De wederkerig-heid tussen God en mens

06-06-2010 door Dr. K.D. Goverts

Als we over de identiteit van God spreken, zitten daar verschillende as­­­­pec­ten aan. We willen in de eerste plaats eens nadenken over een principe in die iden­­­ti­teit, dat we met één woord zouden kunnen weergeven als: we­der­­­­kerig­heid, de wederkerigheid tussen God en mens. Die we­der­ke­rig­­heid is in feite een fundament van heel het bijbelse denken. «Dit sprak Jezus en Hij hief zijn ogen ten hemel en zeide: Vader, de ure is gekomen; verheerlijk uw Zoon, opdat uw Zoon U verheerlijke». J­oh.17:1. Zo luidt het eerste vers van het Hogepriesterlijk gebed. In dit gebed bevinden zich veel meer aspecten dan we mis­schien op het eer­ste gezicht denken. Uit dit gebed kun je aflezen hoe Jezus als de ware Mens omgaat met de Vader. De gebeden die Jezus heeft uit­ge­­­spro­ken zou je mo­del-ge­beden kunnen noemen; daar kun je uit af­le­­­zen wat bidden in wezen is. Het Onze Vader en ook hier het Hoge­pries­terlijk gebed zijn modelge­be­den. Het is als het ware een ont­­­hul­ling van het ware bidden. In dat eerste vers van Johannes 17 zit al een wereld van gedachten. J­e­zus zegt: «de ure is gekomen». Jezus zegt daar als mens tot de Va­der hoe laat het is. ‘t Is tijd, Vader! God kan tegen ons zeggen: ‘t Is tijd! Maar hier worden de rollen omgedraaid. Nu zit daar toch ook wel een ontwikkelingsweg in. Als een kind van acht jaar tegen zijn vader zou zeggen: ‘t is tijd, u moet opschieten, dan klinkt dat vrij brutaal. Maar als een zoon van, laten we zeggen twin­­tig jaar, dat tegen zijn vader zegt, heeft dat al een heel andere klank. Die zoon spreekt dan van­uit het kennen van de gedachten en tijden van de vader.

Zo kan Jezus tot God zeggen: de ure is gekomen. «Verheerlijk uw Zoon, opdat uw Zoon U verheerlijke».

 Daar zie je dan die wederkerigheid.God verheerlijkt de mens, opdat die mens God verheerlijkt. Die we­der­kerigheid is toch wel een van de unie­­ke aspecten van het bijbelse denken. Die wederkerigheid vind je ver­­der in geen enkele godsdienst. God zegt: Ik ga jou verheerlijken en jij gaat Mij verheer­lijken. Als Je­zus dat uitspreekt, legt Hij daarmee een fundament. Dit is niet alleen ‘maar’ een gesprek tussen Jezus en de Vader, Jezus spreekt het hier ook uit ten aan­hore van zijn discipelen.

Jezus wil, dat zijn discipelen het zullen horen. Dat is ook een wezenlijk aspect in de bediening van Jezus. Hij heeft heel vaak gebeden, zo, dat zijn discipelen het konden horen. En de be­­­doe­ling daar­van was natuurlijk, dat ze zijn manier van denken zou­den overnemen. Jezus zegt niet tegen zijn discipelen: Ik ga even apart zitten, want Ik moet met de Vader spreken en daar heb Ik lie­ver ver­der niemand bij. Jezus gaat juist zijn discipelen betrekken in zijn manier van bidden, om ze op die ma­nier het grond­principe van die wederkerigheid bij te brengen. Dit heeft alles te maken met het wezen van God, want waarom is die we­derkerigheid er? Omdat God dat gewild heeft. Je kunt ook zeggen: omdat God zo is. God is geen God die zich isoleert. God is niet een God, die het moet hebben van een ivoren toren. Die wederkerig­heid is een van de grond­prin­cipes van Gods karakter.

De gruwelen van de volken – magie

«Wanneer gij gekomen zijt in het land dat de Here, uw God, u geven zal, dan zult gij niet leren doen naar de gruwelen van de volken».  D­eut.18:9. Uit deze tekst lees je het contrast tussen God en de go­den. Wat die vol­­ken doen, wordt hier in één woord samen­gevat: gruwelen.

