Geloof

30-05-2010 door Joop Neven

“Opdat gij, gelovende, leven moogt hebben in Zijn naam” {Job 20 vers 31}.

Het bijbelse woord “geloven” betekent eigenlijk: “God vertrouwen” Ongeloof is: “God wantrouwen”. Geloof of ongeloof in bijbelse zin betekent dus niet een aannemen of verwerpen van een aantal waarheden. Thomas is in ongeloof gevallen. Hij wantrouwde God. Waarom? Op grond van zijn levenservaring. Hij heeft in Hem de Messias, de Verlosser van de wereld herkent. Hij heeft zijn Woord gehoord, Zijn wonderdaden aanschouwt. Hij heeft Hemzelf als Meester mogen ontmoeten en liefhebben. Toen is het gebeurd: De Here Jezus is gestorven. Hij is dood. God heeft dit vreselijke niet verhinderd, God heeft het toegelaten dat Zijn Zoon vermoord werd. Dat is de reden waarom Thomas God niet meer vertrouwd {geloofd}. De slechte ervaringen van het leven zijn altijd weer de redenen tot ongeloof. Hoe kan een God van liefde dit toelaten. Vervolgens komt de boodschap van Maria, dat zij de Heer gezien had. Men komt verheugd samen, achter gesloten deuren. “De andere discipelen dan zeiden tot hem: wij hebben de Here gezien! Maar hij zeide tot hen: Indien ik in zijn handen niet zie het teken der nagels en mijn vingers niet steek in de plaats der nagels en mijn hand niet steek in zijn zijde, zal ik geenszins geloven” {Joh.20 vers 25}. De grond van het ongeloof of wantrouwen van Thomas tegen God is, wat algemeen de grond is van alle ongeloof, namelijk het centaal stellen van de eigen levenservaring. Daarmee wordt alles verworpen wat daar boven uit gaat. Het verhaal van Thomas laat ons zien, dat de liefde van God zo groot is, dat de opgestane Heer de beperkte denkwereld van Thomas binnentreedt. De deuren zijn gesloten, en toch treedt de Heer binnen, en richt Hij Zich persoonlijk tot Thomas: “Breng uw vinger hier en zie mijn handen en breng uw hand en steek die in mijn zijde, en wees niet ongelovig, maar gelovig” {Joh.20 vers 27}. Het feit van de opgestane Heer is nu voor Thomas werkelijkheid. Hij zegt: “Mijn Here en mijn God!” De grond van het geloven {vertrouwen} ligt bij Thomas nog steeds in de persoonlijke ervaring. Hij moet gezien hebben, anders geloofd hij niet. Wat dit geloof betekent, zegt Jezus in de volgende tekst: “Zalig zij, die niet gezien hebben en toch geloven” {Joh.20 vers 29}. De tekst bergt in de grammaticale vorm een duidelijke aanwijzing: “Omdat gij Mij gezien hebt, hebt gij geloofd”, staat in het perfectum. Dat zien en het geloven hebben een eindpunt bereikt. Ze zijn definitief. Thomas gelooft. De woorden “zalig zij, die niet gezien hebben en toch geloven” staan in de aoristus, onbegrensd, onbepaald. Het gaat hier om onbegrensd niet zien en onbegrensd geloof hebben in God. Dit is een geloven van God op grond van liefde.

Commentaren zijn gesloten.

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

410031 bezoekers sinds 07-06-2010