Gedachten over het boek Job

12-06-2010 door Dr. K.D. Goverts

Het probleem van het lijden

De vraag naar het lijden is één van de diepste vragen die de mens door de eeuwen heen gesteld heeft. En de kwestie wordt eerst recht klemmend, wan­neer het gaat om het probleem van het schuldeloos lijden. En om dan meteen maar het kernpunt te noemen: welke rol speelt God in dit verband? Men zou het dilemma als volgt kunnen formu­le­ren: Stel dat God goed is; dan is het zijn wens dat zijn schepselen vol­maakt gelukkig zul­len zijn. Neem nu als tweede uitgangspunt daar­bij: God is almachtig. Daaruit volgt: Hij is in staat genoemde wens te realiseren. Echter, de prak­tijk laat zien dat de schepselen lang niet altijd gelukkig zijn. Velen van hen lijden; het ganse schep­sel zucht. Conclusie: of God is nìet goed, of God is niet almachtig, of bèide eigenschappen ontbreken bij Hem. Hiermee hebben we een eerste globale omschrijving gegeven van het pro­bleem. Heel vaak vat men alles maar samen onder de formule: ‘God laat het toe’. Ook deze uitspraak zullen we echter aan een na­de­re beschouwing moeten onderwerpen. Een radicaal standpunt vinden we in de vermaarde, bijna klassiek gewor­den uiteenzetting van de Heidelbergse Catechismus: Wat ver­staat gij door de voorzienigheid Gods? “De almachtige en alomtegenwoordige kracht Gods, door welke Hij hemel en aarde, mitsgaders alle schepselen, als met zijn hand nog onderhoudt, en alzo regeert, dat loof en gras, regen en droog­te, vruchtbare en onvruchtbare jaren, spijze en drank, gezondheid en krank­­heid, rijkdom en armoede, en alle dingen, niet bij geval, maar van zijn vaderlijke hand ons toekomen”.

Een dichter uit de achttiende eeuw vertolkt zijn visie aldus:

God gaat zijn ongekende gang vol donk’re majesteit,

die in de zee zijn voetstap plant en op de wolken rijdt.

Uit grondeloze diepten put Hij licht, en vreugde uit pijn.

Hij voert volmaakt zijn plannen uit, zijn wil is souverein.

Zoudt gij verstaan, waar Hij u leidt?

Vertrouw Hem waar Hij gaat.

Zijn duistere voorzienigheid verhult zijn mild gelaat.

Een eeuw later horen we van een andere zanger:

Hoor de bittere gebeden om de vrede die niet daagt.

Zie hoe diep er wordt geleden, hoe het kwaad de ziel belaagt.

Zie uw mensheid hier beneden, wat zij lijdt en duldt en draagt.

Jobs naam en geestelijke status

Er was een man in het land Uz, zijn naam was Job. De naam Job betekent: ‘Hij die vijandig bejegend wordt’, of die een vijand heeft. Deze naam is al veel­zeggend; de naam is kennelijk een sleutel tot het boek. Het gaat over een man die een vijand heeft. In het Syrisch kan Job betekenen: De Geliefde. Ook dat vinden we in de levensgeschiedenis van deze man terug: hij is de door God beminde. Wat was het voor een man? Vier kernwoorden typeren zijn geestelijke sta­tus: vroom en oprecht, godvrezend en wijkend van het kwaad. Het woord ‘vroom’ betekent eigenlijk: eenvoudig. Het was een man uit één stuk, on­verdeeld, enkelvoudig. Zoals het kleed van Jezus was, een mantel zonder naad, zo was deze man. Zoals deze man, zo zal ook de gemeente zijn. Deze man nu trekt aandacht in de hemelse gewesten. Dat kan ook niet an­ders. De eerste twee hoofdstukken van Job geven ons wisselende beel­den: nu eens een tafereel op aarde, dan weer een blik achter de schermen. Zo lezen we: «Op zekere dag geschiedde het dat de zonen Gods kwamen om zich voor de HERE te stellen; ook de satan kwam midden onder hen» Job 1:6. Dit principe treffen we vaak aan: waar zonen Gods zich opstellen, daar tracht ook de satan zich te manifesteren.

Satan in het Oude Testament

De satan wordt slechts achttien keer in het Oude Testament genoemd; uit dit gegeven blijkt meteen al dat zijn activiteiten in het Oude Verbond gro­tendeels verhuld bleven. De geestelijke wereld was een verborgenheid. Op­vallend is trouwens dat van die achttien plaatsen er zeventien zijn, waar het woord ‘satan’ met het bepaald lidwoord gebruikt wordt. Dat wil zeg­gen: er wordt vrijwel in alle gevallen gesproken van ‘de satan’, dus niet zozeer als een eigennaam, maar als een titel, een wezens­aanduiding. Zoals van Jezus gezegd wordt dat Hij ‘de Christus’ is, zo wordt van de tegenpar­tij uitgesproken dat hij ‘de satan’ is. Dit woord betekent: hinderaar, dwarsligger; dat is zijn aard, zijn wezen; hij is de saboteur. Het is derhalve terecht, dat zowel Statenvertaling als NBG-vertaling ‘de satan’ met een kleine letter schrijven. Nog een opmerkelijk punt is dat alle achttien plaatsen waar het woord sa­tan voorkomt, zich bevinden in niet meer dan drie bijbelgedeelten. Deze drie gedeelten zijn: Zacharia 3; 1 Kronieken 21 (de enige tekst in het Oude Testament waar satan genoemd wordt zonder lidwoord) en Job 1 en 2. In alle drie tekstverbanden is de opzet van de hinderaar, een mens uit  het plan Gods uit te rangeren. In Zacharia is hij de aanklager, die probeert de smet die op de hogepriester Jozua ligt, uit te buiten. In Kronieken is hij de aanstichter, die zich erop toelegt een smet te werpen op David, de koning naar Gods hart. Ook in het boek Job gaat het om een mens Gods. We kunnen ook zeggen: in het boek Job gaat het om de mens Gods. De mens Gods als brandpunt, de mens Gods in de branding. Naast de genoemde achttien plaatsen komt het Hebreeuwse woord ‘satan’ nog negenmaal voor, in de algemene betekenis van: hinderaar, tegenstan­der. Het bijbehorende werkwoord: hinderen, tegenstaan, kunnen we zes- maal in het  Oude Testament aantreffen.

God roept Satan ter verantwoording

Daar staan ze dan: de zonen Gods, en de hinderaar er midden tussen. De zaak is duidelijk: dat kan zo niet blijven. Er moet iets gebeuren. De dwars­ligger moet ontmaskerd worden. Hij moet ertussen uit. Hier stuiten we op een grondthema dat verborgen ligt achter het boek Job. Ten diepste gaat het om dit punt: de satan moet verdreven worden uit het midden van de zonen. Hij moet verbannen worden; zijn plaats zal daar niet meer worden gevon­den. Immers, hij is de indringer, de verstekeling tussen de zonen. Hij is de gestalte zonder bruiloftskleed. Daarom gaat God spreken. Niet zo, dat God een dialoog heeft met de dui­vel. Evenmin gaat God onderhandelen met de boze. Dat zou in tegenspraak zijn met Gods karakter. Hij is de God die een ontoegankelijk licht bewoont, Hij is de God bij wie geen verandering is of zweem van ommekeer, Hij is de God die door het kwade niet verzocht kan worden en die ook zelf nie­mand in verzoeking brengt. Van Hem kan gezegd worden wat Jesaja heeft uitgesproken over de mens Gods: «Hij weerhoudt zijn handen om een geschenk aan te nemen, Hij stopt zijn oor toe om niet naar een moordplan te horen, Hij sluit zijn ogen toe om het slechte niet te zien; zo is Hij de God die op hoogten woont» Jes.33:15. Wat gebeurt hier dan wel? God spreekt: Hij roept de hinderaar ter verant­woording. Daar staan de zonen, maar God haalt de dwarsligger er meteen tussen uit. Die krijgt niet de kans zich te verschuilen te midden van de an­deren, alsof er met hem niets aan de hand is. Hij wordt ontmas­kerd. Er vindt geen onderhandeling plaats, wat hier geschiedt, is een verhoor: Waar kom je vandaan? We kunnen dit vergelijken met het beeld dat Psalm 82 ons geeft: «God staat in de vergadering der goden, Hij houdt gericht te midden van de goden. Hoe lang zult gij onrechtvaardig richten, en de goddelozen gunst bewijzen?» Ps.82:1,2. En dan wordt er van deze goden gezegd: «Zij weten niets en begrijpen niets, in duisternis wandelen zij rond» Ps.82:5. In deze psalm wordt dan ook vermeld wat de taak is der goden: «Richt de geringe en de wees, doet recht de ellendige en behoeftige, bevrijdt de ge­rin­ge en de arme, redt hem uit der goddelozen hand» Ps.82:3,4. Op basis van deze principes wordt ook satan beoordeeld. Gedraagt hij zich overeenkomstig de roeping, beschuttende cherub te zijn? Hoort hij wel thuis in de vergadering der goden?

Hoofdstuk 2

De inspectietocht van Satan

God roept satan ter verantwoording. Waar heeft hij zich de laatste tijd zoal mee bezig gehouden? Het antwoord luidt: met rondtrekken, rondwandelen over de aarde. Dat rondtrek­ken kan de inhoud hebben van een zwerftocht; dit begrip ‘zwerven’ in samenhang met het woord ‘wandelen’ wekt de in­druk dat de satan kennelijk een rustige tijd heeft; hij kan het werk gemak­ke­lijk af; hij ontmoet weinig problemen op aarde. Men is geneigd te denken aan een beeld zoals we dat vinden in Zacharia 1: “De gehele aarde verkeert in rust en is volkomen stil”. De tegenstander ontmoet weinig tegen­stand op aarde. Als we enkele andere teksten vergelijken waar het woord rondtrekken ook voor­komt, dan komt er nog een aspect bij: het kan ook de zin hebben van een inspectietocht. De aarde is immers bezet gebied. En het is nuttig dat men van tijd tot tijd zijn grondgebied inspecteert. Men moet toch weten of er zich geen ongeregeldheden voordoen, of er geen verzetshaarden zijn, kort­om, of alles naar wens verloopt. Anders is het immers van belang dat men tijdig kan ingrijpen. God gaat door met de satan ter verantwoording te roepen. Want deze heeft zich nog maar al te zeer op de vlakte gehouden. Hij zal concreter moeten worden. «Hebt gij ook acht geslagen op mijn knecht Job?» Job 1:8. Letterlijk staat er: «Hebt gij uw hart op hem gezet?» God vraagt aandacht voor Job in de hemelse gewesten. God accepteert het niet dat de boze zomaar stilzwijgend aan Job voorbij zou gaan. In feite ligt de zaak nog dieper: het is zonder meer onmogelijk dat de satan zo iemand zou kunnen negeren.