Die gruwelen zijn niet alleen maar zaken waar God een he­kel aan heeft, maar zij zijn principieel in strijd met het karakter van God. De prak­tij­ken die daar in Deuteronomium 18 ge­noemd worden, stuiten God let­ter­lijk te­gen de borst. Er staat dan zo merkwaardig van die gruwelen: die moet je niet leren doen. Blijkbaar moet je die gruwelen (niet) léren. Kennelijk zit dat er bij een mens van nature niet in. Van huis uit is het blijkbaar vreemd om die gruwelen te doen. «Onder u zal niemand worden aangetroffen, die zijn zoon of zijn doch­ter door het vuur doet gaan, die waarzegge­rij pleegt, geen wichelaar, uit­­­leg­ger van voortekenen, of tovenaar».  Deut.18:10. ‘Zijn zoon door het vuur doet gaan’. Dan wordt een mens opgeofferd aan zijn god. Dat is dus een totáál ander prin­cipe dan die wederke­rig­heid. «Geen bezweerder, niemand, die de geest van een dode of een waar­zeg­gende geest ondervraagt of die de doden raadpleegt. Want ieder die deze dingen doet, is de Here een gruwel, en ter wille van deze gru­welen drijft de HERE, uw God, hen voor u weg».  Deut.18:10,11. Heel deze opsomming van gruwelen zou je in één woord kun­nen sa­men­vat­ten: magie. Tegenover elkaar staan: het kennen van God en de ma­gie! Maar wat is het verschil daar nu tussen? Dat is vaak het punt ge­weest, ook voor mensen uit die tijd, om dat te leren onderkennen. Bijna alle godsdiensten zijn ergens gebaseerd op magie. Wat gebeurt er nu bij magie; waarom is God daar nu zo fel tegen? Bij magie wordt de godheid tot een voorwerp gemaakt. Dan wordt de god­heid tot een ding, een ‘het’. En dat ‘het’ kun je dan manipuleren, dat kun je hanteren. Het wezen van alle toverij is het hanteren van de goede formule, en dan kun je alles naar je hand zetten. Het wezen van magie is: magie wil werken zonder in rela­tie te treden. In­vloed uitoefenen buiten een relatie óm. Daar is God totaal, princi­pi­­­eel tegen. God is het er juist om te doen om met de mens een le­ven­­de relatie te heb­ben; het is God om die verbinding te doen. God wil geen enkele vorm van ‘hantering’, maar juist die rela­tie van hart tot hart. Magie wil alleen maar ‘werken’. Gebed stelt zich voor het Aangezicht, gebed stelt zich in de wissel­wer­king. Het grondprincipe van het wezen van God is het gesprek. God is van huis uit de God van het gesprek. Daarom is bidden ook altijd een ge­sprek. Zodra bidden in de sfeer komt van iets afdwingen, zit je weer op het terrein van de magie. Daar liggen ook heel wat problemen, ook wat betreft gebedsverho­ring. Mensen proberen iets van God gedaan te krijgen, zonder echt die rela­tie met God te hebben. In wezen ben je dan magisch bezig en niet meer rela­ti­­oneel; dan zit je in een andere we­reld.

Wat zoekt God dan?

«Gij zult onberispelijk staan tegenover de HERE, uw God» Deut.18:13. Letterlijk: «Gij zult totaal zijn met de Here, uw God». Tegenover al die gru­­­we­len stelt God als uitgangspunt: je zult totaal zijn. Dat is een an­der begrip dan onbe­rispelijk. In dàt woord zit een wat negatieve klank; er valt dan niets meer te berispen. Het gaat er niet om of God mis­schien nog wat aan je te berispen heeft. Totaal zijn is een kwestie van wezensgesteldheid. Je zou ook kunnen vertalen: je zult een mens uit één stuk zijn. Het gaat dus om die heelheid van het hart. Er staat dus: met de Here, uw God; totaal met God zijn. Als iemand bezig is vanuit het principe van de magie, dan is hij juist niet mèt God, maar dan maakt hij God tot een voorwerp van zijn wer­kingen. Hier heeft Mozes dus al dat grondprincipe doorgegeven. Het grond­prin­­cipe voor het leven in het Beloofde Land, het leven in het Konink­rijk der heme­len. We gaan die lijn van de wederkerigheid eens volgen door het Evan­ge­lie van Lucas. God verlangt daarnaar: Woord en Wederwoord. In den beginne was het woord; maar God sprak wel om ant­woord te krij­gen. Als God spreekt, is zijn wezen communi­catie. Zijn wezen is, dat Hij uitgaat naar de ander, zijn wezen is, dat Hij zichzelf wil mede­de­len. In den beginne was het woord, maar dat woord roept om een ant­woord. God verlangt naar het antwoord, dat vanuit de mens, van­uit de schepping tot Hem komt. De hele schepping en ook de hele geschiedenis is gebouwd op woord en ant­woord. Het spreken van God en de mens die gaat leren ant­woor­den. De mens van de eindtijd is de mens die geleerd heeft God te ant­­woorden. Dat zien we ook in het Evangelie van Lucas. Ook daar krijg je steeds dat woord en antwoord; zo wordt geschiedenis ge­maakt. De duivel probeert dat steeds weer te doorbreken, zodat er geen ant­woord meer komt. De duivel probeert de mens op te sluiten in zich­zelf. Je krijgt dan een mens, die ingekapseld wordt en die niet meer kàn antwoorden. Een mens heeft God nódig; een mens wordt pas compleet met God, an­ders zit hij in een isolement. Daar zal iedereen het wel over eens zijn.

