Exegese van Psalm 1

11-12-2017 door Dr. K.D. Goverts

Psalm 1 is de deur tot heel het boek van de Psalmen. Hier wordt de mens uitge­no­digd om het heiligdom binnen te treden. Het boek dat de strijd be­schrijft waar de ‘rechtvaardige’ vaak doorheen gaat. Dit eerste boek be­schrijft tevens twee gestalten: de recht­vaardige (de ‘tsaddiq’) en de god­deloze (de ‘rasja’). De ‘tsaddiq’ is de waar­achtige, de mens die he­­­lemaal leeft in de verbondenheid met God en die zich het leed van de ander aantrekt. Zo was Jezus als de Zoon des mensen DE rechtvaardige.

 Toen de hoofdman zag, wat er geschiedde, verheerlijkte hij God, zeggende: Inder­daad, deze mens was rechtvaardig! {Lucas 23:47}.

Psalm 1 heeft vanouds gefunctioneerd in de paasnacht. De eerste anti­foon in de Metten van Pasen luidt als volgt:

‘Ego sum qui sum, et consilium meum non est cum impiis, sed in lege  Domini voluntas mea est, alleluia.’ Dat is: Ik ben die Ik ben, en mijn raad is niet met de goddelozen, maar in de Torah des HEREN is mijn wil, halleluja.

Hier zingt Jezus, de opge­stane Heer de gemeente toe; zijn welgevallen is geweest in de Torah van God en Hij heeft de Torah gedaan, geprakti­seerd tot het einde toe; daarom heeft de Vader Hem opgewekt uit de dood. Daarom kan Jezus, net als Jozua in Jozua 1, de weg ontsluiten naar het land der belofte, de toegang tot Gods betrouwbaarheid, omdat heel zijn verlangen en heel zijn vreugde geweest is in de Torah van zijn Vader.

Deze psalm heeft een zogenaamde enveloppe-structuur, zij begint en ein­digt met de ‘goddelozen’, maar in het midden verschijnt, als een nieuw centrum, als lichtend middelpunt, de tsaddiq. Voor het eerst in vers 5 uitdrukkelijk met deze term aangeduid.

Vers 1: Welzalig de man die niet wandelt in de raad der goddelozen, die niet staat op de weg der zondaars, noch zit in de kring der spotters” {Ps.1:1}.

Dit vers begint met de woorden ‘asjree ha’ isj ’asjer lo halak’,’welzalig de man die niet wandelt’. Het ‘welzalig’ (‘asjree’) in deze zin moet worden opgevat als een vreug­devolle uitroep, een vastgestelde zekerheid en niet als een belofte of een wens! ‘Welzalig’ wil zeggen dat men als mens be­antwoordt aan zijn be­stemming. Martin Buber noemt dit: het verbor­gen, het ware geluk. Zalig, hangt volgens Samson Rafaël Hirsch samen met ‘voet­stap’, dus: die man van Psalm 1 kan uit de voeten, die kan zijn schreden neerzetten. ‘Ik zet mijn treden in uw spoor, opdat mijn voet niet uit zou glijden (aldus Psalm 17:3).

De mens waarover gesproken wordt doet drie dingen nìet. Hij wandelt niet in de raad der goddelozen, staat niet op de weg der zondaars en zit niet in de kring der spotters. Hierin is een soort climax besloten: bij wan­­delen is men nog in beweging. Bij staan komt de mens tot stilstand en bij zitten is hij helemaal in de kring opgenomen. Vers 1 is een tria­de: een drieslag. Meestal is het parallellisme in de Hebreeuwse poëzie een twee­slag. Let ook op de drie aanduidingen: raad der afbrekers; weg der zon­daars; zetel van de driesten.