Job is de Mens Gods

Bij Job treedt een geestelijke wet in werking: hier is een mens waar de boze niet omheen kan. De satan kan eenvoudig niet doen alsof Job er niet is. Het kan niet anders: het rijk der duisternis moet geconfronteerd worden met Job. Waarom? Job is de mens Gods. De duisternis zal oog in oog staan met de mens Gods. Want nu gaat er iets belangrijks gebeuren. God geeft getuigenis aangaande Job. Want niemand is op de aarde gelijk hij. Job wordt hier beschreven als een unieke gestalte. Wat God hier doet, is een principe waar we een ogenblik bij stil moeten staan. We vinden dit beginsel in Hebreeën 11: «Door het geloof is aan de ouden een getuigenis gegeven», lezen we in het twee­de vers. Van Abel wordt gezegd: «Hierdoor (namelijk door zijn geloof) werd van hem getuigd, dat hij rechtvaar­dig was, daar God getuigenis gaf aan zijn gaven, en hier­door spreekt hij nog, nadat hij ge­storven is» Hebr.11:4. Om welk principe gaat het hier? God getuigt over mensen. God procla­meert in de hemelse gewesten: deze mens is rechtvaardig. Dat moet weten iedereen. Zo proclameert God over Job: deze mens is vroom en oprecht, de­ze man is eenvoudig en rechtuit.

God bevestigt Job

Wat God hier doet, is geen overbodige bezigheid. God gaat op dit moment Job bevestigen ten overstaan van het rijk der duisternis. Dat is een noodza­ke­lijke aangelegenheid. Elk mens heeft het nodig bevestigd te worden. Je hebt het toch nodig, te weten wie je bent voor God. Want wat is een mens zon­der identiteit? God wil dat Job er is; God wil dat Job zal zijn die hij is. Daarom wordt de mens Job op dit moment van hogerhand bevestigd. De overheden en mach­ten moeten weten wie Job is. De overheden zijn immers bedoeld als beschuttende cherubs. Het is hun taak, de rechtvaardige te beschermen. Dan zullen ze ook terdege op de hoog­­te moeten zijn, wie een rechtvaar­dige is. Daar zullen ze hun hart op moe­ten zetten. Hebt gij ook uw hart gezet op mijn knecht Job? Zo zal God getuigen aangaande de gemeente. De mens Job geeft God stof tot spreken in de hemel. God verklaart dat Hij met deze mens verbonden is. Deze mens, daar sta Ik helemaal achter. Hetzelfde zien we zich vol­trekken bij de doop van Jezus. De hemelen gaan open en er klinkt een stem uit de hemel: «Deze is mijn Zoon, de geliefde, in wie Ik mijn wel­behagen heb» Matth.3:17. Wat gebeurt hier? Hier wordt Jezus bevestigd. De Vader verklaart: deze Mens, daar sta Ik helemaal achter. Jezus, als mens, had deze bevestiging no­dig. Alleen van daaruit kon Hij zijn bediening beginnen en tot een goed einde brengen.

God herovert de aarde

Tweemaal lezen we in dit verband over ‘de aarde’. De satan heeft zich be­zig gehouden met rondtrekken op de aarde, en niemand is op aarde zoals Job. De boze beschouwt de aarde als zijn gebied. Het is zijn werkterrein. Dus Job is een indringer. De vorst der duisternis behoort op zijn inspectie­tocht geen vromen aan te treffen. Job is een verstekeling aan boord van het wereldschip. Job is een indringer in het domein van de slang, maar dan wel een indringer van Godswege. Waarom? “Des HEREN is de aarde en haar volheid”, zingt de psalmist. De aarde was geschapen gebied: scheppingswerk van God. De aarde was ver­kocht gebied: verkocht aan de overste der wereld. Maar de aarde is ge­claimd gebied: God eist opnieuw zijn rechten op. En deze aarde zal de heer­lijkheid des Heren zien. Deze aarde. Nu loopt daar een mens. Mens te midden van de mensen. En toch uniek. Hij loopt daar niet zomaar op aarde. Hij is bruggenhoofd van de HERE der heerscharen. Het leven van Job is een strategische zet. Het is een leven met een achter­grond. En die achtergrond is: God herovert de aarde. God neemt zijn schepping terug. Job wandelt op aarde als stadhouder Gods, als vertegenwoor­diger van een ander rijk. En zo zien we dat de inspectie­tocht, de trektocht van de satan, en het bestaan van de mens Job elkaar kruisen op aarde. Het bestaan van Job voltrekt zich in wezen in twee ver­diepingen. Zijn leven speelt zich af op aarde, maar ook in de hemel. Maar dat is hij zich niet be­wust. Nog niet.

Waarom werd Job aangevallen?

Maar nu komt het probleem. God heeft getuigenis gegeven over Job. De vier kernwoorden uit het openingsvers van het boek hebben opnieuw ge­klonken: eenvoudig en rechtuit, godvrezend en wijkend van het kwaad. De satan trekt echter dit getuigenis in twijfel. Is het om niet, dat Job God vreest? Wat is het motief? ‘Is het om niet?’ Deze uitdrukking ‘om niet’ speelt een fundamentele rol in de twee eerste hoofdstukken van het boek Job. In hoofdstuk 2 komt deze term namelijk nog een keer voor, om te vertellen dat de satan ‘om niet’ Job heeft verslonden. (Job 2:3). Deze beide vindplaatsen sluiten op elkaar aan: twee motieven worden hier met elkaar verweven, enerzijds: Job dient God ‘om niet’, het is hem niet te doen om beloning; en anderzijds: Job wordt ‘om niet’ verslonden, dat wil zeggen: zonder reden, zonder oorzaak. Hij heeft het nergens aan verdiend dat dit alles hem overkomt. Hier, in deze twee centrale uitspraken, komen we de diepste gedachte van dit bijbelboek op het spoor: het gaat hier om de mens die God dient uit zui­ve­re motieven, om niet, en die dan zonder oorzaak door de mangel gehaald wordt. Job werd niet aangevallen omdat hij slecht was; hij werd juist het mikpunt van de tegenpartij, omdat hij goed was. Hij was een mens met stra­­tegische betekenis. De vijand is wetteloos; hij valt aan zonder reden. Hij begint een proces tegen een mens, ofschoon hij geen enkele rechtsgrond heeft om zich tegen die mens op te beroepen. Wanneer God een getuigenis geeft aangaande iemand, zal de satan steevast trachten, dit krachteloos te maken. De boze haakt in op de woorden Gods. Dat zien we hier. Dat zien we bij Jezus. Nauwelijks heeft de stem uit de he­mel geklonken, of de verzoeker staat voor de deur. En wat zegt hij? “Indien Gij Gods Zoon zijt”. Hij haakt in op wat de Vader in de hemel verklaard heeft: “Deze is mijn Zoon”.

Satan wil alles aantasten

Nu komt de hinderaar tot de kern van zijn betoog: «Strek daarentegen uw hand uit en tast alles aan wat hij bezit…» Job 1:11. Hier openbaart de boze zijn gedachten. Alles aantasten, dat is zijn program. En daar wil hij dan ook nog God bij inschakelen. Hij verlangt dat God ge­me­ne zaak zal gaan maken met hem. Samenspannen tegen Job. Maar wat doet de Here? Strekt Hij zijn hand uit om Job aan te tasten? Uit het vervolg komt duidelijk tot uiting: geenszins. God verleent geen mede­wer­­king aan de plannen van de duisternis, ook geen lijdelijke medewer­king. Want nu moeten we eens nauwkeurig aandacht geven aan het antwoord van God. Het NBG vertaalt dit als volgt: «En de HERE zeide tot satan: Zie, al wat hij bezit, zij in uw macht; alleen tegen hem­zelf zult gij uw hand niet uitstrek­ken» Job 1:12. Hieraan wordt dan veelal de conclusie verbon­den: God doet het kwaad niet, maar Hij laat het wel toe. Ogenschijnlijk heeft deze opvatting voorde­len. Het kwaad wordt immers op die manier niet aan God toegeschreven.

Laat God het kwade toe?

Bij nader inzien kleven er echter wel enkele bezwaren aan. Want wat bete­kent dat: God laat het toe? Het kan toch niet inhouden dat God onverschil­lig is, zo in de trant van: laat ze hun gang maar gaan, laat ze maar wat aan­rom­melen daar beneden, het is ver hier vandaan. Dat zou absoluut in strijd zijn met Gods karakter. God is niet onverschillig; vele malen horen we over ‘de ijver van de HERE der heer­scharen’, over de strijdlust die Hij doet ont­branden. Soms komt men de gedachte tegen: God doet het kwaad niet zelf; Hij lààt het doen. Hij besteedt het uit. Hij heeft daar zo zijn personeel voor. Ande­ren knappen het vuile werk voor Hem op. Ook deze denkwijze is natuurlijk volstrekt niet te rijmen met het wezen Gods. God is niet iemand die zijn verantwoordelijkheid afschuift. God staat voor zijn daden. Hij zal nooit een ander laten doen waar Hij zelf voor terugdeinst.

