De wederkomst

03-07-2010 door Dr. K.D. Goverts

Het thema van het onderwerp dat we zullen gaan behandelen is weder­komst, verwachting, eindtijd. We gaan speciaal iets bekijken over Messias-verwachting. We zullen dat ook gaan doen vanuit de Joodse gedachtewereld. Dan kom je op punten waar je anders níet direct zo op komt. In het bijzonder zullen we wat gedachten gaan bekijken van de Joodse denker Levinas. We komen dan vanzelf via teksten uit de Tora en de profeten bij de Evangeliën. Een eerste basisvraag in het kader van de Messias-verwachting is: Komt de wederkomst van buitenaf of komt hij van binnenuit. Hoe gaat er uiteindelijk iets veranderen in de eeuwenoude gang van de geschiedenis. Hoe komt er een omwenteling in alles wat nog zo vastzit, in alles wat er niet in beweging is te krijgen? In de rabbijnse kringen zijn daar nogal wat verschillende gedachten over ge­weest. In de ene stroming zegt men: dat komt van buitenaf, die Messiaanse tijd komt van buitenaf. Karl Barth zou zeggen: Het komt loodrecht van boven. Als de Eeuwige iets gaat doen, dan komt dat als een inbraak of een inval, een inbreuk in de tijd. In een andere opvatting zegt men: Nee, het komt van binnenuit. Dat is bij­voor­­beeld ook de gedachte van rabbi Jochanan. Hij zegt: het begint in men­sen. Het begint allemaal te ontkiemen vanuit mensen die leven volgens de Tora. In het rabbijnse denken is het niet zozeer een kwestie van wie er nu gelijk heeft, maar gaat het er meer om, om de verschillende standpunten naast el­kaar te leggen. Juist die verschillende gezichtspunten helpen je om de zaak hel­derder in beeld te krijgen. Dat is de zin van het meningsverschil. Wij zijn dat wat kwijtgeraakt. In onze christelijke traditie zitten we met het probleem dat er maar één gelijk kan hebben. De één is dan orthodox en de ander is dan ketter. Jíj hebt gelijk of ík heb gelijk en dan krijg je al gauw: jij er­­uit of ik eruit. Zo is het maar al te vaak gegaan in de loop van de kerk­ge­schie­denis. En juist van de rabbijnen kunnen we dan leren, dat het ook an­ders kan. Die wederzijdse standpunten kunnen elkaar bevruchten. De vraag die je in dit hele verband kunt stellen is: Hoe ver gaat de menselijke vrijheid en waar liggen de grenzen van de menselijke vrijheid? In dit verband speelt ook de factor mee dat mensen beïnvloed kunnen wor­den door allerlei methoden van verleidingstechnieken en propaganda­­syste­men. Allerlei totalitaire systemen hebben bijvoorbeeld martelingen toegepast. Blijft een mens dan nog overeind? Kan die wil van de mens altijd triomferen? Kan het ook gebeuren dat de wil van die mens bezwijkt? In het rabbijnse denken is sprake van de onderscheiding in enerzijds de Messiaanse tijd en anderzijds de toekomende eeuw. Een uitspraak van een rabbi in dit verband is: Alle profeten hebben zonder uitzondering alleen gepro­fe­teerd over de Messiaanse tijd. Wat de komende eeuw betreft, daarover heb­ben ze nooit iets gezegd. Na de Messiaanse tijd komt dus de toekomende eeuw, de ‘olam haba´. Daar hebben de profeten dus nooit over gesproken, aldus die rabbi. In dat verband wordt een tekst aangehaald uit Jesaja. “Ja, van oudsher heeft men het niet gehoord noch vernomen, geen oog heeft gezien een God buiten U, die optreedt ten behoeve van wie op Hem wacht..”(Jesaja 64:4). En dan zegt rabbi Geja: Daar staat dus dat van de komende wereld niemand iets heeft gezien. Paulus haalt dit later aan in 1Korinthe 2:9: Maar, gelijk geschreven staat: “Wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en wat in geen mensenhart is opgekomen, al wat God heeft bereid voor degenen, die Hem liefhebben .. “(1Korinthe 2:9). Een wat vrijere vertaling, zoals dat gebeurt in de Talmoed, luidt dan van Jesaja 64:4: “Geen oog heeft die komende eeuw gezien buiten U, o Heer, Die zal han­delen voor hem die op U wacht”. Die vertalingen van de Talmoed, zegt Levinas, zijn soms bijzonder en soms bizar. Dat komt omdat men steeds weer nieuwe perspectieven tracht te ope­nen in de tekst. Perspectieven die juist zicht geven op een nieuwe dimensie. Daardoor ga je iets van die diepere betekenis van een tekst ontdekken. Dat is een manier van Bijbeluitleg die wij niet zo kennen, maar toch is het de moeite waard om daarmee wat vertrouwd te raken. Hier in Jesaja 64 wordt de­ze uitspraak in vers 4 gedaan in het kader van een gebed. Om dat duidelijk te zien, moet je eigenlijk beginnen bij Jesaja 63 vers 7. Dat gebed gaat dan door tot het eind van hoofdstuk 64. Dan kom je tot de veelzeggende vraag: Hoe kun je over de toekomst denken vanuit het kader van een gebed? En dan zou je kunnen zeggen:

Bidders worden zieners.

