Geliefd is de mens

13-06-2010 door Dr. K.D. Goverts

Verhalen over mensbeeld en Godsbeeld.  

Geboorte en wedergeboorte   

In het kader van het mensbeeld in de Bijbel willen we gaan bezien, wat de oorsprong van de mens is. We zullen ons ook gaan verdiepen in enkele ge­boorte­verha­len. Er s­taan namelijk nogal wat geboor­te­ver­halen in de Bij­bel. Van daar­uit kun je ook gaan ontdekken hoe een mens geboren wordt in géés­­te­lijke zin. In wezen gaat het hele boek Genesis daarover. Genesis is het boek van de verwekkingen, de To­le­doth. Het is altijd weer heel fasci­ne­rend wanneer een mens gebo­ren wordt, wanneer hij wordt ge-baard, geopen­baard.

Hoor, maar ik kan niet horen,

Ik ben nog niet geboren,

Ik ben niet ‘ik’.

Verhalen over geboorte en wedergeboorte. Wedergeboorte betekent ei­gen­lijk vanuit Johannes 3, dat je van boven ge­boren wordt. «De eeuwige God is een woning en onder u zijn eeuwige armen. Om­dat Hij de vijand vóór u verdreef en zeide: Verdelg!» Deut.33:27. Dit is een schitterende tekst. Het zijn zo ongeveer de laatste woorden die Mo­­zes heeft gesproken. En dan denk je: wat heeft Mozes nu aan het eind van zijn leven over­gehouden? Wat heeft hij toen nog geloofd? Eerst veertig jaar in Egypte, dan veertig jaar in de woestijn achter de schapen, en tenslotte veertig jaar door de woestijn met het volk Isra­el. Wat geloof je nog na al die perioden? Heb je dan nog moed, of gaat je ge­loof als een nachtkaars uit. Er staat ergens: het einde van een zaak is beter dan het begin. En bij Mozes is dat toch ook wel waar. «Mozes was honderdtwintig jaar oud, toen hij stierf; zijn oog was niet ver­duis­terd en zijn kracht (zijn fris­heid) was niet geweken» Deut.34:7. Mozes heeft aan het eind van zijn leven nog geloof gehad. En als je vraagt: wat was nu het geheim van Mozes’ ge­loof, dan kom je toch op een funda­men­teel punt. Het is goed om dat ook eens aan elkaar of aan jezelf te vra­gen: wat geloof ik, en waar rust mijn geloof op?

De eeuwige God is u een woning

Een verblijfplaats, een plek waar je beschermd bent. Ook Buber ver­taalt het zo: «een beschermende burcht». Dat is de woning voor de mens, die eeu­wi­­ge armen die je dragen.

De eeuwige God

Vanuit het Hebreeuws kun je zeggen: ‘De aloude God’, de God van de oer­tijd. Maar de gedachten van God kunnen altijd nog grootser, nog stralen­der worden. ‘De eeuwige God’  kun je ook vertalen als: ‘De God van de oorsprong’. Dat kunnen we ook als motto zetten boven deze week. Hij is de God van je oorsprong. En dan kom je op een heel fundamentele vraag. En dat is in wezen ijzer­sterk: Waar kom je vandaan? Misschien is dat de belangrijkste vraag die de mens in zijn leven kan stellen. In Genesis 16 komt een engel bij Hagar in de woestijn en vraagt: waar kom je vandaan en waar ga je heen? Jezus zegt in Joh.8: «Ik weet waar Ik vandaan kom en Ik weet waar Ik heen ga». Dat was ook het geheim in het leven van Je­zus. Want ze probeerden Jezus ook op allerlei manieren klein te krij­gen. Dat is altijd de tactiek van de duivel: kleineren en klein houden. ‘Het wordt toch niets met je, vergeet het maar’. Maar dan komt God en zegt: vergeet het nou eens niet! Weet je wel waar je vandaan komt? En dat is een van de sterkste wapens tegen de duisternis. Als ze Jezus proberen te kraken en proberen te vloe­ren, en als ze zeg­­­gen: we zullen eens even vertellen wat Hij is: Hij is een Sama­ri­taan, Hij deugt niet, en dit is niet goed en dat is niet goed, dan zegt Jezus heel simpel: Ik weet waar Ik vandaan kom. En Ik weet daarom ook waar Ik heen ga. Ik ga heen, daar waar Ik ook vandaan kom. En dat zegt Jezus – en dat is toch ook weer heel fun­damenteel – dat zegt Je­zus als Mens. Jezus, die honderd procent mens was, één van ons, en vanuit zijn totale mens­zijn, van daaruit kon Hij zeggen: Ik weet waar mijn oor­sprong ligt. Daarom is het voor een mens ook heel belangrijk om op zoek te gaan naar zijn oorsprong. Misschien is dat ook vaak de tragiek van men­sen, dat ze hun oorsprong kwijt zijn. Dan ben je helemaal overgele­verd aan de dingen van de dag, aan de lotgevallen, aan het toeval. En dan ga je ronddraaien in de cirkel van de feiten. Als je de oorsprong van een beekje in de bergen wilt vinden, moet je soms heel ver stroomopwaarts gaan en heel wat klauteren en klim­men. Zo ga je terug naar dat oorspronkelijke spoor, zoals ook Psalm 17 zegt: «Ik zet mijn treden in uw spoor».

