Des Heren maal

24-05-2010 door Joop Neven

door E.W. Hiebendaal

Er zijn gelovigen die het “Heilig Avondmaal” vier maal per jaar vieren, anderen doen dit twaalf maal per jaar, weer anderen 52 maal per jaar, terwijl katholieken 365 maal per jaar hun Eucharistie vieren. Er zijn er ook, die het slechts éénmaal per jaar vieren, n.l. de bekeerde Joden op de l4e van de Joodse maand Nisan. Geen van deze mensen is van plan om van zijn gewoonte af te wijken. Bij het vieren van het Avondmaal wordt vaak 1 Kor. 11:23-30 gelezen. Dit Schriftgedeelte besluit met de woorden: (26 t/m 30). Want zo dikwijls gij dit brood eet en de beker drinkt, verkondigt gij de dood des Heren, totdat Hij komt. Wie dus op onwaardige wijze het brood eet of de beker des Heren drinkt, zal zich bezondigen aan het lichaam en bloed des Heren. Maar ieder beproeve zichzelf en ete dan van het brood en drinke uit de beker. Want wie eet en drinkt, eet en drinkt tot eigen oordeel, als hij het lichaam niet onderscheidt. Daarom zij er onder u velen zwak en ziekelijk en er ontslapen niet weinigen. Wanneer zovele gelovigen verschillend denken over het aantal malen per jaar vieren van het Avondmaal, kunnen we de gedachte niet van ons afzetten, dat er dan maar luchthartig omgesprongen wordt met gewichtige dingen, waarmee zelfs de dood gemoeid is. Wat betekenen eigenlijk de woorden:

OP ONWAARDIGE WIJZE ETEN EN DRINKEN?

Daar het oude Testament vaak de moeilijk verstaanbare gedeelten van het nieuwe Testament oplost, moeten we in het oude Testament zoeken of dit meer licht op ons onderwerp geeft. Het is bekend, dat gedurende de periode van de “Handelingen der apostelen” zonden onmiddellijk gestraft werden. In de brieven, welke in deze periode zijn geschreven, komt dit eveneens ter sprake. Bekende voorbeelden zijn: Ananias en Saffira, Elymas de tovenaar, Herodes en Simon de tovenaar, die de gave van de Heilige Geest voor geld wilde kopen.Dat zulk een onmiddellijke straf op zonden zich nu niet meer voordoet, is geen bewijs dat wij christenen, beter zijn, doch is een gevolg van de omstandigheid dat wij thans in een andere bedeling leven, n.l. in de bedeling der genade. De bedeling der genade is begonnen, toen Israël tijdelijk verworpen of terzijde werd gesteld, dus ongeveer 70 jaar na Christus en zal in de tijd dat Israël weer als Gods volk zal worden aangenomen, eindigen. In het oude Testament vinden we dergelijke onmiddellijke gerichten herhaaldelijk. Maar daarmede zijn alle vragen rondom het Heilig Avondmaal niet verklaard. Enkele vragen welke nog rijzen zijn:

  1. Waarom weten wij niet hoe dikwijls ‘s Heren maal moet worden gevierd?
  2. Waarom weten wij niet welke wijn en welk brood moet worden gebruikt?
  3. Wie mogen er aan deel nemen?
  4. Onder welke omstandigheden moet het worden gevierd?
  5. Welke woorden moeten gesproken worden en door wie?