Je zou haast zeggen: Je zit het meest met je ogen dicht. Niet degenen die een theorie proberen te ontwikkelen, gaan het meest ontdekken, maar God openbaart zich juist aan de bidders. Jesaja 63 en 64 is een gebed vanuit de ballingschap. Dat gebed is in de bal­lingschap geboren en daar kregen mensen zicht op de toekomst. Dus eerst komen de Messiaanse tijden en dan de toekomende eeuw. Het is frapperend dat als je het boek Openbaring bestudeert, je daar het­zelfde patroon tegenkomt. Eerst heb je daar het duizendjarige rijk, maar daar­na komt er nog een andere periode. En dan komt de vraag naar voren: Wat is het verschil tussen die Messiaanse tijden en de toekomende eeuw? En dan kom je tot de ontdekking dat dat Messiaanse tijdperk een soort scharnier is; een scharnier tussen twee tijdperken. De Messiaanse tijd is niet het einde van de geschiedenis. Het is trouwens geen Joodse gedachte dat de geschie­de­nis op een gegeven ogenblik zou ophouden. Door dat scharnier van die Messiaanse tijd gaat er dus een deur open, een deur naar een ander tijdperk. De Messiaanse tijd is ook de vervulling van alle profetieën. Er zijn nog heel wat uitspraken van de profeten die nog niet in vervulling zijn gegaan. Al die profetieën zullen gaan geschieden ín de geschiedenis, niet daarná. Dat is ook een oer-Joods gegeven: het herstel komt in de tijd. De beloften vanuit de profeten kun je verdelen in verschillende categorieën. Zo heb je bijvoorbeeld politieke beloften en sociale beloften. Bovenal zijn er ook nog geestelijke beloften. Dan heb je dus al drie categorieën. Het is goed om politieke en sociale beloften niet over het hoofd te zien. Het heil moet immers op aarde komen; het heil moet landen. Het heil moet niet gaan zwe­ven. Soms hebben mensen iets in hun hart – en dat is heerlijk – en dan kun je zingen: Ik heb glorie in mijn ziel, maar het moet ook op aarde komen. Er is vaak gezegd: wat zich op aarde afspeelt, daar moet je maar niet te veel op letten, dat is het stoffelijke en dat gaat toch voorbij. Maar dan ga je een Grieks dualisme prediken. Dan krijg je die sfeer van ‘hier beneden is het niet’ en ‘boven de starren, daar zal het eens lichten’. Maar het moet op aarde gaan lichten. En dan bestaan er ook van die griezelige gedachten dat God een soort evacuatieplan zou hebben. Straks wordt de Gemeente opgenomen en dan begint de ellende pas goed, maar ons treft het gelukkig niet meer. En dan staat er zo mooi in Psalm 24: “Des Heren is de aarde en haar volheid, de wereld en die daarop wonen…”(Psalm 24:1). Een eenvoudige zin maar toch met een enorme diepgang. We lezen dan in v.2: “Want Hij heeft haar op de zeeën gegrond en op de stromen gevestigd…”(Psalm 24:2). Liever: Boven de zeeën en boven de stromen. Je kunt deze tekst ook lezen in de tegenwoordige tijd: Hij grondvest haar boven de zeeën en boven de stromen. Die Psalmdichter zet dit gegeven als het ware als een paal boven water. Allerlei eindtijdtheorieën gaan voorbij, maar Psalm 24 blijft. De aarde is nog altijd van Hèm; niet van de duivel en niet van de antichrist. Psalm 24 begint dus met deze proclamatie en gaat dan verder in vers 7 en volgende met te zeggen, dat die poorten zich moeten verheffen, opdat de Ko­ning der ere in kan gaan. Deze Psalm eindigt dus met de intocht van de Ko­ning. Eindtijd is intochttijd. Dat is mijn eindtijdvisie in één woord gezegd: Intocht! Naar mijn besef wordt daar veel te weinig aandacht aan besteed. Het gaat naar een intocht, niet naar een aftocht. De Eeuwige gaat zijn intocht houden in zijn schepping. Je zou kunnen zeggen: Dat is de thuiskomst van God!.

Vanouds is Psalm 24 de psalm voor de eerste dag van de week in de Joodse traditie. Psalm 24 bestaat uit drie delen:

Vers 1 en 2: de proclamatie.

Vers 7 tot en met 10: de intocht van de Koning.

Vers 3 tot en met 6 – het midden – daar gaat het over mensen.