De God van de Oorsprong

Je kunt het ook vertalen met: ‘De God van voren af’: Elohim Kèdem. En kè­dem betekent: datgene wat vooraan ligt. Het kan ook beteke­nen: het oos­ten, de plek waar de zon opgaat. Het is dus ook de plek waar je opgaat, de plek van je opgang. En als je wilt weten waar je naar toe gaat, dan moet je bestuderen waar het begin ligt. Waarom kent God het einde: omdat Hij het begin weet. Zalig is de mens die het begin kent; zalig zijn de kenners van het begin. En het boek Genesis héét ook: het boek van het begin. Iemand zei eens in een zangdienst: ‘De Bijbel is het Boek van je oor­sprong’. De Torah is het Boek van je oorsprong. Genesis tot en met Deuteronomium: vijf boeken over je oor­sprong; bronboeken. Die boe­ken zijn als het ware fonteinen. «Al mijn fonteinen, al mijn bronnen, zijn in U», zegt Psalm 87. D­e Torah bestaat niet uit een aantal wetten, maar het is je oorsprongsboek. Dat zijn de boeken om bij de Bron te komen. En in het Thomas-Evangelie staat: «Velen zijn reeds tót de bron, maar weinigen zijn er ín». Daar zit ook een les in. Het gevaar kan zijn, dat je er alleen maar een beetje omheen draait. Kom in die bron, ga je maar thuis voelen bij je oor­sprong. Je mag weer één worden met je oorsprong. Ik denk dat Jezus daarom ook zo vaak de berg opging. Dat staat ver­schil­len­de keren in de Evangeliën. Hij ging de berg op om in de een­zaam­heid te bidden, staat er dan. En dan kun je je afvragen: wat zou Jezus nu die hele tijd gedaan hebben, nachten lang daar op die berg. Waarschijn­lijk niet een vragenlijst afwerken: Wilt U hiervoor zorgen, wilt U daarvoor zorgen, wilt U dit niet vergeten, wilt U daaraan den­ken… Ik denk dat Jezus dan bezig is ge­weest om weer helemaal ‘in zijn oorsprong te stappen’, om weer hele­maal bij zijn oorsprong te­recht te komen, om weer opnieuw de Vader te be­le­ven. Dat staat zo prachtig in eenlied:      

Vol van verwachting zijn wij  gekomen,

Om weer te weten waartoe wij bestaan.

Daarom dat laatste woord van Mozes in Deut.33: ‘De God van je Oorsprong’. Dat betekent dus, dat God en mens van huis uit bij elkaar horen. Dat is een fundamenteel punt. Dat staat zo mooi in Jesaja: «Ik ben geen vreemde onder u». Als je bij God komt, kom je niet bij een Vreem­­de.

Terug in het Vaderhuis

In Lucas 15 staat dat overbekende verhaal van – wat dan meestal op die ma­nier wordt aangeduid – de verloren zoon. Die zoon komt weer te­rug in het Vaderhuis. Hij komt dus thuis; hij hóórde daar dus ook thuis. Uiteindelijk kwam hij daar ook vandaan. Hij komt daar niet als een vreemdeling. En als die verloren zoon weer de straat in komt lopen en hij weer de boerderij ziet, dan denkt hij: Hier ben ik als kind ook geweest. En als hij dan weer binnen is gekomen, herkent hij ie­der meubel, ieder kopje. Hij kent het kraken van de trap en het pie­pen van de deur. En hij voelt zich weer thuis in zijn oor­spronkelijk huis, hij gaat zich weer thuis voelen bij zijn Vader. En dan kun je jezelf de vraag stellen, een fundamentele vraag: Voel ik me al een beetje thuis bij God? Ik kan me bijvoorbeeld bij Calvijn moei­­lijk voor­stel­len, dat hij aan de mensen zou vragen: voel je je al een beetje thuis bij God? Nou heb ik echt niet zo veel tegen Calvijn, een paar din­gen maar. En misschien kan ik dat ooit nog eens met hem uitpraten.

Dogmatiek en verharding

Calvijn was ook een kind van zijn tijd, hij heeft ook veel goede dingen ge­daan; laten we hem nou niet overal de schuld van geven. Voor je idee was het bij Calvijn toch allemaal wat streng, wat grim­mig, wat dogmatisch. Je kunt een mens met dogma’s soms heel veel pijn doen. Dog­ma­tiek kan zijn, kan worden, tot een soort harnas waar je in moet leven, waar je in moet lopen. David kon ook niet uit de voeten in dat har­nas van Saul; het zat te strak. Soms moet je van dogma’s ook genezen; ook dat kan soms een langdurig proces zijn. En dogma’s heb je in alle maten en soorten. Je kunt ook misschien een heel dogma­ti­sche opvoeding hebben gehad; op­voe­ding aan de hand van stellingen. Misschien heb je een heel rechtlijnige, een heel orthodoxe opvoeding gehad. Eén-twee in de maat, anders wordt God kwaad. En waag het niet anders te denken; u wordt gecontroleerd! Mensen ervaren soms de pijn van zo’n dogmatische opvoe­ding. En dan zie je vaak in de praktijk: hoe zuiverder in de leer, hoe meer pijn er blijkt te zijn. En dan zie je ook dat die mensen een bepaalde hard­heid over zich krijgen; dogma’s maken de mens vaak keihard.