Dat er in 1 Korinthe 10 en 11 over deze vragen met geen woord gerept wordt, is een voldoende bewijs dat degenen, aan wie deze woorden geschreven werden, het wel wisten. Zij moeten met de gehele gang van zaken zó vertrouwd zijn geweest, dat het onnodig was over deze onderdelen te schrijven. Velen hebben altijd gedacht, dat het gebruik van brood en wijn het oude paasfeest der Israëlieten (Pesach) vervangt en dat de Here Jezus bij Zijn laatste Avondmaal iets nieuws heeft ingesteld. Zij menen dat de “gemeente” met Pinksteren was begonnen en dat de wet en alle Joodse ceremoniën bij het kruis vervuld en afgeschaft waren. Maar de gebruiken van de wet, zoals besnijdenis, ceremoniën en hoogtijdagen, bleven voor de bekeerden uit Israël gehandhaafd tot Israëls verwerping. Alleen de bekeerde heidenen dienden zich tot de vier noodzakelijke onthoudingen te bepalen, te weten: Het zich onthouden van de dingen die door de afgoden besmet zijn; van hoererij; van het verstikte en van het bloed. (Hand. 15:20) Wij lezen dan ook inderdaad ook na het eerste Pinksteren nog van het vieren van het Pascha, het feest der ongezuurde broden (Hand. 20:6) en van het Pinksterfeest. (Hand. 20:16). Ook lezen we over de zeven sabbatten, die tussen het Paas – en Pinksterfeest verliepen. Dit is niet zo gauw te ontdekken, omdat onze vertalingen daar steeds spreken over de “eerste dag der week”. De grondtekst luidt echter: de “eerste dag der weken”. (Hand. 20:7) Hier is sprake van een reeks sabbatten, die jaarlijks wederkeerden, de zeven sabbatten van Lev. 23:15, die vielen tussen Pasen en Pinksteren. Dat in Hand. 20:7 inderdaad één van deze sabbatten bedoeld wordt, blijkt uit vers 16, waar vermeld wordt, dat Paulus zich haastte om zo mogelijk op de Pinksterdag te Jeruzalem te zijn. De brieven aan de gemeente van Korinthe zijn gedurende de Handelingentijd geschreven. In dit verband moeten we ons in gedachten in die tijd verplaatsen en rekening houden met de toenmalige omstandigheden, gebruiken en voorschriften. We zullen dus moeten trachten deze gedeelten van de Schrift “Joods” te lezen. Dit valt ons al gemakkelijk als we verder lezen over Paulus’ ervaring in Jeruzalem. Toen hij vóór Pinksteren in Jeruzalem was aangekomen werd hij door alle oudsten in het huis van Jacobus begroet. Nadat hij zijn wederwaardigheden had verteld, zeiden zij tegen Paulus: Gij ziet broeder, hoevele duizenden van Joden er zijn die geloven en zij zijn allen ijveraars van de wet. (Hand. 21:20). In deze zin wordt er de nadruk op gelegd, dat er vele duizenden onder de Joden waren, die in de Here Jezus geloofden en daarbij tevens de Wet onderhielden en wel “ijverig” (geestdriftig) dus met volle overtuiging. Omdat in Jeruzalem het praatje ging, dat Paulus in het buitenland afval van Mozes leerde, dus het loslaten van de Wet, vroegen zij hem door een ceremonie in de Tempel (de Nazareeërsgelofte) het tegendeel te bewijzen. (Hand. 21:21-26). Deze ceremonie ging met offers gepaard. Zo worden dan opeens vele plaatsen, welke we vroeger niet begrepen, in deze brief aan de gemeente van Korinthe duidelijk. Als we dus terugkeren tot 1 Kor. 10 en 11 dan zou op grond van bovenstaand onderzoek vel eens kunnen blijken, dat het Avondmaal, dat de gelovigen daar vierden, een gedeelte van het Pascha (Joods paasfeest) is. Bezien we nu veer de vijf vragen, welke over het Heilig Avondmaal gesteld werden, dan zou op verschillende ervan het antwoord al gegeven kunnen worden. Maar laten we eerst eens trachten ons vertrouwd te maken met alles wat met het Pascha, het Joodse Paasfeest, samenhangt en wat er over geschreven is. Daarvoor raadplegen we allereerst de Schrift, maar daarnaast ook enige Joodse boeken. Laten we beginnen alle Paasfeesten in het oude Testament te lezen en daarbij speciaal letten of er passages in voorkomen, welke onbegrijpelijke gedeelten uit 1 Kor. 10 en 11 zouden kunnen verklaren.

EERSTE PAASFEEST. (Ex. 12:1-28)
De instelling ervan vond plaats in Egypte vóór de nacht van de uittocht. Wat al direct opvalt in dit Schriftgedeelte is dat “deze dag een gedenkdag moet zijn” en wel een jaarlijks weerkerende gedenkdag. (Ex. 12:14). En deze dag zal ulieden wezen ter gedachtenis en gij zult hem de Here tot een feest vieren. Deze woorden doen ons denken aan de woorden des Heren: “Doet dat tot Mijn gedachtenis”, welke woorden Paulus aanhaalt in 1 Kor. 11:2-25, n.l. het gedenken van de dood des Heren. Dat moet dan ook op een bepaalde datum gebeuren en wel op de l4e Nisan tussen twee avonden, op welk moment de Here gestorven is. Paulus doelt hierop, als hij zegt: want ook ons Paaslam is geslacht, n.l. Christus: Laten wij derhalve feestvieren, niet met oud zuurdeeg, noch met zuurdeeg van slechtheid en boosheid, maar met het ongezuurde broed van reinheid en waarheid. (1 Kor. 5:7-8). Broeders die niet deugden, moesten uit hun midden worden weggedaan. Men moest hen oordelen en mocht zelfs niet met hen eten. (1 Kor. 5:9-11) Het voorgeschreven lam ziet in zijn hulpeloosheid en zwakte op de zelfontlediging van het Lam Gods, waarvan Paulus in 2 Kor. 13:4 zegt: Welnu, Hij is gekruisigd uit zwakheid, maar Hij leeft uit de kracht Gods.