Het midden vormt als het ware de schakel tussen die proclamatie en de in­tocht. In dat middendeel staan dus de mensen die God zoeken: “Dat is het geslacht van wie naar Hem vragen; die uw aanschijn zoeken; dat is Jakob…”(Psalm 24:6). Door middel van die mensen gaat God zijn plan uitvoeren, zo dat Hij zijn in­tocht kan houden. Daar zie je dus die lijn van binnenuit: God werkt door men­sen. De Messiaanse tijd vormt dus een scharnier tussen nú en de toe­ko­men­de eeuw. In die Messiaanse tijd zullen onrecht en vervreemding verdwijnen. Het zwaar­ste lijden is vaak verbonden met, aangedaan onrecht. Daar kun je vaak niet zo naar overheen stappen. Je kunt niet zeggen: De tijd heelt alle wonden. Het onrecht en de vervreemding zitten in elke menselijke onderneming van­we­ge de willekeur van politieke krachten. In wezen zit in politiek altijd een stuk onrecht, dus een stuk vervreemding. Dat kun je ook niet vermijden, want in de politiek moet je immers altijd mensen over één kam scheren. Een poli­ti­cus kan nooit aandacht hebben voor ieder mens als een uniek individu. In de politiek gaat het altijd om groepen, om belangen, om groepsbelangen. De kern van je menszijn is de relatie met de ander. En nu gaat het erom dat je het aangezicht van die ander ziet. Een oude Joodse wijsheid zegt: Je bent niet iemands naaste als je op hem neerkijkt. Ook niet als je naar hem opkijkt, maar juist als je hem in de ogen kijkt. En Levinas zegt: Die ander is er eerder dan jij. Op het moment dat jij begint te leven is die ander er al. En die ander vraagt aan jou – wellicht zonder woorden – mag ik er zijn? Het aan­gezicht van de ander is dus een vraag en jij moet die vraag bevestigend beantwoorden. Je kunt ook zeggen: Het aangezicht van de ander is een ge­bod. Het aangezicht is ook heel kwetsbaar. Het meest vernederende is dan een klap in je gezicht. Vandaar ook die uitdrukking: Het was of ik een klap in mijn gezicht kreeg. Dan gaat het meestal om een belediging of een verwerping. In het verhaal van Kaïn en Abel gaat het steeds om dat aangezicht. God zegt tegen Kaïn: Als je goed handelt, mag je je aangezicht opheffen. Dát is ook ge­nade, dat de Eeuwige naar je toekomt en je aangezicht naar zich optilt. Kijk Mij maar aan, het mag en jij mag er zijn. Als Kaïn faalt, staat er ook dat het aangezicht van de Eeuwige voor hem ver­borgen is. En ook dat het aangezicht van de akker voor hem verborgen is. Dan vallen de aangezichten stil. In het grote geheel van de politiek krijg je het probleem dat je het aangezicht van de ander niet meer ziet. Dan heb je niet meer de relatie tussen een ik en een gij, naar tussen een derde en een vierde. Dan krijg je het verschijnsel dat de verantwoordelijkheid wordt verdeeld en je allerlei instellingen en instituten krijgt, Op het politieke vlak is de ander niet meer uniek, maar wordt ver­ge­le­ken met bepaalde standaardmaten, Jan Modaal. De mens, de andere mens, wordt op het politieke vlak niet meer erkend in zijn unieke menszijn. Hij wordt bekeken als derde persoon, als lid van een groep. Daarom zit er in politiek altijd een stuk onrecht en willekeur. Alleen door de persoonlijke relatie van mens tot mens kan dat tot zijn recht komen. In de Mes­siaanse tijd moet er dus op dat vlak wat gebeuren. Die Messiaanse tijden hebben dus heel duidelijk een uitwerking op het staat­kundige vlak. Het politieke geweld zal verdwijnen.

Recht zal geschieden op de aarde;

Hij zal het koningschap aanvaarden. Een tweede punt is dus het sociale onrecht. De greep van de rijken op de ar­men. Nu is het vaak zo: geld is macht. In de loop van de eeuwen en nu nog zijn er vele mensen geweest die nooit echt geleefd hebben. In de industrie en in de mijnbouw zijn er, wat dat betreft, erbarmelijk omstandigheden geweest en in veel landen nóg. Die Messiaanse tijd zou je ook heel goed kunnen weergeven met een tijd van uitspruiten. Het wordt lente, einde van het onrecht, einde van de vervreem­ding. De komende eeuw, de komende wereld, ligt op een ander vlak. Die komende eeuw – Jesaja 64 – is voor degenen die op U wachten. Daar gaat het van meet af aan om een persoonlijke relatie, een intieme orde. Dat hebben de profeten ook niet aangekondigd. De profeten wendden zich tot allen. De profeten hebben gesproken over de gemeenschap. Die hadden het over de openbare orde. De profeten spreken en onderwijzen over de gerech­tigheid. De toekomende eeuw heeft te maken met het persoonlijke heil van mensen; de directe, intieme relatie met God. Dit is dus de lijn van rabbi

Jo­cha­nan.