Prediker, de Verzamelaar

«Wie is als de wijze? En wie kent de verklaring der dingen? De wijs­heid van een mens doet zijn aangezicht lichten, zodat de hardheid daar­­van veran­dert» P­red.8:1. Die Prediker is toch wel een heel merkwaardige figuur geweest. En Prediker heeft in het Hebreeuws een naam die zoiets betekent als Ver­zamelaar. Het kan ook zoiets betekenen als: de Samenroeper, de Vergade­raar. En het merkwaardige is, dat het ook nog een vrouwelijk woord is. Er staat dus letterlijk: Mevrouw de Verzamelaar. In de Schrif­­­ten telt de vrouw helemaal mee! Er gaat dus iemand rond om te ver­zamelen. En je krijgt soms het idee, dat die gestalte – die wij dan kennen onder de naam Prediker – be­zig was alles te verzamelen wat juist overal buiten viel. Dat zijn ook de mèn­sen die er buiten val­len, de mensen die niet in het schema passen, de men­sen die niet keurig in de maat lopen. Mensen die het soms met wat min­­der dog­ma’s doen en misschien juist daarom nogal vrij en blij kunnen leven. Prediker verzamelde dus blijkbaar alle gedachten en alle mensen die ner­gens terecht konden. Prediker is een soort tehuis voor daklozen, een asiel voor zwervers, een soort pel­grimsoord. Of een wegrestaurant voor ver­moeide reizi­gers. Met een her­bergier die zegt: kom maar, leg je dogma’s maar neer en rust wat uit. Zoals Jezus zegt: Kom tot Mij als je moe en be­last bent en Ik zal je rust geven, Ik geef je sjabbat. Ik geef je de zevende dag: eindelijk adem. «Wie kent de verklaring der dingen», zegt Prediker dus. Een Franse vertaling zegt: «Wie kent de zin van het woord». Je kunt daar ook vertalen: «Wie kent de richting van de dingen». Je moet dus de zin, de uitleg van dat woord kennen. An­ders kan dat woord tot een blok beton worden, heel mas­sief. Je kunt iemand ook met dat woord om de oren slaan: Hier! ‘k Heb een tekst voor je. En Pau­lus zegt dat ook in 2 Kor.3: «De letter doodt»; je kunt ook vertalen: «de tekst doodt». Je kunt iemand met teksten doodgooien. Dat is ook al heel vaak gebeurd. Prediker heeft waarschijnlijk een hele geschiedenis achter de rug, waar­­schijn­lijk heel die historie van de bal­lingschap en van de pijn en de omzwer­vin­gen. En de mensen zeiden: ja maar, dat klopt allemaal niet. We hebben ge­loofd, maar er klopte niets van. We hebben al die dog­ma’s vast­gehouden en toch gingen we in ballingschap en we kwa­men in Babel te­recht. En nu zitten we met de brok­stukken. Alleen nog maar brokken leer. Het was als een soort lawine die van de berg af kwam; en je kon misschien nog net het vege lijf redden. En dan zegt Prediker: mensen, kom maar. ‘k Heb nog wel een preek voor de mensen die daar onderaan de berg zitten. ‘k Zal het je vertellen: «Wie kent de zin van de dingen».

De wijsheid van een mens maakt het aangezicht licht

zegt Prediker dan. Dat is fijn om naar te kijken. ‘t Is heerlijk als je men­­sen te­genkomt met een licht aangezicht. We hebben heel die bal­lingschap gehad, zegt Prediker, maar toch kan het gebeuren, dat je aan­gezicht licht wordt. Lichte ogen. Zoals er van Lea staat: «Lea’s ogen waren teder» Gen.29:17. Dus niet: flets, zoals het NBG helaas vertaalt. Want dan denkt ieder­een met­een: ja, geen wonder dat Jakob haar niet moest. Tedere ogen, dat is toch wel een heel mooie uitdrukking. En dan denk je: die coheleth, die verzamelaar heeft het gezien. En hij zegt: het kan gebeuren, dat de ogen van een mens zacht worden en teder, licht worden en… «Zodat de hardheid daarvan (van het aangezicht) verandert» Pred.8:1.Dat heeft dus ook te maken met: terugkomen bij je oor­sprong. Wat is het heer­lijk als een mens een beetje min­der hard wordt. En als het Evangelie dàt uitgewerkt heeft, dat een mens een beetje minder hard is geworden, dan is dat een reden tot blijdschap. Dan kun je zeggen: Het Koninkrijk is niet ver meer. Je ziet vaak, dat hoe dogmatischer iemand is ingesteld, des te harder die per­soon wordt of is. Als je in be­paalde plaatsen komt waar het klimaat van­ouds heel dog­matisch is geweest, dan is dat vaak te zien of te merken. Het is net alsof mensen dan op hun strepen moeten gaan staan, ze moeten een leer verdedigen. Vroeger had je de uit­druk­­king: ouderlingen die ‘op de leer za­ten’. Deze opzichters zaten te luisteren of de predikant soms niet een ver­keerd woord zei, of de do­minee geen ketterijen verkondigde. En als dat dan het geval was ge­weest, gaven ze hem na afloop geen hand meer. De hardheid van je aangezicht verzacht. Dat heeft toch ook te maken met het terugkomen bij je oorsprong. Ook Jezus was er voortdu­rend mee bezig om mensen bij de hand te nemen om ze terug te brengen naar hun oorsprong. Ik ga je weer bren­­gen naar waar je van­daan komt. Net als die zoon uit Lucas 15, die weer thuiskomt.

