De woestijn zal bloeien als een roos

07-06-2010 door Dr. K.D. Goverts

In deze studie komen onder andere de volgende aspecten aan de orde:

«De woestijn en het dorre land zullen zich verblijden, de steppe zal juichen en bloei­en als een narcis; zij zal welig bloeien en juichen, ja, juichen en jubelen»  Jes.35:1,2.

De woestijn, plaats van het woord

Als er iemand is die nagedacht (en soms geschreven) heeft over de woes­tijn, dan was dat wel Jakov Gordin. Jakov Gordin was op zich ook een heel fascinerende figuur. Hij heeft on­der meer geschreven over de ballingschap; de woestijn is ook één van de sym­bolen voor de ballingschap. Hij heeft die ballingschap ook heel intens aan den lijve on­dervonden, zeker driemaal in zijn leven. Hij kwam oor­spron­­kelijk uit Rusland, uit St.Petersburg. In 1917 is hij ge­vlucht in verband met het uitbreken van de Russische Revo­lutie. Hij is toen in Berlijn terecht geko­men. Maar toen Hitler aan de macht kwam, is hij opnieuw gevlucht en is toen in Parijs beland. Uiteindelijk is hij vanwege zijn gezond­heidstoestand in Portugal in een ziekenhuis terecht gekomen. Als er dan in het ziekenhuis in Lis­sa­bon een arts of verpleegster aan zijn bed kwam (het werd ook zijn sterf­bed), dan zei hij maar twee woorden: Sono Hebreoik ben een Hebreeër. Dat is het verhaal van zijn leven: drie keer ballingschap, drie keer woestijn, maar toch weten waar je vandaan komt. Je oorsprong, je wortels niet ver­ge­ten; dat heeft ook te maken met innerlijke genezing. Het woord woestijn is in het Hebreeuws midbar. Dat woord midbar, aldus Gordin, hangt samen met het woord dabar. Het woord dabar betekent: woord. De woestijn is dus de plaats van het woord. De woestijn is nu uitgerekend de plek, waar het woord van God naar je toe komt. In zekere zin zou je dus haast kunnen zeggen: de woestijn is een zali­ge plaats. Daar vallen alle uiterlijke dingen weg. In de woestijn, dat wil zeggen ‘de plaats van het woord’, wandelde ook het volk Israël, omgeven, beschermd en be­kleed door de wolk van de sje­chi­nah, de Geest van de Eeuwige. Hoe is dat dan met ons, hier, in ónze galuth, in ónze bal­lingschap, wie be­schermt óns: wij worden hier eveneens ver­ge­zeld door de sjechinah. De sjechinah is de aanwezigheid, de woon­stede van God, de wolkkolom. En die wolkko­lom is in ballingschap gegaan mèt ons. (aldus Gordin). Dat is dan een fundamentele gedachte. Niet alleen wij zijn in ballingschap, maar de wolkkolom ook, die gaat met ons mee overal waar wij gaan. En dus zijn we toch niet alleen. Wanneer Israël in ballingschap gaat, dan be­gint er ook een andere ballingschap, de ballingschap van de sjechinah. De rabbijnen zeggen ook: dat is de ballingschap van het woord. Dan gaat het woord ook mee. Een Joodse dichter zegt zo mooi: de engelen gaan ook met ons mee. De he­melse boodschappers, zoals Rafaël en Uriël, gaan met ons mee in bal­ling­schap. Waar je ook gaat, daar begint ook die andere ballingschap: de bal­lingschap van de goddelijke aanwezigheid. Daarom kunnen we ons ook oriënteren in dit leven. Anders zou het leven ook ondra­gelijk zijn. Maar we dragen ons vaderland met ons mee aan de zolen van onze schoenen. Dus zijn we ons toch bewust van onze oorsprong. Dat is toch ook heel mooi, want dat betekent, dat als het erop aan komt, je toch overal thuis kunt zijn. Waar je ook woont, er kan toch een plekje zijn, waar de lichtglans van de Eeuwige overheen strijkt. De rabbijnen hebben ook deze regel: als je een bepaald woord in de Bijbel wilt onderzoeken, ga dan kijken, waar dat woord voor de eerste maal voor­komt. Wij willen dat dan ook doen met het woord woestijn. En dat woord woestijn komt voor de eerste maal voor in Genesis 14:

Paran, aan de rand van de woestijn

«En de Chorieten op hun gebergte Seïr tot El-Paran, dat aan de rand der woestijn ligt».  Gen.14:6.

In Genesis 14 staat een van de merkwaardigste verhalen over Abraham. In Genesis 14 wordt verteld, hoe Abraham betrokken raakt in de ellende van de wereld. In dit hoofdstuk wordt een oorlog tussen allerlei koningen be­schreven: vijf koningen tegen vier. En daar, te midden van dat geweld van al die machthebbers bevindt zich Abraham. Je zou haast geneigd zijn om te zeggen ‘die arme Abraham’. Dan speelt door dit verhaal ook heen hetgeen Lot over­komt, hoe Lot wordt gevangen­ge­nomen, maar uiteindelijk toch door Abra­ham wordt bevrijd. Abraham wordt dus in een heel bedreigende situatie ge­plaatst: een opstand van koningen. Dan heb je de nei­ging om boven Genesis 14 als opschrift te zetten: ‘Berg je maar’. Genesis 14 lijkt wel wereldpolitiek, het lijkt de 20e of 21e eeuw wel. Je zou Genesis 14 zó in de krant kunnen zetten; dan zou het helemaal niet opval­len als iets uit­zonderlijks. Die koningen slaan erop los en in vers 6 worden de Cho­rieten ook versla­gen op hun gebergte tot El-Paran. Dan staat er nog even zo’n kleine notitie bij: «Dat aan de rand van de woestijn ligt». Daar lees je dus voor het eerst het woord midbar, woestijn. Dan zie je ook nog iets merkwaardigs – want woorden heb­ben soms een ex­tra dimensie – in deze worsteling vallen ongenadige klappen, maar tot hoe­ver: precies tot El-Paran, tot aan de rand van de woestijn. Letterlijk staat er eigen­lijk, dat El-Paran op de woestijnrand ligt. Die naam Paran komt later weer terug, juist in verband met de openbaring van Gods heerlijkheid. Je ziet dat bij­voorbeeld in Habakuk 3: «God komt van Teman en de Heilige van het gebergte Paran. Zijn majesteit bedekt de hemelen, en de aarde is vol van zijn lof». Hab.3:3. En ook in: «De HERE is gekomen van Sinai en over hen opgegaan uit Seir; Hij is in lichtglans verschenen van het gebergte Paran en gekomen uit het midden van heilige tiendui­zenden; aan zijn rechterzijde zagen zij een brandend vuur». Deut.33:2. De Eeuwige komt vanuit Paran. Dat staat ongeveer parallel met de Sinai. Als je het woord Paran hoort, denk je dus aan iets heel moois. Dan denk je aan de lichtglans van God, aan zijn manifestatie, aan zijn verschijning. Er zit muziek in dat woord Paran. Paran, de rand van de woestijn. De oorlog gaat dus precies tot het punt, waar God is. De oorlog voltrekt zich tot het punt waar de Eeuwige Zich gaat manifes­te­ren en waar de woestijn begint. De woestijn is heel vaak het randgebied, de plaats waar het gaat spannen.

De symboliek van de woestijn

1. De woestijn is plaats van beproeving.

Het volk Israël trok veertig jaar door de woestijn.

Jezus werd veertig dagen verzocht in de woestijn.

2. De woestijn is plaats van bezinning, de plaats waar je na gaat denken.

3. De woestijn is plaats van inkeer.

4. De woestijn is de plaats, waar je tot jezelf komt, tot je hart.

5. De woestijn is de plaats waar God Zich openbaart.

De woestijn is plaats van de stilte.

Vanuit de woestijn wordt het leven te voorschijn gebracht. Je bemerkt dus, dat als je de eerste tekst waar het woord woestijn in voor­komt, gaat opzoeken – en dat is dus Genesis 14 – dit heel veelzeggend blijkt te wezen. «Mozes nu was gewoon de kudde van zijn schoonvader Jetro, de priester van Mid­jan, te hoeden. Eens, toen hij de kudde naar de overkant van de woestijn geleid had, kwam hij bij de berg Gods, Horeb». Ex.3:1. Dat grandioze moment, als Mozes de stem van de Eeuwige mag vernemen, vond plaats bij de Godsberg, aan de overkant van de woestijn. Letterlijk staat er: «Achter de woestijn». Mozes gaat steeds verder met zijn schapen, en tenslotte komt hij helemaal ‘achter de woestijn’. En als je achter de woestijn bent, ben je bij God; dan ben je bij de berg, waar Hijzelf woont en waar Hij Zich wil betonen.