En nu is er ook een tegengestelde mening van rabbi Samuël. Hij zegt: Tus­sen deze wereld en de Messiaanse tijd is maar één verschil en dat verschil is het einde van het juk der volkeren. Israël zal eindelijk onder het juk der volke­ren vandaan komen. Dat heeft ook te maken met wat er in een schitterende tekst wordt gezegd uit Daniël. Daar wordt gesproken over de druk der tijden. “Weet dan en versta: vanaf het ogenblik, dat het woord uitging om Jeru­za­lem te herstellen en te herbouwen tot op een gezalfde, een vorst, zijn ze­ven weken; en twee en zestig weken lang zal het hersteld en her­bouwd blijven, met plein en gracht, maar in de druk der tijden”. (Daniël 9:25). “En na de twee en zestig weken zal een gezalfde worden uitgeroeid, ter­wijl er niets tegen hem is; en het volk van een vorst die komen zal, zal de stad en het heiligdom te gronde richten, waar zijn einde zal zijn in de over­stroming; en tot het einde toe zal er strijd zijn: verwoestingen, waar­toe vast besloten is ..”(Daniël 9:26). Waar het om gaat is de tekst Daniël 12 vers 7: “Er zal een einde komen aan het verbrijzelen van de macht van het hei­li­ge volk…”In de loop der tijden zijn er heel wat verbrijzelingen en dreigingen geweest over dat heilige volk, maar dan komt dat ten einde. Dan gaat dat nieuwe ko­nink­rijk beginnen, dan komt de heerschappij van de heiligen des Aller­hoog­sten. Dan is de tirannie ten einde. Het kenmerk van de Messiaanse tijd is in dit verband het beëindigen van het geweld en de politieke onderdrukking. Dat is het einde van de slavernij en het verstrooid zijn onder de volkeren. Het is een thuiskomst en er wordt een nieuwe horizon ontsloten. “Maar gij, Daniël houd de woorden verborgen, en verzegel het boek tot de tijd van het einde; velen zullen onderzoek doen, en de kennis zal ver­meerderen…”Daniël 12:4

In hoeverre leven we nu al in de Messiaanse tijd? In de Joodse Bijbel behoort Daniël niet tot de profeten, maar hoort in de buitenste cirkel, in de Geschrif­ten.

Eerst krijg je het woord, de Torah.

Dan krijg je de Profeten, dat is de voortgang van het woord.

En dan krijg je de Geschriften: Job, Psalmen, Spreuken, Hooglied, Prediker en ook Daniël hoort bij deze reeks. En dat is dan de verwerking van het woord. De kennis zal vermeerderen. Daarmee raak je aan een belangrijk punt, namelijk de vooruitgang. Je kunt je de vraag stellen: Gaan we vooruit? Is er een opgaande lijn van, laten we zeggen de eerste eeuw tot de tijd waar­­in we nu leven?

Met de komst van Jezus, begin van de jaartelling, is er iets wezenlijks begon­nen. Dat heeft ook te maken met heel de gedachtewereld die je met name vindt bij de apostel Paulus. Hij zegt: het Koninkrijk van God, het Ko­nink­rijk der hemelen, dat komt abrupt, plotseling, loodrecht van boven. Het komt, als het ware, in een crisismoment. Dat is die inval in onze tijd van de Messiaanse tijd. Dat is het beeld van de dief in de nacht. Ineens valt het heil binnen in onze wereld, net zoals de politie ergens een inval doet. “over ons is het einde der eeuwen gekomen…” 1 Kor.10:11: Hij zegt dus: Met de komst van de Messias – als je het zo wilt noemen: zijn eerste komst – is het einde gekomen. Paulus zegt dus: Wat daar gebeurd is op Golgotha, dat is het einde van de wereldgeschiedenis. Dus dat einde dat komt niet, maar dat is er al. Daarmee is in feite heel dat wereldse gebeuren beëindigd. Het problematische is nu dat alles nog wel een poos doorsuddert. Van God uit gezien, van bovenaf bekeken, is met Golgotha heel dat mensenbedrijf beëindigd. Alleen, de Romeinse keizer zegt: Er is niets aan de hand en dan gaat het Romeinse rijk rustig nog een paar eeuwen door. En dat geldt ook voor al die machthebbers die daarna komen. Je zou kunnen zeg­gen: Van binnenuit is de boom al vermolmd, al staat hij er misschien nog in vol­le glorie. De wortel is al aangetast, de bijl ligt al aan de wortel van de boom en het einde van de wereldgeschiedenis is de Messias zelf. Hij is het einde van de wereld, daardoor wordt de wereldgeschiedenis onttroond. “Nu gaat er een oordeel over deze wereld… “Joh.12:31: In het vierde Evangelie wordt dit gegeven radicaal uitgewerkt en radicaal betekent: tot de wortel. Radix is wortel; denk aan ´radijs´.