De Reformatorische visie over Gods toelating

Wie over toelating spreekt, dient zich wel goed te realiseren waar hij het over heeft. De Reformatorische traditie heeft getracht dit punt vanuit haar visie te doordenken en zij heeft het als volgt geformuleerd: Er is een toela­ten­de wil van God. God laat het boze geschieden dat Hij tot openbaring van zijn heerlijkheid wil laten geschieden. De toelating is dus geen onver­schil­ligheid, maar een positieve actie van Gods wil. Hierdoor wil God toe­la­ten wat Hij noch bewerkt noch uitvoert of kan uit­voeren, bijvoorbeeld de zonde. God kan immers de zonde niet willen noch daartoe besluiten. De toelating is dus, nog steeds volgens de Reformatorische denkers, niet zoals een mens die een zonsverduistering toelaat, die hij noch wil noch nìet wil. De mens is in dat geval neutraal. Het zal hem een zorg zijn of er al of niet een zonsverduistering komt; hij laat de zaak gewoon op zijn beloop; als het gebeurt, vindt hij het goed; ge­beurt het niet, dan is het hem ook goed. Neen, de toelating Gods, zo wordt gezegd, is krachtdadig, doeltreffend, en heeft uitwerking; zij is machtig, invloed­rijk, en geenszins van Gods wil ge­scheiden. Een passieve toelating, die van de wil van God gescheiden zou zijn, is in strijd met Gods almachtige voorzienigheid. Ondenkbaar is dat: dat God als het ware een God in ruste zou zijn, een God die passief, berustend toeziet hoe alles reilt en zeilt. Onder toelating kan men dus niet verstaan een soort slor­dige douane­controle, waarbij allerlei duistere figuren maar oogluikend worden binnen gelaten. Een douanebeambte met een royaal armgebaar: Gaat u gang, passeert u maar. Een hedendaags schrijver komt tot de volgende positie: “We aanvaarden dat God is de almachtige God en dat er niets gebeurt bui­ten zijn kennis of buiten zijn wil. We moeten God prijzen voor het brengen van kwaad in ons leven. God is verantwoor­delijk voor elke storm, aardbe­ving, tornado of or­kaan, elke oorlog, hongersnood, pestepidemie, elke ge­boor­te of dood, elke bloem in het veld, elke mus, elke haar op ons hoofd. God is verantwoor­de­lijk voor alles wat gebeurt. God liet de Chaldeeën niet alleen maar toe, God verwekte hen, Hij deed hen opstaan”. Hoe staat het dan met Napoleon, met Hitler? En met de communistische legers van Rusland en China? Willen we God ervoor danken dat Hij ze ver­wekt? Aan de hand van de tekst: «Mijn gedachten zijn niet uw gedachten», wordt dan gesteld: Dit plan van Mij is niet wat u ten uitvoer zou brengen. Als ik God was, zou ik geen aardbeving zenden naar Peru, of dat kleine meisje la­ten sterven aan leukemie, ik zou niet toelaten dat handelaars in heroïne kin­de­ren zouden verleiden. Maar we moeten Gods hand zien in elke situ­a­tie. De conclusie die we uit deze overwegingen kunnen trekken, is: wat God toelaat, dat wil Hij ook. Men kan dus in feite niet zeggen: er zijn dingen die God niet wil, maar wel toe­laat. Aldus de klassieke Reformatorische positie; de daarna genoemde moderne auteur zou men kunnen beschouwen als een extreme uitloper van dit standpunt. Er kan dus geen sprake zijn van een passieve toelating, alleen van een ac­tie­ve toelating. Dit dient men zich wel bewust te zijn, voordat men klakkeloos gaat spreken over: God laat het toe. Maar is deze gedachte in overeenstem­ming met Gods karakter?

God wil het goede voor de mens

Laten we eerst eens terugkeren naar de tekst van het boek Job, die we geci­teerd hadden. Nu staat daar in het NBG één woord dat in de Hebreeuwse tekst ontbreekt. Het NBG ver­taalt: «Al wat hij bezit, zij in uw macht». De letterlijke tekst luidt: «Al wat hij bezit, in uw macht» (eigenlijk: «In uw hand») Het woord ‘zij’ ontbreekt. Met deze invoeging heeft het NBG een bepaalde keuze gemaakt, een richting aangegeven voor de interpretatie van het vers. Want ‘zij’ is aanvoegende wijs: dat wil zeggen: het kan een wens aandui­den, een aansporing en dergelijke. Maar spreekt God hier een wens uit? Wenst God dat Job in handen van de duivel komt? Dat is ondenkbaar. God gunt de boze geen prooi. God wil het goede voor de mens. Kan het dan een aansporing zijn? Een toestemming misschien? God verklaart zich niet akkoord met de werken van de verderver. «Hiertoe is de Zoon van God geopenbaard, dat Hij de werken van de duivel ver­bre­ken zou». 1 Joh.3:8. Zo open­baarde de Zoon het wezen van de Vader. Hij distantieert zich van de plannen van de duisternis, Hij zal nooit de boze gaan aanmoedigen. De satan heeft al supporters genoeg. Bij God krijgt hij geen voet aan de grond. God bewoont immers een ontoegankelijk licht; daar komen de ideeën van de duivel niet binnen.

Satan is nog de overste van de wereld

Er is een Joodse vertaling die de tekst als volgt weer­geeft: «Al het zijne is in uw hand». Deze overzetting is beter; op deze manier wordt er niet een ge­dach­te in de tekst binnengedragen. Als het Hebreeuws in een bepaald vers geen werkwoordsvorm heeft, is het het meest voor de hand liggend, de meest neutrale vorm, ‘is’ te hanteren in de weergave. Al het zijne is in uw hand. Dat is geen wens, dat is geen toestemming, dit is niets anders dan het vaststellen van een feit. Het is immers een feit, dat, zeker in de tijd van het oude verbond, de satan overste van de wereld was. De zichtbare wereld was aan hem verkocht. De mens was zijn heerschappij kwijtgeraakt. Hetzelfde feit vinden we terug als Jezus verzocht wordt in de woestijn. Dan toont de boze Hem al de ko­nink­rijken der wereld en hij zegt: «U zal ik al deze macht geven en hun heerlijkheid, want zij is mij over­gegeven, en ik geef haar wie ik wil» Luk.4:6. Ook daar stelt de duivel een feit vast. En Jezus trekt in zijn antwoord dat feit niet in twijfel; Hij zegt niet: die koninkrijken zijn helemaal niet van jou. Hij weet dat Hij te maken heeft met een reële bezetter, en Hij is juist geko­men om de hele schepping terug te winnen.

De macht van satan is beperkt en tijdelijk

De boze kon de koninkrijken aan Jezus geven; hij kon ze van Job afnemen. Maar er was een grens. Het zichtbare is tijdelijk en daar kan de overste van deze wereld, de god van deze eeuw, zijn tijdelijke macht over laten gelden. Maar het onzichtbare is eeuwig, dat behoort aan de Eeuwige, daar heeft sa­tan geen macht. De boze kon het bezit van Job aantasten, maar niet zijn geest. Zoals Victor Frankl gezegd heeft: “De boze heeft alleen vat op wat de mens heeft, niet op wat hij is ”. We komen dus tot de slotsom: God laat niet toe; God stelt alleen een feit vast. De vraag is echter: als er geen sprake kan zijn van een toelating Gods, hoe moeten we het lijden van Job dan wel bezien?

Hoofdstuk 3

God noemt Job: ‘Mijn Knecht’

Hierboven hadden we de vraag gesteld: als er geen sprake kan zijn van een toelating Gods, hoe moeten we het lijden van Job dan wel bezien? Een eer­ste aanknopingspunt kunnen we vinden in de manier waarop God over Job spreekt. Hij noemt hem: “Mijn knecht”. Die aanduiding is niet toevallig; zij plaatst Job in een bepaald licht, in een bepaald verband. In de Schriften is de benaming Knecht des Heren, Ebed Adonai, immers een uiterst geladen term. Het woord Ebed, knecht of dienaar, is afgeleid van het werkwoord abad, dat dienen betekent; en de eerste maal dat we dit werkwoord in de bijbel tegenkomen, is in Genesis 2:5, waar letterlijk staat: «Er was (nog) geen mens om de akker te bedienen». In vers 15 van hetzelfde hoofdstuk lezen we vervolgens: «De HERE God nam de mens en zette hem in de tuin van Eden, om die te bedienen en te bewaken». We zien hier iets van de taak die de mens had voordat er zonde bestond. Door middel van dit werkwoord wordt al iets aangeduid van de bestem­ming van de mens: hij is een Ebed. En Ebed heeft in dit verband beslist geen slaafse kleur. Ebed, knecht, ty­peert de mens als partner Gods. Namens God mag hij de schepping bedie­nen. Zoals een koning in wezen een dienaar is, zo mag Adam de ootmoed Gods vertolken aan de schepping. Dit is trouwens een uniek onderwerp om eens aandacht aan te geven: ‘de ootmoed van God’ .

God heeft de mens bestemd tot medearbeider

Adam, de mens, staat aan de kant van God, staat God ter zijde, en in hem strekt God zijn zorgende, verzorgende handen naar zijn schepping uit. En zo ontwikkelt de mens zich naar de gedachten Gods steeds verder tot wat hij bedoeld is te zijn: medearbeider des Heren. Want het genoemde werk­woord kan ook betekenen: arbeiden. Zo mag Adam niet alleen de akker be­dienen, maar zelfs de Hof, de tuin Gods, die beeld is van de geestelijke we­reld. Knecht Gods, knecht van de Hof. Eeuwen later wandelt er weer een Ebed door een hof, en, niet herkend door haar die Hem zoekt, ontvangt Hij van haar in haar gedachten een naam die dieper gaat dan zij wellicht zelf heeft bevroed: Hovenier. Zij dacht dat het de hovenier was. Eeuwenlang was de hof zonder hove­nier, nadat de eerste hovenier verbannen was. Nu komt de Hovenier weer tot zijn hof. Jezus, de tweede mens, de Knecht des Heren, de dienaar van de Hof. Uw koning komt tot u, zachtmoedig…. De Hof kan zich weer ver­heu­gen. Meermalen worden in de Schriften mensen ‘knecht van God genoemd’. Daar­­mee wordt dan aangegeven dat zij op een heel speciale, intieme en in­tense wijze aan de zijde van God stonden. Mensen zoals Abraham, Mo­zes, Jozua en David, in verband met hèn komen we deze term tegen. Ook pro­feten worden ‘knechten des Heren’ genoemd. En een hoogtepunt van deze gedachte wordt gevormd door de liederen over de Knecht des Heren die we bij Jesaja aantreffen. Hij is de gestalte van de Mens Gods bij uitne­mend­heid, de mens van de toekomst, naar wie men uitzag. De gestalte die in Jezus, als eerste onder de broeders, te voorschijn trad. Jezus, de mens die heel intiem en uiterst intens stond aan de zijde van de Va­der, en juist daarom kon de Vader in Hem de handen zo zorgend, ver­zor­­gend uitbreiden naar zijn schepping. Jezus, de Knecht, die kwam om de akker te bedienen en Hij zaaide het zaad Gods; die kwam om de Hof te be­dienen en Hij werd de boom des levens. Als nu Job in de aanhef van het boek door God zelf tot tweemaal toe ge­noemd wordt: ‘mijn knecht’, dan moeten we dat tegen de zojuist geschetste achtergrond horen. Met deze titel wordt Job geplaatst in een bepaald kader, hij wordt een profetische gestalte, een onmisbare schakel in de weg van schep­­ping naar voleinding.

