Exodus, het boek van de uittocht

11-06-2010 door Joop Neven

De bijbel is het boek van de uittocht        

Als we van de uittocht van het volk Israël spreken, zoals dat in Exodus wordt beschreven, moeten we dit meteen in een breder verband plaat­sen. Uiteindelijk gaat het om de uittocht van heel de schepping. Je kunt dit van de buitenkant bekijken, maar misschien lukt het om het ook een beetje van de binnenkant te gaan bezien. Dan ga je ook weer iets ontdekken over het hart van dit verhaal, maar tevens ook over het hart van God. Exodus is een wonderlijk boek. Het heeft bij ons dan de titel meegekre­gen van uittocht, en daar gaat het dan ook over. Misschien gaan wij op die manier in en door deze studie met elkaar ook een stukje uittocht be­leven. En ik denk ook, dat je in feite tijdens heel je leven midden in een uit­tocht zit. Want we zingen dat dan wel eens: “Gods volk wordt uitge­leid”, maar inderdaad, we moeten de nadruk leggen op het woord wordt. Want die uittocht gaat door. Je blijft bezig met je uittocht, net zo­lang tot je hele­maal uitgeleid bent. Maar dan ben je ook aan het eind van Maleachi ge­komen, waar staat: ze zullen springen als kalveren uit de stal. Dat wordt de gro­te, uitèindelijke uittocht. Let erop: er staat: kalve­ren uit de stal, niet in de stal. «Maar voor u, die mijn naam vreest, zal de zon der gerechtigheid opgaan, en er zal genezing zijn onder haar vleugelen; gij zult uitgaan en springen als kalve­ren uit de stal» Mal.4:2. Het begrip ‘uittocht’ is eigenlijk een van de grondthema’s van de hele bij­bel. In Genesis heb je ook al een uittocht, de uittocht van Abraham. Dus zowel in het eerste als in het tweede bijbelboek is sprake van een uit­tocht. Ook in het boek Jesaja krijg je weer een uittocht. Dat is de uittocht uit Babel. En ook in het boek Openbaring wordt een uittocht beschreven. Het is net alsof de God van Israël zich specialiseert in uittochten. Dat is bij wijze van spreken zijn liefste bezigheid, dan voelt God zich helemaal in zijn element. Het begrip uittocht heeft een heel diepe betekenis; het vertelt meteen ook iets over het wezen van God. God is naar zijn diepste karakter de God van de uittocht. God gaat ook net zolang door, tot heel de schep­ping is uitgeleid. We willen nu proberen de binnenkant van Exodus 1 te bekijken.

Mozes en Elia spreken over Jezus’ uittocht

«En het geschiedde, terwijl Hij in het gebed was, dat het aanzien van zijn gelaat anders werd, en zijn kleding werd stralend wit» Luc.9:29. Als Jezus daar op de berg vertoeft, komen Mozes en Elia bij Hem. Dat is niet toevallig; Mozes en Elia vertegenwoordigen de Torah en de Pro­fe­ten. «En het geschiedde ongeveer acht dagen na deze woorden, dat Hij Petrus en Jo­hannes en Jakobus medenam en de berg opging om te bidden» Luc.9:28. «En zie, twee mannen spraken met Hem, en wel Mozes en Elia» Luc.9:30. Het hele Oude Testament was als het ware op die berg aanwezig. Jezus heeft daar een ontmoeting met heel de Tenach. En waarover praten zij? Het onderwerp van het gesprek staat reeds in dit gedeelte van Lucas. «Dezen, in heerlijkheid verschenen, spraken over zijn uitgang, die Hij te Jeru­za­­lem zou volbrengen» Luc.9:31. Letterlijk staat er niet uitgang, maar uittocht. Mozes, de man die Israël uit Egypte had geleid. Elia, de profeet die heel het volk uit de Baäldienst had geleid. Mozes en Elia komen dus vertellen over hùn Exodus. En van daaruit gaat Jezus zijn uittocht volbrengen. Wat daar aan het kruis ge­beurt is eigenlijk ook een uittocht. Dat moeten we goed in gedachten houden, als we straks het boek Exo­dus gaan lezen. In het boek Exodus wordt eigenlijk de hele weg van Je­zus, van de Messias, beschreven. Op een gegeven ogenblik schuiven die twee uittochten in elkaar. Dat wordt één groot geheel, God is ten­slotte ook één. En dan ga je ontdekken, dat het ook jouw exodus wordt. Het wordt je eigen uittocht. Exodus is eigenlijk het verhaal van elk mens.

Dan komt het ook heel dicht bij je, dan zit je er middenin. We gaan eens kijken naar het begin en het einde van het boek Exodus. Het boek begint in Egypte, in de verdrukking, in de ellende. Langzaam gaat die weg beginnen vanuit Egypte en dan loopt het ten­slot­te uit op heerlijk­heid. «En de wolk bedekte de tent der samenkomst, en de heerlijkheid des HEREN ver­­vulde de tabernakel» Ex.42:34. «Zodat Mozes de tent der samenkomst niet kon binnengaan, want de wolk rust­te daarop, en de heerlijkheid des HEREN vervulde de tabernakel» Ex.42:35. Het is goed om te weten als je met een bijbelgedeelte bezig bent, waar dat tenslotte op uitloopt, wat het einddoel van de reis is. Dat heeft Jezus ook geweten. Jezus heeft heel diep geleefd vanuit de Torah, vanuit de boe­ken van de Schrift. Jezus had alleen maar het Oude Testament. Als Jezus op weg gaat naar het kruis op Golgota, dan heeft hij het boek Exo­dus ook gedragen op zijn hart. Dan heeft Hij heel diep geweten: dit is mijn verhaal. Dit gaat in mijn leven gebeuren. Straks ga Ik mijn uit­tocht volbrengen en dan neem ik een menigte van mensen mee. Ik neem ze al­le­maal op sleeptouw, richting Beloofde Land.