Nu gaat er een oordeel over deze wereld; “nu zal de overste dezer wereld buitengeworpen worden…”Joh. 12:31: De wereldgeschiedenis wordt dus onttroond. Het jaar 30 was het einde van de wereld. En daarna…dat zijn gewoon nog wat uitlopers en wat stuip­trek­kingen. Je kunt ook zeggen: Dat was het begin van de Messiaanse tijd en het einde van de wereldtijd, het einde van het rijk der duisternis. Je kunt zeggen: op dat moment is het vonnis geveld. Het unieke van het Bijbelse denken is, dat het einde in het midden komt. Het einde komt in het midden van de tijd. En dat noemen wij wel het begin van onze jaartelling. Als je je laat dopen, komt het einde ook in het midden. Je laat je niet dopen op je sterfbed, maar in het midden van je leven. Ineens, midden in je leven, komt het einde. Dan heb je het einde achter de rug. Daarmee beeld je het einde: van de wereldgeschiedenis uit. Heel dat wereldsysteem is dan voorbij. Dus zo komt het einde op een mo­ment midden in de tijd. Erbarmen gedoogt geen uitstel. De barmhartige Samaritaan grijpt meteen in en zegt niet: Straks kom ik misschien nog wel terug. De ontferming komt niét aan het eind van de dagen. Die barmhartige Samaritaan brengt die man naar de herberg en dan kan hij zeggen: Ik kom nog een keer terug om de rest in orde te maken. Dat is ook een oer-Joodse gedachte: het herstel komt in de tijd, niet na de tijd; dan is het te laat. De christelijke gedachtegang zit in dit verband nog wel eens op een verkeerd spoor en zegt dan: Straks komt de jongste dag en dan is het afgelopen. Maar dan is het te láát. In het jaar 30 is de beslissing gevallen. En dan zit je met de vraag: Waarom gaat het dan zo’n 2000 jaar, of misschien nog langer, gewoon door? Paulus zei al: Het is nabij. Vandaar dat er ook men­sen zijn die zeggen: Paulus heeft zich vergist; die dacht dat hij het nog mee zou maken. En Petrus zegt ook: “Het einde aller dingen is nabijgekomen…”(1Petr. 4:7). En dan zegt men: Zie je wel, dat is ook al niet uitgekomen. En in het boek Openbaring staat aan het begin: de tijd is nabij. Die Messiaanse tijd gaat zich ook voltrekken vanuit een middelpunt, vanuit Jerusjalajim, de stad van de sjaloom. God werkt altijd vanuit een kern. Dat was dus het einde van het politieke geweld. Maar het sociale geweld dan? Stel je voor dat alleen het politieke geweld ophoudt. Dan zou je toch nog het probleem hebben van de rijken en de armen. Dus dan krijg je het paradijs van de kapitalisten. Geen oorlog, geen dienstplicht, geen antisemitisme. Maar de bankrekening blijft ongemoeid. In dat verband halen de rabbijnen een tekst aan uit Deuteronomium: “Want armen zullen nooit in het land ontbreken; daarom gebied Ik u al­dus: Gij zult uw hand wijd openen voor uw broeder, voor de ellendige en de arme in uw land…” (Deut.15:11). En Jezus zegt dat ook: “De armen hebt gij altijd bij u, maar MIJ hebt gij niet altijd…” (Joh. 12:8). Maar dan staat er in Deuteronomium: “Er zal echter geen arme onder u zijn, want de Here zal u gewis zegenen in het land, dat de Here, uw God, u als erfdeel in bezit zal geven… “(Deut.15:4). Het zou natuurlijk een karikatuur zijn van de Messiaanse tijd als de rijke ‘heerlijk rijk aan het zijn is´ en de arme ellendig blijft. Vrede in Messiaanse zin kan nooit voorbijgaan aan sociaal onrecht. Het Messiaanse tijdperk zal alle tegenstellingen oplossen. Er zal ook een einde komen aan de economische ongelijkheid. Er komt een tijd waarin er geen vervreemding meer is. Dan kan een mens eindelijk echt léven. Hoeveel mensen zijn er niet die met tegenzin naar hun werk gaan en blij zijn als de dag weer om is. Bij echt menszijn hoort geven. Je kunt je pas ten volle ontplooien als je geeft. Als de Messiaanse tijd komt, dan is het dus onmogelijk dat het géven op­houdt. Als iedereen zegt: Ik hoef niets, ik heb alles al, je hoeft me niets te geven, dan is het plezier er gauw af. Ja, en als die Messiaanse tijd dan het duizendjarige rijk zou zijn, dan zou je het ook nog duizend jaar moeten volhouden. Cadeautjes geven is er dan niet meer bij. ‘Dat had je nu niet moeten doen’. Dat zal dus niet de Messiaanse tijd kunnen zijn, waar iedereen dan zelfgenoegzaam is. Juist het géven is een bron van vreugde. Dan zou die opperste vreugde wegvallen. Maar anderzijds kan het toch ook niet zo zijn dat de armen moeten blijven bestaan terwille van de rijken. Dan kunnen die rijken eens heerlijk gaan geven. Fijn girootjes uit­schrij­ven; dat geeft zo’n heerlijk warm gevoel van binnen.