“Voel je je al een beetje thuis bij God?”

In de loop van de eeuwen is deze vraag bijna nooit ge­steld. Kind van God, maar dan ook Kind aan Huis bij de Vader.

Licht, dat ons aanstoot in de morgen

Dat staat zo mooi in een lied: “Licht, dat ons aanstoot in de morgen”. Dat licht dat je aanstoot ‘s morgens en zegt: Kom maar, wakker wor­den. En je gooit je gordijnen open en dan zie je het zonlicht, het eerste licht van de nieuwe dag. En het licht stoot je aan en zegt: het is tijd om op te staan. Vaderlijk licht. Dat licht dat als een Vader zegt: Kom maar, de dag be­­gint. Stap maar uit de nacht, stap maar in de dag.

Vaderlijk licht, steevaste schouder,

Draag mij, ik ben uw kijkend kind.

Draag mij maar, want ik ben je kind en ik wil rondkijken, net zoals een kind dat doet, heel onbevangen. Een kind wil alles zien en wil al­les weten, een kind is niet dogmatisch. Een kind zegt niet van huis uit: ja, maar dat moet ik eigenlijk maar niet doen en dat moet ik niet zien en daar ben ik tegen. Een kind wil alles zien, of het nu bloemen zijn of kikkers.

Draag mij, ik ben jouw kijkend kind.

Kind in mij, kijk uit mijn ogen.

Dat is ook een heel mooie regel uit dat lied. Heel vaak zie je, dat het kind in iemand is doodgegaan. Dat kind mocht er soms helemaal niet zijn. En dan moest je groot zijn, en je moèst, je werd afgericht. Je moest je rol spelen. Ze zijn er, die helemaal geen kind meer moch­ten wezen. Je mocht niet huilen als het pijn deed en je mocht niet lachen of uitbundig zijn. Uitbundig zijn, dan­sen en springen, nee, dat mocht niet. Een beetje stil graag, een beetje rus­tig graag en niet te veel rom­mel maken in de kamer, want het moet netjes zijn als er gasten komen.

Kind in mij, kijk uit mijn ogen…

Meestal zijn we gewend dat er gezegd wordt: Kind, kijk uit je ogen! Kijk uit mijn ogen! Zoals Mozes, die mocht kijken in het Land der Be­lofte. Teruggebracht worden naar je oorsprong. Jezus nam de mensen mee in het spoor terug, het originele spoor.

