning van God tussen hen beiden (aldus rabbi Meïr). Als je de inwoning van God er nu uithaalt? Bij de vrouw haal je de weg en bij de man doe je de jod weg; dan krijg je in het Hebreeuws een woord met twee letters en wel het woord eesj, dat vuur betekent. Als je de inwo­ning van God eruit haalt, dan houd je bij man en vrouw alleen een ver­­­­terend vuur over.

Als de inwoning Gods verdwijnt, ont­staat er een dub­­­­bel vuur, dat hen verteert. Want iesj zonder jod wordt eesj en isja zonder hé wordt ook eesj. Man en vrouw zonder God worden tot vuur, het ongeremde vuur van de hartstocht.

* Opdat zij heersen

«En God zeide: Laat Ons mens maken…opdat zij heersen»  Gen.1:26.

Er staat dus niet: opdat hij zal heersen. Er wordt meteen een meer­vouds­vorm gebruikt. Man en vrouw zitten dus besloten in dat Adam (= mens). Dat heersen is dus niet specifiek voor de man, maar is net zo goed weg­gelegd voor de vrouw.

* En God schiep de mens naar zijn beeld

«En God schiep de mens naar zijn beeld»  Gen.1:27

Dat zijn kan ook opgevat worden als: zijn eigen beeld, het mens­beeld. De mens wordt dan gemaakt naar het model, dat voor hem ge­­maakt was, uit de structuur, die God voor hem bedoeld had. In het Hebreeuws staat er letterlijk in Genesis 1:27:

«Schiep God de mens in zijn beeld… in het beeld Gods schiep Hij hem mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen»  Gen.1:27

Genesis 1:27 is in feite een gedicht, dat uit drie regels bestaat. Het is op­val­lend, dat in heel dit vers maar zeven woorden voorko­men, zeven ver­schillende woorden. Uit die zeven grondwoorden wordt een gedicht gecomponeerd van drie regels. En in elke regel vier woorden.

De eerste twee regels vor­men een chiasme, een kruis­stel­ling.

Bij regel 1 zie je dat beeld aan het eind en in regel 2 aan het begin.

Schiep staat in regel 1 aan het begin en in regel 2 aan het eind.

Dat scheppen staat dus als een kader om die twee regels heen. Het beeld wordt omsloten door dat scheppen. Zo wordt dus ook com­po­si­to­risch iets uitgebeeld. Het scheppen van God omsluit dat beeld, dat te­voorschijn komt. Het beeld van God komt dus te voorschijn vanuit dat scheppen van God. De nadruk valt dus op het beeld, want dat staat in het mid­del­punt. Het beeld wordt als het ware afgeschermd door dat scheppen. Het lijkt een gesloten geheel; je kijkt ernaar, maar je kunt er nog niet in. Je kijkt naar dat scheppen en je ziet, wat er in dat schep­pings­werk van God tot stand komt, maar je kunt er nog geen deel aan heb­ben. Het is als het ware een schitterend gebouw, waar je nog niet in kunt.

De derde regel vormt dan de deur om dat gebouw binnen te komen.

Regel 2 en 3 vormen een parallellisme. Als je regel 2 en 3 met elkaar ver­gelijkt, dan zie je, dat dat scheppen op dezelfde plaats staat; aan het eind staat hem en hen.  Het object loopt ook precies parallel. En die bijwoordelijke bepaling staat bij beide regels aan het begin, na­me­lijk res­pectievelijk: ‘het beeld Gods’ en ‘mannelijk en vrouwelijk’. Daaruit volgt, dat mannelijk en vrouwelijk de sleutel vor­men om zicht te krij­gen op het beeld Gods in regel 2.

Het beeld Gods wordt dus helder, trans­parant gemaakt door de term:

man­nelijk en vrouwelijk.

Je kunt zeggen, dat je hier te maken hebt met een beeldtaal, met een beeldspraak, een metafoor. Bij een metafoor heb je een voertuig en een inhoud. En de inhoud is het beeld Gods, maar om die inhoud aan­schouwelijk te maken, wordt er een voertuig gebruikt, namelijk man­nelijk en vrouwelijk. Het bekende, namelijk mannelijk en vrou­we­lijk, wordt gebruikt om het onbekende, namelijk het beeld Gods te ver­dui­de­lijken.

De vraag was immers: wat wil dat zeggen, dat beeld Gods.

Deze studie is in gebonden vorm te verkrijgen bij:

E.Mail: jh.ree@kpnmail.nl

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Sagrada Familía in Barcelona

Enige tijd geleden zijn we enige dagen in Barcelona geweest. Een prachtige stad. De prachtige kathedraal de Sagrada Família was voor mijn vrouw en ik het absolute hoogtepunt. In 1883 begon de architect Gaudí zijn levenswerk. Nu 138 jaar later genieten miljoenen mensen per jaar van deze nog steeds onvoltooide kerk. Indrukwekkend is de schitterende […]

572201 bezoekers sinds 07-06-2010