En dan zegt Levinas: We moeten hier op een radicaler manier denken. En dan komt hij tot de stelling: De ander is altijd de arme. Dat heeft dus niets te maken met zijn bankrekening, maar dat heeft ook te maken met zijn mens­zijn. De armoede definieert hem als de ander. De relatie met de ander blijft altijd een relatie van geven. Die relatie is nooit een naderen met lege handen. Dat is dan wat er staat ook in Deuteronomium: “Gij zult uw hand wijd openen…” (Deut.15:11). Letterlijk:…Openen zult gij uw hand, ja openen. Dat geldt op het materiële maar ook op het geestelijke vlak, want dat kun je in het bijbelse denken niet van elkaar scheiden. De relatie met de ander heeft meteen weerslag op mijn relatie met de dingen. De rabbijnen zeggen: Het kleden van de naakte en het voeden van de hongerige, dat is de toegang tot het anderszijn van de ander. Levinas zegt: De honger van de ander is heilig. In die zin geldt dus dat de ar­me er altijd zal zijn. Er komt nooit een toestand waarin mensen elkaar niet meer nodig hebben. In een oud rabbijns verhaal wordt het verschil tussen de hemel en de hel geïllustreerd: De hel bestaat uit een groot feestbanket. Prachtige tafels met heerlijke spij­zen. Alleen er is één probleem: de vorken en de messen zijn langer dan de armen van de genodigden en de gasten krijgen geen hap naar binnen. De he­mel is precies zo’n feestzaal en op de tafels in de hemel ligt hetzelfde lange bestek. Alleen in de hemel hebben ze het geheim ontdekt: ze stoppen het eten bij elk in de mond. Misschien kunnen inderdaad de Chinezen met de stokjes daar beter mee over­weg. Dit wordt ook zo mooi geïllustreerd door die tekst uit Zacharia: “Te dien dage, luidt het woord van de Here der heerscharen, zult gij el­kan­der nodigen onder de wijnstok en onder de vijgenboom…”(Zach.3:10). Je ziet dat ook weer bij het Loofhuttenfeest, waar het juist het feest is waar je gasten uitnodigt. “Gij zijt het, die de koppen van de Leviatan hebt vermorzeld, hem aan het woestijngedierte tot spijze gegeven…” (Ps.74:14). (letterlijk staat er: Het volk van de woestijn in plaats van ‘woestijngedierte’). Deze tekst is inspiratie geweest voor het maken van een lied waarin verteld wordt dat de Leviathan wordt verslagen en opgegeten. Ook in Openbaring zie je hoe allerlei overwonnen gespuis op de dis wordt gezet. “Komt, verzamelt u tot de grote maaltijd Gods, om te eten het vlees van koningen en het vlees van oversten over duizend en het vlees van ster­ken en het vlees van paarden en van hen, die daarop zitten, en het vlees van allen, vrijen en slaven, kleinen en groten… “(Op.19:17,18). Volgens een rabbijnse overlevering zal in de Messiaanse tijd een loofhut ge­bouwd worden van de huid van de Leviathan. Toekomstvisie heeft dus ook heel iets poëtisch. In de Messiaanse tijd zal er ook een herstel zijn van de poëzie, een herstel van de taal. De Messiaanse tijd omvat veel meer dan ‘terug naar het begin’. En het omvat ook veel meer dan ‘het einde der tijden’. Je zou kunnen zeg­gen: Het is de vervulling van de tijden. We gaan nu weer wat aanknopen bij twee opvattingen. Aan de ene kant had je rabbi Jochanan die zegt: Die toekomende tijd, die Messiaanse tijden, is een zaak van verdienste. Het hangt er van af of je het waard bent. Dat klinkt eerst wat vreemd, maar die lijn kom je ook in het boek Openbaring wel tegen. Daar staat: Wie is waardig; bijvoorbeeld: “en zij zullen met Mij in witte klederen wandelen, omdat zij het waardig zijn… “(Op.3:4).De Messiaanse beloften worden gegeven aan diegenen die berouw hebben, die omkeren. Daartegenover krijg je een andere opvatting, dat is de opvatting van rabbi Rabbi Samuël, die zegt: Het is voor iedereen. De Profeten hebben beloften geprofeteerd voor allen. En rabbi Samuël ontkent nadrukkelijk dat er een verband zou bestaan tussen de komst van de Messias, de Messiaanse tijd en verdiensten. Rabbi Samuël zegt: Die Messiaanse tijden kómen gewoon. En het hangt er niet van af of de mensen moreel volmaakt zijn. Onstuitbaar en niet tegen te houden zullen die Messiaanse tijden komen. Die twee opvat­tingen bestaan naast elkaar, als het ware als de twee schalen van een weeg­schaal. Het zijn twee kanten van dezelfde zaak. In het rabbijnse denken wor­den twee opvattingen nooit tegen elkaar uitgespeeld, wel tegen elkaar afge­wogen. In ons westerse of calvinistische denken hebben wij dan de mening: Er kan maar één opvatting de juiste zijn. Wij pakken meteen onze meetlat van recht­zinnigheid om te kijken hoe orthodox een opvatting is. Of je bent ´zuver´ in de leer of je bent een ketter. Calvijn heeft het ook gedaan en Servet moest maar op de brandstapel omdat hij moeite had met het dogma van de Drie­ëenheid. Op die manier komen de Messiaanse tijden ook niet dichterbij. De rabbijnen hebben toch iets meer gevoeld van de ruimte die het Koninkrijk biedt. In 1Joh. 3 staat: Hij is groter dan ons hart. Ons hart en ons denken heeft vaak zo zijn beperkingen. Barthold van Ginkel zegt: Er zijn drie basiservaringen voor ieder mens.

Ten eerste: Verbijstering.

Punt twee: Verwondering.

En punt drie: Vertedering.