Zie, de tent van God is bij de mensen

De verzen 34 en 35 vormen het slotakkoord van het boek Exodus. Daar gaat het naar toe; er komt een tent en de heerlijkheid van de Heer gaat die tent vervullen. Zo eindigt het boek Openbaring ook. Daar staat ook aan het eind: de tent van God is bij de mensen. Het is een fascinerend beeld, dat God zegt: Ik kom bij jullie wonen. «En ik hoorde een luide stem van de troon zeggen: Zie, de tent van God is bij de mensen en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen zijn volken zijn en God zelf zal bij hen zijn» Op.21:3. Boven het laatste hoofdstuk van Exodus zou je als het ware kunnen zet­ten: “De thuiskomst van God”. Dan is God eindelijk thuis bij de mensen. En zijn aanwezigheid, zijn heerlijkheid, gaat de tabernakel vervullen. En dat is tegelijk een voorproefje, want uiteindelijk gaat de heerlijkheid des Heren de hele aarde vervullen. God zegt: geef Mij eerst maar een tentje, dan heb Ik straks de hele aarde. God zegt: Ik ben al zo blij met dat kleine tentje. Dat is het onderpand, dat God uiteindelijk heel de aarde zal vervullen met zijn heerlijkheid. Dat is dus het thema van het boek Exodus. Je zou boven het boek Exo­dus kunnen zetten: “Van ellende tot heerlijkheid”. Vanuit Egypte naar de heerlijkheid van God.

Het boek ‘Namen’

We gaan naar het begin van Exodus om een idee te krijgen, wat er ver­der in dit boek allemaal gaat gebeuren. Juist dat begin van Exodus is zo’n prachtig hoofdstuk. Oorspronkelijk had het boek Exodus een ande­re titel. De boeken van de Tenach werden genoemd naar de beginwoor­den. «Dit nu zijn de namen der zonen van Israël, die met Jakob naar Egypte geko­men zijn; zij kwamen er ieder met zijn gezin» Ex.1:1. Het boek Exodus heette dus oorspronkelijk: het boek Namen (Sjemot).

We zullen straks ook zien, dat het in het boek Exodus ook telkens gaat over de vraag: wie heeft er nu een naam? En met welke namen be­gint het boek Exodus dan: «Dit nu zijn de namen der zonen van Israël», en die worden dan ook één voor één genoemd. Dat is ook heel waardevol: het boek Exodus begint met de namen van al die mensen, die er in Egypte niet mochten zijn. Je zou kunnen zeggen: dat zijn de namen van de naamlozen. In Egypte telde je niet mee; zij moch­­ten geen naam hebben. Zij werden weggetrapt en aan de kant ge­scho­ven. Maar bij God krijgen ze de eerste plaats. Dus uit Exodus 1 kun je leren: de God van Israël is de God van de naam­lozen. Mensen zonder naam zijn bij Hem in tel. Ik vond daar onlangs een prachtig lied over namen….

 

Geef o Heer, dat onze namen

in uw licht te lezen zijn,

zoals lijnen in de ramen

door het zonlicht zichtbaar zijn.

Als de dag dreigt weg te dromen,

als de nacht zich binnendringt

en niet aan het licht doet komen,

dat Gij ons bestaan omringt.

Schrijf dan onze namen over

met uw stift van louter licht.

Laat de letters, ach hoe pover,

 lijnen zijn van uw gezicht.

God schrijft namen over.

Mensen die vergeten worden, waarvan ieder­een het gevoel heeft: o, die tellen niet, die zijn niet belangrijk, daarvan zegt God: Ik heb je bij je naam geroepen, je bent van Mij. Jezus zegt in Lucas 10: Verheug je erover, dat je naam staat opgetekend in de hemel. «Evenwel, verheugt u niet hierover, dat de geesten zich aan u onderwerpen, maar verheugt u, dat uw namen staan opgetekend in de hemelen».  Luc.10:20

Een verhaal in de Paasnacht

De eerste 15 hoofdstukken van het boek Exodus vormen één geheel. Dat gedeelte loopt dus van Exodus 1:1 tot Exodus 15:21. Vanaf Exodus 1:1 gaat dat in een grote compositie door tot in hoofdstuk 15:21. Dit ge­deel­te is een afgerond geheel. Vanouds wordt dat genoemd het Paas­verhaal, de Pesach hagadah. Dit is vanouds bedoeld om voorgelezen te worden in de Paasnacht, op de sederavond. Als het Paasfeest gevierd wordt, als je gedenkt aan de uittocht uit Egypte, dan ga je die vijftien hoofdstukken voorlezen om je weer bewust te worden, om je weer in te leven, hoe je uit Egypte trok. Dan wordt er ook met nadruk bij gezegd: je moet niet zeggen: onze vaderen trokken uit Egypte, nee, wij trokken uit Egypte. Het is mijn uittocht, het is onze Exodus, het gebeurt van­daag, hier en nu! Exodus is heden! Die eerste vijftien hoofdstukken vormen dus een groot Paasverhaal. Het verhaal van de Paasnacht, want in de Paasnacht ga je vertellen. Ver­tel­len over benauwdheid en bevrijding, vertellen over je angst en je uit­tocht, vertellen over een weg uit de diepte. Maar je vertelt het zo, dat het jouw verhaal is. Het is maar niet een stukje oude historie, het is niet al­leen maar een terugblik, maar het gebeurt vandaag! Op het moment dat je het vertelt, gaat het gebeuren. Op het moment dat je het hoort, wordt het waar. Dat verhaal moet je dus in je oren hebben en al horend begin je uit te trekken. Het wordt wààr op het moment dat je het vertelt. En juist in het donker, als je geen hand voor ogen kunt zien, juist in de Ba­bylonische ballingschap bijvoorbeeld, hebben ze deze verhalen ver­teld en doorgegeven, in een ver en vreemd land. Juist daar zijn de ver­ha­len geboren. Dat kun je ook wel begrijpen, want als het donker is, dan moet je het hebben van wat je hoort, want al zie je niets, dan is het toch geweldig als je nog iets kunt horen. Wat is het dan geweldig als er een verhaal naar je toekomt, een verhaal voor je hart. Verhalen om van te leven, verhalen om te overleven. En zo krijg je Exodus 1 tot en met 14 als één doorlopend verhaal. En dan komt Exodus 15 als slotlied. Dat slotlied wordt daar bij de Rode Zee gezon­gen. Dat is toch een prach­tige compositie: een verhaal en een lied. Veertien hoofdstukken ver­haal en dan in hoofdstuk 15: we gaan zingen!

Ik wil zingen voor de Heer,

want hoog is Hij gestegen, hoog.

Het paard en ruiter stortte Hij in de zee.