Paulus in Athene

«En Paulus op de Areopagus staande, zeide…» Hand.17:22 Paulus in Athene. En Athene is best een leuke plaats om eens te pre­ken. En wat voor preek moet je nu in Athene houden? Athene is dè stad van die oude Griekse cultuur. Uilen hoef je daar niet heen te bren­­gen, zegt het oude spreek­woord al. Uilen naar Athene dragen is net zoiets als water naar de zee dragen. Wijsheid hebben ze voldoen­de in Athene. Het is een stad die kan bo­gen op een eeuwen­oude be­schaving. Wat ga je nu in Athene ver­tel­len? «Mannen van Athene, ik zie voor mijn ogen, dat gij in elk opzicht een bu­i­­­ten­ge­woon ontzag voor godheden hebt» Hand.17:22. Dat hebben ze wel, heel veel ontzag, heel veel religi­ositeit, ze zijn op en top re­ligieus. Daar zie je ook, dat de mens het van huis uit in zich heeft, om op zoek te gaan naar God. Want let wel: Paulus kraakt dat niet af. Pau­lus zegt niet: Mensen, jullie zijn zeer godsdienstig, maar dat kun je beter niet wezen, dat zet toch geen zoden aan de dijk. Zal ik jullie eens wat zeggen: dat is hei­dendom! Nee, dat zegt Paulus niet. Paulus zegt: jullie zijn daar heel intens mee bezig. De mens is van huis uit een religieus wezen. Dat hoort bij een mens, een mens hoort van huis uit bij God. Augusti­nus zei het ook al: “Het hart is onrustig, tot het rust vindt in U”. Een mens is van nature een zoeker, op zoek naar eeuwig­heid, op zoek naar geest, op zoek naar inspiratie. Je kunt zeggen: atheïsme is zeld­­zaam. Het ge­beurt maar heel zelden, dat de mens echt atheïst is. En dan is het nog de vraag of ze het echt zijn. Daar is een beroemd verhaal van een dichter: Jean-Pierre Rawie. Op een gegeven moment was hij ergens op een avond en daar zat ook een jonge dominee. Die jonge predikant zat ach­ter de piano en speel­de wat stuk­ken. En plotseling zegt die jonge predikant: “En toch geloof ik dat er wat is”. Waarop Jean-Pierre Rawie zei: wat is er dan, mijn jon­­­­gen? Het is maar op welk niveau je zo’n vraag verstaat. Toch ge­loof ik dat er wat is. Er moet toch een God zijn, er moet toch een Op­perwe­zen zijn. Die dichter vatte die uitspraak echter op een heel an­der ni­veau op. De mensen in Athene hadden dus grote interesse in geestelijke stro­mingen. En dan lezen we verder: «Want toen ik door uw stad liep en de voorwerpen uwer verering aan­schouw­de, heb ik ook een altaar gevonden met het opschrift: Aan een onbe­ken­de god. Wat gij dan, zonder het te kennen, vereert, dat ver­kon­­­dig ik u» Hand.17:23. Paulus vat dat heel positief op. Hij kraakt dat altaar met het ge­beu­ren er om­heen niet af. Paulus zegt niet: die onbekende god die jullie vere­ren, be­staat niet, ík heb een andere God! Nee, dat zegt hij niet. Paulus zegt zéker niet: die onbekende god waarmee jullie zo in de weer zijn, dat is een de­mon! Paulus begint geen beeldenstorm. Ik zal jullie een geheim vertellen: voor mij is het een bekende God. Ik zal bij jullie eens de sluier wegnemen. Ik zal jullie eens onthullen wat verhuld was. Zal ik het jullie vertellen wie Hij is? «De God, die de wereld gemaakt heeft en al wat daarin is, die een Heer is van hemel en aarde, woont niet in tempels met handen ge­maakt» H­and.17:24. Hij heeft de kosmos gemaakt. Hij is Heer van hemel en aarde. Hij is het die hemel en aarde omvat. Hij woont niet in tempels met handen gemaakt; ge­bou­wen gaan voorbij en uiterlijke vormen gaan voorbij. Tempels, tradities, sys­temen gaan voorbij. Je kunt Hem niet vangen, je kunt Hem niet vatten in een paleis of in een prachtig gebouw. M­aar… «En laat Zich ook niet door mensenhanden dienen, alsof Hij nog iets no­dig had, daar Hij zelf aan allen leven en adem en alles geeft» H­and.17:25. Dit is een citaat onder andere uit «Die de hemel schiep en hem uitspande; die de aarde uitbreidde met al­­­les wat daar­uit ontsproot; die de mensen die daarop wonen, de adem gaf en de geest aan hen die daarop wandelen» Jes.42:5. «Hij heeft gemaakt uit één enkele (uit ene bloede) heel het geslacht der men­sen om op de ganse opper­vlakte der aarde te wonen (het hele aan­ge­zicht van de aarde). En Hij heeft de hun toegemeten tijden en de gren­zen van hun woon­plaatsen bepaald» Hand.17:26. Hij heeft gemarkeerd (afgegrensd) de tijden en de grenzen waar ze wo­nen. «Opdat zij God zouden zoeken, of zij Hem al tastende vinden mochten, hoe­wel Hij niet ver is van een ieder van ons» v.27. Paulus zegt: al die volken zijn op de tast aan het zoeken. Het is toch zo don­ker en dan probeer je te tasten zoals een blinde. Maar je bent wel bezig om te zoeken. En dat tasten wordt door Paulus ook niet ver­­oordeeld. Tegen een blinde zeg je ook niet dat hij op moet houden met tasten. En God is niet ver, zegt Paulus. God zegt niet: je ziet maar dat je boven komt, maar: Ik ben dichtbij. Ik ben veel dichterbij dan je ooit dacht. Paulus is hier zeker geen Barthiaan. Karl Barth zei dan: Het moet lood­­­recht van boven komen. «Want in Hem leven wij, bewegen wij ons en zijn wij, ge­lijk ook enige van uw dichters hebben gezegd: Want wij zijn ook van zijn geslacht» v.28. Dat geeft de burger weer moed. Blijkbaar mag je af en toe gerust een gedicht citeren, dat overkomt mij ook wel eens. Gedichten citeren tus­­sen Vondel en Lucebert en alles wat daartussen zit, al die eeu­wen. Eeu­wen zien op u neder en eeuwen zingen met u mee; blijkbaar kán dat. Paulus zegt ook: ik heb eens een gedicht gelezen van jullie en daar was ik het helemaal mee eens (dit gedicht is waarschijnlijk van Arates). Paulus preekt dus vanuit de Griek­se poëzie.

Wij zijn van Gods geslacht

En dan is het hoogtepunt van Paulus’ betoog: «Wij zijn van Gods geslacht». Dat is één van de centrale teksten uit het boek Hande­lingen. Dat is een van de centrale punten die Paulus behandelt te midden van de go­jim. Hij zegt tegen de volkeren: je hoort erbij; je bent fami­lie van God. Van huis uit hoor je bij Hem. Van huis uit ligt daar je oor­sprong. Van Gods geslacht, dat is toch wel heel vèrstrekkend.