Verbijstering, dat vind je ook bij de profeten, die verbijsterd zijn over alles wat er fout gaat en over het wereldgebeuren.  En dan: de verwondering, om­dat er toch temidden van de puinhopen iets tot leven komt.  En dan: de vertedering. De vertedering over mensen en over heel de schep­ping. Voorgoed zijt Gij, ons met Uw tederheid nabij. Geef ons ogen, die niets en niemand buitensluiten. Ogen die oog hebben voor de ander. De rabbijnen waren niet zozeer gespitst op de rechte leer, maar meer op de rechte daad. Niet de orthodoxie, maar de orthopraxie. Er is hoop voor ketters. Het is frapperend dat je die twee lijnen ook weer terugvindt in de evan­ge­li­sche wereld. De ene opvatting zegt: De Wederkomst is er plotseling, zo­maar, op een dag. Dat is ook de klassieke Maranatha—opvatting. Hij komt en dat kan vandaag nog zijn. Die opvatting wordt vooral verkondigd in het ‘Zoeklicht’. Hij kan vannacht nog komen. Natuurlijk ’s nachts’; Hij komt als een dief in de nacht. Deze opvatting loopt dus parallel met die van rabbi Samuël. De andere opvatting is: Eerst moet die Gemeente volmaakt zijn. Er is een weg naar die Messiaanse tijd. Als de Gemeente volmaakt of volwassen is, is daarmee de weg bereid tot zijn komst. Zoals ook een lied zegt: Effent de weg van de Heer, bereidt zijn komst. Die Messiaanse tijden komen niet zomaar uit de lucht vallen. “…wanneer Hij komt, om op die dag verheerlijkt te worden in zijn heiligen en met verbazing aanschouwd te worden in allen, die tot geloof geko­men zijn; want ons getuigenis heeft geloof gevonden bij u.. ” (2 Tess.1:10). Hij zal gezien worden in de zijnen, in die zonen. Dan is de gemeente stralend zonder vlek of rimpel. “…en zo zelf de gemeente voor Zich te plaatsen, stralend, zonder vlek of rim­pel of iets dergelijks, zo dat zij heilig is en onbesmet… ” (Ef. 5:27). De volwassen, de volgroeide zonen Gods. Hebt dus geduld, broeders, tot de komst des Heren! Zie de landman wacht op de kostelijke vrucht des lands en heeft geduld, totdat de vroe­ge en late regen erop gevallen is… (Jak. 5:7). De landman wacht op de vrucht. Er moet blijkbaar iets rijp worden en dat zal ook naar twee kanten zijn. Het onkruid wordt rijp en het tarwe wordt rijp. Die landman gaat geen onrijpe vruchten oogsten. Zo zie je in de evangelische we­reld dus ook die twee opvattingen. Rabbi Jochanan zegt: In de Messiaanse tijden worden de problemen op poli­tiek en sociaal gebied tegelijk opgelost. Er zal sprake zijn van een politieke om­wenteling, maar ook van een sociale omwenteling. Je zou dat ergens kun­nen plaatsen in het kader van het duizendjarige rijk. Dat heeft dus te maken met het morele vermogen van mensen. Dan zou je dus kunnen zeggen: het komt van binnenuit. Dat is dus de opvatting van de komst van de Messiaanse tijden, die van binnenuit worden gerealiseerd. Die Messiaanse tijden zijn, als het ware, in kiem aanwezig in de rechtvaardigen. God werkt via mensen. Het komt dus vanuit de vrijheid van de mens. Rabbi Samuël zet daar toch een vraagteken bij. Hij zegt: Zal die mens met zijn moreel vermogen dat wel halen? Hoever gaat de vrijheid van mensen? Waar liggen de beperkingen van de vrijheid? Die menselijke vrijheid wordt door tirannie van buitenaf fundamenteel bedreigd. Als een mens bijvoorbeeld in slavernij geraakt, kan hij dan nog zeggen: Ik heb innerlijke vrijheid? Zo is de vrijheid van negers en Indianen in de loop van de eeuwen fundamenteel aangetast. Soms hadden negers geheime samenkomsten midden in de plan­tages. Dat was dus toch nog een stuk vrijheid temidden van de verdrukking. Anderzijds heeft die slavernij op een gigantische manier een druk gezet op hele volkeren. Veel volken zijn getekend door die eeuwenlange slavernij. Dat heeft een kras gegeven door hun menszijn, door de ontwikkeling van hun karakter. In hoeverre hebben ze nog de mogelijkheid om hun kwaliteiten te ontwikkelen. In hoeverre zijn ze nog in staat om leidinggevende capaciteiten te ontplooien? Zo kan de vrijheid van een mens van buitenaf beïnvloed worden door tirannie, waardoor hij ook innerlijk vervreemd raakt. Er zijn volkeren die zich nauwelijks nog kunnen oprichten. Dat kan zo ver gaan, dat die volkeren de slavernij niet meer als zodanig erváren. Zo zeiden de Israëlieten in de woestijn: Geef ons de vleespotten van Egypte maar terug. Als je terugverlangt naar de slavernij, ervaar je die slavernij niet meer áls slavernij. Zo zijn er gevangenen die na hun vrijlating terugverlangen naar de gevan­genis. Zo kun je het abnormale als normaal gaan beschouwen. De Israëlieten zeiden met de catechismus: Waaruit kent gij uw ellende? Uit de woestijn! Er zijn allerlei verleidingstechnieken en propagandatechnieken, soms resulte­rend in martelingen. Hoe lang hou je een marteling vol? Blijft je wil dan nog over­­eind? Blijft je vrijheid nog overeind? Is de wil van een mens onaan­tast­baar of is die manipuleerbaar? Is die wil geheel te ontbinden, zoals dat bij  her­senspoelingen gebeurt? In hoeverre ben je vrij als je in een sekte zit. Toch heeft de mens ook de mo­ge­lijkheid om afstand te nemen van zijn eigen situatie. Hij kan de tirannie door­­­zien of voorzien. Er zijn mensen die in een systeem zaten, maar toch in dat systeem hun vrijheid bewaard hebben. Denk aan de schrijvers in het com­mu­nistische Rusland. Er zijn mensen, die zich in extreme situaties geestelijk hebben bewapend. De menselijke vrijheid kan soms toch overeind blijven. Hoe hebben zulke men­­sen dat in die moeilijke situaties dan gerealiseerd? Vaak door een ver­haal of door een lied. Het Joodse volk heeft altijd de moed erin gehouden door het vertellen van verhalen; verhalen tegen de verdrukking. En ze hebben altijd weer gezongen; gezongen tégen de tirannie. Zoals Willem Barnard zei:

Komt, laten wij zingen,

tegen de lange duur van de dingen,

tegen de klippen op.