De eenzaamheid van het volk van God

Er is nog een Joodse schrijver, die heel diepgaand heeft nagedacht over het gegeven ‘woestijn’, namelijk André Neher. André Neher was een van die toon­aangevende Joodse denkers van de twintigste eeuw. Hij leefde van 1914 tot 1988. Hij is geboren en opgegroeid in de Elzas. André Neher heeft ook een heel indrukwekkend boek geschreven over Mozes. In dat boek over Mozes komt hij ook op dat punt van de woestijn. Neher zegt dan: de woestijn is vooral ook de plaats van de eenzaamheid. Elk mens – en zeker elk mens met God – zal dat ook op zijn tijd ervaren. Neher zegt: in wezen is dat onlosmake­lijk verbonden met Israël. Hij zet er­bo­ven: “Het Verbond tussen God en mens of de Messiaanse eenzaamheid”. Die een­zaamheid is het wezen van het volk van God. Die eenzaam­heid is niet iets bijkomstigs. Het merkwaardige is nu, dat dit door een niet-Joodse pro­feet, een buiten­staander, is opgemerkt, namelijk door de heidense ziener Bileam. Bileam was toch wel een profeet, waar je vraagtekens bij zet. Vandaar dat Neher heeft gezegd: je hebt maar een minimum aan inspiratie nodig om dat te ontdekken, om te begrijpen dat Israel alléén is. Als je mens met God bent, ben je vaak op de een of andere manier een­zaam, dat is een innerlijke wetmatigheid. Die eenzaamheid wordt niet ge­bo­ren uit een soort arrogan­tie, omdat je met anderen niet om zou willen gaan. Die eenzaamheid wordt niet veroorzaakt, omdat de mens met God zich beter zou voelen dan de ander. Die eenzaamheid hoort bij je roeping, bij de weg die je gaat. Tegelijk is er met die eenzaamheid iets heel bijzonders aan de hand; je zou ook kunnen zeggen: het is een ‘gezegende eenzaamheid’. Je bent in een be­paald isolement, maar toch – met de woorden van Koningin Wilhelmina – een­zaam, maar niet alleen. Juist ook in de woestijn heeft Israël de woorden van de Eeuwige ontvan­gen. In de woestijn van de Sinai hebben ze woorden van leven gehoord. We komen dan ook bij een kernpunt: woestijn en Torah horen bij elkaar. In de woestijn heeft Israël de Torah ontvangen. Torah betekent onderwijzing; Buber zegt: Weisung; Neher spreekt van: oriëntatie. Ook onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn de wolkkolom en de woes­tijn. De wolkkolom is het uiterlijk teken van de aanwezigheid van God, de sjechinah. Ten derde horen de begrippen lijden en woestijn bij elkaar. De weg door de woestijn is vaak de weg door de diepte heen. Het is het lij­den van de ballingschap, van de omzwervingen, van alle lijden waar je als mens door­­heen gaat. En toch blijkt die woestijn, blijkt dat lijden, een zin te heb­ben.

De woestijn zal bloeien

Zo begint dus Jesaja 35. In het Hebreeuws zijn er verschillende woorden voor bloeien. De woestijn is ook de plaats van het woord. Uitgerekend in de woestijn gaat de bloei komen, uitgerekend in de stilte, in de eenzaamheid van je hart. In de stille perioden van je leven gaat de bloei komen. Bloemen gaan ook vaak open in de rust, in de stilte. Dat is ook iets, dat je niet kunt forceren. Bloemen gaan niet open op commando. Daar zit ook een schitterende les in voor het pas­to­raat. Je kunt een mens niet eventjes laten bloeien. De natuur is voor een groot deel ook lesmateriaal voor de mens. De oude ge­loofsbelijdenis zei ook al: we leren God kennen uit de natuur en de schrif­­tuur; uit de natuur en uit de Bijbel. In de natuur functioneert alles vanuit inner­lijke wetten. Dat is ook een stuk Torah, dat is ook een in­nerlijke onderwijzing. Die bloei kun je dus niet afdwingen. Zo is het ook met het hart, met het in­nerlijk van een mens. God legt zijn woorden in het hart van de mens, net zo­lang tot dat hart opengaat, openbloeit naar de zon.

Wij zouden einde­lijk willen aankomen

Neher zegt nog een paar prachtige dingen in dit verband, over de woestijn, over de Torah en over het gaan door de woestijn. Die wegen zijn vaak gevaarlijk. Overal zijn kruispunten in je leven, waar je een keus moet maken. Vaak is er ook list en geweld; er is een vijand, die probeert om de weg van Israël te blokkeren. Daarmee wordt tegelijk de weg van de mensheid geblokkeerd. Toch is Israël altijd weer gegaan, door de woestijn heen. In de woestijn hebben ze in wezen geleefd vanuit geloof en hoop, geloof en verwachting. Steeds maar weer hebben ze eindeloze we­gen bewandeld. Net zoals het zo prachtig staat in dat verhaal van Andre Schwarz-Bart: “De laatste der Rechtvaardigen”. De Joodse jongen Ernie Levi zegt dan: wij lo­pen al eeuwen, wij lopen eeuwen lang; wij lopen door een zee van zoute en bittere tranen; wij lopen door een zee, rood van bloed; wij lopen door woes­tijnen, eindeloos. We zijn moe, moe van het lopen. Wij zouden einde­lijk wil­len aankomen.

Dat is heel de geschiedenis van Israël, dat gebed om thuis te mogen komen. En toch, in de Middeleeuwen is daar een Joodse zanger ge­weest, zo om­streeks 1200, die gesproken heeft over de vreug­de van de woestijn. Jehuda ha Levi heeft prachtige liederen gemaakt over de zee. Deze zanger, die toch ook wel een zie­ner was, heeft op een gegeven moment ook een pelgrimsreis gemaakt naar het land Israël, waar hij echter nooit is aan­gekomen, omdat hij onderweg in Egypte gestorven is. Hij heeft dus gesproken over de vreug­­de van de woestijn, over de vreugde van de ballingschap.

Hij zegt: we richten ons op het Land der Belofte, maar we zijn niet pessi­mis­tisch, want daar is de vreugde, omdat de woestijn van de ballingschap zal bloeien.

Psalm 19

Een bijzondere psalm, die toch ook weer te maken heeft met de reis door de woestijn. Maar ìn de woestijn hebben we iets bij ons voor onderweg. Iemand heeft eens gezegd: Voor de tocht door de woestijn neem je mee: een verhaal en een lied. Die twee dingen heb je nodig om het vol te houden en om het Land van de Belofte te bereiken. Je kunt ook zeggen: op je tocht door de woestijn neem je de Torah mee. Dat zie je ook bij Jozua, waar in het eerste hoofdstuk staat: «Alleen, wees sterk en moedig en handel nauwgezet over­eenkomstig de gehele wet die mijn knecht Mozes u geboden heeft; wijk daarvan niet af naar rechts noch naar links, opdat gij voorspoedig zijt, overal waar gij gaat» «Dit wetboek mag niet wijken uit uw mond, maar overpeins het dag en nacht, op­dat gij nauwgezet handelt overeenkom­stig alles wat daarin geschreven is, want dan zult gij op uw wegen uw doel bereiken en zult gij voorspoedig zijn». Joz.1:7,8

Overpeins het dag en nacht

Dat betekent letterlijk: hardop overpeinzen. In het oude Oosten deden ze al­les altijd hardop. Letterlijk staat er een woord, haqah, wat eigenlijk mur­me­len betekent. Het woord wordt ook gebruikt voor het murmelen van een beek, en ook voor het koeren van een duif. Daar zit ook een prachtige symboliek in. De duif, symbool van de Geest, maar ook symbool van Israël, murmelt als het ware de woorden van de To­rah. In een gebed wordt gezegd: «Lever de ziel van uw tortelduif aan het wild gedierte niet over; vergeet het leven van uw ellendigen niet voor immer».  Ps.74:19. Israël, voorgesteld als een tortelduifje. In het Hooglied komt dat beeld ook weer voor. «Doe mij open, mijn zuster, mijn liefste, mijn duive, mijn volmaakte». Hl.5:2 «Mijn duif in de rotskloof». Hl.2:14