 Erfzonde bestaat niet

Laatst vond ik een heel interessant artikel in een kerkelijk-cultureel blad. Als titel stond daar boven: “O Heer, verlos ons van de erfzonde”. En de schrijver van dit ar­tikel, Wim van der Zwam, zei hierin: Het lijkt me een goed idee, dat we op de eerste zondag van juni landelijk een daad stel­len en dat we landelijk de erfzonde afschaffen. Daar zit toch wel iets heel moois in. We zijn daar in feite al een hele tijd mee be­zig om hier en daar te ver­tellen dat de erfzonde niet bestaat. Dat is ook weer een van die dogma’s, die we in de loop van de eeuwen aan­geslibd hebben gekregen. Dat dogma heeft vaak weer een loodzware last op mensen gelegd. Als je moet leven met het idee dat je van huis uit een zondaar bent, dat het van kind af aan al mis met je is, dan is dat zeer terneer­drukkend. Je bent ‘in zon­de ontvangen en geboren’, je bent ‘in Adam de verdoemenis deelachtig’. Je bent belast met de schuld van eeuwen (ook die eeuwen zien dan op je neer). Je zit ver­ward in erfzon­de, erfschuld en erfsmet. Loodzwaar en lood­zwaar en eigenlijk ook wat Aleid Schilder ergens zegt – je hoeft het niet in alles met haar eens te zijn, maar ze heeft soms wel eens een paar goeie op­merkingen – je bent hulpeloos en toch schuldig. Zo was dat dan vaak; dat was vaak het mensbeeld. Je werd geboren als zondaar, maar je kon er niets aan doen, je was zo gebo­ren. En als je dan als klein hum­meltje in de wieg ligt, ben je al verworpen, dan ben je al verdoemd. Want vóór je nog de kans had om te kiezen, voor­dat je ja of nee kon knik­ken, zat je al aan de verkeerde kant. Voordat je de kans had zelfs om te praten of om te zeggen wat je wou, werd je schuldig ver­klaard. Je deugt niet, je mag er niet zijn, afgekeurd. Dat pro­bleem is zo ongeveer met Augustinus begonnen, En via Au­gus­­tinus is dat dan gaan doorwerken. Ook bij de Refor­matoren en vooral in de Cal­vi­nis­tische traditie heeft dat een stempel op het Gods­beeld en het mensbeeld gezet. Die erfzonde heeft vaak als een lo­den last op de mensen gedrukt. Ze hadden het gevoel: ik ben een zondaar, ik kan niet anders, en toch word ik veroordeeld omdat ik zondaar ben.

Je deugt!

En dan komt Paulus en zegt tegen de Atheners: jullie zijn van Gods ge­slacht. Wij zijn van Gods geslacht. Paulus zegt niet: Ik ben van Gods ge­slacht, maar jullie (nog) niet. Nee, wij, hij sluit zijn gehoor daar­bij in. Wij horen van huis uit bij God. We zijn van huis uit ‘men­sen van God’, we zijn van goede komaf, van hoge komaf, mensen van koninklijke bloede. Mensen van adel; en noblesse oblige, adeldom ver­plicht. De psalmdichter van Psalm 8 zou zeggen: «je bent bijna goddelijk ge­maakt». Maar je hebt vaak of af en toe toch nog wel eens gehoord dat het an­ders was, zodat je ook op dit punt nog wel heel wat tijd nodig hebt om te gene­zen. Dan gaan je ogen weer hel­der worden, je gaat het zien en met je hart ga je het omhelzen. Want wat is dát er vaak inge­stampt:  je deugt niet! Misschien is dat toch wel heel heilzaam: de erfzonde afschaffen. Ik ge­loof dat God een mens niet veroordeelt om wat zijn voorgeslacht was of had uit­gespookt. In ver­schillende bijbelplaatsen staat trou­wens dat de mens niet de schuld draagt van zijn voorgeslacht, onder andere: «De ziel die zondigt, die zal sterven. Een zoon zal niet mede de onge­rech­­tig­heid van de vader dragen, en een vader zal niet mede de onge­rech­tigheid van de zoon dragen» Ezech.18:20. En ook: «De vaders zullen niet om hun kinderen ter dood ge­bracht worden; ook zul­len de kinderen niet om hun vaders ter dood gebracht worden; ie­der zal om zijn eigen zonde ter dood gebracht worden» Deut.24:16. Het kan toch een heel stuk bevrijding bewerkstelligen als je ook op dàt punt ondogmatisch wordt. Dat is een goede gedachte om mee te ne­men naar Athene. Neem in de komende tijd deze uil mee naar Athene. Draag dit wa­ter maar naar de zee; de zee kan daar al­leen maar van opknappen.

We worden niet geadopteerd

Dat is genezing voor je ziel. Om weer te gaan ontdekken: wie ben ik nu ei­gen­lijk, wie ben ik van huis uit. We worden niet geadopteerd door God. Als je geadopteerd wordt, ben je dus eigenlijk geen familie. Een kind dat geadopteerd wordt, is een kind van een heel andere oor­sprong. Adoptie kan heel mooi zijn, maar het is nou niet direct een bij­bels beeld om te laten zien hoe wij kin­de­ren van God worden. En als je geadopteerd bent, dan ga je op een ge­ge­ven moment toch weer op zoek naar je oor­sprong, naar je werkelijke ouders. De verloren zoon werd ook niet geadopteerd, die kwam terug bij zijn Va­der. Die zoon hoefde niet te worden in­geschreven in het een of an­der trouw­boekje, daar stond hij allang in. Hij werd niet geadop­teerd, maar gere­ha­biliteerd, in ere hersteld. Op zijn oor­spron­kelijke plaats te­ruggebracht. Wat is dat kostbaar, dat we het gevoel hebben dat we al binnen­ko­men. We komen binnen bij God, we komen binnen in zijn woord, we ko­men binnen in zijn huis, in zijn huis­gezin. Niet bij een vreemde, niet als gast aan tafel, maar als kind aan huis. En daar waar ons hart misschien zoveel heeft moe­ten verwerken, daar waar het hart van een mens soms platgeslagen is, ge­teis­terd door dogma’s, ver­steend, dood­ge­slagen, daar komt Hij met zijn ont­fer­ming. Daar waar een mens zich hulpeloos voelt en toch schuldig, daar is Hij met zijn hart, daar is Hij met zijn genade. En zijn genade reikt verder dan wij kunnen zeggen. Zijn genade reikt verder dan wij kunnen bevatten. In het vervolg van deze studies gaan we dus ook wat geboorte­ver­ha­len bekijken. Verder zullen we ook het een en ander gaan bekijken over de ziel.