Laten we zingen dat het een aard heeft. De Psalmen zijn ook vaak protestliederen; liederen van protest tegen de leugen. Propaganda werkt immers altijd met leugens. “zij hebben overwonnen door het woord van hun getuigenis… ” (Op.12:11). Dat is een oer-Joodse gedachte. Het boek Openbaring is een oer-Joods, Hebreeuws boek. Die menselijke vrijheid is er dus altijd geweest als een onderstroom, als een onderhuids verzet. Er zijn altijd verzetsstrijders geweest en dat waren vaak vertellers of zangers. De troubadours, de minstreels, de barden, de Psalmdichters, de profeten. Zij allen hebben gezongen tegen de tijd in, tegen de stroom in. Liederen tegen de tirannie, een anti-lied. Maar dat is alleen maar een onderstroom en vaak is dat een minderheid. En als je dat in ogenschouw neemt, zeg je: Misschien heeft dan toch ook rabbi Sjemuël gelijk. Want hij zegt: Er moet een breuk komen. Het is natuurlijk mooi dat er van binnen iets gebeurt, maar er moet ook een keer een breuk komen in de geschiedenis. Als het goed is, zijn ook Gemeenten brandhaarden van verzet tegen de tiran­nie. Maar dan zie je ook weer die grote massa die met de stroom wordt mee­ge­voerd. Gaan die dan de mist in, gaan die dan verloren? En dan zegt rabbi Samuël: Er komt een breuk in de tijd. Niet het einde van de tijd, maar wel een breuk. En dat is het verdwijnen van de tirannie. Dat is ook wat er in Openbaring 20 staat, wanneer de satan aan de ketting wordt gelegd. En hij greep de draak, de oude slang, dat is de duivel en de satan, en hij bond hem duizend jaren… (Op.20:2). Dan wordt hij duizend jaar gebonden. Dat is ook een breuk in de geschie­denis. Het grote obstakel op weg naar het Godsrijk is het geweld, de macht, de wil naar de macht. Steeds zie je weer die tirannen de kop opsteken. Pau­lus zegt dat in Efeze 6: dat zijn die wereldbeheersers dezer duisternis, dat zijn de ‘machthebbers die achter de machthebbers’ zitten. Daar moet dus op de één of andere manier een doorbraak komen. Daar hebben de profeten ook steeds weer over gesproken. En dan gebruiken ze daarbij een heel interes­sant beeld. Ze zeggen: Die Messiaanse tijd of tijden kun je vergelijken met de wijn. Rabbi Jochanan zegt: Het is de wijn die in de druiven bewaard wordt vanaf de 6 dagen van de schepping. Wijn als beeld van de Messiaanse belofte. In dit verband zou je ook Jesaja 25:6 kunnen citeren: Een feestmaal op de berg met belegen wijnen. En dan staat er ook zo mooi bij: dat is een feestmaal voor alle volken. Dit moet je je heel sterk bewust zijn. Dit is een heel wezen­lij­ke tekst als je spreekt over toekomstverwachting. God heeft dus nog een plan voor de volken. Een feestmaal voor alle volken. Dat is heel wat anders als ‘het einde van de planeet aarde’. Paulus zegt: In de Messias zijn al de beloften ja en amen. En dan heeft hij het over Torah en profeten; (2 Kor.1:20).  Toen Paulus dit schreef, waren er nog geen Evangeliën en met de brieven was hij nog bezig. Die wijn is dus een heel frapperend beeld. De rabbijnen vertellen een hele­boel over de dingen die er waren voor de schepping. Daarmee wordt uitge­beeld dat God als het ware al bepaalde beloften klaar had liggen om die dan in de geschiedenis te realiseren. God legt als het ware iets gereed. Hebr. 4 zegt dat ook: Zijn werken waren gereed bij het begin van de schepping. Die wijn wordt bewaard tot de Messiaanse tijd. Dat is hetzelfde beeld als bij de uittocht. De beste wijn wordt bewaard tot het laatst. God bewaart het beste tot het laatst. Levinas zegt: De komende wereld betekent, dat we de eerste betekenis van de woorden terugvinden. Zo kan een tekst al zoveel uitleggingen hebben, dat je hem eigenlijk niet meer hoort, dat het hart eruit verdwenen is. En de eerste betekenis terugvinden be­te­kent dan,dat je de uiteindelijke betekenis weer hebt teruggevonden. Dat is die wijn die onbedorven bewaard is gebleven in de druif vanaf de schepping.

De volledige studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds 

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

410212 bezoekers sinds 07-06-2010