Job lijdt, omdat hij knecht des HEREN is

Hiermee wordt Job getypeerd als mens aan Gods zijde. En nu is het merk­waardige dat de gedachte aan de Knecht meermalen verbonden is met de idee van strijd en lijden. Hoeveel lijden en geestelijke worsteling heeft Mo­zes niet moeten doormaken ten behoeve van zijn volk, juist omdat hij aan de zijde van God stond? Van Jozua lezen we: lange tijd heeft hij gestreden. David, van hem wordt gezegd: hij voerde de oorlogen des HEREN; juist omdat hij aan Gods zijde stond, had hij vele oorlogen te voeren. Wat heb­ben de profeten niet geleden, juist omdat ze stem van God waren gewor­den. En in de liederen die Jesaja over de Ebed zingt, wordt tenslotte de ver­bin­ding tussen knecht-zijn en lijdensweg wel heel diep uitgewerkt. We zien dus: knecht van God te zijn impliceert steevast een vorm van lijden of van strijd. We vinden deze gedachte: waarom lijdt Job? Omdat hij knecht van God is. We gaan nog iets dieper op deze problematiek in. Knecht zijn betekent: mens zijn aan Gods zijde, zo zagen we. Vandaar uit zullen we de vraag als volgt moeten toespitsen: waarom lijdt de mens die aan Gods zijde staat? Het antwoord is: omdat de boze God probeert te treffen in die mens. Het­zelf­de principe zien we dikwijls op een ander vlak: de boze tracht ouders te raken in hun kinderen. Om de plannen van de ouders te dwarsbomen valt hij de kinderen aan. De mens die aan Gods zijde staat, gaat iets ervaren van wat God ervaart. De haat tegen God wordt de haat tegen de knecht. Het vergaat hem zoals  Jezus sprak: «Een slaaf (dit Griekse woord komen we in Jesaja 49:3 tegen als weergave van de Septuagint voor ‘Ebed’) staat niet boven zijn heer. Indien zij mij vervolgd hebben, zij zullen ook u vervolgen» Joh.15:20. Hier geeft Jezus heel duidelijk het principe van het knecht-zijn aan. Het houdt in dat men deelt in het lot van zijn meester. David heeft dat ervaren als hij in Psalm 69 moet getuigen: «En de smaadwoorden van wie U smaden, kwamen op mij neder» Ps.69:10. Weliswaar heeft hij deze psalm gedicht als een profetisch lied met het oog op het lijden van de Messias, maar hij zou deze gedachten nooit hebben kun­nen doorgeven als hij ze niet zelf aan den lijve als waarheid had onder­von­den.

‘Knecht’ is synoniem met ‘Zoon’

De smaad jegens God komt neer op de knecht. We dienen trouwens bij al deze uitspraken wel te bedenken dat de titel ‘knecht’ in deze hele gedach­te­gang geenszins minderwaardig is aan de titel ‘zoon’. Beide termen zijn in dit verband verwisselbaar: Jesaja 42 vers 1 begint met de aanspraak: «Zie, mijn knecht» Dit wordt dit in Mattheüs 3:17 door God de Vader aan­gehaald met de woorden: «Deze is mijn Zoon», terwijl dan later in hetzelf­de evangelie deze zelfde tekst van Jesaja geciteerd wordt als: «Zie, mijn knecht».  (Matth.12:18)  Knecht is hier dus niet geringschattend; het is veeleer een erenaam. Bij David zien we dit basispatroon zich scherp aftekenen: de knecht voert de oorlogen van zijn Heer. Er is tussen knecht en meester een lotsverbon­den­­heid: we zouden kunnen formuleren: ze zijn lotgenoten. Om een beeld te gebruiken: een veldheer trekt ten strijde met zijn soldaten. Wat kunnen die soldaten verwachten? Er zal op hen geschoten worden. Waar­om? Ze staan voor de zaak van de meester. Zal het hen verbazen dat zij het doelwit van de vijand vormen? Ze wisten het van tevoren toen ze zich met hun koning verbonden. Maar kunnen we nu zeggen: de veldheer laat toe dat er op zijn mannen ge­schoten wordt? Het geschiedt onder toelating van de generaal? Dat zou een absurde gedachte zijn. De veldheer wil zijn soldaten niet zelf doodschieten; daar gebruikt hij de vijand voor? Een commandant die zo denkt, verdient opgesloten te worden. De veldheer staat daar niet aan het front te wenken naar de vijand: Komt u maar! Schieten maar! Het is beslist niet zo dat de veldheer het toelaat. Maar het gebeurt wel. Het is een feit. En de generaal is zelfs in staat om dit feit van tevoren vast te stel­len. Hij kan voordat de strijd begint, tegen zijn soldaten zeggen: Straks wordt er op jullie geschoten. Een kwaadwillige soldaat zou kunnen reage­ren: Dat heeft onze veldheer dan zeker met de vijand afgesproken. De man­nen zouden het zelfs kunnen opvatten zoals sommigen profetieën inter­pre­teren: de veldheer heeft gezegd: er zal geschoten worden; dus dat heeft hij over ons beschikt. Daar moeten we dan maar in berusten. consequent zou dan zijn: dan moeten we maar niet terugschieten, want dan dwars­bo­men we het woord van onze leider. Maar gelukkig: een goed soldaat kent de gedachten van zijn aanvoerder. Als hij aan het front staat, hoort hij het hem nog zeggen: Wees dapper; jullie en ik, we strijden zij aan zij. Samen gaan we winnen. De soldaten gaan met de koning mee, ze komen waar hij is. Als ze thuisble­ven, zouden ze weinig meemaken, of in elk geval veel minder. Maar omdat ze hetzelfde verlangen hebben als hun heer, omdat ze een hechte eenheid vor­men met hun meester, daarom staan ze met hem in de voorste linie. Ze hebben aan het Koninkrijk hun hart verpand. Daarom worden zij gecon­fron­teerd met hem die besloten heeft dat Konink­rijk met wortel en tak uit te roeien. Zij worden geconfronteerd met de vij­and. Dat is de ene kant van de zaak. Er is nog een andere kant en die is wellicht van nog diepere betekenis,  na­me­lijk: de vijand wordt geconfronteerd met hèn. Het kardinale punt is niet zozeer: Job ontmoet de satan. Maar veeleer: de satan wordt geconfronteerd met Jòb. Het voornaamste is niet: Job komt oog in oog te staan met de boze, maar: de boze komt oog in oog te staan met Job. En dat heeft hij nodig.

Job verwierf macht in de hemelse gewesten

Het is bijzonder veelzeggend dat de titel ‘knecht’, die in de openingshoofd­stukken van Job tot klinken gebracht wordt, aan het eind van het hele boek opnieuw markant naar voren komt: in Job 42:7,8 maar liefst vier keer. ‘Mijn knecht Job’ wordt dan de voorbidder voor de vrienden; opmerkelijk is dat het lijden daarop uitloopt. Het einde is, dat de knecht een grotere positie ver­krijgt, een sterkere standplaats, in de geestelijke wereld. In het eerste hoofdstuk offert Job voor zijn kinderen, in het laatste hoofd­stuk offert en bidt hij voor zijn vrienden. We zien hier iets van de levens­in­stelling van deze godsman: hij was altijd bezig om anderen te heiligen. Het lijden, de strijd die op hem afkomt, houdt dan ook duidelijk verband met de­ze bediening die hij van meet af aan uitoefende. Hij was een strategische figuur. En dan leert ons het slot van deze geschiedenis: door de strijd heen krijgt hij zijn bediening terug, maar dat niet alleen: door dit alles heen wordt zijn roeping vastgemaakt en uitgebreid. Als Job voorbede doet, dan weet het rijk der duisternis: dat is iemand met wie we rekening moeten houden. Die man kunnen we niet zomaar negeren. Job heeft een machtspositie verwor­ven in de hemelse gewesten. Is het niet opvallend dat we bij de Knecht des Heren in Jesaja dezelfde lijn ontdekken? Ook die lijdensweg loopt uit op een positie van voorbede: het vierde lied, Jesaja 53, eindigt met de woorden: «Daarom zal Ik hem een deel geven onder velen en met machtigen zal hij de buit ver­­delen, omdat hij zijn leven heeft uitgegoten in de dood, en onder de overtreders werd geteld, terwijl hij toch veler zonden gedragen en voor de overtreders gebeden heeft» Jes.53:12. Ook bij Job was dat het hoogtepunt: hij bad voor de over­treders. Hij werd een machtige die de buit mocht verdelen.