Het lied bij de Zee

Ze zijn kersvers uit Egypte en dan is dit het eerste lied dat ze zingen. Eindelijk krijgen die mensen weer adem. En met hun eerste adem gaan ze zingen. Wat zal dat geklonken hebben, al kwam het misschien uit schor­re kelen. De eerste zangdienst sinds jaren. In Egypte werd er niet zo veel gezongen, daar had je wel wat anders te doen! In die Babylonische ballingschap zijn ze die verhalen gaan doorvertel­len. Eindelijk vrij! Als je het goed bekijkt, is dat boek Exodus dus een heel indrukwekkende eredienst. Je zou kunnen zeggen: het boek Exodus is een samenkomst. Daar komt de gemeente bij elkaar in de balling­schap en zit daar aan de stromen van Babylon. De gazan, de voor­zanger gaat er voor staan en dan komt het verrassende: hij begint de sa­men­komst met een reeks namen; de namen van Exodus 1:1.

Dit nu zijn de namen der zonen van Israël

«Dit nu zijn de namen der zonen van Israël, die met Jakob naar Egypte geko­men zijn; zij kwamen er ieder met zijn gezin» Ex.1:1. Letterlijk: «Ieder met zijn huis».

«Ruben, Simeon, Levi en Juda». Ex.1:2

«Issakar, Zebulon en Benjamin». v.3

«Dan en Naftali, Gad en Aser». v.4

«De afstammelingen van Jakob waren zeventig zielen in het geheel. Jozef echter was reeds in Egypte» v.5. Dus de samenkomst begint met het lezen van een hele lijst met namen. Er mogen namelijk geen namen ontbreken. Twaalf namen worden bij el­kaar gezongen, samengepakt in één verband. Je zou haast zeggen: die namen worden daar gedragen tot in Gods handen. Ik leg de namen van mijn mensen in uw handen. God wil dat er geen naam ontbreekt. Het is alsof ze daar in die Babylonische ballingschap ook willen zeggen: die na­­­men mogen niet vergeten worden. Het lijkt wel op dat prachtige lied:

Heer, herinner u de namen

van hen die gestorven zijn,

en vergeet niet, dat zij kwamen

langs de straten van de pijn,

langs de wegen van het lijden,

door het woud der eenzaamheid,

naar het dag en nacht verbeide

Vaderhuis, hun toebereid.   (Liedb.273)

Dit lied zou je zo tegen het boek Exodus aan kunnen leggen. Heer, her­inner u de namen. Dat is ook één van de unieke punten van onze God, bij Hem worden geen namen vergeten. Bij Hem worden geen namen uit­­geveegd, maar Hij herinnert zich de namen van zijn mensen. En die namen worden ingezameld en komen in het boek Exodus te staan, dus in het verhaal van God. Je zou kunnen zeggen: het boek Exodus wordt het boek des levens. Daar zet God al die namen in. Mensen hebben een naam; maar als je geen naam hebt, bèn je er eigen­lijk niet, dan ben je anoniem. Dat is denk ik juist de pijn in deze tijd, dat mensen soms naamloos ondergaan in de massa, in het grote naamloze geheel van fusies en getallen. Mensen tellen vaak niet meer mee. Maar bij God heb je een naam. Bij God tel je wel mee. God denkt niet in getal­len, God denkt niet in de massa. Iemand zei eens in een gebed: Heer, ik vind het zo fijn dat U in die grote grijze massa mij ook ziet. Maar God ziet he­le­maal geen grote grijze massa, Hij ziet ieder mens, iedere naam afzon­derlijk. God ziet alleen maar mensen, geen massa. God denkt ook niet op de manier van de massa, God denkt ook niet in fusies. God zegt: Ik heb jou gezien! Jij bent er, jij bent kostbaar voor Mij. Bij Hem worden mensen meegeteld, gewogen, kostbaar geacht.

De compositie van Exodus 1

Exodus 1 bestaat uit 22 verzen.

Drie keer zeven verzen plus een slottekst.

Eerst krijg je de verzen 1 – 7; dat gaat over het volk Israël.

Dan krijg je weer 7 verzen, vers 8 – 14; dat gaat over de farao.

Dan krijg je vers 15 – 21; dat gaat over die twee vroedvrouwen. Vers 22 is een slottekst. Mensen hebben een naam, dat op zich is al zo wezenlijk. Een man ver­telde, toen hij een reis had gemaakt in Afrika, dat er een jochie naar hem toekwam die zei: wilt u mijn naam onthouden, meneer, dan weet ik dat er iemand is die aan mij denkt. Als je naam onthouden wordt, heeft dat een heel diepgaande betekenis. Bij God ben je niet en – en, maar bij God bèn je iemand. Dus hier in Exodus 1 gaat het om die twaalf namen. Daar begint Exodus mee en dat geeft meteen de toon aan voor het hele boek. «De afstammelingen van Jakob waren zeventig zielen in het geheel. Jozef echter was reeds in Egypte»Ex.1:5. Letterlijk staat er: «Alle ziel die uitgegaan waren uit de heup van Jakob». Ze waren allemaal uit die heup van Jakob voortgekomen. En dan wordt er verder verteld: «En Jozef stierf, benevens al zijn broeders en dat gehele geslacht» Ex.1:6. «De Israëlieten nu waren vruchtbaar en breidden zich snel uit; zij vermenig­vul­digden zich en werden uitermate talrijk, zodat het land met hen vervuld werd» Ex.1:7. Het hele land wordt vol van hen. Let even op het begin van Exodus en het eind. Hier aan het begin staat: «Het hele land werd met hen vervuld». En aan het eind van Exodus: «En de wolk bedekte de tent der samenkomst, en de heerlijkheid des HEREN ver­­­vulde de tabernakel» Ex.40:34. Het begint met vervullen en het eindigt met vervullen. Ze vervullen het hele land Egypte. Zij vervullen het land, die mensen van Gods geslacht, de mensen die daar zijn, als beelddrager van de Al­ler­­hoogste. Die eerste zeven verzen vormen dus een heel mooi beeld, tot zover zijn er geen problemen. Maar dan komt vers 8, daar beginnen de moeilijkheden: «Toen kwam er een nieuwe koning over Egypte, die Jozef niet gekend had» Ex.1:8. Letterlijk: «Er stond een nieuwe koning op».