Onderwaardering van de Torah

Je neemt dus de Torah mee in de woestijn, want je wordt gedragen door het Woord. Hij draagt alle dingen door zijn Woord. «Die alle dingen draagt door het woord zijner kracht». Hebr.1:3. Veel mensen hebben toch een scheve kijk op de Torah. De Bijbel vinden ze een schitterend boek. Van het boek Genesis af staan er heel wat mooie ver­halen in en prachtige teksten. Het boek Genesis wordt dan doorgaans ook nog wel mooi ge­vonden, het boek Exodus gaat ook nog wel. Maar vanaf het boek Leviticus vinden de meesten het toch wel een moeilijke zaak wor­den. Leviticus met al die wetten is toch niet zo in trek. En dan Numeri met al die getallen… Het boek Numeri heet in de oorspronkelijke Joodse canon “Het boek in de Woestijn”. Het is dus een boek, dat naar de woestijn ge­noemd is. En dan zegt men: ál die wetten, ál die voor­schriften, al die inzet­tin­gen en verordeningen, wat moet ik ermee! En dan zullen we het maar niet over de geslachtsregisters hebben. Je had nog wel eens vaders, die zich aan tafel bij het voorlezen heel dapper door de geslachtsregisters heen wor­stelden. Indertijd was er op Flakkee een godsdienstonderwijzer, die met Pinksteren moest preken. Hij las heel dapper Handelingen 2 voor met die hele volke­ren­­lijst: Parten, Meden, Elamieten, inwoners van Mesopotamië, Judea en Ka­padocie…. Diezelfde zondag preekte hij weer uit Handelingen 2. Hij be­gon dat gedeelte weer te lezen, maar toen hij bij al die namen was geko­men, zei hij: …en verder dezelfde heren als vanmorgen, gemeente. Er zijn ook nog heel wat teksten, die we nog láng niet be­grijpen. Daar heb je een mensenleven voor nodig en dan begìn je pas; daar heb je minstens de eeuwigheid voor nodig, om het een beetje te gaan bevatten. Heel wat mensen zijn dus niet onverdeeld gelukkig met die boeken zoals Nu­meri, Leviticus en Deuteronomium. Dan wordt er ook nogal vreemd ge­ke­ken naar mensen, die zich punctueel houden aan de kleinste voorschrif­ten van die Torah. Abel Herzberg vertelt dan, dat er in de oorlog eens een Jood­se man was, die beslist zijn soep niet wilde eten, omdat hij dacht dat er varkensvlees in zat.

Zijn al die kleine voorschriften nu zo belangrijk? Het is goed, om eens even te letten op dat principe. De Torah is niet alleen maar een boek met een aantal regels. De Torah is niet alleen maar ‘een wet­boek’, de Torah is veel meer. De Torah is van Genesis af het boek, dat ons omvàt; het is het boek, dat de hele we­reld omvat en dat de hele tijd omvat.

De Torah omvat de ganse schepping

De Torah begint met de schepping. Waarom be­gint de Torah met de schep­ping? In Genesis 1 een scheppingsverhaal en ook nog een scheppingsver­haal in Genesis 2. En waarom staat in de Torah Genesis 10 met die 70 vol­ke­ren? Die 70 volkeren vormen tezamen de hele be­woonde wereld. Die 70 ver­­tegenwoordigen álles wat op aarde woont. Er is dus geen enkel volk, dat niet in de Torah, in Genesis 10, staat. Ik had een tante, die zei: ik sta niet in de Bijbel. Er staat geschreven: zeven­tig jaar worden we, als we sterk zijn tach­tig. Intussen was zij al in de negen­tig. Héél de volkerenwereld staat dus in de Torah, maar ook heel de kos­mos. «Alzo werden voltooid de hemel en de aarde en al hun heer (‘al hun leger’) ».  Gen.2:1

De Septuagint heeft hier:

«De hemel en de aarde en al hun kosmos». De hele kosmos van de hemel en de aarde staat dus in de Torah. Af en toe heb je dat weer nodig, om je te realiseren, dat de Torah álles om­vat, elk volk, heel de kosmos, en ook jouw kleine bestaan. Je kunt als Chris­ten soms heel wat zitten priegelen op een lettertje of een tekstje, dat mag ook wel af en toe. Maar kijk dan naar de wijdheid en de grootsheid van de Torah. De Torah, het Woord, omvat ons hele bestaan, alles wat we zijn. Er staat zelfs ergens in Deuteronomium 11: “Van het be­gin van het jaar tot het einde; al je dagen”. Het wordt alle­maal omvat door het Woord. Dat alles heeft de Joodse mystiek aangevoeld. Ze hebben het intense ver­band gezien tussen de Torah en de schepping. De Torah, het eeuwige Woord, staat daar niet buiten. Het is niet zomaar een boek, zo ergens in de boekenkast, het is niet vreemd aan de wereld, maar het is de sleutel tot de schepping. Het is de sleutel tot de geheimen van het heelal. Dat is de fun­da­mentele gedachte achter tal van verhalen. Dat wordt dan zo schitterend weergegeven in Psalm 19. Deze psalm bestaat uit twee helften. Dat zie je ook aan de manier waarop het in de Bijbel is gezet, de lay-out. Eerst krijgen we dan vers 1 – 7. Dit gedeelte gaat over de kosmos. Vers 8 – 15 handelt over de Torah.

«De hemelen vertellen Gods eer, en het uitspansel verkondigt het werk zijner handen».  Ps.19:1 De hemelen duiden de verborgen wereld aan. Dat is de wereld achter de schermen. De hemelen zijn ook dat hele kosmische gebied, maar ook die wereld achter de schermen. De hemelen zijn het domein van de Eeuwige. In het Hebreeuws staat dan sjamajim. Het woord sjam bete­kent: ‘dáár’ (plaatsbepaling). Achter dat ‘sjam’ komt dus de uitgang ajim; dat is een du­a­lis, een tweevoud. Het woord sjamajim betekent dus letterlijk: tweemaal dáár. Wij zijn hier, als mensen op de aarde, maar dáár en dáár is ook nog een hele wereld. Dat is toch ook heel troostvol: we zijn niet maar overge­leverd aan de aarde, alleen maar op deze planeet, maar er is meer, er is nog een extra hemelse di­men­sie.

De hemelen vertellen Gods eer

Die hemelen vertellen ook wat. Hier wordt ook echt het woord gebruikt voor vertellen. De hemelen vertellen verhalen, daar worden eindeloze ver­ha­len geboren. En als je al die verhalen, al die vertellingen wilt samen­vat­ten, dan kun je zeggen: de hemelen vertellen de heerlijkheid van God. Deze psalm omvat de hele wereld; deze psalm omvat ook de komende wereld. André Neher zegt zo mooi: tussen de God van de Joden en de Torah van de Joden voegt zich de ganse schepping. Tussen de Eeuwige en het volk Israël bevindt zich de hele schepping. De schepping ligt als het ware ingeklemd, ingebouwd tussen God en zijn mensen, tussen God en zijn volk.

Heel de schepping wacht.

Paulus zegt het ook zo ontroerend: heel de schepping zucht, is in barens­nood, die ziet uit naar dat grootse geheim, naar de wederoprichting van al­le dingen, naar de thuiskomst, naar het openbaar worden van de zonen Gods. Heel de schepping is in verwachting. Heel de schepping tintelt van ver­wach­­ting: er gaat iets komen. Dat zijn de ge­boorteweeën. Je kunt niet zeggen: daar is God ergens en dan is er ook nog de mensheid en daarbuiten heb je ook nog een hele wereld, een hele schepping. Je hebt een planeet, en nog meer planeten, sterrenstelsels en ook nog een uit­dijend heelal. Nee, heel die schepping, heel dat uitdijend heelal wordt om­slo­ten door de Heer en zijn volk. Tussen God en zijn volk, tussen God en de Torah voegt zich de hele schepping.

Het uitspansel verkondigt het werk zijner handen

Het woord uitspansel is eigenlijk één van de mooiste woorden, die je in de Bijbel tegenkomt. Het woord dat dan meestal vertaald wordt met uitspan­sel, het woord raqia’, komt meteen al voor in Genesis 1. Dat woord hangt sa­men met het werk­woord hameren. Je zou kunnen zeggen: er komt een edelsmid, die van een edele stof iets uit gaat hameren, een kunstwerk ma­ken.