Het Hebreeuwse woord dat in dit vers vertaald wordt met ‘goddelozen’ luidt rasjaïm. Dit woord betekent letterlijk ‘de afbrekers’, ‘de vernieti­gers’. Geen atheïsten, dat kunnen van huis uit heel vriendelijke en hu­ma­ne mensen zijn. De ‘rasjaïm’ zijn er op uit het werk van God te ver­nie­tigen, af te breken en weigeren de weg van God te betreden. Het woord komt in deze psalm even vaak voor als ‘rechtvaardige’ en ‘zon­daar’ tezamen. ‘Afbreker’: vier maal; ‘zondaar’: tweemaal; ‘tsaddiq, recht­vaar­dige’: tweemaal. Het eigenlijke contrast is dat tussen de afbreker en de tsaddiq. De tsaddiq gaat in de weg van de Torah; de afbreker volhardt in zijn eigen weg. De ‘zondaars’ zijn de chattaim, dat zijn degenen die ‘hun doel missen’. Hun weg loopt steeds weer dood. God onderwijst de ‘zondaars’ opdat ze de weg terugvinden (Psalm 25:8). De ‘spotters’ (‘leetsim’) zijn eigen­lijk de ‘brutalen’, de ‘driesten’. Hiervan zegt een bekend spreekwoord dat ‘de brutalen de halve wereld hebben’. Daarentegen leert ons Psalm 37 dat ‘de zachtmoedigen de gehele aarde zullen beërven’. “De zachtmoedigen daarentegen zullen de aarde erfelijk bezitten, en zich ver­lus­tigen in grote vrede” {Ps.37:11}.

 Vers 2: Maar aan des HEREN wet zijn welgevallen heeft, en diens wet overpeinst bij dag en bij nacht” {Ps.1:2}.

Die man, die rechtvaardige, doet twee dingen wel. Hij heeft aan des HE­REN wet een welge­vallen en overpeinst deze bij dag en bij nacht. In het eerste deel van dit vers krijgt de man eerst geen werkwoord: zijn welge­vallen is in de Torah des HEREN. Dat is de grondhouding van zijn le­ven; daarom geen werkwoordsvorm; het is niet primair iets wat hij af en toe doet; neen, het is de basishouding waaruit zijn daden voortko­men. Tweemaal horen we het woord Torah in dit vers. Zo verwijst het Psalm­boek meteen al naar de boeken van de Torah. In vers 2b komt er een werkwoord bij: overpeinzen luidt de vertaling van het Hebreeuwse woord hagah. Dit woord kan ook vertaald wor­den met ‘murmelen’, opzeggen, reciteren, mediteren. Denkprocessen zijn ‘uitwendig’ in het Hebreeuws. Lezen deed men hard­­­­op. Het woord moet klinken voor de ‘ander’ en tot je eigen hart. ‘Hagah’ is ook typisch een ballingschapswoord; het duidt ook aan: het ‘grommen’, het koeren van een duif. ‘Ik koer als een duif’ zegt Hizkia in Jesaja 38:14; daar staat ook een vorm van ‘hagah’. En Hizkia staat model voor heel het volk dat de dood van de ‘galoet’ (de ballingschap) ingaat. Ze kunnen alleen nog klagerig koeren. ‘Hagah’ is ook verzuchten. Wat doet men dan in de ballingschap? Uit het diepst van je wezen de Torah ver­zuchten.

In het begin van het boek Jozua (1:7,8) lezen we dezelfde uitdrukking ‘overpeins (verzucht) het bij dag en bij nacht’. Alleen, wees zeer sterk en moedig en handel nauwgezet, overeenkomstig de ge­he­le wet die mijn knecht Mozes u geboden heeft; wijk daarvan niet af naar rechts noch naar links, opdat gij voorspoedig zijt, overal waar gij gaat. Dit wet­boek mag niet wijken uit uw mond, maar overpeins het dag en nacht, opdat gij nauwgezet handelt overeenkomstig alles wat daarin geschreven is, want dan zult gij op uw wegen uw doel bereiken en zult gij voorspoedig zijn” {Joz.1:7,8}.

De Torah vormt als het ware Jozua’s routebeschrijving voor de tocht door het beloofde land, de waarheid, het leven. ‘Zonder Torah vaart nie­mand wel’ zou men kunnen zeggen. Bij de uitdrukking ‘dag en nacht’ moeten we niet direct denken aan onze 24-uurs dagindeling, maar dit heeft meer te maken met de, bij de exe­ge­se van vers 3, aangehaalde ‘seizoenen’ in het leven van de mens.

Het gaat om het al dan niet centraal (kunnen of willen) stellen van God bij het vast­stellen van de zin van ons bestaan en de daaruit voort­vloe­i­ende conse­quen­ties. Het is heel vaak nacht in het le­ven van de recht­vaar­­dige. Het is ook de tijd van je leven en de wereld­geschiedenis als het donker is. Zo zou men als titel boven dit eerste Psalmboek kunnen zetten: ‘de nacht van de rechtvaardige’.