Namen noemen en namen uitwissen

En dan worden die namen van de kinderen Israëls bedreigd. En juist daarom moeten die namen genoemd worden. En dat is de zin van het boek Exodus: namen bewaren die gevaar lopen. Dat is het geheim van de Paasnacht. Namen noemen die anders uitgewist zouden worden. Dus het boek Exodus is eigenlijk, als je het goed bekijkt, ook een strijd­boek. Wij gaan die namen noemen, je zou kunnen zeggen, tegen het kwaad in. Als de farao zegt: wij zullen al die namen uitwissen, dan zegt God: nu gaan wij die namen juist met nadruk noemen. Dus het noemen van die namen is om zo te zeggen ook een geestelijk gevecht. Het is een gevecht tegen de naamloosheid, het is het gevecht tegen het uitwissen van de namen, tegen het anoniem worden. Als iedereen zegt: niet meer over praten, dan zegt het volk van God: dat doen we nu juist wèl, dan gaan wij die namen juist met nadruk vermelden. Dat is de roeping van het volk van God.

De gemeente is een bewaarplaats van namen

Dat is ook de taak van de gemeente. De gemeente is een bewaarplaats van namen. Dat is een heel diepgaande roeping. Een gemeente heeft als het goed is iets van een bewaarplaats. De gemeente is een brandkast, waar al die namen worden opgeborgen en bewaakt tegen het vuur. Dat is voor mijn gevoel het ideaalbeeld van de gemeente. Helaas maak je dat in de praktijk nog wel eens anders mee. Maar toch moet je vasthouden aan dat ideaal. Ook al is het dan soms nog heel gebroken, en zie je soms in gemeenten ook nog heel veel pijn. En helaas, soms raken er dan nog na­men van mensen door allerlei omstandigheden kwijt. Maar dan gelo­ven wij toch: God waakt over onze namen. Als je overal tussen wal en schip raakt, als je overal wordt afgedankt en aan de kant geschoven, dan is daar een ge­meente als een veilige plek. Hier kun je terecht. We zullen je naam be­waren. We zullen je naam dra­gen tot in de handen van de Vader. Dat deed Jezus ook altijd. Hij nam de namen van mensen en droeg ze tot in de handen van de Eeuwige. Al die bedreigde namen, al die mensen die er niet mogen zijn. Daarom denk ik ook, dat een gemeente een lage drempel moet hebben. Een gemeente dient een huis zonder drempel te zijn. Dan zegt God: Wel­kom thuis! Een gemeente is een reünie van bal­lin­gen, een tehuis voor zwervers. God brengt ze onderdak, alle daklozen der aarde. De gemeente is geen kazerne waar je gedrild wordt en in de maat leert lopen. Een gemeente is een thuis in een vaak zo’n thuisloze we­reld. Daar gáát het in wezen ook om in het boek Exodus. Hoe gaat God nu een thuis creëren? En nu is het wonderlijke, dat dit in Egypte gaat be­gin­nen. Op een plaats waar je het helemaal niet zou verwachten. Egypte is aan de ene kant wel een mooi land, maar aan de andere kant heeft het ook zijn schaduwzijden. Want dan staat er in vers 8: «Er stond een nieuwe koning op». (letterlijk)

Als je dat op het eerste gezicht leest, zeg je: nou, wat dan nog! Zo gaat het toch altijd en overal! Daar hoef je toch niet wakker van te liggen. Zo krijg je toch een koningshuis, een dynastie. Alleen er staat iets bij in het achtste vers: «Die Jozef niet gekend had». Dat is nu juist het probleem van die nieuwe koning. En dan kun je nog denken: nou ja, wat dan nog! Er zijn hele volksstammen die Jozef niet ken­nen. Is dat dan zo erg? Ja, maar dat heeft hier een heel geladen bete­kenis. Want als je Jozef niet kent, ken je de geschiedenis niet. Dan ben je een boom zonder wortels. Dan ben je een huis zonder fundament. Wat is er met deze koning aan de hand? Waar zijn hart zou moeten zit­ten zit een gat, een lege plek. Deze man heeft geen gisteren, hij heeft geen verhaal.

Mensen zonder verhaal

Dat is ook vaak het probleem van de mens van vandaag, mensen heb­ben geen verhaal meer. Ze hebben wel vaak allerlei losse feiten; toen ge­beurde er dit en toen gebeurde er dat. Vaak heeft de mens geen enkel verhaal waar hij zijn leven in kan plaatsen. Het hangt allemaal als losse fragmenten aan elkaar. Mensen leven vandaag de dag vaak in fragmen­ten. Ze leven van de ene dag in de andere, maar waar gaat je leven nu heen!? En ze zien op de televisie wat er allemaal gebeurt, maar daar zit ook geen verband tussen. Dat is vaak de pijn van de moderne mens, le­ven zonder verbanden, zonder samenhang. Maar als God in je leven komt, geeft Hij je leven weer zin en samenhang. Hij maakt al die losse woorden tot een zin, tot een zinsverband, tot een zinvol verband. Hij zet je ergens in een verhaal. Dat is ook altijd het geheim geweest van het volk Israël. Ze konden altijd hun ervaringen plaatsen in dat grote verhaal van God met zijn mensen. Dat is nu juist ook wat Israël is: het zijn mensen die een verhaal hebben. Zij herkennen elkaar in dat verhaal. Zij kennen het verhaal van de Paas­nacht. Maar de farao weet niets, hij heeft geen gisteren. De farao is de man van vandaag. Met mij is het begonnen en verder niets. Als je dat begin van Exodus leest, lijkt het de maat­schap­pij van vandaag wel. Mensen die geen verhalen meer kennen. Een walkman op het hoofd en de oren afge­sloten voor de omgeving. De ogen staren in de ruimte; dat is de pijn en de leegte van deze eeuw.

Een naamloze farao

Er komt een nieuwe koning, maar hij is leeg vanbinnen. Het is wel goed om die farao eens aandachtiger te bekijken. Is het u wel eens opgevallen, dat als je heel het boek Exodus hebt gelezen, je nog niet weet hoe die farao heet? Zijn naam komt in heel het boek Exodus niet voor. Je zult misschien uit de geschiedenisboeken wel kunnen opmaken hoe hij gehe­ten moet hebben; misschien was het Ramses II. Is het toevallig dat zijn naam niet genoemd wordt? Als die verteller dat gewild had, had hij toch best eventjes kunnen zetten daar in vers 8: Toen kwam er een nieu­we koning over Egypte en zijn naam was ……. Waarschijnlijk was deze nieuwe koning Seti I.