God heeft de mens nodig.

Daar moet je dan wellicht wat langer over nadenken, maar het is wel een heel wezenlijk punt. God heeft ú nodig. Hoe zou er een mens zijn, als God hem niet nodig had. God maakt geen overbodige dingen. Dat is juist het unieke, dat God zegt: Ik heb de mens nodig. Alleen via de mens wordt God volledig God. Een vader is pas compleet vader, als hij te midden van zijn kinderen mag zijn. Anders is dat vader-zijn een stuk theorie of alleen maar een bi­o­logische kwestie. Je kunt wel zeggen dat je vader bent, maar je toch niet als zodanig gedragen. De kinderen maken het vaderschap com­pleet. Juist dóór die kin­deren wordt hij vader. Alleen door zijn kin­deren kan hij zijn vaderschap ten volle gaan ontplooien. Hoe zou God zijn vaderschap kunnen ontplooien, als Hij geen kinderen had. Juist te midden van zijn kinderen, van zijn zonen, gaat God Gód wor­den. De vader van de verloren zoon is pas écht vader, als die zoon is thuis­gekomen. De vader van de verloren zoon komt pas echt thuis, als die zoon is thuis­gekomen. God komt pas echt thuis, als de schepping is thuisgekomen. Dan is God helemaal Vader, dan is Hij alles; dan is Hij alles in allen. Juist door de geschiedenis heen komt God ook tot zijn bestem­ming.

Verheerlijken – zegenen – grootmaken

We gaan eens een paar voorbeelden bezien uit het Lucas-­Evangelie. In dat Evangelie komt die wederkerigheid zo prach­tig naar voren. Een paar sleutelwoorden in dit verband zijn: verheerlijken, zegenen en groot­maken.

«En zij riep uit met luider stem en sprak: Gezegend zijt gij onder de vrou­­wen en ge­ze­gend is de vrucht van uw schoot».  Luc.1:42. Hier zegent de ene mens de andere. Elizabeth zegt tegen Maria: je bent ge­ze­gend!

We komen dat ook op een heel andere manier tegen:

«En terstond werd zijn mond geopend en zijn tong losge­maakt, en hij sprak, God lovende».  Luc.1:64. Nu is het jammer, dat het woord zegenen in de vertaling is ver­dwe­nen. D­aarom is het ook zo belangrijk, dat een bijbel­vertaling nauw­keurig en letterlijk is. In deze tekst staat letterlijk: «En hij sprak, God zegenende». 

 Dat is een heel diepe waarheid in de Schriften: God ze­gent de mens, maar ook: de mens zegent God! Daarom is het in feite ‘dodelijk’, als je dat wegver­taalt. Veel moderne bijbelvertalingen zijn de dood voor het kennen van de Schriften. Het gaat juist om het woord. En als je dat woord slordig gaat ver­ta­len, is het geen woord meer. Dan weet je to­taal niet meer wat God gespro­ken heeft.

«Wees gegroet, gij begenadigde».  Luc.1:28.

«Dag Maria».  Groot Nieuws Bijbel.

