Geen wees maar feestkinderen

18-10-2010 door Dr. K.D. Goverts

We hebben zijn heerlijkheid aanschouwd. En aan het eind van die drie en een half jaar, aan het eind van Jezus’ omwandeling op aarde, was Hij te vinden op de Olijfberg. Tegen zijn volgelingen had Hij gezegd: `Nog een korte tijd en gij ziet Mij niet meer, en nogmaals een korte tijd en gij zult Mij zien… `(Joh.16:16). Die drie en een half jaar vormen dus ook juist de tijd, die de Heiland heeft gewerkt op aarde, om zijn eigen volk tot berouw te brengen. Drie en een half jaar is Hij rondgegaan door het land, om overal te zeggen: mensen, kom terug. Tenslotte kwam Hij toen op de Olijfberg, daar heeft Hij geweend, omdat Jeruzalem niet tot bekering was gekomen. Zo is Jezus gegaan in de weg van de profeten; en daar op de Olijfberg, in Gethsemané heeft Hij zijn leven uitgegoten in de dood. Hij heeft zo uiteindelijk de last van de ballingschap gedragen. Wanneer zal de aarde rijp worden, om de heiligen te ontvangen? Om de heerlijkheid aan te nemen, als de persoonlijke aanwezigheid komt? Dat is zoveel grootser dan alle woorden, zoveel grootser dan alle theorieën. Dan wordt het eindelijk licht. Dan komt het lied terug; de Messias die voor ons zal zingen. En Hij zal net zo lang zingen, totdat zijn lied wordt gehoord. Want ontvangen heeft te maken met het hart. Allen, die Hem ontvangen, die Hem welkom heten in hun hart. Dat is het geheim van de Messias: Hij doet de deur vanbinnen open. Want van buitenaf helpt het niet. Honder_den preken van buitenaf, maar het gebeurt niet. De Messias doet de deur van binnen open, omdat Hij de taal van het hart spreekt, en omdat Hij het lied van het hart zingt. Genade in plaats van genade. De twee Hebreeuwse vertalingen van Johannes van Flusser en Delitzsch, vertalen chesed al chesed, genade óp genade. Daar zit toch ook een heel mooie gedachte in. Jezus geeft genade bovenop de genade, die er al was. Er was al zoveel genade gegeven, vanaf de schepping, en in de taber_na_kel en door de tempel, in de Torah en in de profeten! En daar bovenop komt dan de genade: nu wacht ik, tot Gij Zelve komt. Dan komt Hijzelf! Dat is de genade bovenop de genade. Zo zijn er ook bepaalde uitleggingen, die zeggen: bovenop al die bergen wordt de Berg des Heren gebouwd. De berg Sion zal staan als een hoofd (zoals er letterlijk staat) boven al die bergen. Al die bergen krijgen een hoofd, al die volkeren weten het ook niet, maar dan komt de berg Sion daar bovenop. Dan komt de genade van de Messias er bovenop. Boven op alles wat er al was. Niet om dat andere allemaal te elimineren of weg te drukken, maar om het te bekronen, om het te ‘overstralen’, om het te verlichten. Want uiteindelijk vanuit Hem zie je de tabernakel, vanuit Hem zie je Mozes, vanuit Hem zie je de profeten, vanuit Hem zie je de Psalmen. Dan is dat als het ware het licht, dat alles óverstraalt. Dat is genade bovenop genade. In het Johannes-Evangelie kom je ook het motief tegen, dat de mensen zich voelen als weeskinderen. En dan is daar het woord van Jezus: Ik zal u niet als wezen achterlaten. Ik moest daaraan denken, toen ik een verhaal van Ida Gerhardt las. Ze vertelt dat dan als ze al vijfenzestig is. Het gebeurde toen ik acht jaar oud was. Een kind van acht jaar; maar soms zijn daar van die dingen, die je een levenlang bijblijven. Het was een middag in november, het was vroeg donker. Ik kwam uit school en liep nog wat rond te zwerven. Toen kwam ik langs het weeshuis van Schiedam. En op het moment dat ik daar passeerde, zag ik, dat ze daar bezig waren om het gaslicht aan te steken. Dat was dus in de tijd, dat men nog gaslampen had. Gaslicht in de grote zaal; en even later werden de grote gordijnen dichtgetrokken. Op dat ogenblik be_gon_nen die weeskinderen te zingen. De meisjes met hun ijle sopranen en de jongens met stemmen als klaroenen. Ik vond dat zo mooi klinken, dat ik naar dat raam liep. De melodie was als een door de storm bewogen water.