De misleidende woorden van Elifaz

Job lijdt als knecht van God. In dit verband is het de moeite waard te letten op een uitspraak die Elifaz in zijn eerste rede doet, een tekst waar wederom het woord ‘knecht’ gebezigd wordt. Elifaz is daar aan het proberen, Job te overtuigen van schuld. Hij gaat daarbij uit van ‘de algemene verdorven­heid van het mensdom’: «Zou een ster­veling rechtvaardig zijn tegenover God?»  Job 4:17. Dat is de algemene stelling; uitgangspunt van het betoog. Let er trouwens op wat hier heel geraffineerd gebeurt. Hier wordt de mens gesteld tegeno­ver God. We hebben steeds gezien: de knecht is de mens die aan de zijde van God staat. Elifaz heeft een heel ander beeld: bij hem staat de mens te­gen­over God. Hier worden God en mens elkaars tegen­speler, en het re­sul­taat is: de werkelijke tegenspeler blijft buiten schot. Elifaz creëert een klas­sen­strijd tussen God en mens. o komt de mens aan de werkelijke strijd nooit toe. aar dan komen we bij vers 18 «Zie, in zijn dienaren stelt Hij geen vertrouwen» Job 4:18. Dit woord ‘dienaren’ is hetzelfde woord dat we in de proloog aantroffen, waar het vertaald werd met ‘mijn knecht’. We zouden, om het verband te kunnen proeven tussen het openingsverhaal en hoofdstuk 4, dus conse­quent moeten vertalen: «Zie, in zijn knechten stelt hij geen vertrouwen». Dan ont­dekken we pas wat een gemene dolksteek dit woord van Elifaz is. God heeft tot tweemaal toe verklaard: Job is mijn knecht. Job was daar welis­waar niet bij tegenwoordig, maar hij zal ongetwijfeld uit dit besef geleefd hebben. En nu gaat deze vriend uitgerekend dit kernpunt op een intens ge­niepige manier ondergraven. Al ben je dan knecht van God, daarom ver­trouwt God je nog voor geen cent. Elifaz stelt vast: een knecht van God te zijn, dat betekent niets. Wat God in de hemelse gewesten aangaande Job geproclameerd heeft: deze is mijn knecht, dat gaat Elifaz nu eens even vak­kundig op losse schroeven zetten. Deze vriend praat niet zomaar wat in de ruimte; neen, hij doet een rechtstreekse aanval op de woorden die God over Job heeft uitgeroepen. Precies als bij Jezus. De stem uit de hemel zei: «Deze is mijn Zoon». En wat zegt de verzoeker in de woestijn? «Indien Gij Gods Zoon zijt». Ook hier: een doelgerichte aantasting van de zojuist gesproken woorden Gods. Hier zien we hoe de gedachten van God en de gedachten van de satan lijn­recht tegenover elkaar komen te staan. Gods gedachte was: de mens is mijn knecht, mens die aan mijn zijde staat. Daartegenover stelt de boze: er is geen vertrouwensrelatie tussen God en mens. Die kan er niet zijn en die komt er ook nooit. Het axioma van Elifaz luidt: God verwerpt de mens. En hij spitst het toe: zelfs al is die mens knecht van God. God verwerpt ook zijn knechten. Elifaz predikt de God van de verwerping. Hiermee wordt Job getroffen in zijn diepste wezen, in zijn positie bij God, in zijn naast God staan, wat de kern van zijn bestaan is. Hier wordt onthuld wat ten diepste de haat van de duivel opwekt: hij kan het niet hebben dat er een mens komt te staan aan Gods zijde. Daarom stelt hij alles in het werk om die mens vandaar te verstoten. De geest die Elifaz inspireert, is er in wezen op uit, God te beroven van zijn knechten, een motie van wantrouwen te stellen tussen God en mens.

God laat de leugen niet voortwoekeren

We moeten nog een tweede punt in rekening brengen wanneer het gaat om de vraag: Waarom lijdt Job? De satan heeft gevraagd: «Is het om niet dat Job God vreest?» Daarmee trekt hij het karakter van Job in twijfel. In feite sug­gereert hij: Job is niet zo vroom en oprecht als God zegt. Maar tegelijk zet de boze daarmee een vraagteken achter het karakter van God. God heeft in wezen Job alleen maar omgekocht. De satan stelt dus twee dingen vast: God is niet goed, en Job is niet goed. Het karakter van God en het karakter van Job zijn in het geding. Het is dui­de­lijk: hier moet een antwoord op komen. Niet omdat God zich beledigd voelt en daar nu zo nodig wat aan moet gaan doen, maar omdat God het heil van zijn schepping op het oog heeft. En omdat de goede naam van Job God ter harte gaat. God kan de leugen niet zomaar laten voortwoekeren. Stel dat God op dit moment gezwegen had. Het spreekwoord zegt al: wie zwijgt stemt toe. Dan zou de satan overal rond hebben kunnen gaan om het gerucht te verspreiden: Job deugt niet en God evenmin; God en Job houden elkaar alleen maar de hand boven het hoofd. Die vroomheid van die man is door­gestoken kaart. God mag dan zeggen: er is op aarde niemand als Job, maar wij weten wel beter: er is op aarde helemaal niemand die vroom is, ook Job niet. Dat zou een overwinning geweest zijn voor de duisternis: we hebben de laat­­ste vro­me ontmaskerd; nu heeft God niemand meer op aarde, nu is de hele aarde van ons. Alle mensen op aarde zijn zwart of grijs, en ook Job is niet wit. Dan had de boze vrij spel gekregen om het karakter van God te belasteren. Niemand zou meer weten wie God werkelijk is. De schepping zou ondergedompeld zijn in een totale Gods­verduistering. Dit kon God niet toelaten. Het boek Job is niet het getuigenis van wat God allemaal toelaat; het is juist het getuigenis van wat God beslist nìet toelaat. God laat zijn naam en de naam van zijn knecht niet zomaar te grabbel goo­i­en. God waakt over zijn naam en over de naam van Job. Wat gaat God der­halve doen? Het komt er in feite op neer dat Hij zegt: Ik ga mijn wezen en het wezen van mijn knecht presenteren aan het rijk der duisternis. Dan zul­len zij moeten erkennen wie Ik ben en wie mijn knecht is. Net zoals Jezus sprak, vlak voordat Hij op weg gaat naar Gethsemané:

«De overste der wereld komt en heeft aan Mij niets» Joh.14 :30. De Leidse vertaling zegt hier: «Hij heeft in Mij niets dat hem toebehoort». In Jezus was alleen maar het wezen Gods; in zijn geest en ziel was niets te vin­den van het wezen van de boze: de overste der wereld komt en vindt in Mij niets. Zo presenteerde Jezus als mens het wezen Gods aan het rijk der duisternis. Jezus vervolgt dan ook: «De wereld moet weten dat Ik de Vader liefheb en zó doe, als Mij de Vader geboden heeft» Joh.14 :31. Waar gaat het om? De wereld moet het weten. De wereld, waar­van satan de overste is. Wat moet ze weten? Dat daar een mens is die volledig één is met God, een mens die God dient om niet, een mens in wie niets te vinden is dan enkel en alleen, puur karakter van God. Alleen zo kan de leugenaar tot zwijgen gebracht worden: door een mens die dwars door strijd en duisternis en aanklacht heen belijdt en vasthoudt: God is goed. God had Jezus nodig: er moest een mens opstaan die voor over­heden en machten zou getuigen: God is waarachtig. Jezus heeft dit ge­daan en zo was Hij de getrouwe Getuige. Evenzo kunnen we zeggen: God had Job nodig. Een mens door wie God zijn wezen kon presenteren aan de vorst der duisternis.

De presentatie van het wezen Gods

We kunnen de lijn doortrekken: zo heeft God in deze tijd de gemeente no­dig om zijn wezen te presenteren aan de onzien­lijke wereld. Dit is het prin­ci­pe dat Paulus aangeeft in de Efezebrief: «Opdat thans door middel van de gemeente aan de overheden en de machten in de hemelse gewesten de veel­kleurige wijsheid Gods bekend zou worden» Efez.3:10. God zegt: door middel van de gemeente ga Ik mijn wezen presen­teren aan de schepping. Hier hebben we een kerngedachte in verband met Job, een lijn die door­loopt via Jezus tot in de eindtijd: het gaat om de presentatie van het wezen Gods. Jesaja brengt het in beeld als een rechtzitting. God zegt tot de volken: «Laten zij hun getuigen voorbrengen» Jes.43:9. En daartegenover komt dan in vers 10: «Gij zijt, luidt het woord des HEREN, mijn getuigen, en mijn knecht (ebed!), die Ik verkoren heb» Jes.43:10. We zien het contrast: zij hebben hun getuigen, maar gij zijt mìjn getuigen, met de nadruk op mijn. En parel­lel daarmee duikt dan ook weer het sleu­tel­woord knecht op. Jullie staan naast Mij in het rechtsgeding met de volken en de goden. Job stond zo totaal aan Gods zijde dat hij deelgenoot werd van Hem. Gods vij­and werd zìjn vijand. Hij voerde de oorlog van God. Kunt gij de beker drin­ken die Ik drink? Job dronk: de strijd van God werd zijn strijd. Dit werd opgetekend in de hemel. Hier gebeurde iets van oneindige waarde: een mens werd bondgenoot van God.

God kiest de mens als partner

We moeten hier nog wel even waken tegen een misverstand. Soms wordt deze gedachte als volgt uitgewerkt: God gebruikt de mens om de satan te overwinnen. Zo zouden wij het liever niet willen formuleren. Het woord ‘gebruiken’ wekt in dit verband een wat negatieve indruk, alsof de mens moet dienen als een soort stootblok, een buffer, om voor God de klappen op te vangen; of als zou de mens de stok zijn die God gebruikt om er de hond mee te slaan. Dan hebben we een veel te banaal beeld van onze Koning, en evenzeer een te laag­ bij-de-gronds beeld van de mens. God heeft de mens gekozen als partner. Maar partnerschap is niet volledig, niet volwaardig, als één van beiden een terrein voor zichzelf reserveert. Het is als met een bruidegom en een bruid. Stel dat de man een meesterlijk doel voor ogen heeft in zijn leven, maar hij praat er nooit over met haar. Of denk u in, dat hij in een strijd verwikkeld is, een leed te dragen heeft, en zij zou daar niets van af weten, er part noch deel aan hebben. In een goed huwelijk is dat ondenkbaar; zij zal het aanvoelen, erin betrokken willen worden, niet omdat het moet, neen, zij wìl dat gewoon, zij is niet tevreden met minder dan echt partnerschap: alles zullen we samen delen: lief en leed. Hier is geen sprake van ‘gebruiken’; natuurlijk gebruikt de man zijn vrouw niet om zijn leed af te wentelen of zijn strijd tot een oplossing te brengen. Neen, het is heel anders: zij rust niet voordat ze weet wat hem bezighoudt, en samen gaan ze door leed en strijd heen, samen verheugen ze zich als hun beider vijand valt, en ze weten: het kan niet anders, partnerschap is de enige weg. Alleen dit partnerschap, niets anders, niets minder dan dat, kan het hart van God en het hart van de mens ten diepste voldoening schenken. Maar de mens ontdekt: de weg van dit bondgenootschap gaat wel dwars door de hemelse gewesten heen. Een andere weg kan niemand maken, ook God niet. Maar liefde gaat, als het moet, door het vuur, om naast de Geliefde te kunnen staan.