Een mens ìs een ziel

Een mens is een ziel. Bijbels gezien hèb je niet zozeer een ziel, maar bèn je een ziel. Ziel, dat je bent! Soms moet een mens ook zichzelf weer terugvin­den, de weg terugvinden naar zijn eigen hart. De taal ver­staan van het hart, de taal van vanbinnen, de taal van de liefde. God spreekt zo anders, God spreekt anders dan de feiten. Je kunt ie­mand dood­gooien met feiten. Alles op een rijtje, maar dan wordt het koud en zakelijk. De taal van het hart is zo vaak gestorven. We willen de weg terugvinden naar het hart van God en ook daarmee de weg terugvinden naar binnen, naar jezelf, naar je eigen hart. Daar waar dat kind vanbinnen misschien doodgegaan is, omdat het er niet meer mocht wezen. En dan kan een mens zich soms heel onzeker voelen. Maar juist van­uit die on­zekerheid gaat de mens dan vaak pro­beren om een bepaald kader op te bouwen. Vandaar dat je ziet, dat er nogal wat mensen af­ko­­men op stro­mingen die dat aanbieden. De mensen voelen zich dan thuis in een bepaald kader, in een be­paald systeem. En hoe strak­ker dat systeem, hoe meer mensen je dan trekt. In de zo­genoemde strenge orthodoxe hoek zitten de kerken vaak behoorlijk vol, ondanks het feit dat de sfeer vaak dreigend en somber is. Het grootste com­pliment dat ie­mand dan na een preek kan krij­gen, is:

‘hij zag het weer goed donker in’.

Terug naar je hart, terug naar je ziel.

En dan is je ziel niet een stukje van jezelf; je kunt een mens niet op­delen, dat is vaak maar al te veel gedaan. Zo maak je van een mens een legpuzzel. Maar het gaat er juist om, dat die mens weer in elkaar gaat passen en dat die mens weer één wordt. Zo staat het zo mooi in Psalm 86: «Verenig mijn hart om uw naam te vrezen» Ps.86:11

De eenwording van je hart

En dat betekent dan: om onder de indruk te komen van uw naam. Het gaat om de eenwording. De eenwording van je hart, de een­wor­ding van de wereld, één van binnen en van daaruit gaat ook de we­reld één worden. Dat is ook wat de Joodse traditie vanouds zegt: Je werkt aan de jichoed, aan de éénwording van de schep­ping. Alle dingen moeten weer in samenhang komen. En wij en alle dingen hangen samen. Daarom zegt Paulus: dat begint in de gemeente. Daar ga je oefenen om ook één te worden met elkaar. Maar dan moet je ook eerst één worden vanbin­nen, anders lukt het naar buiten ook niet zo erg. Als je van bin­nen gespleten bent, afge­splitst van jezelf, dan werkt dat soms door naar de buitenwereld. We gaan het dus hebben over de ziel die weer thuiskomt; de ziel moet weer een woning hebben! Er staat in 1 Samuël 2 dat er vaak nog zo­­veel wo­ningnood is, dat er zoveel mensen zijn, die nergens thuis zijn. Dat is toch altijd een van de sleutelgedachten in de hele Bijbel: thuis­komen bij God, maar ook thuiskomen bij jezelf, thuiskomen bij je hart. En als je thuiskomt bij je hart, vind je ook de taal weer terug. Niet alleen maar de zakelijke taal, de taal van de techniek, dat ging meest­al wel, maar het gaat om de taal die daaraan voorbijgaat.

“Doe mij weer uw woorden horen”, zegt een lied. Dat is de taal van de liefde.

Bij God is een andere taal.

In de beginne was het woord en het woord was bij God. En dat waren woorden van liefde, dat waren woorden van schepping. Dat waren woorden waar een mens bij kon leven. Soms misschien een enkel woord. Spreek slechts één woord…..een woord met macht. Maar ook een woord met tederheid. Arts aller zielen, geneesheer van alles wat in pijn leeft, van alles wat ontwricht is, ‘t is genoeg als Gij ons neemt in uw hoede. God is groter dan ons hart, groter dan de pijn. God is groter dan alle om­zwer­vingen. Op al onze wegen is Hij ons nabij. In de beginne was het woord. Het waren woorden van schep­ping, van te­der­heid en genezing. Was er dan in de begin­ne, toen dit uitgespro­ken werd, al genezing en heling nodig?