En de woorden vlogen over van donker naar licht. Ik stond daar en ik moest luisteren naar dat zingen.

Blauw is uw hemel en stormig uw strand,

Naakt zijn uw duinen en effen uw velden.

U schiep natuur met een stiefmoedershand,

Toch heb ik u innig lief, o mijn land.

Ik ging naar dat raam, klemde mij vast aan de spijlen van de vensters en luisterde maar. Blijf wat gij waart, toen gij blonkt als een bloem, land mijner vaderen, mijn lust en mijn roem. Dat is meer dan een halve eeuw geleden, maar nog draag ik dat korte ogenblik als een onvervreemdbaar geschenk met me mee. Als ik nu kijk naar Holland, dan bloeit het niet als een bloem. ’t Is vaak zo geschonden en beschadigd, verwend welvaartsland. Een erosieproces: wie van alles te veel heeft, houdt niets meer over. Maar, het tij zal keren, daarvan ben ik overtuigd! Ik zal het niet meer beleven, en wie een generatie jonger is dan ik, wellicht ook niet. Maar, het is niet verboden om te hopen. Als ik op mijn werkkamer zit, dan zie ik langs de huizen heen een vrij stuk lucht. En soms, er is niemand die het ziet, behalve wij, soms zie ik boven die huizen zwanen vliegen, wilde zwanen. Men kan zijn ogen niet geloven, als ze daar naderen met een sterke wiekslag, sneeuwwit, bijna bovenaards. Voor mij een teken, dat voor dit kleine land der rivieren een ander tijdperk aan zal breken. Een tijdperk waarin de hartslag der poëzie weer hoorbaar zal zijn. Dan zal er weer een lied zijn. Als je dit dan hoort, van Ida Gerhardt en de weeskinderen van Schiedam, dan kun je nog maar één ding zeggen: Heer, leer ons dat lied. George Steiner, een Joods filosoof – niet te verwarren met Rudolph Steiner, van de richting van de antroposofie – heeft jarenlang filosofie gegeven in Cambridge. Hij heeft  veel nagedacht over de taal en daar ook een boek over geschreven: ‘Taal en Stilte’. In één van zijn laatste boeken zegt hij: “Het probleem van de mensen van vandaag is, dat ze het begin zijn kwijtgeraakt”. Hij vertelt ergens: wat in mijn onderwijs heel belangrijk is, is de herinnering. Datgene wat je hebt opgeslagen in je hoofd en in je hart is van groot belang. Dat zijn de gegevens in je herinnering, die op belangrijke momenten te voorschijn kunnen komen. Dat zijn bijvoorbeeld de psalmversjes, die je als kind hebt geleerd. Dat zijn misschien de bijbelteksten, die je vroeger uit je hoofd hebt geleerd, en die je nu in stilte met je meedraagt. Dat zijn de woorden, die ergens liggen opgeslagen in je hart. Zo staat er zo mooi in Psalm 119: `Ik berg uw woord in mijn hart, Opdat ik tegen U niet zondige` (Ps.119:11). In het Hebreeuws staat hier het woord tsaphan, wat opsparen betekent. Je hart is als het ware de bewaarplaats van de herinneringen. George Steiner zegt dus: in mijn onderwijs leg ik er sterk de nadruk op, dat de mensen wat in hun hoofd en in hun hart bewaren. Hij vertelt dan van een Joodse man uit Polen, die wordt opgepakt en naar het concentratiekamp Birkenau wordt getransporteerd. Deze man kende, zoals trouwens vele Joden, de vijf boeken van Mozes uit zijn hoofd. Hij kende ook grote delen van de Talmud en de Midrasj uit zijn hoofd. Tegen zijn kampgenoten zegt hij dan: als je nu iets wilt weten over de Torah of de Talmud, dan kun je, nu we de boeken niet meer hebben, het ‘opzoeken mij’. George Steiner zegt: dat is toch eigenlijk een prachtig beeld van de mens in wie het woord is. “We zijn het begin kwijt”. En als je dat begin dan in een ander vindt, heb je het weer teruggevonden. Johannes 2 heeft ook alles te maken met dat