Daarna kwam Ramses II; met Seti I begon de verdrukking. Maar de namen van deze farao’s worden niet genoemd. Dat die naam niet genoemd wordt, gebeurt natuurlijk wel met opzet, om te laten zien: deze man heeft in wezen geen naam bij God. Hij speelt geen rol in de ge­­schiedenis, ook al stond die farao bij wijze van spreken elke dag op de voor­pagina van de krant, net als vandaag de dag de groten der aarde. God schrijft een verhaal, maar daar komen heel andere namen in voor, de na­men van de kinderen Israëls. En straks de namen van die twee vroed­vrouwen. God zegt: die hebben een naam in mijn verhaal. Bij God wegen de zaken anders dan wij vaak denken.

Egypte, vragen over de dood heen

Eigenlijk komt die farao naamloos op en gaat hij naamloos weer ten on­der. Egypte is toch een heel apart land; er heerste een hoge cultuur. Wat de mensen in Egypte heel sterk bezighield, was het zoeken naar het eeu­wige. Is er een leven dat over de dood heen gaat? In Egypte was heel diep een heimwee naar God. Dat moeten we niet over het hoofd zien. God houdt ook van Egyptenaren, dat wordt soms wel eens vergeten door bijbellezers, net alsof God iets tegen Egypte zou hebben. God schrijft de Egyptenaren niet af, God draagt ook die Egyptenaren op zijn hart. En als er in het boek Openbaring staat dat ze voor de troon staan van God en van het Lam, uit elk volk en uit elke stam en taal en natie, dan zullen daar ook Egyptenaren bij zijn. En dan zegt God: wat fijn dat jullie er ook zijn! Egyptenaren tellen ook mee. Diep in het hart van dat Egyptische volk was daar, ook in die tijd al, een verlangen naar eeuwig leven. Men worstelde met de vraag: hoe kunnen wij nu de dood te boven komen? En daarom waren ze eindeloos bezig met de dood. Hoe komen we over die doodsgrens heen? Is er leven aan de dood voorbij? Wat dat betreft heeft Mozes straks ook een heel belangrijke taak. Het is daarom denk ik ook niet toevallig, dat het plan van God uitgerekend daar gaat beginnen. Juist bij die mensen die zo gehunkerd hebben naar het leven. Dat heeft God ook gezien. God ziet ook het hart van de mens die misschien bewust of onbewust hunkert naar iets anders, naar ‘deze wereld anders’. De mens, die heel diep weet, dat er na dit leven leven is.

Het symbool van de piramide

Daarom bouwde men ook die piramides, eigenlijk als een symbool om de dood te overwinnen. De piramide was eigenlijk een beeld van de oer­heu­­vel. In de religieuze teksten wordt dikwijls de scheppingsheuvel ge­noemd. Men vertelde dat in het begin van de tijden een aardheuvel – of een hoogte in de vorm van een trap – uit de oerwateren te voorschijn kwam. De schepper–god besteeg de heuvel, dat was zijn opstanding uit de dood, en zijn leven betekende tevens het leven van de wereld. De tem­pel werd vaak gebouwd als een hoogte of trap, omdat daar de plaats was van de goddelijke opstanding. Ook de koning ging de trap op naar het allerheiligste; er wordt dan gezegd: Ik doe u op deze trap stralend op­­gaan. ‘Stralend opgaan’ is de vaste term voor de zonsopgang (chai in het Egyptisch). De piramide staat gelijk met de cosmogenische heuvel, waar de zonnegod verrijst en het wereldleven laat beginnen. De pira­mi­de stelt de aardheuvel voor, die uit het scheppingswater op­stijgt. De pi­ra­mide en de trap komen afwisselend voor. De zijden van de piramide worden ook wel gezien als de stralen van de zon. De farao als zoon van de zon ziet omhoog, en schouwt het zonlicht. En als ze stier­ven, werden de farao’s in de piramides bijgezet. In de pi­ra­mide heeft hij dan het leven dat nooit voorbijgaat. Zo waren ze dus intensief met dat leven na de dood bezig.

Het monotheïsme in Egypte

Het monotheïsme was in de gehele oude wereld een ongehoord ver­schijn­­sel. Voor alle Voor-Aziatische godsdiensten sprak het vanzelf dat er godenfamilies bestonden, met een vader- en moedergod en hun zo­nen en dochters. Er schijnt één uitzondering op die algemene regel te hebben bestaan, namelijk in Egypte. Om­streeks 1360 v Chr. regeerde daar een merk­waardige koning: Amenhotep IV. Hij bemoei­de zich weinig of niet met de politiek; des te meer met gods­­dienstige vra­gen. Egypte had oud­tijds een menigte goden en go­din­nen. Amen­ho­­tep ging nu een stap verder en verklaarde dat er maar één god was: de zon. Hij noemde die god Aton. Aton is de ver­persoonlijking van de lichtende gloed en de stralende warmte van de zonneschijf. Haar stra­len worden afge­beeld als lange armen met een hand aan het eind. En die hand deelt het leven mee aan mensen, dieren en plan­­ten. Amenhotep beval, dat in zijn rijk alleen deze god mocht wor­den ver­eerd. Hij meende het zo ernstig met zijn nieuwe godsverering, dat hij beval de namen der oude goden uit de tempelmuren weg te beitelen en de oude priesters te verdrijven. Ter ere van zijn nieuwe god dichtte hij een hym­ne, waarin hij diens voortreffelijke eigen­schap­pen prees. Zelfs het meer­voud ‘goden’ werd een ver­­boden woord. Dit alles werd hem niet in dank afgenomen. De pries­ters hebben hem uit­eindelijk vermoord.

Zoon van de zon

De Farao van Egypte werd beschouwd als de zoon van de zonne­god. In Egypte be­stond een intensieve zonnecultus (Re was de zon­­­­­­­­­­ne­god). Bij de tien plagen (slagen) laat God zien, dat Hij boven die go­­den staat. Jullie ver­eren de zonnegod? Wel, dan krijg je drie da­gen dikke duis­­­ter­nis. Jullie ver­trouwen wel op die zonnegod, maar als Ik het gordijn dicht doe, is het af­gelopen met hem. Zo werd in Egypte de kikkergod vereerd; maar toen stikten ze bijna in de kik­kers. In het zogenaamde dodenboek van Egypte vind je deze gedachte: de zon is als een kind; het kind dat in de ochtend geboren wordt uit de hemel­koe, is de zon. Het kalf was dus een van de beelden van de zon; het licht dat het duister overwint. Mede tegen deze ach­­­­ter­grond zien we ook de ernst van de zonde van de verering van het gouden kalf door Israël.