Er wordt dus een soort plateau gehamerd; Chouraqui vertaalt: een plafond. De Septuagint vertaalt het met: stereooma, een stevig dak. Stereooma bete­kent eigenlijk: datgene wat hard gemaakt is, grondslag of sterkte. Psalm 19 grijpt met dat woord uitspansel dus terug op het eer­ste hoofdstuk van Genesis. «En God zeide: Daar zij een uitspansel in het midden der wateren, en dit make schei­ding tussen wateren en wateren». Gen.1:6. Buber en Rosenzweig vertalen: een gewelf. Er moet dus een gewelf zijn, mid­den tussen de wateren. Dit geschiedt dus op de tweede dag. Daaraan vooraf, op de eerste dag, wordt het licht geschapen. Dat woord uitspansel wordt ook wel weergegeven met het woord firma­ment. Daar zit ook als grondwoord in: stevig, ferm. Waar het hier om gaat, is het feit, dat de mens zich vaak heel bedreigd voelt. Het leven wordt dan aangeduid met: de wateren. Wateren die op al­ler­lei manieren het leven over­spoelen. En dan zijn daar die wateren boven en die wateren beneden; van alle kanten komt de dreiging op de mens af. Israël heeft dat ook heel sterk gekend: de dreiging, de be­dreigende wate­ren. Daarom is het zo mooi, dat er meteen in Genesis 1 op de eer­ste dag wordt gezegd: er zij licht. Door licht kun je leven, door het licht kun je zien. Je zou kunnen zeggen: licht is het basis-geheim om te kunnen leven. In een rabbijns verhaal wordt gevraagd: wanneer krijg je nu de overgang van de nacht naar de dag, van het duister naar het licht? Wanneer kun je nu zeggen, dat het dag is? De één zei: het is dag geworden, als je een olijfboom kunt onderscheiden van een vijgenboom. Een ander zei: ik denk, dat het dag is, als je een hond kunt onderscheiden van een vos. De rabbijn gaf nu als antwoord: het is pas dag, als je het aangezicht van je broeder kunt on­derscheiden. Als je het gezicht van de ander kunt onderkennen, dàn is de nacht voorbij. Niet alleen het licht van de eerste dag is fundamenteel; ook het gewelf op de tweede dag is een basis-voorwaarde om te kunnen leven.

Op de eerste dag ga je dus zien.

Op de tweede dag krijg je dus veiligheid.

Op de derde dag krijg je het droge, dan krijg je grond onder je voeten.

Als je je onder dat uitspansel bevindt, onder dat stevige dak, dan hoef je niet bang te zijn, dat het op een gegeven moment naar beneden stort, dat je het op je hoofd krijgt, dat die bedreigende wateren naar beneden komen. Nu is er één tekst in het Nieuwe Testament, waar datzelfde woord voor­komt, het woord stereooma. Het woord uitspansel komt negen keer voor in Genesis 1, het komt vier keer voor in Ezechiël 1. Het komt dus ook weer terug in deze Psalm 19 en verder nog in een groot aantal teksten. In het Nieuwe Testament dus slechts één keer, in de brief aan de Kolossenzen. Juist die Kolossenzenbrief gaat heel sterk in op het punt, dat dat woord de hele schepping omvat, als een kosmisch perspec­tief. Het is goed, om je dat af en toe ook weer eens bewust te worden. “He is got the whole world in his hand”. «Want al ben ik naar het vlees afwezig, naar de geest ben ik bij u en ik zie met blijd­schap de orde, die bij u heerst, en de hechtheid van uw geloof in Christus»  Kol.2:5.

Hechtheid = stereooma

Als je het verband zou willen laten horen, zou je hier bijna kunnen vertalen: ‘het uitspansel van uw geloof’. De Joodse traditie heeft dat altijd heel sterk gevoeld. We hebben dat Woord gekregen, we hebben de Torah gekregen, als een stereoo­ma, als een veilig huis. Een huis, waarin plaats is voor ons hele leven en ook voor alles wat bestaat. Je kunt ook zeggen: we wonen in de Torah, wij wonen in het Woord. Ook in de woestijn is het Woord onze woonplaats. In de Joodse gedachtewereld wordt dan de vraag gesteld: waarom doe je het dan? Waarom houd je je zo nauwkeurig aan de Torah? Om een belo­ning te krijgen? Een hemelse beloning misschien? Nee, want er staat: weest niet als dienstknechten, die hun meester dienen om het salaris. Doe je het dan om aardse vol­doening te krijgen? Nee, zegt de Joodse overlevering, daar gaat het ook niet om.

De Torah maakt alle dingen één

De Torah zegt: je mag geen varkensvlees eten. Maar dan moet je niet zeg­gen: dat komt mooi uit, want ik lust geen var­kensvlees. Je houdt de Torah niet, omdat het aansluit bij je genoegens, maar je verbindt je met de Torah, omdat dat de weg is tot de eenheid. De Torah maakt alle dingen één. Dan wordt alles in de hemel en op de aarde herenigd. In Psalm 19 zie je dat ook: daar worden hemel en aarde verenigd in dat ene lied. «De hemelen vertellen Gods eer, en het uitspansel verkondigt het werk zijner handen». Ps.19:2. Dat gaat door de ruimte heen, maar dat gaat ook door de tijd heen.

De prediking van de dag en de nacht

«De dag doet sprake toestromen aan de dag, en de nacht predikt kennis aan de nacht».  Ps.19:3

Als er in het Hebreeuws gesproken wordt van kennis, is dat altijd kennis van het hart. Het gaat om een innerlijk weten, niet om feitenkennis. Het is merkwaardig, dat de dag woorden naar de dag doet vloeien, maar voor­al, dat in de nácht de kennis komt. De nacht is vaak weer symbool van de ballingschap. De nacht is ook symbool van de stilte. De nacht is de tijd, dat je niet meer bezig bent met de buitenwereld, maar waarin je je terug­trekt. De nacht is de wereld van de droom, van het innerlijk. En juist de nacht brengt de kennis, dat inner­lijke weten. De nacht brengt juist het besef, het Godsbesef, het weten met het hart. Het woord ‘predikt’ in vers 3 betekent eigenlijk zoiets als: aanwijzen, indica­tie geven. De nacht geeft een indicatie en die wijst je naar dat innerlijke we­ten. «Het is geen sprake en het zijn geen woorden, hun stem wordt niet vernomen: «Toch gaat hun prediking uit over de ganse aarde en hun taal tot aan het einde der wereld. Hij heeft daarin een tent opgeslagen voor de zon» Ps.19:4,5. Nu is er met dat vers 4 iets speciaals aan de hand. Je kunt dat vers namelijk op twee manieren lezen. Je kunt het lezen zoals het hier staat (vers 4a). Dus alles, wat de hemelen vertellen, wat de dag zegt en wat de nacht te melden heeft, is woordeloos, het is van een andere orde. Als je ‘s nachts buiten naar die schitterende sterrenhemel staat te kijken, komt dat lied wellicht in je ge­dachten:

Zie ik sterren aan de hemel staan,

aan de donkerblauwe lucht de maan,

is het of de nacht mij noemt

de naam van een machtig God.

En je kunt ‘s morgens naar buiten gaan en dan het volgende couplet gaan zingen:

Zie ik ‘s morgens weer de zon opgaan,

op het veld de bloemen opengaan,

is het of de dag mij noemt

de naam van een machtig God.

