Epifanie

28-05-2010 door Huib Neven

Een ruime, luxueuze auto reed weg bij het benzinestation en draaide de snelweg op. Een laag stof en vuil bedekte de oorspronkelijk roomwitte kleur van de wagen. Er moest al een lange weg zijn afgelegd. Aan de vreemde nummerplaat was te zien dat de inzittenden niet van hier waren. Meer uit het oosten, leek het.

De man achter het stuur had een donkere gelaatskleur. Hij hield één oog op de weg gericht, het andere op de tomtom. Het pijltje in de vorm van een staartster wees feilloos de weg. “Wanneer zouden we eindelijk onze bestemming bereiken?” verzuchtte de man naast de bestuurder. “Nou niet de moed verliezen, ik heb het gevoel dat we het langste eind gehad hebben”, zei de derde man op de achterbank. Hij maakte het zich gemakkelijk en sloot de ogen. Het kleine gezelschap leek van een hoogstaande deftigheid. Misschien diplomaten, of wetenschappers, op weg naar.., ja, naar wat eigenlijk? “Diep in me heb ik het angstige gevoel dat we beter thuis hadden kunen blijven”, zei de zwarte man, meer tegen zichzelf dan tegen de anderen. “We hadden het toch goed thuis”.

Er was weinig verkeer op de weg. Het eentonig gezoem van de banden op het asfalt vulde de stilte in de cabine. De tomtom vertelde dat over achthonderd meter een knooppunt naderde. “Ben je dan vergeten hoe groot de leegte was in ons rijke bestaan? Hoe vaak hebben we er niet over gesproken? Het was toch een weloverwogen beslissing om met z’n drieën op weg te gaan?” De man naast de bestuurder staarde door de zijruit, zonder iets te zien. Hij leek er zelf ook niet meer in te geloven.

“Kom jongens”, klonk van achter uit de wagen, waar kennelijk toch niet geslapen werd, “laten we alsjeblieft volhouden”. Op dat moment verscheen langszij een motoragent. Hij gebaarde gebiedend dat ze moesten  volgen. Er zat niets anders op. Ze reden achter de motor aan, terwijl de tomtom dwingend herhaalde: Ga terug, ga terug.  De agent stopte voor een protserig gebouw, ongetwijfeld een politiebureau. Even later stonden de drie mannen voor een norse en verveelde commandant.

Wat ze hier zochten en waar ze naar toe dachten te gaan? De derde man deed het woord. “U zult het niet geloven, maar we zijn op zoek naar het grote geluk. We zijn er achter gekomen dat het leven dieper en beter geleefd kan worden”. De commandant trok zijn wenkbrauwen op en liet toen duidelijk zijn ergernis blijken. Waarom verdeed hij eigenlijk zijn tijd aan een paar idiote idealisten? Hier had hij geen zin in en hij gebaarde ongeduldig dat ze konden gaan. “En mocht je het geluk vinden, laat me het dan even weten”, voegde hij er spottend aan toe. “Ik kan er wel wat van gebruiken in deze godvergeten wereld”.

Toen de drie heren opgelucht in hun auto wegreden, had de tomtom de route weer snel opgepikt. Ze reden de rommelige buitenwijk van een onbekende stad binnen. Geen buurt voor welgestelden. Sommige panden waren dichtgetimmerd, andere waren hard aan renovatie toe. De limousine detoneerde opzichtig in deze naargeestige omgeving. Na wat gekronkel door de smalle straatjes, meldde de tomtom opeens: bestemming bereikt. Het driemanschap keek elkaar verbijsterd aan. Moesten ze hier het geluk van de wereld vinden? Ze stonden voor een bouwvallig huis. Tegen de gevel hingen een paar oude fietsen. Voor de deur lag een herdershond, wachtend op zijn baasje binnen. De drie stapten voorzichtig over de drempel. In de kleine kamer droop de armoe op het kale vloerkleed. Maar de gezichten van de enkele aanwezigen straalden op een bijzonder manier. Toen de vreemdelingen wat aan het donker gewend waren en de blik van de anderen volgden, werden ze als door de bliksem uit de hemel getroffen. Dat ze daar niet aan gedacht hadden! Een kind! Ze waren zo in het leven van alledag opgegaan, dat ze het kind vergeten waren. Ze begrepen als door ingeving dat daar de volheid van hun bestaan lag. “Toe dan”, spoorde de zwarte man zijn vriend aan. Deze deed zijn gouden horloge af en legde het voorzichtig aan de voeten van het kind. De tweede deed hetzelfde met zijn fonkelende ring, terwijl de derde er een klein kostbaar flesje naast zette. Toen de oosterlingen na een uurtje vertrokken, waren het andere mensen geworden. “We weten nu wat leven is”, spraken ze vol verwondering tegen elkaar.

Ze overwogen nog even de poltiecommandant te gaan vertellen dat God de wereld niet vergeten was, maar ze vertrouwden hem niet en besloten uiteindelijk een andere weg naar huis te nemen.

Commentaren zijn gesloten.

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

391574 bezoekers sinds 07-06-2010