Een zonnebad 

In Egypte was er de gedachte: elke dag neemt de zon een bad in de oce­aan. Als de zon ondergaat, verdwijnt zij in de oerzee die on­der de aar­de stroomt. Daar neemt ze een bad en komt in de mor­gen stra­lend weer te voorschijn. De Farao nam – als zoon van de zon­ne­god – daarom elke mor­­­gen een bad in de Nijl. «Ga in de morgen tot Farao; zie, hij is gewoon naar het water te gaan, gij zult hem opwachten aan de oever van de Nijl»   Ex.7:15 

De ondergang van de zoon van de zon

«In de morgenwake schouwde de HERE naar het leger der Egypte­na­­ren»Ex.14:24. «Tegen het aanbreken van de morgen vloeide de zee terug» v.27.  De Egyptenaren achtervolgen de Israëlieten, die oostwaarts trek­­ken. Als dan de mor­gen aanbreekt en als ‘de HERE naar het leger der Egyptenaren schouwt’, schouwt de Fa­­ra­o naar de opgaande zon. Dan gaat ‘de zoon van de zonnegod’ ten onder in de zee, zoals volgens het Egyptisch geloof de zon onderging in de hemel­o­ce­­aan. 

Een mens leeft van verhalen

De Joodse schrijfster Nadjezjda Mandelstam zegt ergens: het is kenmer­kend bij al die mensen met een verharde ziel, zoals beulen en tirannen, dat ze nauwelijks iets lezen. Ze lezen nooit iets wat hen zou kunnen ver­anderen. Hitler, Stalin, Saddam Hoessein, al die dictators wer­den geken­merkt door het feit dat ze weinig lazen. Daarom is het ook zo belangrijk, dat een kind verhalen meekrijgt. Ik geloof steeds meer, dat de mens leeft van verhalen. We hebben in dit verband ook zo’n mooie uitdrukking: ‘op verhaal ko­men’. Daar zit een stuk genezing in. Soms hoef je gewoon maar één ding te doen: een ver­haal vertellen. Dat is bij God ook zo, God preekt niet te­gen je, God ver­telt verhalen. De hele bijbel hangt van verhalen aan el­kaar. In de Babylo­nische ballingschap deden ze ook niet anders dan elkaar ver­halen vertellen. Jezus deed dat ook, dan worden het gelijkenissen ge­noemd. Maar gelijkenissen zijn ook verhalen. En dat heeft men altijd door de eeuwen heen weer gedaan. Probeer het maar eens uit met een kind, vraag maar of hij een verhaal wil horen, dan zal hij zal nooit ‘nee’ zeg­gen, dan is hij één en al oor. Theorieën gaan voorbij, maar verhalen blij­ven. In een gemeente kwam een echtpaar naar voren dat vertelde: we hebben een dochter van een jaar of zestien en die is van huis weggelopen. Zij heeft haar koffers gepakt en is er vandoor gegaan. Die vader en die moeder hebben dan het gevoel: wat hebben we fout gedaan? We hebben dat kind opgevoed en geprobeerd het van alles mee te geven. Maar dan is ze zestien en gaat ze er vandoor. Ze gaat ergens anders wonen. Maar dan geloof ik één ding: wat je dat kind hebt meegegeven, zoals de verhalen van moeders, gaat nooit verloren. Verhalen van moeders gaan nooit voorbij. Dat is geen bijbeltekst, maar het zou er een kunnen wezen. Verhalen van moeders komen als stralen gegleden door de nacht. Misschien kan het gebeuren, dat zo’n jongen of zo’n meisje, volwassen geworden, op een gegeven ogenblik denkt: ik weet nog wat mijn moe­der mij vroeger vertelde. Niet de preken van de moeders, maar de ver­ha­len van de moeders gaan nooit voorbij. Verhalen blijven hun waar­de behouden. Daar zit een heel diepe betekenis in, verhalen worden overgedragen.

Nico ter Linden schreef een poosje geleden: weet je wat ik heel vaak vraag aan mensen in pastorale contacten: vertel eens, wat je eerste er­va­ring met God was, je eerste ervaring als kind op religieus gebied. En heel vaak komen die mensen dan met het een of andere verhaal van een moeder die hen in bed heeft gestopt en dan zei: nu zal ik nog voor je bid­den of: nu zal ik je nog een verhaal vertellen. Iemand vertelde over een collega die vroeger op de zondagsschool was geweest, maar daarna nooit meer een kerk had bezocht. Op die zon­dags­school had ze het prachtig gevonden. Daar had ze van Je­zus ge­hoord, Hij was een kindervriend en dat vond ze zo geweldig. En toen zei iemand: wat ze daar heeft meegekregen op die zondags­school, zal ze nooit meer kwijtraken. Als ze straks aan het eind van haar leven komt en oog in oog staat met Jezus, dan rent ze zo naar Hem toe. Dat mag, want dat weet ze nog van de verhalen van de zondagsschool.

De eerste ervaringen in een mensenleven zijn van heel groot belang. Verhalen gaan nooit voorbij, daar lééft de mens van.

Er komt een nieuwe koning

En dan komt er dus een nieuwe koning. «Toen kwam er een nieuwe koning over Egypte, die Jozef niet gekend had» Ex.1:8. Letterlijk: «Er stond een nieuwe koning op». En als je dan dit achtste vers goed leest, kom je tot de conclusie, dat deze nieuwe koning iets mist; hem ontbreekt wat. Het is een koning zon­­der verhaal, zonder geschiedenis.