Maar toch wordt er niets gezegd: die sterren praten niet, de nacht zegt niets, de dag zwijgt ook. Er kan dus ook iemand rondlopen, die zegt: je kunt me nog veel meer vertellen, ik hoor niets! Soms kun je in de natuur God vinden, maar soms is de natuur ook heel wreed. Multatuli vertelt hoe een vader zijn zoontje de schoonheid van de schep­ping wil laten zien. Die vader vertelt van de merels en de spreeuwen en hoe goed ze voor hun jongen zor­gen. Ze vullen die open bekjes met wor­men, die ze na een regenbui bij elkaar pikken. En dan zingen ze hun lied voor de Schepper, omdat Hij ze te eten geeft. Dat jongetje vraagt dan: Papa, zingen die wormen ook mee? Lof zingen tot de Schepper; maar dan heb je wel een pro­bleem. En dan zegt de psalmdichter: ‘t Is geen taal, het zijn geen woorden, hun stem wordt niet vernomen. Het heeft dus blijkbaar te maken met: luisteren met andere oren, zien met andere ogen. Je moet blijkbaar de dingen zien ách­ter de dingen, de symboliek van de verborgen wereld. Af en toe zie je ver­wijzingen, zitten er signalen in de natuur, die naar de Schepper heen­wij­zen. Nu kun je vers 4 ook nog op een andere manier lezen. Daar is door Kees Waayman op gewezen. Bij Hebreeuwse poëzie, trouwens bij andere poëzie ook, worden meestal min­der woorden gebruikt dan wanneer je een verhaal schrijft. De taal wordt dichter gemaakt, verdicht, daarom spreken we ook van dichters. Een dichter heeft het geheim ontdekt van verdichte taal. Poëzie is geconcen­treer­de taal. Ida Gerhardt geeft ergens een advies over het maken van ge­dichten. Ze zegt: als je nu een gedicht gaat schrijven, dan moet je jezelf dis­ci­pline opleggen. Schrijf zeven woorden op en schrap er vervolgens weer zes. Dan houd je dus één woordje over. En, zegt ze, van dat ene woordje weet je dan ook heel diep in je hart: dat is niet van mijzelf, dat heb ik gekregen. Godfried Bomans zei ook al: schrijven is schrappen. Vers 4 van psalm 19 kun je daarom ook aldus lezen: «Er is geen sprake en er zijn geen woorden, waar hun stem niet wordt vernomen». Ps.19:4. Dan lees je het dus als één doorlopende zin. Dus waar ver­neem je hun stem: overal! Dat is dus de clou van vers 4 – je hoort het overal! Er is geen taal en er zijn geen woor­den, waar je het niet hoort. De dichter zegt dus: dat God­delijke geheimenis is zó alomtegenwoordig. Aan een rabbijn werd gevraagd: waar is God? Die rabbijn keek die ander aan en zei: waar is God niet! En soms is God ergens aanwezig, waar je het niet zou ver­wachten. Er is geen plek, geen terrein, waar hun stem niet ver­nomen wordt. Psalm 19 is dus dat wonderlijke lied, waar de hele kosmos omvat wordt door die onhoorbare stem, door die aanwezigheid, die alles omspant. De Joodse traditie zegt ook: de Torah is het fundament van de wereld.

De gloed van de zon en de gloed van de Torah

«Hij heeft daarin een tent opgeslagen voor de zon, die is als een bruidegom die uit zijn bruidsvertrek treedt, jubelend als een held om het pad te lopen». Ps.19:5,6. De zon brengt alles onder haar licht; en dan de parallel: ook de Torah ver­licht alle dingen. Niets is verborgen voor de gloed van de zon (v.7), niets is verborgen voor de gloed van de Torah.

Zon en Torah staan naast elkaar; het een is symbool van het ander. Daarmee zie je ook, dat die psalm 19 één innig geheel is. Er is een tijd ge­weest, dat er uitleggers waren, die zeiden: Psalm 19 is oor­spronkelijk sa­men­­gesteld uit  twee losse psalmen; een psalm over de natuur en een psalm over de Torah. Nee, het is één geheel, want de Torah is de zon. Dat grijpt he­lemaal in elkaar, dat is innig met elkaar ver­weven. Alles wordt in gloed gezet. Heel de kosmos wordt verlicht door die gloed. Let ook op de parallel: «Niets blijft verborgen voor haar gloed». Ps.19:7 «Afdwalingen – wie bemerkt ze?

Spreek van de verborgene mij vrij». Ps.19:13

Het gaat allebei over dat verborgene. Zo zijn er nog heel wat parallellen tussen de eerste helft van deze psalm en de tweede helft. Samenvattend: deze psalm vertelt ons, dat het woord heel de schepping om­­vat. Als je hart erop afgestemd is, kun je overal die taal horen. Zoals ook dat lied zo mooi vertolkt:

En spreek tot ons in vuur en wind,

o stille stem in het hart.

De mens, die een antenne daarvoor heeft, hoort het overal. Soms, als je naar de radio luistert naar een verre zender, moet je heel nauwkeurig afstem­men, om die zender op te kunnen vangen. Aan weerskanten wordt die zen­der dan vaak gestoord door brute kracht van andere zenders. Afstemmen tus­sen alle gedachten en alle gevoelens, tussen alle rumoer van buiten, af­stem­men op die zachte stem van de Geest. De Geest schreeuwt niet, die komt niet met een groot vertoon en met een heleboel lawaai. En dan kun je God soms ergens vinden, waar je het niet zou verwachten.

Ezechiel 20

Dit hoofdstuk is een uitgebreide uiteenzetting over de ge­schiedenis. De profeet gaat hier terug in de tijd; hij gaat vertellen hoe het allemaal ge­gaan is in de loop van de ver­schillende geslachten met Israël. Uiteindelijk gaat hij ook spreken over de ballingschap. Ezechiël begint met zijn pro­fetie­en in het jaar 592 en dan is de eerste groep ballingen weggevoerd vanuit Ju­dea en vanuit Jeruzalem. Kort daarna zal dan Jeruzalem vallen door de hand van Nebukadnessar in 586. «Ik zal u voeren uit het midden der volken en u bijeen­brengen uit de landen waarin gij verstrooid zijt, met ster­ke hand, met uitgestrekte arm en met uitgestorte grim­mig­­heid».  Ez.20:34

Hier wordt gesproken over de terugkeer na de ballingschap. «U voeren uit». Hier is letterlijk sprake van een uit­tocht. Dat zie je telkens terugkomen; God is naar zijn diep­ste wezen de God van de uittocht. «U bijeenbrengen uit de landen waarin gij verstrooid zijt». Hier staat dat prachtige woord qibbeets, dat vaak gebruikt wordt in ver­band met verstrooide schapen. De kudde wordt weer bijeen verzameld. «Ik zal u brengen naar de woestijn der volken en daar met u in het gericht treden, van aangezicht tot aangezicht».  Ez.20:35

De woestijn der volken

Er wordt in de Bijbel heel wat gesproken over de woestijn. Maar hier wordt er iets heel speciaals aan toegevoegd: het is de woestijn van de volkeren. Israël komt terecht tussen al die natiën van de wereld. De wereld van al die heidenen, van al die volkeren, wordt hier genoemd: de woestijn van de vol­keren. Maar dan komt er iets heel belangrijks: dat verblijf in die woestijn is geen verloren tijd.

Vers 36 zegt dat ook: «Zoals Ik met uw vaderen in het gericht getreden ben in de woestijn van het land Egypte, zo zal Ik ook met u in het gericht treden, luidt het woord van de Here HERE». Ez.20:36. «Ik zal u onder de herdersstaf doen doorgaan en u brengen in de band van het ver­bond». Ez.20:37. Het doel is dus, dat ze opnieuw komen binnen dat verbond. Verbonden in een relatie met de Heer en met zijn Naam en met zijn aanwezigheid. Als de Eeuwige iets doet, heeft dat altijd als doel: het bevestigen van het verbond. Het doel van God is, dat Hij en jij, God en mens, weer met elkaar verbon­den worden.

In het gericht treden

‘In het gericht treden’. Dat wordt gezegd in vers 35 en in vers 36. Dat heeft een positief doel. Rich­ten is rechtzetten; je kunt ook zeggen: richten is plei­ten. God zegt: Ik ga mijn zaak bij jullie be­pleiten. Richten betekent niet: afschrijven, maar het heeft de bedoeling, dat de relatie weer rechtgemaakt wordt. En dat loopt uit op het verbond. Het is goed om dat verbond dan even helder voor ogen te hebben. Bij een verbond moet je je twee personen voorstellen, die elkaar de hand geven, die hand in hand met elkaar verder willen gaan. Je zou het kunnen verge­lij­ken met het huwelijks­verbond. Daar wordt ook het woord verbond ge­bruikt in ver­schillende teksten, onder andere in Maleachi. Het verbond kun je zien als twee handen, die in elkaar grij­pen, die ineen ge­strengeld worden. Als ze dan zó met elkaar verbonden zijn, dan is dat onverbrekelijk. Dat verbond is dan onscheidbaar, we gaan nooit meer uit el­kaar. Als je hand in hand gaat met Hem, kom je goed terecht; in ieder geval ga je niet alleen.