Hoofdstuk 4

De ontwikkeling van het Godsbeeld bij Job

In Job ontmoeten we de man die worstelt met zijn godsbeeld. K. H. Miskotte heeft erop gewezen dat men in het algemeen drie verkla­rin­gen naar voren brengt met betrekking tot het lijden: het wordt gezien als straf voor de zonde, het lijden heet noodzakelijk voor de voortgang van de wereld, of het is te verstaan als een opvoeding Gods. Hij voegt er dan aan toe: wij zullen deze verklaringen één voor één wegen… en te licht bevinden. Wat gebeurt er met het godsbeeld van deze lijdende knecht? Wanneer we ons hierin wat willen verdiepen, dan stuiten we op een opvallend gebruik van de namen Gods. Er blijken namelijk twee namen te zijn die speciaal in dit bijbelboek een sleutelfunctie vervullen. Dat zijn: de naam die meestal weergegeven wordt met HERE, en in de twee­­de plaats de naam die veelal vertaald wordt met: de Almachtige. We zouden kunnen zeggen: aan de hand van deze beide namen wordt het godsbeeld in het boek Job ontvouwd. We kunnen ook stellen: op basis van deze twee namen gaat zich het godsbeeld van Job ontwikkelen. Want dat er zich bij deze man inderdaad een ontwikkeling voltrekt, zal duidelijk zijn voor ieder die het boek aandachtig leest. Wat de eerste naam betreft, HERE, deze houdt, zoals bekend, verband met de Godsopenbaring aan Mozes: Ik ben die Ik ben. Hierin is vervat een heenwijzing naar Gods wezen. En nu is het opmerke­lij­ke dat deze naam in het onderhavige bijbel­boek alleen voorkomt in de pro­loog en in de ontknoping; dat wil zeggen: achttien keer in de eerste twee hoofdstukken, en dertien maal in de hoofdstukken 38 tot en met 42. In het tussenliggende deel, dus in de gesprekken tussen Job en zijn vrienden, tref­fen we deze naam geen enkele maal aan. Blijkbaar blijft in deze uitvoerige dialogen het wezen Gods veelszins versluierd. Te midden van al deze dis­cus­­sies is de naam ‘Ik ben’ opvallend afwezig. Met al hun uiteenzettingen slagen deze mannen er niet in, tot het wezen van God door te dringen.

Job gaf aan God de lof van zijn hart

Wanneer Job in de ouverture deze Godsnaam uitspreekt, dan is het in de al­ge­meen vermaarde tekst: «De HERE heeft gegeven, de HERE heeft genomen, de naam des HEREN zij ge­loofd». (letterlijk: ‘gezegend’)  Job 1:21. We zien hier dat Job reeds wel deze naam aanhaalt, maar dat de specifieke inhoud van deze typering voor hem nog een verborgenheid is. Hij kent en er­kent God als de HERE die geeft, maar ook het nemen schrijft hij op reke­ning van deze zelfde God. Toch, en dat is het waardevolle van deze vrome in de ware zin des woords, eindigt hij met de naam van God te zegenen, en daarom kon van hem dan ook getuigd worden: «In dit alles zondigde Job niet en schreef Gode niets ongerijmds toe» Job 1:22. Dat wil zeggen: hij zondigde niet, met andere woorden: hij miste zijn doel niet, want wat is het doel van de mens? Dat hij God zegent, dat hij aan de kant van God staat, en dat dééd Job, ook al was zijn kennis nog ten dele. Zijn denken was nog versluierd, maar zijn hart was toegewijd. Er was in hem geen bitterheid jegens God. Daarom kon van hem gezegd worden: hij gaf aan God niets ‘onnozels’, niets wat ongepast is. Immers wat gaf hij aan God: de lof van zijn hart. Hij bleef zijn verbondenheid met zijn God, zijn loyaliteit, uitspreken en dat had waarde in de geestelijke wereld. Dan, na hoofdstuk 2, verdwijnt deze naam van het toneel, om pas weer op te duiken op het moment dat God Job gaat ant­woorden. Deze opbouw is veel­­betekenend: dan wordt de zin en inhoud van deze naam aan Job ont­huld. God openbaart zich als de ‘Ik ben’.

De relatie tussen de boeken Genesis en Job

De tweede naam, gemakshalve vertaald met ‘de Almachtige’, komt nu juist vrijwel uitsluitend voor in de gesprekken. Deze naam vinden we niet in de proloog en slechts eenmaal in de ontknoping, namelijk in Job 39:35, waar bei­de namen samenkomen: «En de HERE antwoordde Job: Wil de bedil­ler twisten met de Almachtige?» Deze tweede naam komt maar liefst dertig keer voor in de dialogen, plus zo­­als gezegd, nog eenmaal in de slothoofd­stukken. De vraag ligt voor de hand: waarom gebruiken Job en zijn vrienden telkens deze aanduiding voor God? Dit is te meer opvallend, als we in aanmerking nemen dat deze titel buiten het boek Job slechts zeventien keer voorkomt in heel het Oude Testament. Daar komt dan nog een tweede vraag bij: wat is de inhoud van deze naam? Dekt de vertaling ‘Almachtige’ de werkelijke betekenis? De Bible de Jéru­sa­lem laat de naam eenvoudig onvertaald. Deze vertaling wijst erop, dat hij afkomstig is uit de tijd van de aartsvaders; de naam zou dan in het boek Job weer onder het stof vandaan gehaald zijn en als een antieke curiositeit in deze gesprek­ken zijn gebruikt. Nu is het inderdaad een feit dat we niet over het hoofd moeten zien, dat de­ze titel in het boek Genesis een funda­mentele rol speelt; zesmaal treffen we hem daar aan. Oud­tijds meenden trouwens ook velen dat het boek Job ge­schreven zou zijn door Mozes, die eveneens de auteur was van Genesis. Hier raken we aan de problematiek rondom de datering, waar­bij we dan twee kwesties van elkaar dienen te onder­scheiden: de datering van het le­ven van Job en de datering van het boek Job. Dat Mozes de auteur van dit boek zou zijn, is vrij onwaarschijnlijk; er is meer verwantschap in uitdruk­king en gedachtewereld met Jeremia en Ezechiël, terwijl de tekst bovendien gekleurd is door vele Aramese woordvormen en begrippen, zodat men eer­der geneigd is te denken aan een ontstaan ten tijde van of na de balling­schap, toen men, met het ineenstorten van natiën voor ogen, meer de drang voelde om zich te bezinnen op het lot van het individu. In elk geval, al is de vraag naar de datering moeilijk te beantwoorden, een relatie tussen Genesis en Job is er wel, en die kan ons ook helpen om de zin van de godsnaam Sjaddai, Almachtige, op het spoor te komen. De oor­spron­­ke­lijke betekenis van El Sjaddai is: ‘de God van de berg’, waarmee be­doeld is de godenberg, waarover ook Ezechiël spreekt. De status, de positie van God wordt ermee aan­geduid: God is als het ware gezeten op het knoop­­punt van de geestelijke wereld, vanwaar uit Hij kosmos en toekomst volledig beheerst. De berg der goden immers is de plaats vanwaar uit ge­schie­denis gemaakt wordt, beslissingen worden genomen, en plannen wor­den uitge­stip­peld.

De betekenis van de naam El Sjaddai

Nu krijgt deze naam Sjaddai in Genesis heel markante con­touren. Het is God zelf die deze naam als een geheimenis voor Abram ontvouwt, ontsluit, op een uiterst kritiek moment, namelijk als deze diep beseft dat zijn levens­kracht ten einde is en dat de moederschoot van Sara verstorven is. In deze grenssituatie plaatst God de naam Sjaddai, in dit doodsgebied plant Hij taal en teken: Ik ben El Sjaddai. Hiermee worden minstens twee elementen tot ui­ting gebracht: allereerst verbindt God zich door middel van deze wezens­openbaring op een heel intense manier met de aartsvaders. Hij wil de God te zijn die voor hen de strijd zal voeren op het knooppunt in de hemelse ge­westen. Hij maakt zich aldus aan hen bekend als hun godde­lij­ke ‘naaste’. En in de tweede plaats houdt deze naam in: Hij is de Heer die macht oefent tegen de dood. Telkens als de toekomst van het wordende godsvolk afgestor­ven schijnt, als Jakob moet vluchten, als Benjamin mee moet naar Egypte, dan klinkt daar die naam Sjaddai. Het is de God die de strijd aanbindt tegen het noodlot, die zich op­stelt tegen de doem, tegen de dood, die het onafwendbare af­wendt. Een unieke naam: God als naaste van de vaderen, en God die macht oefent tegen de dood. Maar ook deze naam blijkt voor Job en zeker voor zijn vrien­­den versluierd te zijn. Voor de vrienden betekent Sjaddai inderdaad niet meer dan ‘de Almachtige’, iemand die veel of alles kan, en aan wiens tucht men zich dient te onderwerpen. «Versmaad daarom de tucht des Almachtigen niet» Job 5:17. Zo luidt de oproep van Elifaz. Ook Job zelf zit onder een verduisterde hemel, zo verklaart hij: «Want de pijlen des Almachtigen steken in mij, welker gif mijn geest inzuigt» Job 6:4. Maar toch heeft Job, al ontbreekt het hem nog aan een helder beeld, weet van iets beters; hij denkt terug aan vroeger: «Toen Gods vertrouwelijke omgang in mijn tent toefde; toen de Almach­tige nog met mij was» Job 29:4-5. Hij heeft ergens nog het besef van de aartsvaders: Sjaddai is toch niet een God van geweld, van brute kracht, maar vroeger was Hij mijn ‘naaste’. Daar­om, vanuit deze innerlijke overtuiging, die hem nooit verlaten heeft, al­les wat de vrienden betoogden ten spijt, heeft Job de moed om in zijn slot­woord te vragen: «De Almachtige antwoorde mij» Job 31:35. Juist die naam Sjaddai zal dan ook in de ontknoping ont­vouwd, ontsloten wor­den door de HERE zelf. En dat is het­geen waar Job om worstelt; hij vecht tegen de leugen, hij vecht opdat de naam van Sjaddai zal doorbreken. Hoe, weet hij niet; maar dat er iets moet gebeuren, weet hij wel.