TWEEDE PAASFEEST. (Num. 9:1-14)
Dit Pascha werd in de woestijn Sinaï gevierd. Er kwamen toen echter enige mannen bij Mozes en vertelden hem, dat zij het Pascha niet konden vieren, omdat zij door aanraking van een dode onrein waren. Waarom, zo vroegen zij, wordt ons belet op de daarvoor bepaalde tijd een offergave des Heren te brengen? Mozes vroeg voor hen aan de HERE en kreeg ten antwoord: “Spreek tot de kinderen Israëls: wanneer iemand onrein is door aanraking van een lijk of op een verre reis is, – het geldt voor u zowel als voor uw nageslacht -, dan zal hij toch de HERE Pascha vieren. In de tweede maan (Ijar) op de veertiende dag, in de avondschemering, zal men het vieren, met ongezuurde broden en bittere kruiden zal men het eten”. (Num. 9:10-11). Dit feest, dus voor een speciale gelegenheid, noemde men later: het kleine Pascha. Maar was er niets onvoorziens gebeurd, zodat men zich had kunnen heiligen en zou men toch nalaten het Pascha te vieren, dan zou diegene uit zijn volksgenoten uitgeroeid worden en moest hij zijn zonde dragen. Hier dus het onmiddellijk gericht, dat aan 1 Korinthe 11:30 doet denken, waar we lezen van ziek zijn en zwak zijn en zelfs van velen die ontslapen zijn.

DERDE PAASFEEST. (Joz. 5:2-12)
Vóórdat dit Pascha gevierd kon worden, kreeg Jozua bevel de Israëlieten te besnijden. Hier wordt uitvoerig de nadruk op gelegd. Al het volk, dat uit Egypte was getrokken, was besneden geweest, maar al het volk dat in de woestijn geboren was onderweg na de uittocht uit Egypte, had men niet besneden. Deze mannen moest Jozua nu besnijden, anders konden zij het Pascha niet vieren. Het gebod luidde immers, dat geen enkele vreemdeling en geen onbesnedene er van mocht eten. (Ex. 12:48). “Maar wanneer een vreemdeling bij u vertoeft en de HERE het Pascha wil vieren, dan zal ieder van het mannelijk geslacht, die bij hem behoort, besneden worden; eerst dan mag hij naderen om het te vieren”. Ook deze beschrijving van het Paasfeest doet ons weer aan de brief aan de gemeente van Korinthe denken, waar Paulus angstvallig de gelovigen uit de Joden en die uit de heidenen gescheiden houdt. Paulus zegt in 1 Kor. 7:17 en 18. “Zo schrijf ik het in alle gemeenten voor. Laat ieder zo leven als God hem geroepen heeft. Is iemand als besnedene geroepen, hij late het niet verhelpen; is iemand als onbesnedene geroepen, hij late zich niet besnijden”. Wie er oog voor krijgt, kan aan alle brieven van Paulus, welke gedurende de Handelingentijd geschreven zijn, merken welke groep op een bepaalde plaats overheerst; de Joden of de heidenen. De gemeenten in Galatië bestonden hoofdzakelijk uit heidenen, evenals die in Tessalonica. Daarentegen in Rome en Korinthe waren de gemeenten overwegend Joden. De tussenmuur, die scheiding maakte, was nog niet weggebroken. (Ef. 2:14) Joden en heidenen leefden nog voor een deel gescheiden. Paulus spreekt dan ook nu eens tot de ene groep (de Joden) en dan weer tot de andere groep (de heidenen). Zo zien we in 1 Kor. 10 en 11 duidelijk, dat de vermaningen betreffende het Avondmaal positief tegen de Joden gericht zijn. Als geheugenopfrissing begint Paulus in 1 Kor. 10:1. “Want ik stel er prijs op, broeders, dat gij weet, dat onze Vaderen allen onder de wolk waren, allen door de zee gingen, allen zich in Mozes lieten dopen in de wolk en in de zee”. Daarentegen drukt hij zich in 1 Kor. 12:2 anders uit, als hij tot de gelovigen uit de heidenen begint te spreken. “Gij weet, dat gij, toen gij nog heidenen waart, u blindelings naar de stomme afgoden liet heen drijven”. Wij moeten ons voorstellen dat in de handelsstad Korinthe een grote gemeente van Jodenchristenen was, waarvan de leden zich met volle overtuiging aan de Wet hielden en de hoogtijdagen vierden en een kleine gemeente van gelovige heidenen, waarvan de leden zich hielden aan de vier onthoudingen, zoals voorgeschreven was in Hand. 15:20. Beide gemeenten leefden dus, zoals hun was toebedeeld en zoals zij geroepen waren.