De onderdrukking van de kinderen Israëls

«Deze nu zeide tot zijn volk: Zie, het volk der Israëlieten is groter en talrijker dan wij» Ex.1:9. «Welnu, laten wij met beleid tegen hen optreden, opdat zij zich niet vermenig­vul­digen en zich – als wij in oorlog komen – bij onze tegenstanders aansluiten, tegen ons strijden en uit het land wegtrekken». Ex.1:10. «Welnu», zegt de koning. Je kunt ook vertalen: «Welaan». Dat is hetzelfde woord als waar ze ook mee begonnen bij de torenbouw van Babel. Welaan, laten wij ons een toren bouwen en een stad. De farao heeft hetzelfde taalgebruik als de mensen bij de Toren van Ba­bel. Het is dezelfde stijl, dezelfde manier van denken. «Laten wij met beleid tegen hen optreden». Letterlijk: «met wijsheid». Ons woord ‘goochem’ komt daar vandaan. Laten wij goochem tegen hen optreden. «Daarom stelde men opzichters van herendiensten over hen aan om hen door de hun opgelegde dwangarbeid te onderdrukken: zij moesten voor Farao voorraad­ste­den bouwen, Pitom en Raämses». Ex.1:11. De Israëlieten worden dus met dwang en druk aan het werk gezet. In deze verzen zien we vijf keer het woord dienst. Ze moesten dienstbaar worden, harde dienst verrichten, keihard werken. Ze moeten voorraad- steden bouwen, Pitom en Raämses; Pitom betekent het huis van Aton. Raämses is een heel verborgen verwijzing naar de naam van farao Ram­ses. En de naam Ramses betekent ‘Zoon van de zon’. «Maar hoemeer men hen onderdrukte, des te meer vermenigvuldigden zij zich en breidden zij zich uit, zodat men bevreesd werd voor de Israëlieten». Ex.1:12. En toen werd de druk nog zwaarder: «Toen lieten de Egyptenaren de Israëlieten onder mishandeling werken». Ex.1:13. «Ja, zij maakten hun het leven bitter door harde slavenarbeid (dienst) met leem en tichel­stenen (ook net als bij de Toren van Babel) en door allerlei arbeid op het veld – alle werk, waartoe zij hen onder mis­handeling als slaven gebruikten (lie­ten dienen) ».  Ex.1:14

Gedreven door angst

Steeds hoor je de herhaling van dat woord dienen. Als het erop aankomt is de farao bang. In wezen zit er bij de farao angst achter. Daar zie je iets van de binnenkant van de farao. Machthebbers en dictators zijn in wezen vaak bang. Een heel grote mond en een klein hartje. Als je het goed leest, hoor je tussen de regels door dat de farao bang is voor de kinderen Israëls. Bij veel mensen lijkt het heel wat, maar is de eigenlijke drijfveer angst. Degenen die het hardst schreeuwen, zijn vanbinnen vaak het meest onzeker. Dan heb je vaak ook heel wat nodig om je onzekerheid te verbergen. Dat verschijnsel zie je ook in gemeenten. Dan worden gemeenten hard en gaan ze van alles organiseren en vastleggen. Ook hier is dan in we­zen angst de drijfveer. Men is bang de zaken anders niet meer in de hand te kunnen houden. Om dezelfde reden gaan voorgangers dan soms een dictatoriaal bewind voeren. Men wil dan proberen om alles te ‘beheer­sen’. Als ik dit lees, dan moet ik denken aan een gebeurtenis een paar jaar ge­leden, toen we thuis uit de kinderbijbel lazen. Onze jongste dochter, die toen een jaar of drie, vier was, had een paar lievelingsverhalen. Als we dan vroegen: wat wil je graag dat we gaan lezen, dan was het altijd één van die paar verhalen. En een van die verhalen was het begin van Exo­dus, het verhaal van Mozes en van het volk Israël in Egypte. In die kin­der­bijbel stond dan een tekening van een mannetje met een zweep. En dat mannetje zei tegen de mensen van Israël: jullie moeten harder wer­ken, jullie zijn lui, vooruit! Aan de slag, nog harder! We hadden dat ver­haal voor de zoveelste keer voorgelezen, toen onze dochter opeens zei: Waarom, en ze wees naar dat mannetje met een zweep, waarom gaat dat mannetje zèlf niet werken? Daar moet je nu kind voor zijn om zo’n vraag te stellen. Ik vertelde dat later aan een vriend van ons en die rea­geerde: zo’n vraag is het begin van de revolutie.

 Vragen zijn het begin van de revolutie

Waarom kan een farao regeren: omdat er niemand vragen stelt. Zolang er niemand vragen stelt, is de farao de baas. Een twee in de maat, anders wordt de farao kwaad. En dan komt er een kind dat zegt: waarom gaat die man zelf niet wer­ken? Dat is in feite de hele tragiek van deze situatie. Wat heeft die man met de zweep gedaan, als de dag voorbij is? Hoeveel stro heeft hij ver­zameld en hoeveel stenen heeft hij gebakken, niet één! Hij heeft alleen maar anderen het leven zuur gemaakt. De revolutie begint bij mensen die vragen gaan stellen. Zalig de mens die vragen stelt. Dat is vaak het begin van een doorbraak, het begin van een exodus. Daarom is het ook zo wonderlijk, dat juist in de Paasnacht, het kind vragen mag stellen. Waarom is deze nacht anders dan alle an­dere nachten? Bij God mag je ook vragen stellen. En Hij is er ook niet bang voor. En door heel de bijbel heen zie je, dat het volk van God het aandurft om aan God vra­­gen te stellen. Het is beter dat je vragen stelt, dan dat je ze alle­maal maar wegstopt. In sommige gemeenten wordt argwanend gereageerd als er kritische vra­­­gen worden gesteld. Als je bij God komt, zegt Hij niet: je moet je vra­gen maar wegdoen, maar zegt Hij: kom maar, vertel het maar! God is blij, als er eindelijk eens iemand vanuit zijn hart vragen stelt.

Farao’s zijn eenzaam

Zo zie je in het begin van Exodus aan de ene kant de zonen van Israël en aan de andere kant de farao. En als je zo over deze situatie nadenkt, dan kun je tot de conclusie ko­men: wat zal die farao eenzaam zijn geweest! Dictators zijn altijd een­zaam. Hoe hoger je komt aan de top van de piramide, hoe eenzamer je wordt. Die farao had zo zijn angsten, maar misschien had hij ook wel zijn idea­len. Misschien zaten er niet louter kwade bedoelingen achter zijn optre­den. Wellicht dacht hij: het gaat mij om het behoud van Egyp­te. En daar­om heeft hij heel die structuur opgebouwd met zichzelf aan de top. Hij was tenslotte de zoon van de zon. Wat heeft die farao meegekregen toen hij nog kind was? En dan heb je de neiging om te zeggen: Farao, daar zit je nu, eenzaam op je hoge troon aan de top van de piramide. Heeft jouw moeder je wel eens verhalen ver­­teld? Heeft een farao ook een moeder?

Heb je nog een moeder?

