Er komt nooit gevaar van bovenaf..

13-08-2013 door Dr. K.D. Goverts

adelaarIn een joodse verhaal wordt verteld dat ook de dierenwereld ons beel­­den geeft, waardoor je als het ware een doorkijk vanuit de schep­ping mag heb­ben. Heel de schepping kun je vergelijken met een fla­nel­bord met aan­schouwelijk on­der­wijs. Als je in de natuur wandelt, zie je beel­den van de majesteit en grootheid van God.

Er wordt verteld over een gems, die heel hoog het gebergte in­gaat. Het woord voor gems is in het Hebreeuws ja‘alah. Hier zit het werkwoord ‘opgaan’ in. Als je de eerste letter, de jod, weglaat, krijg je het woord ‘alah. Die gems zou je dus kunnen noemen ‘het dier van de op­gang’. Hij maakt altijd zijn alijah (=opgang). Het hoort bij zijn aard om ‘op te gaan’, om zo hoog mogelijk te klimmen. Die gems gaat dus het gebergte in en probeert zo hoog mogelijk te ko­men. In het steeds hoger gaan van de gems, kun je ook het beeld van de men­se­lijke geest zien; in het bijzonder de profetische geest. Hoog in het ge­berg­te werpt de gems ook haar jongen.  Dicht bij de top van de berg komt het uur van de bevalling en wor­den de jon­ge gemsjes geboren. Je ziet wel meer in de natuur, dat een dier niet altijd alles on­der controle heeft. Dat geldt voor een mens ook. Soms gaan de din­gen hun eigen gang.

Het verhaal gaat dan verder: Op een gegeven moment vallen die jonge gemsjes naar beneden, duizelingwekkend diep vanaf grote hoogte. Die gemzenjongen storten dus naar beneden, maar dan – zo zegt het ver­haal – komt er een adelaar. Je zou denken dat die adelaar in die jonge gemsjes een prooi ziet, maar hij doet wat anders. Hij vangt ze op en brengt ze op zijn vleugels gezond en wel naar de aarde.

Het woord voor adelaar is in het Hebreeuws nesjer. De adelaar wordt wel de koning van de vo­gelwereld genoemd en wordt in de Schrift ook aangeduid als beeld van God. “ Ik heb u op arendsvleugelen gedragen en Ik heb u tot Mij gebracht” {Ex.19:4}. Aan het eind van de Torah, in Deuteronomium 32, in dat prachtige lied van Mozes, komt dat beeld van een adelaar ook weer naar voren. “Als een arend, die zijn broedsel opwekt, over zijn jongen zweeft, zijn wieken uit­spreidt, er een opneemt en draagt op zijn vlerken” {Deut.32:4}. Als een adelaar over zijn jongen waakt, hoeft hij alleen maar naar bene­den te kijken, want er dreigt nooit gevaar van bo­venaf. Er is bijna geen vogel die hoger vliegt dan de adelaar.

Zo is het ook in de verhouding van een mens met God. Er komt nooit gevaar van bovenaf, alleen maar van beneden. Corrie ten Boom heeft ooit tegen Anne van de Bijl gezegd: blijf naar beneden kijken! Er wordt zo vaak gezegd ‘zie omhoog’, maar zij zei dan het tegenovergestelde. Als je geplaatst bent in de hemelse ge­wes­ten, moet je naar beneden blij­ven kijken, want het gevaar komt van be­ne­den en niet van boven. Dus die adelaar vangt de jongen van de gems op en draagt ze naar de aarde, zodat ze veilig terechtkomen. De oude verklaarders zeggen ook nog het volgende: de laatste twee let­ters van nesjer (adelaar) zijn de sjin en de resj. Dat is de woordstam van sji-ir (het lied). De nun wordt wel in verband gebracht met nigun (me­lo­die). De adelaar vliegt dus met wijde wiekslag in de grote kosmische we­reld. Zijn ene vleugel is symbool van het lied (de tekst) en de an­dere vleugel vormt dan de me­lo­die (de noten). Dus de adelaar is symbool van het lied dat gedragen wordt op de vleugels van de hoop.

 

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

410337 bezoekers sinds 07-06-2010