VIERDE PAASFEEST. (2 Kron. 30:2-27)
De vrome koning Hizkia ruimde alles op wat aan de afgoden herinnerde en riep Israël op om het Pascha te vieren. De tien stammen waren al weggevoerd. Maar hij verzamelde de twee stammen èn allen, die van de tien stammen nog overgebleven waren en wekte hen op zich te bekeren, want dan zou God de weggevoerden terugbrengen. In overleg met de oudsten had Hizkia dit Paasfeest op de tweede maand belegd. Alles moest namelijk zo haastig gebeuren, dat het niet mogelijk was het feest op de 14e Nisan te vieren. Trouwens er hadden zich ook niet voldoende priesters geheiligd. En dan, op de datum van de tweede maand dus, is er toch nog een menigte van mannen van verre gekomen, velen uit Efraim en Manasse, Issaschar en Zebulon, die zich niet hadden gereinigd en toch het Pascha aten in strijd met het voorschrift. Het gevolg van deze overtreding was een ziekte, want we lezen verder dat Hizkia voor hen bad: “De HERE, Die goed is, doe verzoening over een ieder die zijn hart er op gericht heeft God, de HERE, de God zijner vaderen te zoeken, al was het niet naar de reinheid, welke bij het heilige past”. (2 Kron. 30:18-20) En de HERE verhoorde Hizkia en genas het volk” God zag het hart aan. Hier hebben wij tevens een verklaring van 1 Korinthe 11:30 en een bewijs dat het “Avondmaal des Heren” daar in Korinthe een gedeelte van het Joodse Pascha was. Het onwaardige gebruik was oorzaak dat men ziek werd en zelfs sterven kon.

VIJFDE PAASFEEST. (2 Kron. 35)
Was onder koning Hizkia het Paasfeest zo groot als niet was geweest sinds de dagen van Salomo, in genoemd Schriftgedeelte staat: “Geen der koningen van Israël heeft het Pascha gevierd zoals Josia het vierde met de priesters, de Levieten en geheel Juda en Israël dat zich daar bevond met de inwoners van Jeruzalem” (2 Kron. 35:18). Deze bijzonderheid ziet op de veelheid der offers en de voorafgaande heiliging. De heiliging was bij Israël een zeer voornaam iets. Daarbij behoorde: het zich geheel baden, alle klederen die men droeg moesten gewassen zijn. Verder mochten zij niet met een dode in aanraking komen; ook drie dagen voor de inzet van het feest niet naderen tot de vrouw. (Ex. 19:14-15) Men kon ook zonde op zich laden, indien men niet het beste lam ten offer bracht. (Num. 18:32) Dit waren Joodse voorschriften. Aan heidenschristenen zijn nooit zulke voorschriften gegeven.

ZESDE PAASFEEST. (Ezra 6:19-22)
Het is een kort bericht en betreft de wedergekeerden uit de ballingschap. Het geeft voor ons onderwerp geen verdere bijzonderheden.