begin. Johannes 2 bestaat uit twee delen. Het eerste deel beslaat de verzen 1 tot en met 11  De bruiloft te Kana. Dan komt vers 12, een tussentekst, een soort ‘scharniertekst’  Kort verblijf te Kafarnaüm. Dan komt vers 13 tot en met 25 De tempelreiniging. Twee helften: Bruiloft te Kana en Reiniging in Jeruzalem. De eerste helft speelt zich dus af in Galilea, bij het tweede gedeelte zijn we in Juda. Galilea en Judea zijn ook de twee helften van het land. Daartussen zit dan nog wel Samaria, maar dat komt later, dat komt in Johannes 4 aan de orde. In Johannes 4 wordt bijna een heel hoofdstuk aan Samaria besteed. Johannes 2 is als het ware een tweeluik. Op het ene luik staat Galilea en op het andere luik staat Judea; Kana en Jeruzalem. En dan is hier de intrigerende vraag: wat hebben die twee helften met elkaar te maken? Waarom begint Johannes zijn Evangelie met dit tweeluik? Johannes 1 was eigenlijk een woord vooraf. Vanwaar die combinatie van bruiloft en tempel, vanwaar deze twee beelden? Hierbij dienen we wel te bedenken, dat Johannes, evenals trouwens de overige evangelisten, heel sterk in beelden denkt. Het is voor ons zaak, om het denken in beelden weer terug te vinden. We moeten in onze gedachtewereld weer ruimte maken voor beelden en symbolen. Een symbool is een zaak, waar iets anders mee samenvalt. En als die dingen gaan samenvallen, spreekt men in het Grieks van sumbolon. Wat valt er nu samen met die bruiloft en wat valt er nu samen met die tempel? Of vallen die misschien wel met elkaar samen? Is er ergens een innerlijk verband tussen bruiloft en tempel? Beelden en symbolen worden niet zomaar gekozen, die zijn er, die worden je toegeworpen. Sumballein betekent letterlijk: samenwerpen. Er wordt iets in je schoot geworpen, er wordt iets in je hart geworpen. Symbolen kies je niet, die worden je gege_ven. Zo zijn brood en wijn ook symbolen, die ons gegeven zijn. En als een jongeman verliefd is, gaat hij naar zijn meisje met een bos rozen en niet met een bos paardebloemen. Die symbolen kiest hij ook niet zelf, die zijn hem ‘voorgegeven’. Hieraan zie je ook, dat symbolen vaak uit een eeuwenoude traditie komen. Wie nog enig besef heeft van verleden en van traditie, draagt deze beelden met zich mee. En meestal stel je je ook in die traditie van die eeuwenoude beelden. En waar die beelden en symbolen een gemeenschappelijk bezit vormen, is er ook een gemeenschappelijk verstaan van elkaar door middel van die symbolen. En als een meisje een bos rode rozen krijgt aangeboden, zal ze zeker de bedoeling achter dit beeld begrijpen. Die rozen speken voor zich, dan hoef je niet zoveel uit te leggen. Symbolen spreken dus. We moeten dus gaan bekijken, wat de taal van de bruiloft is en wat de taal van de tempel. Wat is de taal van Galilea en wat is de taal van Judea. En dan is het toch wel frapperend, dat daartussen nog net één vers staat over Kafarnaüm. En de naam van dat dorp betekent: dorp van de vertroosting. Midden tussen dat tweeluik staat een heel klein tafereeltje. Het is net, alsof er tussen die twee grote foto’s van Judea en Galilea nog één klein fotootje is ingeplakt. `Daarna daalde Hij af naar Kafarnaüm, Hij, zijn moeder en zijn broe_ders en zijn discipelen, en zij bleven daar niet vele dagen…`(Joh. 2:12). Dat Joh.2:12 staat er zo mooi tussen, om aan te geven wat Judea en Galilea verbindt. Judea en Galilea worden verbonden door de troost.Van Galilea kom je via het dorp van de vertroosting in Judea. Het dorp van de troost is een brug tussen het ene luik en het