Job wacht een zware strijd in de geest

We zien hoe de strijd voor Job steeds zwaarder wordt. De zwaarste kamp staat hem te wachten in de geest. In de eerste fase verdwenen zijn bezit en de kinderen die hij altijd geheiligd had; in de tweede fase werd zijn lichaam aangetast, maar toen begon het pas. Dan komt daar zijn vrouw, de enige die hij nog over heeft, en wat kan het zo vreselijk verwonde hart dieper raken dan het woord van haar die hem het dierbaarst is? Men zegt wel: mensen die het meest van elkaar houden, schijnen elkaar het meest verdriet te doen. Samen hadden ze gestaan voor het aangezicht van God en besloten: nooit zullen we elkaar ver­laten, in goe­de noch kwade dagen, in rijkdom noch armoede, in ziekte noch gezond­heid, tot de dood ons zal scheiden. Het was alles zo stralend geweest, en nu was het nacht. Dan komt daar zijn vrouw en wat zegt zij? «Volhardt gij nog in uw vroomheid? Zeg God vaarwel en sterf!» Job 2:9. Nu is er iets merkwaardigs aan de hand met de woorden die zij spreekt. Het is namelijk dezelfde gedachte die de satan reeds tweemaal uitsprak in de hemel: ‘of hij U dan niet openlijk vaarwel zal zeggen’. Deze vrouw is niets anders dan een echo. Zij brengt alleen maar de gedachten van de boze aan haar man over. Het enige originele dat ze er nog aan toevoegt, is: en sterf! Maar ook dat zal haar ongetwijfeld vanuit de geestelijke wereld voor­ge­zegd zijn. Wat een eenzaamheid voor Job. Niet begrepen te worden door haar die hij het meest beminde. Alles is erop uit, zijn geest murw te slaan. Maar ook de­ze neerzuigende gedachte weerstaat hij. Zouden we het goede van God aan­nemen en het kwade niet? De oorsprong van het kwaad is voor hem nog ver­borgen, maar zijn hart blijft staan aan de kant van God.

De vrienden van Job zwijgen

Dan komen de vrienden. Hij is voor hen onherkenbaar gewor­den, evenals de lijdende knecht over wie Jesaja spreekt. Zeven dagen en zeven nachten zitten ze daar en geen woord komt over hun lippen. Een omgekeerde schep­­pingsweek lang. Ze scheuren hun mantel en strooien stof op hun hoofd: dit waren rouwgebruiken in die dagen. Het kan de rouw zijn om de omgekomen kinderen, maar in feite beschouwen ze Job ook reeds als een dode, een ten dode opgeschrevene. Zeven dagen stilte, zoals de mannen van Jabes zeven dagen vastten na de dood van Saul. Het is een uiting van rouw, en ook van boete. Blijkbaar hebben ze verwacht dat Job zich bij deze boetedoening zal aansluiten: voordat het einde over hem komt, zal hij nog één ding doen: hij zal zijn schuld belijden, en dan zal hij sterven. Zeven dagen geven zij hem de kans. Zoals in zeven dagen de mu­ren van Jericho vielen, zo zou ook in zeven dagen de geest van Job ineen moeten storten. Een week van afbraak, totdat de laatste weerstand zou zijn bezweken. Ze komen om hem te beklagen, eigenlijk staat er: om hun hoofd te schud­den, om hem toe te knikken, en om hem te troosten. Maar dan moet hij wel meewerken. Dan moet hij wel in hun schema passen. Ook die uitdrukking: iemand toeknik­ken, wordt wel gebruikt in verband met de rouw over een do­de, met name bij Jeremia.

Jay E. Adams behandelt in één van zijn boeken het rouw­proces, waarbij hij drie stadia onderscheidt: shock, des­organisatie en reorganisatie. Interessant is, dat hij daar­bij opmerkt: het eerste stadium kan één tot twee uur duren, het tweede stadium zeven tot tien dagen. Dat zou dan heel goed samen kun­nen vallen met de zeven dagen die de vrien­den zwijgend en rouwend door­brengen bij Job. Het is de periode van ontreddering, de ware per­soon­lijkheid komt openbaar, oude velden worden omgeploegd, oude gebouwen komen naar beneden, het is een tijd van ontworteld worden, de eerste etap­pe van een overgangsfase. Opvallend is dat Adams benadrukt: een pastor kan geweldig helpen in dit proces. Hij voegt eraan toe: Ik zou willen oproe­pen tot veel meer pastorale gesprekken dan de meeste herders met hun men­­sen voeren tijdens de periode van verdriet. Tegen de achtergrond van deze opmerkingen bezien, is het dan toch wel ontstellend dat de drie vrienden zeven dagen zwijgen. Ze laten dus de fase van de desintegratie vruchteloos voorbijgaan. Ze laten Job stuurloos rond­dobberen op de golven van zijn eigen gedachten. Of beter gezegd: van de gedachten die op hem af komen. Waarom bidden ze niet voor of met hem? Waarom roepen ze de Naam niet over hem uit? Geen wonder dat Job, wanneer hij tenslotte zijn mond open­doet, zijn ge­boor­­tedag gaat vervloeken. De verwachte schuldbelijdenis blijft uit. Door­dat de vrienden hem be­schouwen als een dode, hem behandelen als een ten dode op­geschrevene, is de lucht zo bezwangerd van doodsmachten. De geest van deze man is zo eenzaam en verlaten, dat hij niet anders meer kan wensen dan: «Diezelve dag zij duisternis; dat God naar hem niet vrage van boven, en dat geen glans over hem schijne; dat de duisternis en des doods schaduwe hem verontrei­ni­gen; dat wolken over hem wonen; dat hem ver­schrikken de zwarte dampen des dags».  Job 3:4-5, St.Vert. De geboortedag is het moment waaruit iemands hele leven te voorschijn treedt, het is de oorsprongs-ader, het genesis-gebeuren. Job heeft nu echter nog maar één verlan­gen: die ader af te snijden, die wortel van zijn bestaan uit te rukken. De schaduwen des doods hebben zijn denken overweldigd.

Het verlangen van Job naar antwoord van God

Maar wie goed luistert, hoort dwars door dat rauwe, bittere geluid heen een vraag, een hunkering naar licht. In zijn klacht spreekt Job over de man wiens weg verborgen is, aan wie God elke uitweg heeft afgesneden (3:23); de Statenver­taling noemt hem “de man die God overdekt heeft”. Daar ho­ren we tussen de regels het verlangen, dat die verborgenheid zal oplichten, dat die met wolken overdekte hemel zal opengaan, dat God zal antwoor­den. Job gaat immers uit van de veron­derstelling dat God degene is die alle uit­we­gen heeft af­gekapt. Een andere vertaling zegt: “God heeft zich tegen hem afgeschermd”. Zo heeft deze knecht het ervaren: er staat een scherm tussen hem en de onzienlijke wereld. Straks mag Job achter de schermen zien. Maar nu zijn er vooralsnog alleen de vrienden. Zij horen de vervloeking en verder niet; zij kunnen niet tussen de regels luisteren, niet vernemen zij de schreeuw van een verduisterd hart.

Elifaz gaat in de aanval

Dan kan Elifaz zich niet meer inhouden en als eerste van de vrienden opent hij het vuur op Job. Deze Elifaz wordt een Temaniet genoemd en Teman is een deel van Edom en staat soms als aanduiding van het gehele land Edom; Teman stond bekend om zijn wijsheid, zoals blijkt uit Jeremia 49: «Is er geen wijsheid meer in Teman, is aan de ver­standigen raad ontglipt, is hun wijs­­heid verdwenen?» Jer.49:7. Elifaz valt meteen met de deur in huis en vlot en zakelijk werkt hij de pun­ten van zijn betoog af. In de eerste plaats spreekt hij zijn verbazing uit, dat Job zo gauw uit het lood geslagen is: anderen heb je getroost, maar zodra jouzelf iets overkomt, schreeuw je moord en brand. Nu ben je direct moedeloos en verbijsterd. Job, jongen, hoe heb ik het toch met je? Typisch de reactie van een man die zelf nooit iets mee­maakt; een man die de theorie (en dan nog de valse theorie) met verve uiteen kan zetten omdat hij niet gehinderd wordt door enige praktische ervaring. Vervolgens gaat hij over tot de vraag: «Is dan niet uw gods­vrucht uw toevlucht, uw onberispelijke wandel uw hoop?» Job 4:6 Daarmee geeft hij er blijk van dat hij er niet veel van begrepen heeft, van de principes die gelden in de geestelijke wereld niet, en ook van zijn vriend Job niet. Want deze vraag is immers geheel en al onrechtvaardig: natuurlijk heeft Job niet op zijn godsvrucht vertrouwd, doch op God. Hier haakt Eli­faz trouwens letterlijk in op de woorden uit de proloog: godsvrucht is iden­tiek met god­vrezend; onberispelijke wandel is gelijk aan de vroomheid uit hoofdstuk 1. Precies de punten die de satan bij Job in twijfel trok: vroom­heid (eigenlijk ‘eenvoud’) en godvrezend­heid, gaat Elifaz nu ook nog eens vakkundig op losse schroeven zetten. We zien: deze Temaniet pakt ge­woon de draad op waar de satan hem heeft laten liggen. Als Job nog nauwelijks tijd gehad heeft om van deze vraag te bekomen, is Elifaz al bij zijn volgende voltreffer, en dit wordt de kern van zijn verhan­de­ling; dit is ook niet meer een omzichtige benadering, dit kunnen we niet anders omschrijven dan als een frontale aanval. «Bedenk toch: wie kwam ooit onschuldig om, en waar werden oprechten verdelgd?»  Job 4:7.