Een verbond snijden

Als er een verbond werd gesloten, werd dat ook wel aange­duid met de woorden: een verbond snijden. Dat werd dan in het oude Oosten soms heel let­­terlijk gedaan. In de polsen van de beide verbondspartners werd een sneet­je gegeven. De polsen werden dan enige ogenblikken aan elkaar ge­bon­­den. Men zei dan: het bloed van de beide verbondspartners stroomt nu in elkaar over. Voortaan waren de beide partners voor elkaar bloedbroeders. Hun bloed, hun leven was verenigd en niet meer te scheiden of te onderscheiden van elkaar.

Onder de herdersstaf doen doorgaan

«Ik zal u onder de herdersstaf doen doorgaan» staat er in vers 37. Wanneer een herder in het oude Oosten de schapen voor de nacht in de kooi bijeenbracht, ging hij ze eerst tellen. Hij ging dan bij de opening van de schaapskooi staan (vergelijk: ‘Ik ben de deur der schapen’) en liet schaap voor schaap on­der zijn herdersstaf doorgaan, die hij op ‘schaaphoogte’ bo­ven de ingang hield, teneinde bij het tellen niet in de war te raken. Zo wist de herder, of er geen enkel schaap van de kudde ontbrak.

Geen enkele periode in je leven is zonder zin

De woestijn der volkeren.

Het is goed om dat even te onderstrepen: dat is niet een zinloze periode. André Neher zegt in dit verband: die ballingschap, dat leven in de woestijn is niet zinloos; dat heeft een betekenis. Dat mogen wij dan ook voor ons ei­gen leven vasthouden, op ons eigen leven toepassen. Geen enkele etappe, geen enkele periode, waar je in je leven doorheen gaat, is zonder zin. Ook al lijkt het soms een omzwerving, of een omweg, of een woestijnperiode, toch heeft het zin; God geeft er een zin aan. In het leven van elk mens ko­men toch wel van die woes­tijn-perioden voor. En toch kan dié fase juist wor­den tot een periode van verdieping, van genezing, van herstel, van in­ner­lijk leven. Juist in die woestijn kan er wat binnenin je is, gaan bloeien.

Etty Hillesum schrijft daarover in haar dagboek. Zij heeft als jonge Joodse vrouw in de oorlog heel veel betekend voor anderen. Zij is zelfs vrijwillig mee­­gegaan naar Westerbork. Zij schrijft: ik kijk nu naar buiten en ik zie de jasmijn. Maar de storm komt en die prachtige struik wordt bijkans onder­steboven geblazen. Hij bloeit nu niet meer, de bloesem wordt er door de storm­wind van afgescheurd. Maar, zegt ze dan, binnen in mijn hart bloeit de jasmijn ongestoord verder. Buiten kan het stormen, maar van binnen bloeien de bloemen gewoon door. Dat geheim, dat je in je hart hebt, kan niemand je afpakken. Je inner­lijke kracht, de Geest, die in jou is, kunnen ze je niet ontroven. André Neher gaat daar op door en zegt: als je dan in die woestijn bent, in die woestijn van de volkeren, dan is het goed om te bedenken, dat in de woestijn de aanwezigheid van de Eeuwige met je meegaat. En voor die aan­wezigheid van God in jou en met jou – Hij gaat met je mee – daarvoor is dan vanouds de naam de Sjechinah gegeven. Dat woord hangt samen met het Hebreeuwse werkwoord sjachan, dat wonen betekent. De sjechinah is dus de woonstede van God. De Efezebrief zegt dan: «Mede gebouwd wordt tot een woonstede Gods in de Geest». Ef.2:22. Deze Hebreeuwse term is origineel gemaakt door het farizeese denken. Zij hebben die naam ‘sjechinah’ gecreëerd. Vóór de Talmud is die term nergens te vinden. De sjechinah, die wolkkolom, gaat met je mee. De wolkkolom is ook beeld van de Ruach, de Geest van God, die met je is, die in jou woont en die je nooit alleen laat. En wáár Gods mensen dan ook heen gaan, Hij gaat met hen mee. Of dat nu is naar Assur, naar Babel of naar Egypte, of naar wat voor buitengebied dan ook, je bent nooit buiten zijn be­reik, ook al bevind je je bij het uiterste der aarde. Ook aan de uitersten der aarde wil Hij zijn.

Een zaadje op de akker van de wereld

En dan komt daar nog iets heel belangrijks bij – en dat is in wezen dan ook een fundament voor ons geloof – God is niet aan één plaats gebonden. Vroeger werd dat in een oud lied ook gezongen: op bergen en in dalen, ja overal is God. Het is goed om je dat heel concreet voor te stellen. Misschien kom je terecht in een ver land, in Babel, of in Spanje (daar heb­ben in de Middeleeuwen ook veel Joden ge­woond), of misschien wel in Duits­land. Maar je draagt dat geheim in je. Je hebt die vonk vanbinnen, dat vuur in je hart. ‘Er is een vuur, dat brandt in mijn hart….’ Dus overal waar jij gaat, komt dat vlammetje ook. Met andere woorden: dan is het in feite alleen maar gunstig, dat de ballingen overal komen. In het Grieks is het woord voor ballingschap diaspora. Dat woord betekent: verstrooiing. Hetzelfde woord wordt ook gebruikt voor het uitstrooien van het zaad. Dus de ballingen worden zaad. Zij worden uitge­strooid over de wereld. En overal waar zo’n balling komt, is er een zaadje; dat zaadje is de mens die met de Heer verbonden is. Jij bent een zaadje op de akker van de wereld. En jij mag vruchtdragen op jouw plekje, waar dat dan ook is. Geen enkel ge­bied valt daar buiten. Zo is de Eeuwige vanouds opgetrokken met zijn volk. Er staat ook ergens zo mooi: van tent tot tent. Elke keer weer in be­weging, niet statisch, maar dan hier weer een tent en dan daar weer een tent, hier een tabernakel, daar een tempel. Zo zijn ze gegaan; een goddelijk avontuur, samen met het men­selijk avontuur. In de diaspora word je dus uitgestrooid, maar tegelijk word je uitgezaaid. En Hij gaat mee, de sjechinah gaat met je mee. Zo gaat God mee met zijn volk door de woestijn van de volkeren. En dan begint er een nieuwe openbaring. Ballingschap en openbaring is in wezen hetzelfde woord in de Hebreeuwse taal.

Dat heeft heel vèrstrekkende gevolgen; overal waar ze komen, al is het maar een fragment van het volk van God, daar woont de sjechinah.

Jij vertegenwoor­digt het hart van de Vader

Elk stukje van de aarde, waar zij hun voet zetten, daar openbaart zich de aanwezigheid van de Heer. Dat werd ook al gezegd tot Jozua:

«Elke plaats die uw voetzool betreden zal, geef Ik ulieden, zoals Ik tot Mozes ge­spro­ken heb».  Joz.1:3

Dat heeft ook te maken met een innerlijk besef, een bewust­wording. Je loopt over deze wereld, en op elke plaats waar jij je voet zet, gaat iets ge­beu­ren. Als je je dat duidelijk bewust bent, geeft je dat een heel andere in­ner­lijke houding. Ballingschap wordt vaak beschouwd als een negatieve speling van het nood­lot; we zijn niet waar we moeten zijn. Maar als je ballingschap op de juiste manier beleeft, kun je het als een roeping zien, een opdracht. Waar je je voet zet, daar is de aanwezigheid van de Eeuwige. Juist in de balling­schap worden de banden versterkt tussen de Heer en jou. Israël is het hart van de wereld; zo mag jij ook een hart zijn. De wereld zou vormloos zijn, als er geen mensen waren, verbonden met God. Dan had je een vormeloze en ordeloze massa; woest en ledig. Dan zou er een grote chaotische we­reld zijn zonder vorm, zonder structuur, zonder hart. Maar dan zijn er mensen, met Hem verbonden, en zij vormen het hart. Etty Hillesum zegt dat zo mooi: ik zit hier nu, te midden van al die anderen en ik voel mij als het denkende hart van de barak. Er kwamen heel wat men­sen naar haar toe met hun vragen en hun problemen. Meestal had ze dan ook wel een woord voor hen, een bemoediging of een wijze raad. Ze zegt: ik mag denken voor al die anderen, ik mag een hart zijn voor die an­deren. Het is goed om dat voor je persoonlijk leven je bewust te worden: hier woon ik nu, te midden van mijn omgeving en ik mag een hart zijn voor de mensen, die op mijn weg komen. Een denkend hart; want vaak weten men­sen niet, hoe ze moeten denken, of hun gedachten zijn verward, of hun ge­voe­lens slaan op hol. Dan mag jij een hart zijn voor de ander. Als je de Evangeliën leest, zie je, dat Jezus ook altijd weer een hart was voor de mensen. Mensen, die zelf niet meer konden denken, mensen die geen weg meer zagen en geen uitweg. Mensen die almaar in een cirkel rond­dool­den. En dan denken we bijvoorbeeld aan de Samaritaanse vrouw, aan Nikode­mus, aan Zacheüs, aan die vrouw die achttien jaar verkromd was… Hij was voor hen het hart. Hij vertegenwoor­digde voor hen het hart van de Vader. Hij wist de weg, Hij was de weg, Hij was het léven voor hen, Hij was het hart voor hen. En Hij bracht ze weer terug bij de Vader, bij het hart van de Vader. Hij bracht ook weer ruimte, Hij bracht helderheid. En de nacht vlood heen en het werd helder dag en er kwam blijdschap in hun ziel.