Hier is de populaire vertaling toch wel heel erg de mist ingegaan. Iedereen kan wel ‘dag’ zeggen, maar door te zeggen: «wees gegroet, gij begenadigde», wordt het Woord Gods gehoord! Denk maar niet dat er ooit een engel bij je komt die zegt: ‘Daaag’. Dat is geen Evangelie, dat is geen boodschap van God. ‘Dag’ zeggen ook alle hei­de­nen tegen je. Als je bij een pompstation komt, zeggen ze ook: ‘Dag, me­neer’. God zegent de mens en dan komt daar die wederkerigheid en dan gaat die mens niet God loven – dat staat ook wel ergens in de Bijbel, maar dat is weer een hoofdstuk apart – maar de mens gaat God zegenen. En Zacharias heeft een hele tijd niets kunnen zeggen, omdat hij het woord niet hoorde. Hij heeft het woord niet ontvangen, hij weigerde op dat woord in te gaan en toen kon hij inderdaad ook niet meer ant­woor­den. En als hij dan tenslotte weer gaat spreken, komt hij te staan in die wederkerigheid en zegt hij: God, ik ga U zegenen. «En zijn vader Zacharias werd vervuld met de Heilige Geest en pro­fe­teerde, zeggen­de: Geloofd zij de Here, de God van Israël, want Hij heeft omgezien naar zijn volk en heeft het verlossing gebracht». Luc.1:67,68. Ook hier staat niet: geloofd, maar er staat: gezegend. Paulus begint ook zijn Efeze-brief met dat woord gezegend.

«Gezegend zij de God en Vader van onze Here Jezus Christus»Ef.1:3

«Gezegend zij de God en Vader van onze Here Jezus Chris­tus, die ons met allerlei geestelijke zegen in de hemel­se gewesten gezegend heeft in Christus».  Ef.1:3

 “Gezegend zij God’ en ‘ons’ gezegend’. Hier zie je ook weer aan het begin van de Efezebrief die wederkerigheid in het zegenen. Gezegend is God, die ons gezegend heeft.

Grootmaken

«En Maria zeide: Mijn ziel maakt groot de Here».  Luc.1:46

Wat houdt dat nu in: God grootmaken. Toch eigenlijk een heel vreem­de uit­druk­king. God ìs toch groot, waarom moet je Hem dan nog groot màken? Je kunt toch niet groter maken dan Hij al is? En al zòu God nog groter kunnen worden, kan een mèns dat dan doen? Wat wou jij als mensje nou nog aan de grootheid van God toevoegen! Toch is het een heel wezenlijk principe, dat de mens God grootmaakt. Dat komt ook al in de Psalmen voor: Maak met mij de Here groot… De groot­heid die God bedoelt, is een Hem toegekende grootheid. God zoekt de groot­heid die Hem door de mens wordt toegekend. Daar heb je weer dat prin­cipe: God wordt pas compleet, als de mens Hem er­kent, als die mens antwoord geeft. Dat is ook de thuiskomst van God. De eindtijd betekent niet alleen, dat de mens thuiskomt, maar ook dat Gòd thuiskomt. De vader van de verloren zoon stond buiten; hij stond op de uitkijk. Als de verloren zoon dan thuiskomt, binnenkomt, kan de vader ook naar binnen. Ze komen samen thuis. Dan is ook die vader pas weer com­pleet vader. Dan pas kan de vader ook weer zijn wezen kwijt. Het kleed heeft hij al­lang klaar­­hangen. En ook het gemeste kalf staat al gereed. Dat beest was al ge­mest met het oog op de thuiskomst van de zoon.

Verheerlijken

«En plotseling was er bij de engel een grote hemelse legermacht, die God loofde, zeg­gen­de…»  Luc.2:13. Hier is de NBG-vertaling correct. Inderdaad staat er nu niet het woord zege­nen, maar loven (of: prijzen). In het Hebreeuws is het woord prijzen hillel; daar komt ook het woord hallelujah vandaan; dat betekent: Prijs de Heer. Het grondwoord waarvan ‘hillel’ is afge­leid betekent doen lichten. Als je dus iemand prijst, doe je die ander ‘lich­ten’, dan laat je die ander als het ware uit de verf komen. Je laat de ander oplichten, die gaat daarvan stralen. Die an­der krijgt door dat prijzen de ruimte om te kunnen zijn. Want juist in die weder­ke­rig­heid komt het ‘zijn’ van God en het ‘zijn’ van de mens tot uiting.

In de Bijbel draait alles altijd om het zijn, nooit om het hebben. Dat is ook weer typisch een verschil tussen het bijbelse denken en de ma­­gie. Bij magie gaat het altijd om het hebben. In de magie krijg je grip op de godheid. In het bijbelse denken is het onmogelijk om God te heb­ben.