ZEVENDE EN LAATSTE PAASFEEST.
Dit zevende en laatste Paasfeestbericht in het oude Testament is de profetie van het Paasfeest in het toekomende rijk. Men vindt het in Ez. 45:18, waar de voorschriften voor de hoogtijden beginnen, te beginnen bij het Paasfeest. Wat hier dadelijk opvalt, is als het ware het nieuwe begin. Bij de zes Paasfeesten die wij gelezen hebben wordt alleen bij het eerste melding gemaakt van het bloed aan de posten der deuren. Bij dit laatste Paasfeest worden de posten van het huis en het altaar en de post van de poort van het binnenste voorhof met bloed bestreken. Op deze toekomstige Avondmaalsviering doelde de HERE, toen Hij zeide, dat Hij van toen aan niet meer zou drinken van de vrucht van de wijnstok tot op die dag, wanneer Hij met Zijn discipelen dezelve nieuw, dus op nieuwe wijze zou drinken in het Koninkrijk. (Matth. 26:29) Dit Koninkrijk was nabij, indien het volk Israël zich had bekeerd. De apostel Paulus verwachtte dit nog tijdens zijn leven, in het begin van zijn prediking. Daarom zegt hij: “zo dikwijls gij dit brood eet en de beker drinkt, verkondigt gij de dood des Heren, totdat Hij komt”. (1 Kor. 11:26). Wanneer de Here komt zal Hij als levende Here het feest weer met hen meevieren en het op nieuwe wijze voortzetten in het Koninkrijk op aarde. De Here Jezus zeide dan ook: “Doe dit”. Het was dus geen nieuwe ceremonie die Hij instelde. Hoe Paulus de tafel des Heren in 1 Korinthe 10 in verband kan brengen met de tafelen der demonen is ook op geen andere manier te verklaren, dan dat hij spreekt tegen Joden. Wanneer Paulus zegt (1 Kor. 10:21): “Gij kunt niet aan de tafel des Heren deel hebben èn aan de tafel der boze geesten” herinnert hij de christen-Joden (het geestelijk Israël) aan hun vaderen, het vleselijke Israël, dat ze aanzaten aan de tafel van Izebel, een tafel der duivelen. (1 Kon. 18:19) Het volk Israël had ook voor het gouden kalf, hun eigengemaakte afgod, geofferd en neder gezeten om te eten en te drinken. (Ex. 32:5 en 6) De tafel is juist in Israël zeer sterk het symbool der gemeenschap. Het volk Israël heeft de HERE al dikwijls tot toorn verwekt, doordat zij zich niet strikt hielden aan de maaltijden van hun heilige offers, maar mede aanzaten aan maaltijden van heidense offerfeesten. Paulus herinnert hen dan ook aan de dreiging des HEREN (Deut. 32:17 en Lev. 17:7) die hij aanhaalt in 1 Kor. 10:20. Het is geen wonder, dat wij christenen uit de heidenen deze waarschuwing in verband met het Avondmaal nooit kunnen begrijpen. Ook in Ez. 41:22 en 44:16 zien wij de tafel des HEREN in de toekomst. De HERE beloofde aan zijn Joodse discipelen, dat zij eten en drinken zouden aan Zijn tafel in Zijn Koninkrijk. (Luc. 22:30). Paulus prees hen dat ze de inzettingen houden. Dit is Joods, want later, nadat de “zaligheid Gods” de heidenen gezonden werd (Handelingen 28:28) worden de inzettingen te niet gedaan. (Ef. 2:15)