andere luik. Via de ‘hangbrug’ van de troost kom je van het ene taalveld in het andere; kom je van de brui_loft bij de tempel en van de tempel naar de bruiloft. Van die bruiloft te Kana wordt gezegd: `Dit heeft Jezus gedaan als begin van zijn tekenen te Kana in Galilea en Hij heeft zijn heerlijkheid geopenbaard, en zijn discipelen geloofden in Hem…Joh.2:11). Wat daar op die bruiloft te Kana geschiedt, is het begin van de tekenen. We zagen in het voorgaande, dat veel mensen het begin kwijt zijn. De West Europese mens weet niet zo goed meer het begin te vinden. Maar hier zien we dus het begin, of beginsel (archè) van alle tekenen, die Jezus heeft gedaan. Dat betekent dus méér, dan dat in de reeks van tekenen het Teken in Kana rangnummer één had. Het gaat hier om het  beginsel, om het grondprincipe van waaruit alle andere tekenen voortvloeien. Vanuit Johannes 2 groeit de hele boom van het Evangelie; het teken te Kana vormt dus het wortelstelsel van die boom van tekenen, van waaruit de stam en takken te voorschijn komen. Miskotte zegt zo mooi: dan ben je eigenlijk bij de ware eenvoud. Jezus begint zo heel eenvoudig. Hij begint als het ware met een element, het water. Dat dan wijn gaat worden. De ware eenvoud; waar ligt de bron van de eenvoud? Wij zijn vaak zo ingewikkeld bezig met allerlei complicaties, en dan lopen we gevaar dat we verdwalen; we moeten de ware eenvoud kennen, de eenvoud die bij Gòd hoort; niet: wordt eenvoudig, maar wees eenvoudig. Richt uw moeite op één ding; begeer één werkelijkheid; geloof in één God, in één openbaring. Berg u daarin: één Heer, één geloof, één doop. Niet zozeer de veelheid van alles wat je kan overkomen, niet allerlei waarheden, waarin de geest van een mens dan helemaal in verwarring kan raken en het spoor bijster raken, maar eenvoudig zijn. Dat is mis_schien dan ook het antwoord op alle vermoeienis des geestes. Eenvoud zou je kunnen noemen: de gave van de concentratie op het ene no_dige. Dat betekent niet dat je de hele tijd moet zeggen: we hebben maar één ding nodig, want dan wordt de preek natuurlijk ook wat saai om aan te horen. Die concentratie is dus het charisma, dat is de gave om je te beperken. In de beperking toont zich de meester. Eenvoud is dit ene, dat wij in al onze gedachten weten van de enigheid der waarheid, en wij op alle wegen ons realiseren, dat er maar één naam onder de hemel gegeven is, waardoor wij behouden worden. Kennis van God is eenvoudig. In dat mo_ment – zegt Miskotte dan – waarin Hij het u geeft te verstaan, hoe Hij in alle dingen het ene wil, namelijk het heil van de wereld. Daaraan hangt Hij zij eer; zijn eer, waarin het heil van de wereld ligt. God heeft in wezen in al zijn gedachten in wezen ook één doel voor ogen. Johannes laat dus in hoofdstuk 2 het grondbeginsel zien; dat is in wezen de poort, waardoor je het Evangelie binnenkomt. “En op de derde dag was er een bruiloft te Kana in Galilea en de moeder van Jezus was daar… “(Joh.2:1). Letterlijk staat er:` …geschiedde er een bruiloft…` Want een bruiloft is toch wel zo belangrijk, althans zeker deze, dat hij geschiédt. Een bruiloft ís er niet zomaar, maar een bruiloft geschiédt. De hoofdrolspelers in dit verhaal zijn andere, dan we op het eerste gehoor zouden verwachten. Het zijn in ieder geval niet de bruidegom en de bruid. Die zul je in het verhaal bijna tevergeefs zoeken. Als je het fotoalbum van deze bruiloft doorbladert, kom je het bruidspaar nauwelijks tegen. De hoofdrolspelers zijn duidelijk andere. Dat is in de eerste plaats Kana, want  het verhaal begint en eindigt met het woord Kana.  