 

Vers 3: “Want hij is als een boom, geplant aan waterstromen, die zijn vrucht geeft op zijn tijd, welks loof niet verwelkt; al wat hij onderneemt, gelukt” {Ps.1:3}. ‘Alles wat hij doet komt tot bloei”NBV. Hij ‘is of zal zijn’ als een boom geplant aan waterstromen. Letterlijk staat er ‘overgeplant’ zoals de kerkvader Hieronymus, die in de leer ging bij de rabbijnen, in deze tekst ook het woord ‘overgeplant’ gebruikt. Een an­­­dere vertaling luidt: ‘gestekt aan watergleuven’, ‘Peleg majim’, ‘ver­tak­kingen van water’. Water is in de Schrift vaak een beeld van de To­rah; zij is de bron van levend water.

Belangrijk is te constateren dat de boom vrucht geeft op zijn tijd. Als men aan een boom in de winter zou kunnen vragen waarom deze geen vrucht draagt, dan zou de boom antwoorden: kom in het voorjaar maar weer eens terug. Zo zijn er ‘de seizoenen’ in een mensenleven, dat ook door de ‘winter’ heen moet. De boom verduurt de winter. ‘Wiens loof niet verwelkt (‘nabal’)’, waarbij nabal ook verkwijnen of ‘dwaas worden’ kan betekenen. Denk aan de naam Nabal in 1 Samuël 25; Nabal heet hij en een dwaas is hij. De mens die uit de Torah leeft, wordt geen verdwaasde. ‘Al wat hij onderneemt gelukt’ luidt het laatste deel van dit vers in de NBG-vertaling. ’Asah en tsalach luiden de respectievelijke woorden in de Hebreeuw­se grondtekst. Letterlijk betekenen deze woorden ‘maken of doen’ en ‘door­­­­­werken’. Alles wat de gelovige doet zal doorwerken, zal zijn uit­werking niet missen. Zelfs (of misschien zelfs juist) door het lijden heen. Maar het Evangelie is geen ‘successtory’ of ‘succesformule’.

 Vers 4: Niet alzo de goddelozen: die toch zijn als kaf dat de wind verstrooit” {Ps.1:4}.

In dit vers horen we over de afbrekers; maar zij worden niet het onder­werp van de zin; alleen lijdend voorwerp. De wind doet met hen wat hij wil. Zij zijn het object van de wind die hen verwaait. Men lette op het contrast: boom tegenover kaf. De boom die stáát, is stabiel, het kaf is on­sta­biel en in beweging. Drie elementen spelen hierin mee: het rusteloze; de constante beweging en het zonder richting zijn. Het kaf heeft geen doel, geen vaste koers. Maar de tsaddiq staat, overdenkt en bezint zich. De af­breker valt ten prooi aan krachten die hij niet kan beheersen. Van de afbreker kan alleen gezegd worden: Niet alzo.

 Vers 5: Daarom houden de goddelozen geen stand in het gericht, noch de zondaars in de vergadering der rechtvaardigen” {Ps.1:5}. De psalm begint met de raad (‘atsat) der afbrekers, de zetel der brutalen en eindigt met de vergadering (‘atsat) der tsaddiqim. De afbrekers wor­den weggeblazen als kaf. Nu volgt een negatieve these: ze houden geen stand.

Vers 6: Want de HERE kent de weg der rechtvaardigen, maar de weg der goddelozen ver­gaat” {Ps.1:6}.

De psalm eindigt met een weg. Er is maar één weg! Die weg wordt door de HERE gekend. Alleen in dit gedeelte is God het onderwerp van de zin. Op de weg der goddelozen komt God niet voor, daarom vergaat ook die weg. A.L. Strauss, de schoonzoon van Martin Buber, heeft eens opge­merkt: ‘let er eens op of de naam van God in een psalm voorkomt of niet’. Rabbijn Jacob Soetendorp vertaalt jada‘ (kennen) bij voorkeur met: ‘één zijn met’. Het duidt op intimiteit, innige verbondenheid. God is één met de weg der tsaddiqim. Heel vaak zegt de Schrift dat God de tsaddiq kent; alleen hier staat dat God zijn (hun) weg kent.

 

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

478654 bezoekers sinds 07-06-2010