Wij hebben uit het onderzoek van het oude Testament gezien, dat het Pascha een offerfeest was. We lezen b.v. in 2 Kron. 35:7 “Josia stelde het gewone volk ter beschikking kleinvee, schapen en geiten, die allen dienden als Paasoffers voor ieder die zich daar bevond, ten getale van dertigduizend, benevens 3000 runderen. Deze waren uit de have des Konings”. Er werd zoveel door de rijken aan de armen gegeven, dat de priesters tot in de nacht bezig waren. (2 Kron. 35:14) Het bloed was voor de HERE en men at dan acht dagen lang van het vlees, tot verzadiging toe. Zo was het althans bij de grote paasfeesten in het oude Testament. De verplichte offers waren naar vermogen. Armen gaven alleen twee tortelduiven. (Lev. 12:8) Uit het voorgaande weten we hoe het offerfeest in Korinthe behoorde gevierd te worden. Paulus schreef aan de Korinthiërs dat zij vleselijk leefden, als onveranderde mensen, vanwege de vele scheuringen onder hen. (1 Kor. 3:1-4) Daarom konden zij niet in de ware eenheid samen komen om het Pascha te vieren en daarbij ook de dood des HEREN te gedenken. Hoe konden zij aan één tafel gemeenschap hebben met elkaar als er nijd en twist was? De één noemde zich naar Paulus, de ander naar Apoilos. Ze aten dus niet in de ware gemeenschap, die de tafel des HEREN moest uitdrukken. De onderlinge ruzie had tot gevolg dat men niet eens op elkaar wachtte om gelijktijdig te beginnen. (1 Kor. 11:33). De Paaslammeren werden naar Goddelijk voorschrift berekend naar de gezinnen die samen kwamen, het overige vlees en wat meer nodig was voor de maaltijd gaf men vanouds hen naar vermogen. Maar nu er nijd en twist waren en men niet op elkaar wachtte, was het dus mogelijk dat de eerstkomende veel aten en dronken en de meer bescheidener, de armen niet veel meer vonden, terwijl men de maaltijd gezamenlijk en met vreugde moest vieren. Zo was het dus niet meer des Heren maal, maar hun eigen maal. Als het alleen om eten en drinken ging, konden zij beter thuis blijven zegt Paulus in 1 Kor. 11:34. Wat de HERE gedaan had (vers 23 en 24) wees op gemeenschap en eenheid van allen die er aan deel namen of deel aan hadden. Gods kinderen, door het bloed van het Lam verlost, zijn één lichaam dat de HERE toebehoorde. (1 Kor. 10:17) Dat lichaam onderscheidde de gemeente van Korinthe niet en daarom volgde het oordeel. De gelovigen uit de volken konden wel deel hebben aan het maal, dat tussen de tweede en de derde beker viel. Dat is dan waarschijnlijk de oorsprong der liefdemaaltijden, die geen bepaalde datum behoefden te hebben. De volken moesten immers mede God verheerlijken vanwege de barmhartigheid. (Rom. 15:9) Was God in 2 Kron. 30:19 velen, die zich niet gereinigd hadden genadig, in 1 Kor. 11:27 is het tegenovergestelde het geval. Deze christen-Joden konden naar de wet rein zijn geweest, doch daarom nog niet naar het hart. Er was geen eenheid en geen liefde en als iemand zijn broeder, die hij gezien heeft, niet liefheeft, hoe kan hij God liefhebben, Die hij niet gezien heeft? Zij waren misschien cultisch en zedelijk rein, maar hun houding was onwaardig, niet in overeenstemming met de tafel des HEREN, die juist eenheid moest uitdrukken. Was dus in 2 Kronieken 30 de buitenkant, de lichaamsreiniging niet voldoende betracht, het hart dat zich geheel uitstrekte tot God was toen in orde. Vandaar het gericht op zulk slordig omgaan met het heilige, vandaar het zwak en ziek worden tot stervens toe. Paulus had hen leren uitzien naar de komst van Jezus Christus, opdat zij onberispelijk zouden zijn. Paulus gaf de onzedelijke onder hen aan satan over tot verderf des vleses, opdat de geest behouden zou worden op de dag des Heren. (1 Kor. 5:5) Daarom vermaant hij hen eenstemmig te zijn. Laten er geen scheuringen onder u zijn, maar weest vast aaneengesloten, één van zin, één van gevoelen. (1 Kor. 1:10) Een weinig zuurdeeg maakt het gehele deeg zuur. Doe dan de oude zuurdeeg weg, opdat gij een vers deeg moogt zijn. (1 Kor. 5:7) Geen slechtheid en boosheid, maar reinheid en waarheid. Dit onderzoek brengt ons tot de overtuiging dat 1 Kor. 10 en 11 bedelingswaarheden of tijdgeboden (behorende tot die tijd) zijn. Waarheden dus, behorende tot de vorige bedeling, waarin het volk Israël voorrang had. Ter verduidelijking van het voorgaande dient de volgende opmerking: Men kan deze uiteenzetting eerst dan goed verstaan, wanneer men steeds voor ogen houdt, dat gedurende de “Handelingentijd” Israël nog steeds als “Ammi” , dat is “Mijn volk” bestond. Het volk woonde nog in het land en bezat de Tempel met zijn dienst. Het Koninkrijk was nog nabij met de spoedige wederkomst des Heren, omdat Israël nog steeds tot bekering werd geroepen. Na Hand. 28:28 veranderde alles, daar Israël dan door het oordeel der verharding getroffen werd en als gevolg daarvan als heilsorgaan voor een tijd terzijde gesteld wordt, zodat tevens de tempel met zijn dienst verdween, tot de tijd van Israëls wederaanneming.