De tederheid van God

In het begin was alles nog gaaf en goed. ‘t Is allemaal begonnen met God. En God was één en God was eeuwig. En Hij was enkel licht en dat is Hij nog. En God was enkel goed en dat is Hij ook nog en dat zal Hij ook altijd blijven, tot in alle lengten van dagen. Maar ik denk wel dat God van het be­gin af aan al teder­heid gehad heeft in zijn spreken, in zijn woorden. God heeft om zo te zeggen ook van meet af aan in zijn woorden die gene­zen­de liefde al neergelegd. Niet om te zeggen: God wist van te­voren al dat het fout zou gaan. Daar geloof ik niet in, ik geloof niet in een soort pre­des­ti­natie, ik geloof niet in een soort voor­beschikking. Niet in die zin dat God zegt: het gaat toch allemaal fout straks. Ik ga die mens maken en Ik weet nu al dat het allemaal niets wordt. Want dan ben je ge­neigd om te zeggen: dan moet je er niet aan begin­nen. Volgens de rabbijnen zeiden de engelen dat trouwens ook: God, begin er niet aan, ga geen mensen scheppen. Maar ik denk wel in die zin, zoals een moeder dat voorziet. Want ook dat zegt een oud Joods ver­haal: toen God ging schep­pen, deed Hij dat ook als Moeder. En toen had Hij ook in Zich de tederheid van een moeder. En een aard­se moeder zal, als haar kinderen proberen te lopen, weten, dat het kind dat ook zal leren, maar tevens dat het met vallen en opstaan gepaard zal gaan. Op een gevaarlijk punt zal er een hekje worden neergezet en wellicht zijn er pleis­ters bij de hand voor het geval dat… Die voorzorg, die zorg voor de mensen zit als het ware al helemaal in het karakter van God ingebouwd. Die tederheid is dus een van Gods karaktertrekken. Het woord barm­har­tigheid, rachamim, heeft te maken met het woord rèchem, wat moe­­­der­schoot betekent. Dus eigen­lijk had God reeds van meet af aan die erbar­ming. Merk op, mijn ziel, wat antwoord God u geeft”, staat er dan zo mooi in Psalm 85.

De ziel als motoriek

De ziel is eigenlijk de kern van een mens, je diepste kern. Een ziel kan ook bewegen, het is de motor, de motoriek van een mens. Dat is eigenlijk wel een mooi beeld: de ziel als motoriek. En dan heb je de gro­­ve motoriek en de fijne motoriek. De ziel is de motor van je leven. Je ziel is de kern, het knooppunt van je bestaan. De ziel is het cen­tra­le punt van je zijn. Op een keer toen ik de radio aan had, kwam er een prach­tig verhaal over de ziel, van Kees Waayman. Hij heeft ook schitterende dingen ge­schreven over de Psalmen. Hij ver­telt ergens – toen hij student the­o­lo­gie was in Nij­megen – dat hij op een keer met een bootje in de Bies­bos aan het varen was. Hij zegt: toen kwam er ineens een regel bij mij boven uit de Psalmen, uit Psalm 77. «De wateren zagen U, o God, de wateren zagen U, zij sidderden, zelfs de diepten beefden» Ps.77:17. Hij zag ineens al die wateren daar in de Biesbos en werd bepaald bij die re­gel uit de Psalmen. Die wateren krimpen ineen. En – zegt Kees Waay­man – toen kwam ik hier zo van onder de indruk, dat ik jaren­lang met de Psalmen ben be­zig geweest. Zo kon ik da­gen­lang rond­lo­pen met Psalm 23:1.

De Heer is mijn Herder, ik zal niet ontbreken…

«De Heer is mijn Herder ik word niet minder» Ps.23:1. Zo vertaalt Kees Waayman deze psalm. Dat kan het dus ook beteke­nen. De gebruikelijke vertaling is: «De Heer is mijn Herder, mij ontbreekt niets». En je kunt ook vertalen: «De Heer is mijn Herder, ik zal niet ontbreken». Ik zal niet ontbreken, ik zal erbij zijn. En dan gaat er een wereld voor je open. Omdat Hij je Herder is, word jij niet minder. Je wordt niet min­der; dat is al een compliment. Als ze je in West-Friesland een compliment willen ge­ven over je preek, zeggen ze: ‘t kon minder. En toen hoorde ik over de radio deze hele prachtige stu­die over de ziel. S­oms – en dat zie je ook veel in de Psalmen naar voren komen – wordt die ziel op allerlei manieren geteisterd. Daar zijn heel wat beel­den voor. Zo lees je vaak dat je ziel in de benauwdheid wordt ge­bracht, dè tactiek van de duivel. Dan komt de dui­vel zonder kloppen binnen. Hij probeert je ziel te be­klemmen, in de tang te nemen. De duivel probeert ook je ervaring in twij­fel te trekken. En dan zegt hij: ja, dat kun je nou wel denken, maar het is niks met je. Je kunt nou wel denken dat je een kind van God bent, maar ver­geet het maar. Je kunt nu wel denken dat God goed is en jij ook, maar dat is niet zo, hoor. En dan begint de duivel twijfel te zaaien, gedachten te zaaien, ge­dach­­ten te splitsen. Want twijfel heeft te ma­ken met twee. Dan krijg je weer twee gedachten, een opsplit­sing.

Voortgejaagd en afgemat

En soms kom je ook het beeld tegen van de jacht. Er wordt gejaagd op je ziel. Je wordt steeds maar achter­volgd, je bent nergens veilig. Jezus gebruikt dat beeld trouwens ook. Hij zegt: «Toen Hij de scharen zag, werd Hij met ontferming over hen bewogen, daar zij voortGEJAAGD en afgemat waren, als schapen die geen her­der hebben» M­att.9:36. En als je dan aan die mens vraagt waar hij heen moet, is het ant­woord: dat weet ik niet, maar ik moet ergens heen. En hij weet niet waar­­om hij niet rus­tig thuis blijft.

De volledige studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

384918 bezoekers sinds 07-06-2010