Daar laat Elifaz het derde woord uit de proloog klinken, het woord op­recht; Job heette immers vroom en oprecht? Elifaz vertelt wat hij gezien heeft: «Naar ik gezien heb, wie onrecht ploegen en moeite zaaien, die maaien het». Job 4:8. Jammer genoeg heeft hij kennelijk nooit gezien wat de psalmisten maar al te vaak zagen: «Hij (de goddeloze) ligt in hinderlaag bij de gehuchten, in het verborgene doodt hij de onschuldige» Ps.10:8. Daar treedt datzelfde woord ‘onschuldige’ weer naar voren, dat later in het proces tegen Jezus opnieuw zo’n belangrijke rol zal gaan spelen: onschul­dig bloed wordt dan vergoten. Voor Elifaz echter is de zaak zonneklaar: zoiets komt niet voor. Nooit. Zit iemand in de ellende, dan is er maar één verklaring mogelijk: de man moet het ernaar gemaakt hebben. Nu is Elifaz niet zomaar iemand, die volstaat met wat algemene waarheden te berde te brengen; neen, hij heeft openbaring gehad. «Een woord drong heimelijk tot mij door, en mijn oor ving het gefluister daarvan op» Job 4:12. We bemerken: het gaat er zeer geheimzinnig aan toe.

De openbaring van Elifaz onder de loep

Een aantal punten vallen ons op wanneer we deze openbaring onder de loep nemen: er is sprake van diepe slaap, ook wel vertaald met verdoving; deze onheilspellende toestand loopt dan verder uit op schrik en beving. Het zal zonder meer duidelijk zijn dat we hier niet met het klimaat van het Koninkrijk Gods te maken hebben. Ja, zelfs al zijn beenderen werden ver­schrikt, zijn haren rezen ten berge en wat was de oorzaak? Een voorbij­glij­dende geest. Kennelijk is het bezig zijn in de geestelijke wereld voor Elifaz een zenuwslopende aangelegenheid. Maar het eindresultaat is helemaal niet om over naar huis te schrijven: de man weet tenslotte niet wat hij ziet. Hij bleef staan, maar ik kon zijn gestal­te niet onderscheiden. Dat is typerend voor vrome geesten: alles is vaag, mistig, nevelig. Het blijft een onbekende; je hebt er later nooit verhaal op, want een naam weet je niet. Een geest, een gedaante. Elifaz leeft op anonieme openbaringen. «En ik vernam een fluisterende stem». Letterlijk staat het er nog iets vreemder: «Wat ik hoorde, was zwijgen en stem». Je vraagt je af: hoorde de man nu wat of niet? Nu is het wel merkwaardig dat die beide woorden: stem en zwijgen, in nog een tekstverband tezamen voorkomen, namelijk als het gaat over Elia op de Horeb. Dan is daar het suizen van een zachte koelte; een andere vertaling zegt: «Stem van een ver­sluierd zwijgen». Vandaar uit bezien is wat deze geest hier bij Elifaz ten gehore brengt, een stuk imitatie, zoals zo vaak boze (en vrome) machten de uitingen van de Geest Gods trachten na te bootsen. In elk geval is hiermee het nodige voorbereidende werk ge­daan om de emo­­ties van Elifaz in de stemming te brengen, zodat hij nu rijp is om alles, wat voor gedachte dan ook, wat de anonieme geest hem wil toestoppen, te slikken. Het kippenvel en aanverwante rillingen blijken trouwens een pas­send aperitief te vormen voor datgene wat er nu verder ge­serveerd gaat wor­­den. De geest heeft eerst gezorgd voor enige ingrediënten van ‘nacht en stormgebruis’, goed voor uw broodnodige onrust; vervolgens verhoogt hij de spanning door een goed getimed stilzwijgen, en dan…, ja dan is het mo­ment van spreken daar, het ogenblik der onthulling is aangebroken… Elifaz is een bevoorrecht man; hem is gegeven wat slechts weinigen ver­gund is. En wat zegt de stem? Wat fluistert de geest? Precies wat Elifaz al­tijd al gedacht had. «Zou een sterveling rechtvaardig zijn tegenover God, of een man rein te­gen­over zijn Maker?» Job 4:17. Op dat licht zat hij nu al die tijd te wachten. En het is zo fijn dat hij dit nu ook weer mag doorgeven aan een ander, die helaas nog van dat licht ver­sto­ken is. Dit is het thema van de boodschap die hij mocht ontvangen: de mens is van nul en gener waarde. En dat is niet de opvatting van een of andere pessimist; neen, zo denkt God erover. Deze geest geeft het standpunt van de Schepper weer. Waarom God de mens dan eigenlijk ge­schapen heeft, die vraag wordt niet beantwoord; je kunt tenslotte ook niet alles van zo’n geest verlangen. Wel weet hij nog te mel­den dat de mens een bewoner is van lemen hutten, die gegrond zijn op stof. Het is duidelijk: leem en stof, dat kan nooit veel wezen. Huizen van leem kan een beeld zijn van het menselijk lichaam. Job zelf zegt later: «Bedenk toch, dat Gij mij als leem hebt ge­vormd, en wilt Gij mij tot stof doen wederkeren?» Job 10:9. Zo wordt de mens getypeerd, leem gefundeerd op stof, maar dat die mens ook nog een geest bezit, die bijna goddelijk is, dat laat deze anonieme geest maar achterwege. Je kunt immers beter niet alles vertellen. De mens mocht eens gaan denken dat hij meer is dan de geest die tot hem spreekt!

Hoofdstuk 5

Is de mens bestemd om te verdwijnen?

«Die men als motten dood drukt» Job 4:19. Zo denkt God over de mens, althans volgens Elifaz’ informatie. Dat is het­geen Elifaz heeft mogen zien toen een geest hem bezocht. De roemruchte vers­regel van Willen Kloos: “Ik ben een god in ‘t diepst van mijn gedach­ten”, zou men derhalve enigszins moeten wijzigen, om dan bij het resultaat uit te komen: “Ik ben een mot in ‘t diepst van mijn gedachten”. «Tussen morgen en avond worden zij verpletterd, onopgemerkt gaan zij voor altijd te gronde» Job 4:20. Wat is de bestemming van de mens? Verdwijnen; en dan ook nog zonder dat iemand het merkt, niemand slaat er acht op. «Niemand roept ze terug», zegt een andere vertaling. Dat is het toppunt van eenzaam­heid, je pakt je koffers, je vertrekt, je trekt de deur achter je dicht, je kunt gaan, niemand schenkt er aandacht aan, niemand zwaait je uit, niemand roept je terug. Binnen het bestek van één dag verpulverd en niet eens ver­mist. Zo wordt in deze beschrijving de mens ontluisterd op een wijze die een hedendaagse schrijver als Ionesco niet zou kunnen verbeteren. Het is trouwens wel frappant dat we meteen al uit deze eerste rede van Eli­faz een glashelder beeld krijgen van wat er in wezen aan de hand is: Job wordt bestookt vanuit de geestelijke wereld. De man die hier spreekt, is niet zomaar een goed bedoelende, doch ietwat kortzichtige vriend; het be­treft iemand die rechtstreeks geïnspireerd wordt vanuit de hemelse gewes­ten. Deze Temaniet fundeert zijn autoriteit op (al dan niet toevallig) passe­ren­de geesten. Kennelijk heeft hij er behoefte aan, de wijsheid waar de land­­streek die hij bewoont, zo om bekend staat, wat aan te vullen en te on­der­bouwen met ingevingen van bovennatuurlijke orde. We zeiden: ‘al dan niet toevallig’. Wel beschouwd is de open­baring die Eli­faz ten deel valt, niet zo erg toevallig: de man maakt niet voor niets mel­ding van overpeinzingen en nachtgezichten. De eerste van deze beide aan­dui­dingen omvat een scala van activiteiten, van onrustig zijn tot piekeren, peinzen en tobben: voorwaar een voortreffelijke voedings­bodem voor gees­ten van diverse pluimage.

Satan wil Godsbeeld en mensbeeld aantasten

Het oogmerk van deze inspirator is duidelijk: Job alle besef van waardig­heid te ontnemen, en hem bovendien een huiveringwekkend godsbeeld te be­zorgen: een God die als het ware met een vliegenmepper door zijn schep­ping rondloopt. Voor Hem is de mens niet meer dan een mot. De geest die Elifaz op een Hitchcock-achtige manier bezoekt, heeft twee pij­len op zijn boog: het godsbeeld en het mens­beeld aantasten. In hoofdstuk 5 trekt deze vriend zijn conclusies: alle el­lende komt voort uit de mens: «Want uit het stof komt het onheil niet voort, en uit de aarde spruit de moeite niet op. Maar de mens wordt tot moeite geboren» Job 5:6,7. Of in een andere vertaling: «Maar de mens is het die de moeite (of het kwaad) verwekt» Het standpunt is simpel: de mens is de verwekker van alle kwaad. De mens trouwens niet alleen; God krijgt er ook nog een aandeel in: «Hij verwondt en Hij verbindt,  Hij slaat en zijn handen helen» Job 5:18. Elifaz is de man die het kwaad ziet als straf. Het is de vergelding Gods. En zelf is hij ook van ganser harte bereid daaraan alle medewerking te verle­nen, want hij ver­telt: «Ikzelf heb gezien, hoe een dwaas wortel schoot, maar aanstonds vervloekte ik zijn woning» Job 5:3. Als het aan hem ligt, laat hij er geen gras over groeien. Korte metten ma­ken, is zijn motto. God laat zijn zon opgaan over bozen en goeden, maar Eli­­faz denkt daar anders over: hij maakt er op staande voet een eind aan; over een mogelijk­heid dat de dwaas zich nog zou kunnen of mogen beke­ren, wordt door hem niet gerept. Deze Temaniet weet wel wat hij zou doen als hij in de schoenen van Job stond: «Integendeel, ik zou naar God vragen, en aan God zou ik mijn zaak voorleggen» Job 5:8. Goede raad is in dit geval niet duur: als ik jou was, zou ik gaan bidden, man! Aan dit alles herkent men de oppervlakkige mens: de gods­dienst gaat hem vlot af; met bidden heeft hij geen moeite en met vervloeken ook niet.

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

405522 bezoekers sinds 07-06-2010