Ik ken een oude predikant die ik af en toe bezoek, en bij wie ik ook mijn eer­­­ste preken heb gehouden. Hij is intussen bijna 89 en als ik in de buurt ben, ga ik hem af en toe even opzoeken. Hij is een uniek mens, die ook heel wat mee­gemaakt heeft in zijn leven. Als je dan bij hem zit, hoef je eigenlijk niet veel te zeggen, want dan komen de verhalen wel los. Hij zegt: ik heb bijna in alle gevangenissen van Nederland gepreekt. Op een keer moest ik een man be­zoe­ken in een gevangenis. Ik kwam daar binnen in zijn cel en die man begon met­een te razen en te tieren. Hij was zo verschrikkelijk kwaad! Ik dacht bij mezelf: zo meteen is hij wel uitgeraasd en dan moet ik wat zeg­gen. Ik zond in stilte een kort gebed op en zei: Heer, wat moet ik nu zo met­een tegen hem zeggen? En inderdaad, na een poosje was hij wat gekal­meerd. Toen zei ik tegen hem: heb je nog een moeder? En door die ene vraag werd hij op het­­zelfde moment heel klein. Hij zei: ja, ik heb nog een moeder, en die heeft grijze haren van mij ge­kre­gen.

 Er is hoop, ook voor farao’s

Als je die farao zou tegenkomen, zou je hem ook deze vraag moeten stel­­­len: heb je nog een moeder? Iemand heeft een boek geschreven onder de titel: “In den beginne was de opvoeding”. Wat zou die farao als kind hebben meegekregen? Heeft hij ooit een verhaal gehoord? Of is hij al­leen maar eenzaam daar aan de top, eenzaam in het donker van Egyp­te. Zon­der verhaal, met alleen maar de angst in zijn hart en de tranen die hij niet kan huilen. Want farao’s huilen niet, natuurlijk niet. Farao’s re­ge­ren, dag en nacht als het moet. Ze regeren tot ze erbij neer­vallen, en dan staat er een piramide voor ze klaar. Daarom moeten wij bij deze ge­schiedenis­sen zeggen: kijk ook naar de bin­nenkant van fa­rao’s. Er komt een moment in het boek Exodus, en ik heb het idee dat bijna nie­mand dat weet, dat die farao gaat huilen. Dat is een van de meest ont­roerende momenten in heel het boek Exodus. Blijkbaar kunnen fa­rao’s toch huilen. Als een farao begint te huilen is hij niet ver van het Koninkrijk Gods. Er is hoop, ook voor farao’s. Schrijf farao’s niet af, want ook een farao kan nog mens worden. Dat is ook volgens het hart van het evangelie. En als we naar het leven van Jezus kijken, dan zeggen we: het maakt niet meer uit, of ze nu bovenaan of onderaan zitten. Jezus kijkt daar doorheen en zegt: Ik heb je hart gezien en Ik ben ook voor jou aan het kruis gegaan. Ik ben aan het kruis gegaan, Ik heb heel die weg afgelegd, om de tranen te huilen die jij niet huilen kon. Dat is ook wat Jezus gedaan heeft: Hij heeft de tranen gehuild, die wij niet meer hadden. Hij heeft de vragen gebracht voor God, die wij niet meer durfden te stellen. Hij heeft geroepen wat wij niet durfden roepen. Wat is het dan kostbaar, dat er Eén is, die jouw tranen huilt. Dat er Eén is, die jouw vragen stelt en jouw verhaal vertelt en het draagt tot in Gods handen. Daarom is er hoop, ook voor farao’s. En daarom denk ik, ook als je Exodus 1 leest, dat je dan leert om niemand af te schrijven. Dan leer je met andere ogen naar mensen te zien. God, in uw boek staan namen. Gij schrijft ze in ten leven. Gij schrijft tegen de doem en vertelt uw verhaal tegen de dood in.Dit verhaal gaat nooit voorbij. Dit verhaal passeert de dood. In het nie­mandsland hebt Gij ons gesteld

om namen te bewaren. Om namen te noemen, om namen hoog te houden, zodat ze niet ondergaan in het wa­ter van de dood.

Bij U raakt geen enkele naam kwijt.

U draagt ze op uw hart.

U ziet mensen die opgesloten zitten in hun angsten, die opgesloten zitten in hun piramide.

U weet van de vragen die de mensen niet meer durven stellen. U ziet de mensen met hun tranen, maar U ziet ook de tranen die een mens niet durft te huilen.

U omvat ons hele bestaan.

U kent iedere weg, die mensen zijn gegaan.

U legt uw hand op ieder van ons. Zo is in uw genade en uw vrede over ons allen.

Sifra en Pua, geboortehelpsters

Het derde gedeelte van Exodus 1 omvat dus de verzen 15 – 21.

In dit gedeelte worden ook weer twee namen genoemd, de namen van twee vroedvrouwen. Het zijn de hoofdrolspeelsters in dit gedeelte. Het woord dat hier vertaald is met vroedvrouw, betekent eigenlijk zoiets als geboortehelpster. Het grondwoord dat daarin doorklinkt heeft dus met de geboorte te maken. Straks zullen we ook steeds horen over leven. En daar gaat het over in dit hele verhaal, opdat het volk Israël zal kun­nen leven. Leven te midden van de dood. «Ook beval de koning van Egypte de vroedvrouwen der Hebreeuwse vrouwen, van wie de een Sifra heette en de ander Pua». Ex.1:15. In dit gedeelte wordt deze machthebber drie keer aangeduid als ‘farao’. Hij wordt ook drie keer koning van Egypte genoemd. En de drie keer dat hij als koning van Egypte wordt aangeduid, is dat steeds in verband met die vroedvrouwen. Juist daar gaat hij zijn koningschap laten gelden. En als koning van Egypte probeert hij die vroedvrouwen te betrekken bij zijn doodsplannen. Hij denkt: als ik nu die vroedvrouwen kan overha­len om met mij mee te doen, dan heb ik daarmee weer een belangrijk as­pect ge­wonnen in de strijd tegen het leven van Israël. Die twee vroedvrouwen worden hier met name genoemd.

Letterlijk staat er in vers 15: «De naam van de ene was Sifra en de naam van de tweede was Pua». Die namen betekenen: schoonheid en lichtglans. Zij staan daar dus als twee lichtende gestalten in dat donkere land, in het land van de nacht. Daar zit een prachtig beeld in, want als het goed is, dan zijn wij allemaal geboortehelpers en helpsters. Wij helpen mee aan de geboorte van mensen, aan de geboorte van de schepping, wij wer­­­ken mee aan het leven. Die twee vroedvrouwen staan daar dus als een teken van God in het land van de dood, als vertegenwoordigsters van het leven. Tegelijk als ver­­tegenwoordigsters van God. En dan is het mooie, dat zij een naam krij­gen in het verhaal. Bij God zijn zij dus blijkbaar belangrijker dan die farao.

De volledige studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

397297 bezoekers sinds 07-06-2010