De plaatsaanduiding ‘Kana in Galilea’ staat in vers 1 en in vers 11 als een soort kader om dit gedeelte. De tweede hoofdrolspeler is de moeder van Jezus. Opvallend is, dat in dit gedeelte nergens van ‘Maria’ wordt gesproken. Als je alleen Johannes 2 had, zou je niet weten, hoe de moeder van Jezus eigenlijk wel heette. We zullen straks zien, waarom Johannes deze keus heeft gemaakt. Bijbelvertellers strooien immers nooit willekeurig met hun woordgebruik. De derde hoofdrolspeler is dan Jezus Zelf. De vierde groep wordt dan gevormd door de dienaren. In het Grieks staat er dan het woord diakonoi. Verder zijn er dan nog enkele personen, die een bijrol vervullen. Het verhaal begint dan met ‘En op de derde dag’. Dat geeft meteen al te denken; waarom die derde dag?  Van waaraf moet je dan tellen? Waar of wat waren dan de eerste en de tweede dag? Als we zo in de Bijbel rondwandelen, dan kunnen we ons afvragen, wat er zoal op de derde dag pleegt te gebeuren. Als we met Genesis 1 beginnen, – we moesten immers naar het begin, het resjit, het grondbeginsel – dan zien we: op de eerste dag licht, op de tweede dag water en op de derde dag worden de wateren verzameld, zoals er staat. In de Septuagint wordt daar een woord gebruikt, dat op synagoge lijkt. Dus op de derde dag krijg je een synagoge van wateren. Op de derde dag ontstaat er een synagoge vol water. En dat zien we nu in Johannes 2 ook: het staat daar vol met water, zes vaten vol. Ook daar worden de wateren kennelijk samengebracht. Op de derde dag in Genesis 1 gebeurt er trouwens nog wat: de aarde laat zich zien, het droge laat zich zien, en daar gaat van alles groeien: gewassen en vruchten naar hun aard. Op die derde dag wordt er tweemaal ge_zegd, dat het goed was. Op de andere dagen wordt dat meestal één keer gezegd. Op de tweede dag wórdt er niet gezegd, dat God zag dat het goed was. Op de derde dag wordt dus tweemaal gezegd, dat God zag dat het goed was. Vandaar dat de rabbijnen zeggen: de derde dag van de week is de beste dag om te trouwen: want God zag dat het goed was, één keer voor de bruidegom, en God zag dat het goed was, ook een keer voor de bruid. Vandaar, dat men in de Joodse traditie bij voorkeur op dinsdag trouwt. De derde dag is dus een soort dag van de inzameling. Dan komt het te voorschijn, dan gaat het gebeuren. Het motief van de derde dag zien we ook in de geschiedenis van Abraham en Isaäk, als ze op weg gaan naar Moria. En dan staat er: “Toen Abraham op de derde dag zijn ogen opsloeg, zag hij die plaats in de verte…”(Gen.22:4). Ook hier is weer de derde dag van beslissende betekenis. Twee dagen lang is Abraham, de vader van de gelovigen, op weg met zijn zoon. Op de derde dag komt hij dan op de plaats, waar het moet gebeuren. Op de derde dag staat Jozef tegenover zijn broeders en zegt: “Op de derde dag nu zeide Jozef tot hen: Doet dit, opdat gij in leven blijft; ik vrees God…  “(Gen.42:18). Jozef zegt: doet dit; de derde dag blijkt opnieuw de dag te zijn van het bepalende moment, de dag waarop er gehandeld moet worden. De derde dag is de dag van het keerpunt. Jozef heeft zijn broers drie dagen lang in hechtenis gezet en op de derde dag zegt Jozef: doet dit, opdat gij zult leven. “Als het volk Israël rondom de Sinaï staat geschaard, daalt de Eeuwige op de derde dag neer voor de ogen van het volk. En tegen de derde dag zullen zij gereed zijn, want op de derde dag  zal de Here nederdalen voor de ogen van het gehele volk…” (Ex.19:11).