Voor “Het ritueel van de Paasavond” een aanhaling uit het boek van Dr. Lewy.

“Op de tiende der maand Nisan begon de grote inkoop der lammeren aan Sions poorten en op de veertiende werden ze naar de tempel gebracht om geslacht te worden. De offeraars werden in drie partijen binnengelaten. Als de eerste groep binnen was, sloten de Levieten de tempelpoorten en gaven door trompetgeschal het sein dat het offeren kon beginnen. Er was geen mogelijkheid voor alle Israëlieten om voor het altaar te treden. Ze slachten hun offerdieren vooraan in de voorhof en gaven het bloed aan de priesters, die in rijen opgesteld waren en de met bloed gevulde schalen snel van hand tot hand overgaven, om straks als dat bloed tegen het altaar was geworpen, de lege schalen in nog sneller tempo langs dezelfde weg de beginman terug te reiken. Ondertussen zongen de Levietenkoren hun Hallel-psalmen. Daarna werden de Paaslammeren wier bloed vergoten was, gebraden op beweegbare ovens van klei en als zo de tweede en derde groep hun werk hadden gedaan, was het einde der plechtigheid bereikt. De avond was dan reeds gevallen en men begaf zich door de straten van Jeruzalem naar de afgesproken plaats waar de voorbereiding van het Paasmaal was getroffen”. Voor wat de indeling van de Sedermaaltijd betreft, werd het volgende door Dr. W. ten Boom in diens boek gezegd. “Seder betekent orde, een maaltijd dus met orde. De leider is de vader van het gezin, of zo er meerdere gezinnen bijeen zijn, de oudste of de eerwaardigste van het gezelschap. De vader begon met het rondgeven van de kiddoesbeker, of heiligingsbeker, de eerste beker. Daarna breken, dankzegging en eten van ongezuurd brood, de zogenaamde Mazzoth met bitter kruid in saus gedoopt. De “Haggada”, het boek, dat de liturgie voor de Sederavond behandelt vermeldt dat na het zegenen van de tweede beker daaruit gedronken wordt. Vervolgens het breken van het ongezuurde Paasbrood, dankzegging en het eten van dit brood met bittere kruiden in saus gedoopt. Na dit ritueel volgde de eigenlijke grote maaltijd, die men zo lang kon maken als men wilde en waarbij men at, zoveel men wilde. Aan deze niet rituele maaltijd konden ook niet-Joden deelnemen. Zij had plaats tussen de voor-seder en de na-seder, tussen de tweede en de derde beker. Wanneer dus Luc. 22:20 en 1 Kor. 11:25 spreken van een drinkbeker na de maaltijd, dan kan dit niet anders dan de derde beker van het ritueel zijn. Dit wordt dan ook uitdrukkelijk bevestigd door 1 Korinthe 10:16, waar deze drinkbeker der dankzegging met name wordt genoemd. Om het einde van de hoofdmaaltijd te laten uitkomen, heeft men de gewoonte deze met een extra stukje mazzoth (paasbrood) te besluiten. Daarna volgt het inschenken van de derde beker, de drinkbeker der dankzegging, de zegening en het drinken en het zingen van de “hallel”, de psalmen 115 t/m 118. De gang van de na-seder is in hoofdzaak aan die van vroeger eeuwen gelijk. Het ritueel wordt dan besloten met de beker der verlossing, de vierde beker. Ps. 116:13 zegt dan ook: “Ik zal de beker der verlossing opheffen” Er zit een opgaande lijn in deze Hallel-psalmen, die de uiteindelijke glorie van God in de heidenwereld bezingen en de begroeting van de Messias te Jeruzalem in de tempel. (Ps. 118) Aan het eind van de Sederavond gekomen, eindigt men met de gezamenlijke uitroep: “Het komend jaar in Jeruzalem”. Nadat de Here Jezus met Zijn discipelen het Pascha had gevierd, vertrokken zij, na de lofzang gezongen te hebben naar de Olijfberg. (Matth. 26:30) De grote lijdens-ure van het Lam Gods zou daar beginnen. Wanneer wij, bij het onderzoek over het onwaardig eten en drinken van het Avondmaal en de gevolgen daarvan, namelijk ziek en zwak worden en sterven, dit zijn gaan zien als geldende voor de Israëlitische gelovigen in de Handelingentijd, kan dit toch niet ver van de waarheid zijn. Het hoorde bij de tijd van het onmiddellijk gericht. Maar, vraagt men zich af: hoe dan te staan in onze tegenwoordige verwarring? Het is maar het beste, deze in zeker opzicht te accepteren. Zoals de Kerk nu eenmaal gegroeid is, kan men ze niet ineens veranderen. Wij gelovigen, kunnen ook thans nog samenkomen tot versterking van het geloof en tot opbouw van het lichaam van Christus. Omdat de overgrote meerderheid der gelovigen nu eenmaal behoefte heeft aan zichtbare dingen en bij zekere gelegenheden een dienst wenst met ceremoniën, kan zulk een ritueel dan gelijken op dat van Israël. Zo kan men de eredienst aanpassen aan oude nationale gebruiken en begrippen, als WIJ maar niet beweren, dat juist de gebruiken onzer kerken of gemeenschappen de van God gegevene zijn.