Herstel na de ballingschap

We gaan nog een tekst lezen uit een gedeelte, dat hier ook mee te maken heeft, uit Jesaja 54. Dit hoofdstuk is toch wel een heel bijzonder gedeelte. In Jesaja 54 kom je tot een soort hoogtepunt: het herstel na de ballingschap. Dat is in wezen al begonnen in Jesaja 40 met die prachtige woorden: «Troost, troost mijn volk, zegt uw God».  Jes.40:1.

En dan zegt de profeet in hoofdstuk 54: «Jubel, gij onvruchtbare, die niet gebaard hebt; breek uit in gejubel en juich, gij die geen weeën gekend hebt, want de kinderen der eenzame zijn talrijker dan de kinde­ren der gehuwde, zegt de HERE». Jes.54:1

Daar komt dus een doorbraak, daar komt een nieuw begin. Dan zie je ze komen, mensen die het gevoel hebben: we hèbben geen toe­komst meer. Ballingschap manifesteert zich vaak ook als die pijn vanbin­nen, als een trauma, als een innerlijke ver­wonding.

Huize Ruim Zicht’

«Maak de plaats voor uw tent wijd, en men spanne de kleden uwer woningen uit, wees er niet karig mee, maak uw touwen lang en sla uw pinnen vast».  Jes.54:2

Maak het ruim, maak ruimte. Dat is iets, dat vanbinnen beginnen moet. Er moet ruimte komen in je hart. Paulus zegt dat ook In 2 Korinthe 6: «Bij ons vindt gij niet te weinig ruimte, maar in uw binnen­ste is het te eng. Maar dan ook gelijk op – ik spreek als tot mijn kinderen – gij moet ook ruimer worden». 2 Kor.6:12,13

Het moet ruimer worden in je denken, het moet ruimer worden in je geest. De tactiek van de duivel is dan ook, om je in­nerlijk steeds kleiner te laten wor­den. Je geest gaat als het ware krimpen; je innerlijke wezen wordt steeds beperkter. Je hebt op de duur nog maar een heel klein zieltje; dan word je inderdaad zielig. Je geest en je ziel raken bekneld, raken opgeslo­ten. Je staat met de rug tegen de muur en je denken wordt ingekapseld. Dan komt het woord van de Heer: gooi nu die vensters maar eens open, de vensters van je ziel, de ramen van je hart. Op het levenshuis van elk kind van God moet staan: ‘Ruim Zicht’. Geestelijk moeten wij allemaal wonen in ‘Huize Ruim Zicht’.

Je kunt ook op je levenshuis zetten: ‘De Wijde Blik’.

«Want naar rechts en links zult gij u uitbreiden en uw nageslacht zal de volken in bezit nemen en de verwoeste steden bevolken».  Jes.54:3. ‘Uw zaad’, staat er letterlijk. Dat herinnert weer aan die oude belofte aan Abraham. Letterlijk: «Uw zaad zal de gojim (de heidenvolken) beërven». Dat beërven gaat toch wel nog een laag dieper dan ‘in bezit nemen’. Beërven betekent immers, dat je erfgenaam wordt; je krijgt volkeren als er­fe­nis. Zo staat het ook zo mooi in Hebreeën 1:

Erfgenaam van de wereld

«Die Hij gesteld heeft tot erfgenaam van alle dingen, door wie Hij ook de wereld ge­schapen heeft».  Hebr.1:2

Van Abraham wordt gezegd in Romeinen 4: «Want niet door de wet had Abraham of zijn nageslacht de belofte, dat hij een erf­ge­naam der WERELD zou zijn, maar door gerechtigheid des geloofs». Rom.4:13. Dat zijn ook weer van die basis-principes, waar je gemakkelijk overheen leest. Als je naar deze wereld kijkt, kun je dat op twee manieren doen. Je kunt heel negatief praten over deze wereld; het gaat niet zo best met al die vol­ke­ren, de mentaliteit holt toch wel achteruit. Je kunt de krant gaan lezen en ach en wee roepen. Je kunt kijken naar al die reportages op de TV, waar je toch ook niet zo blij van wordt; oorlogen en ge­ruch­ten van oorlogen.

Maar je kunt ook met andere ogen naar deze wereld kijken. Je moet je dan bewust worden vanuit Romeinen 4:13, dat heel deze wereld, al die volkeren – al weten ze het nog niet – niet zomaar zijn overgeleverd aan de ondergang, maar dat ze een erfgenaam hebben. Abraham is de erfgenaam van de wereld; dat is Romeinen 4. Jezus is de erfgenaam van alle dingen, dat is Hebreeën 1. Dus we zien ernaar uit, en dat is dan ook onze toekomstver­wachting, dat Hij de erfenis zal ontvangen. Alle volken zijn de erfenis van Hem. Heel de­ze wereld, met alles wat daar groeit en leeft, alles wat komt en gaat, heel de­ze schep­ping, is erfenis van Hem.

Naar links en rechts zult gij u uitbreiden

Daarom zegt Jesaja 54: «Naar links en rechts zult gij u uitbreiden en uw zaad zal de volken beërven».  Jes.54:3

In vers 1 staat een heel speciale term, die kennen we ook vanuit Genesis, want dat wordt ook telkens gezegd van de aartsmoeders, van Sarah en van Rebekka en van Rachel, die waren ook allemaal onvruchtbaar. Dat woord onvruchtbaar (vers 1) betekent eigenlijk: ontwor­teld. «Jubel, gij ontwortelde». Jes.54:1. Ze waren hun wortels kwijt, hun bodem; ze waren de grond onder de voe­ten kwijt. Maar, zegt de Heer, begin maar vast te jubelen. Dat is jubelen in het geloof, omdat je vooruit kijkt. Geloof kijkt altijd verder; geloof houdt zich niet bezig met het zichtbare, maar met het onzichtbare. Zoals Paulus zegt: «Want wij wandelen in geloof, niet in aanschouwen». 2 Kor.5:7

We wandelen niet in aanschouwen, maar we wandelen in ver­trouwen. We zouden 2 Korinthe kunnen lezen als een kanttekening bij Jesaja 54. Mis­schien ligt daar wel meer verband tussen, dan je op het eerste gehoor zou denken. In Jesaja 54 gaat het over die tent, die moet worden uitge­span­nen (vers 2). In 2 Korinthe gaat Paulus ook heel speci­aal in op zijn eigen roe­ping. Juist die tweede Korinthe-brief is heel speciaal de ‘brief achter de scher­men’, waar Paulus ons een blik gunt in zijn eigen hart. In andere brie­ven ver­telt Paulus over de gemeente, maar in de tweede Korinthe­brief ver­telt Paulus over zichzelf. In deze brief heeft hij het over de binnenkant van zijn apostelschap. Hij zegt: nu zal ik je eens wat laten zien over mijn bele­ving van mijn weg met de Heer, mijn eigen geloof, mijn opdracht, mijn be­die­ning. In de tweede Korinthe-brief kijk je bij Paulus in de keuken. Je kunt ook zeggen: daar kijk je bij Paulus in zijn binnenkamer. Daar zie je, hoe hij persoonlijk wandelde met de Heer. Naar links en rechts zult gij uitbreiden. De verwoeste steden zult gij weer be­wonen, ze zullen opnieuw daar gevestigd worden. Maak ruim de plek van je tent; denk niet te klein van Hem. Denk niet te gering van wat Hij vermag te doen.