 De derde dag is de dag van de opwekking der doden:

“Hij zal ons na twee dagen doen herleven, ten derde dage zal Hij ons oprichten, en wij zullen leven voor zijn aangezicht…”  (Hos.6:2). Op de derde dag zullen we opstaan en leven voor zijn aangezicht. De Joodse traditie bewaart het gegeven, dat God de rechtvaardige niet langer beproefd dan drie dagen. En wie kent niet het verhaal van Jona, die drie dagen en drie nachten moest verblijven in de grote vis. En dan komt Johannes 2, waar wordt gezegd: het geschiedde op de derde dag…Als je dat alles op de achtergrond mee hoort klinken, dan ben je geneigd om te zeggen: ja, natuurlijk, dat zat er wel in. Het kon ook niet minder: de bruiloft op de derde dag. Zo wordt de bruiloft in wezen een Paasverhaal. De dag van de opwekking van de doden; het dode water wordt tot levende wijn. Het dode Galilea wordt tot leven gebracht. De bruiloft, waar kennelijk het leven niet meer in zat, wordt gereanimeerd, de adem van God komt erin.

Johannes heeft dit verhaal echter zó geschreven, dat we ook nog op een an_dere manier kunnen tellen. Drie keer vinden we namelijk in Johannes 1 de zegswijze: ‘de volgende dag’.

De volgende dag zag hij Jezus tot zich komen…       (Joh.1:29)

De volgende dag stond Johannes daar weer…..        (Joh.1:35)

De volgende dag wilde Hij naar Galilea vertrekken…(Joh.1:44). Vóór ‘de volgende dag’ van vers 29, gaat natuurlijk een dag vooraf, die meegeteld wordt. In vers 44 zitten we dan dus op vier dagen. Als er dan in Johannes 2 staat: ‘op de derde dag’, zitten we totaal op zeven dagen. Dan begint de bruiloft dus op de zevende dag. De zevende dag is de koninklijke dag, de dag van Gods Koningschap. Want op de zevende dag gedenk je de schepping en de uittocht. Schepping en uittocht op de zevende dag. Op de zevende dag zult gij gedenken, dat gij uit Egypte gegaan zijt. Op de zevende dag zult gij gedenken, dat god in zeven dagen de hemel en de aarde maakte. Op die zevende dag zul je het Koningschap van de Eeuwige hoog houden door zijn dag te gedenken en zijn koninklijke daden. Als je dus dat begin van Johannes 2 hoort, dan klinken daar heel veel to_nen in mee. We zijn hier in het gezelschap van veel verhalen en van veel associaties en verbanden. Het is net alsof die bruiloft van Johannes 2 staat in een hele omlijsting, in een wolk van getuigen; Genesis is erbij, Exodus, Hosea, Jona. Allemaal klinken ze mee in dit verhaal, waar de Messias het grondbeginsel gaat geven. Dat moet ook haast wel, want een grondbeginsel haal je uit de diepte, dat schud je niet eventjes uit je mouw. Een grondbeginsel moert ergens diep verankerd liggen.

Op de derde dag geschiedde er een bruiloft.