Al zou men dus de tot hiertoe misverstane gedeelten der Schrift beter gaan zien, behoeft dit nog niet te betekenen, het ophouden van de bestaande kerkelijke gebruiken, maar het zou wel kunnen leiden tot een beter verstaan van elkaar. Want zolang men volhoudt dat de één of andere gewoonte, die door de eeuwen heen gegroeid is, een bevel van God is, dan is men verplicht er zich streng aan te houden en heeft het als vanzelf weer scheiding van anderen tot gevolg. Maar wanneer men zich niet meer op de borst slaat (zoals Rome) met een: “WIJ zijn de van God ingestelde kerk, WIJ hebben de van God ingestelde ceremoniën”, dan belet niets ons een goede verstandhouding met andersdenkenden te hebben. Kon men maar alle ernstig willende kerken en gemeenschappen eens overtuigen, dat wij allen maar ten dele kennen (1 Korinthe 13:9) en dat wij ons allen maar verzamelen rondom een DEEL van de waarheid; want alleen Israël heeft één van God ingestelde eredienst ontvangen en nog wel een eeuwige (behorende bij de eeuw) (Rom. 9:4). Het volk Israël heeft een taak voor de aarde, wanneer het straks is wedergeboren. Eerst dan zal ook die van God ingestelde eredienst naar Gods wil volbracht worden. De nog nooit vervulde wetten en hoogtijden van Israël zullen dan het zichtbaar onderwijs zijn voor de uit de oordelen overgebleven ongecultiveerde volkeren. Slechts hij zal groot zijn in het Koninkrijk, die de wet doet en leert. (Matth. 5:17-19)

Eigenlijk is God heden nog niet verder gekomen dan het zoeken naar Zijn medearbeiders, die Hem straks zullen mogen helpen de hemelen en de aarde weer recht te zetten. De “gemeente” heeft een hogere hemelse roeping.

Het zou kunnen zijn, dat men onze hedendaagse verwarring ziende, zou besluiten: als geen enkele kerk dan naar Gods wil is, gaan we er maar niet meer heen. In de dagen van Christus’ omwandeling op aarde, had Israël de geboden Gods verkracht door 613 eigen inzettingen, geboden en verboden van mensen. Toch ging de HERE, als naar gewoonte, elke sabbat naar de synagoge. (Luc. 4:16) En dat, terwijl Hij de gebreken vanzelfsprekend beter zag, dan wij ze in onze kerken en gemeenschappen ooit zullen of kunnen zien. Pas in de toekomende eeuw, bij de wederoprichting aller dingen, zal alles weer op zijn plaats komen en alles naar Gods wil worden hersteld. Er is niets tegen wanneer kerken en gemeenschappen samenwerken, zolang men Christus als middelpunt heeft en geen eenheid nastreeft die Israël betreft. Men gelooft toch niet, dat de wereld zich zal bekeren, wanneer er een éénheid van Avondmaal zou zijn bereikt. Waar we echter in Openb. 13 een godsdienstige éénheid en een wereldéénheid zien samenkomen in de handen van de antichrist, is het nodig dubbel waakzaam te zijn. Het gehele naam-christendom, zij die op papier als christen staan ingeschreven, zullen in dat anti-christelijk systeem worden gevangen. Want juist daar is het terrein van satan, waar hij zich als een engel des lichts zal veranderen. Inmiddels handelt iedere gelovige naar zijn eigen verantwoordelijkheid voor God.

Commentaren zijn gesloten.

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

391574 bezoekers sinds 07-06-2010