«Vrees niet, want gij zult niet beschaamd staan; word niet schaamrood, want gij zult niet te schande worden; ja, gij zult de schande van uw jeugd vergeten en aan de smaad van uw weduwschap niet meer denken». Jes.54:4. «Want uw man is uw Maker, HERE der heerscharen is zijn naam; en uw losser is de Heilige Israëls, God der ganse aarde zal Hij genoemd worden». Jes.54:5

‘God van de ganse aarde’; zo zal Hij geroepen worden. Nu is er met dit hoofdstuk iets heel opmerkelijks. Boven dit hoofdstuk is heel keurig gezet: ‘Sions heerlijke toekomst’. Alleen, als je deze eerste verzen leest, dan zie je, dat de naam Sion daar nog niet vermeld wordt. Ook niet de naam Jeruzalem. Er staat helemaal geen naam. Dus, met andere woor­den: het moet allemaal nog een naam krijgen. Maar het begint al wèl; eerst nog naamloos, anoniem. Iedereen kijkt ernaar en zegt: die stad mag geen naam hebben. Dat plan van God? Ja, daar kun je nu wel mooi over praten, maar volgens mij heeft het geen naam. Het is naamloos gekomen en het zal ook wel weer naam­loos verdwijnen. Maar, zegt de profeet, weet één ding: het is begonnen. En wat naamloos be­gonnen is, dat zal uiteindelijk wel een naam ontvangen. Soms moet je je tent wijder uitspannen. Je moet soms meer innerlijke ruim­te krijgen. Die ruimte moet je vaak bevechten; dat is ook de strijd van het geloof.

Bronnen gevuld met stof

In dit verband gaan we iets lezen uit Genesis 26. Dit is een van de weinige hoofdstukken, die aan Isaak zijn gewijd. Er is heel wat over Abraham ge­schreven, ook heel wat over Jakob, maar Isaak komt er wat bekaaid af. Barthold van Ginkel heeft ooit eens gezegd: Isaak is de mens in de scha­duw. Eerst leeft hij in de schaduw van zijn vader en later leeft hij in de scha­duw van zijn zoon. Isaak lijkt soms alleen maar als tussenschakel dienst te doen. En toch, in de Bijbel heeft Isaak meestal de gestalte van ‘de Zoon’. Als het dus gaat over de vraag: wat is nu het zoonschap, wat bete­kent het zoon te zijn, dan kun je dat aan Isaak heel duidelijk aflezen. In Genesis 26 zien we, hoe Isaak te midden van de Filistijnen verkeert. In dit hoofdstuk gaat het over de waterbronnen. Waar vind je de bron van het levende water? Dan blijkt, dat er telkens een twist ontstaat over het water. Het lijkt de kerkgeschiedenis wel. Steeds maar weer een conflict over de bronnen. «En Isaak groef de waterputten, die men gegraven had in de dagen van zijn vader Abraham, en die de Filistijnen na Abrahams dood hadden dichtgestopt, weer op, en noemde ze met dezelfde namen, waarmee zijn vader ze genoemd had». Gen.26:18. Isaak graaft de bronnen weer op, de bronnen van vader Abraham. De Fili­stijnen hadden die bronnen gesloten, verstopt. Dat wordt ook al vermeld in vers 15: «Al de putten nu, die de knechten van zijn vader in de dagen van zijn vader Abra­ham gegraven hadden, hadden de Filistij­nen dichtgestopt en met aarde gevuld».

Gen.26:15. Letterlijk staat er: «Ze hadden ze gevuld met stof».

Dat is toch wel heel veelzeggend: de bronnen gevuld met stof. En laphar, stof, is een symbool van de dood. Stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren. Stof vertegenwoordigt het klimaat van het dodenrijk. Geen bronnen meer, het leven was weg en in plaats daarvan was er alleen nog maar de sfeer van het doodsgebied.

Terug naar de Bronnen

Maar «Isaak keerde terug», zoals er letterlijk in vers 18 staat. En hij gaat gra­ven; hij groef de bronnen weer op, die ze gegraven hadden in de dagen van Abraham, zijn vader. Isaak gaat terug naar de oorsprong, naar de oorspron­ke­lijke bronnen, die de Filistijnen hadden dichtgestopt. Hij graaft de bron­nen weer op. En hij noemde ze met dezelfde namen, waarmee zijn vader ze ge­noemd had. Ook dat is toch weer heel opmerkelijk. Hij riep ze, overeenkomstig de namen waarmee zijn vader ze geroepen had. De bronnen krijgen hun ori­gi­ne­le namen weer terug. Maar dan ont­staat er een conflict.

«Daarna groeven de knechten van Isaak in het dal en vonden daar een put met le­vend water».  Gen.26:19

«Toen twistten de herders van Gerar met de herders van Isaak en zeiden: Dit water is van ons. En hij gaf aan die put de naam Esek, omdat zij met hem getwist had­den». Gen.26:20

«Toen zij een andere put groeven, twistten zij ook daarover. En hij noemde die put Sitna». Gen.26:21.

Ook bij deze put twist. En dan eindelijk, in vers 22: «Toen brak hij vandaar op en groef een andere put, waar­over zij niet twistten. Deze noemde hij Rechobot, en zeide: Nu heeft de HERE ons ruimte gemaakt, zodat wij vruchtbaar kunnen zijn in het land». Gen.26:22. Bij Isaak komt het principe van innerlijke ruimte. En daarmee is die naam Rechobot verbonden. Isaak heeft dat geheim begre­pen: als er twist ontstaat, kun je beter een eindje verder gaan. Al die twisten leiden tot geen enkele zin­­­volle onder­neming; houd je daarmee maar niet bezig. «Wie zich mengt in een twist die hem niet aangaat, is als iemand die een voorbijlopende hond bij de oren grijpt». Spr.26:1. Sommige mensen zijn hun hele leven bezig met voorbijlopende honden bij de oren te grijpen. Dat veroorzaakt nogal wat agressie en geblaf. Dat staat ook zo mooi in Spreuken 4: als daar onenigheid is en verwardheid van denken, meng je daarin dan niet, maar doe wat er staat in vers 26:

«Laat uw voet een effen pad inslaan en laten al uw wegen vast zijn». Spr.4:26

«Kom niet op het pad der goddelozen, betreed de weg der bozen niet.

«Mijd die, ga er niet over; wijk ervan af en ga voorbij». Spr.4:14,15

Dan zie je, dat Isaak dat heeft verstaan. Hij zegt: ik ga mij niet mengen in die twist, ik ga mijn hart richten op iets anders. Ik wil die bronnen terug­vin­­­den. Boven het leven van Isaak zou je kunnen schrijven: “Terug naar de Bronnen”.

Rechobot

Jezus zegt zo mooi tot die Samaritaanse vrouw: «Maar wie gedronken heeft van het water, dat Ik hem geven zal, zal geen dorst krij­gen in eeuwigheid, maar het water, dat Ik hem zal geven, zal in hem worden tot een fontein van water, dat springt ten eeuwigen leven». Joh.4:14

Als je drinkt van dat levende water, dan zal dat in jou worden tot een bron, het zal in jouw hart worden tot een fontein, die springt tot in het eeuwige leven. Boven je levenshuis zou je ook kunnen zetten: Rechobot. Letterlijk betekent dat woord: ruimten; het staat dus in het meervoud. Ruimte voor je hart; je innerlijke tent wijd opzet­ten. Niet zo’n klein trekkerstentje, waar je niet eens recht­op kunt staan, en waarin je je zo bekrompen voelt. Als je je zo bekrompen voelt, als je innerlijk geen ruimte hebt, moet je juist oppassen om niet aan haarkloverijen te gaan doen. Dan moet je oppassen, om je ook niet in allerlei geschillen en onenigheden te gaan begeven. Dan is dat woord uit Spreuken 26:17 toch wel een wijze les. Dan ga je allerlei voor­bijlopende honden bij de oren vatten en dan krijg je een bijterig en blaf­ferig gedoe. Voorlopig heb je al die honden dan nog niet tot bedaren gebracht. Als je de neiging hebt om je met allerlei zaken te willen bemoeien, denk dan aan die honden uit Spreuken 26. Soms moet je oppassen dat de ge­meente geen kennel wordt.

De volledige studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

410642 bezoekers sinds 07-06-2010