In dat woord bruiloft ligt toch heel wat besloten; een bruiloft is eigenlijk een verbinding. Een bruiloft is de verbinding van je hart, waar gaat je hart zich mee verbinden… Op een bruiloft gaat het er toch over, dat er twee zich met elkaar verbinden, maar hier blijven die twee verborgen, ze worden niet in het voetlicht gezet. Ze staan hier niet zozeer op de trappen van het stadhuis, maar ze staan hier veel meer in de sfeer van het hart. Misschien kun je nog het beste denken aan een tekst uit het Hooglied, waar dat zo prachtig wordt weergegeven: “Gaat uit, dochters van Sion, Aanschouwt koning Salomo met de kroon, Waarmee zijn moeder hem kroonde Op de dag van de bruiloft, Op de dag van de vreugde zijns harten” (Hoogl.3:11). Het Hooglied is ook helemaal het lied van de bruiloft. ‘Gaat uit’ staat er dan. De bruiloft heeft te maken met uitgaan. Het Nederlandse woord bruiloft  komt oorspronkelijk van de woorden bruid en lopen. Een bruiloft heeft in feite dus de betekenis van bruidlopen. Dat heeft ook als achtergrond, dat het oorspronkelijk de traditie was, dat je uitging, de bruid tege_moet. Bruiloftsgangers zijn dus bruidlopers; je gaat lopen om de bruid te halen, zodat zij bij de bruidegom komt en zodat zij met elkaar verenigd worden. Gaat uit, dochters van Sion. Dat zijn de bruidsmeisjes. Aanschouwt koning Salomo met de kroon, waarmee zijn moeder hem kroonde. Dat is ook heel frappant; hier gaat het ook om de moeder, de moe_der van de koning. In Johannes 2 horen we ook over de moeder, de moe_der van de Koning. Misschien mogen we dit vers uit het Hooglied wel horen als achtergrondmuziek bij Johannes 2. Op de dag van de bruiloft, op de dag van de vreugde zijns harten. De bruiloft is dus de vreugde van het hart. En uiteindelijk gaat het om jóúw bruiloft. Dat hebben de mystici ook altijd geweten door de eeuwen heen. Zo schreef Johannes van het Kruis over ‘de geestelijke bruiloft’. Het gaat om jóuw bruiloft: waar ga je je hart mee verbinden, wat is de vreugde van je hart. Het gaat om de verbinding van je hart met je hartsvriend, je hartsvriendin; het gaat om die innerlijke vriendschap. Het gaat om die verbin_ding vanbinnen, zodat je niet meer innerlijk alleen bent, maar dat je verbonden bent met jezelf, verbonden, weer opnieuw, met de Eeuwige, verbonden met het Goddelijke. In de oude Keltische tradities wordt dan gezegd: een oudste is een soulfriend, dat is een zielevriend. Pastoraat betekent: zielevriendschap. Wie is er een vriend voor je ziel? Ben je een vriend voor je éigen ziel? Wees eens een beetje barmhartig voor jezelf; wees eens wat barmhartig voor je ziel. Soms is mensen geleerd om heel grimmig te zijn voor zichzelf. Die mensen zitten voortdurend met een zweep achter zichzelf aan.

De vreugde van je hart.

Hier, in Hooglied 3 wordt Salomo genomen als model, als de model-koning. Als het oerbeeld van alles wat koning mag heten. Het Hebreeuwse woord voor bruiloft is chatunah, en het woord voor bruidegom is chatan. Vanouds wordt er in de Joodse traditie ook gezegd: je bent ‘chatan Torah’, je bent bruidegom van de Torah. En dan ga je dansen met de Torah in je armen. Ook bij het Loofhuttenfeest werd er gedanst met de Torah-rollen.

Elie Wiesel vertelt hierover een verhaal. Een groep Joodse mannen was op weg naar het concentratiekamp. Ze zaten opgepakt in een treinwagon, en wisten wel ongeveer, dat hen niet veel goeds te wachten stond. Onderweg in die trein zegt één van hen: weten jullie wel, dat het nu Loofhuttenfeest is en dat we nu ‘simchat Torah’ krijgen, de vreugde van de Torah? En dan blijkt, dat er nog iemand is, die een boekrol bij zich heeft. De vonk springt over en in die trein pakken ze die Torah-rol en beginnen te dansen. Dat is haast onvoorspelbaar; te midden van de tragiek een trein vol dansende mensen. De vreugde van de Torah; met elke danspas komen ze dichter bij de dood. Elie Wiesel vertelt ook van een andere groep, waar geen Torah-rol bij de hand was. Ze vragen dan aan een klein jongetje, dat ook in die wagon zat: weet jij nog iets uit je hoofd? En dan zegt dat jongetje: ik ken de tekst: Hoor Israël en ik ken nog wel meer. Nou, zeggen ze, dat is genoeg. Ze namen toen met elkaar dat jongetje in hun armen en begonnen met dat jochie in hun armen te dansen, alsof hij de boekrol was. Want, zeiden ze, jij kent het uit je hoofd, dus in jou is de Torah, dus dan dansen we maar met jou. Nu is er nog iets wonderlijks met dat woord chatan, bruidegom. Als je nu die t eruit laat, dan krijg je het woord chen, wat genade betekent. Als je nu de letters van deze woorden optelt, krijg je het getal 58. De chet is 8 en de noen is 50, dus 58. En in de Joodse traditie wordt gezegd: 58 is het getal van het einde. Als je nu het woord chen omdraait, krijg je het woord Noach. Dus Noach is de man van het einde. Dan komt de vloed over de aarde, dan is het afgelopen.

De volledige studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

384918 bezoekers sinds 07-06-2010