Het Hebreeuws heeft zelfs geen woord voor hebben, dat is toch wel heel ty­pe­rend. Het is vaak al bijzonder tekenend om te zien, welke woorden er in een bepaalde taal ontbreken. Het Hebreeuwse denken is dus hele­maal niet gericht op hebben, maar op zijn. Juist door je relatie met God, wordt een mens mèns, dan gaat die mens ko­men tot het echte zijn. Dan kun je op een gegeven moment zeggen ik ben. Om­gekeerd is dat ook zo. Juist in zijn verbinding met de mens gaat God zijn, gaat Hij tot zijn identiteit komen. In vers 13 van Lucas 2 staat dus, dat de engelen God loven, die doen Hem stralen, die doen Hem oplichten. En dan zeggen ze in vers 14: «Ere zij God in de hoge, en vrede op aarde bij mensen des welbeha­gens». Letterlijk: «heerlijkheid aan God in de hoogsten». En dat wordt er dan niet bij gezegd, maar je kunt zelf in­vullen: «de hoogste plaatsen», of «de hoogste gebieden». Het kan ook betekenen: «onder de hoog­sten», «te midden van de hoogsten». Te midden van de hoog­ste autoriteiten is de heerlijkheid aan God. «En de herders keerden terug, God lovende en prijzende om alles wat zij hadden gehoord en gezien, gelijk het hun gezegd was».  Luc.2:20. Letterlijk: «God verheerlijkende en prijzende». Daar zie je weer die wederkerigheid, want er stond in Luc.2: «En de heerlijkheid des Heren omstraalde hen». Luc.2:9. Dat gaat van God uit, de heerlijkheid van God gaat hen om­stralen. In H.2:20 komt dan het antwoord: de herders verheerlijken God. Daar zie je weer woord en wederwoord. Daarom is het zo belangrijk, om dat in de vertaling ook te laten uitkomen.

«Verheerlijkende en prijzende God».  (SV).

Lucas gebruikt nogal eens dat woord verheerlijken. Die wisselwer-king in dat verheerlijken loopt als een rode draad door het Evangelie van Lucas heen.

«En onmiddellijk stond hij voor hun ogen op, nam hetgeen, waar  hij op gele­gen had, mede en ging naar zijn huis,God verheerlijkende. En ont­zet­ting beving hen al­len en zij verheerlijkten God, en werden met vrees ver­vuld, zeggende: Wij hebben he­den ongelooflijke dingen gezien».  L­uc.5:25:26.

Die verlamde wordt opgericht, wordt tot zijn bestemming gebracht. Dat hoort tot het wezen van God: mensen oprich­ten, mensen tot aan­zijn bren­gen, mensen weer tot hun iden­titeit brengen. En juist dàn gaat die weder­ke­rig­heid in­treden. Dat is een vast patroon, dat je in het Evangelie van Lucas kunt ontdekken.

«En vrees beving hen allen en zij verheerlijkten God, zeg­gende: Een groot profeet is onder ons opgestaan, en: GOD heeft naar zijn volk om­ge­zien».  Luc.7:16.  

In Luc.7 staat: «En de dode ging overeind zitten en begon te spreken, en Hij gaf hem aan zijn moe­der».  Luc.7:15. Letterlijk: «Hij ging omhoog zitten».

 En dat begrip omhoog is een heel wezenlijk aspect bij het herstel van de mens. Er staat dus niet gewoon: «en hij ging zitten». Door dat over­eind of om­hoog wordt de mens weer zoals hij oorspronkelijk bedoeld is, dan is hij recht­op. In de natuurlijke wereld wordt dat al uitgebeeld: een mens gaat recht­­op, heel anders dan alle andere schepselen. En hier wordt de mens weer her­steld in de staat van rechtop zijn. Het woord oprecht­heid betekent oorspron­ke­lijk ook: rechtop gaan. Een oprecht mens is een mens, die rechtop gaat. Dat is wat God doet: Hij wil de mens weer rechtop doen gaan en rechtop doen zijn. Van die verlamde staat: hij stond op, daar wordt in het He­breeuws ook dat woord omhoog gebruikt. In beide gebeur­tenissen wordt dat woord omhoog gebruikt. Ook bij de wedergeboorte wordt dat woord gebruikt. Er staat dan let­ter­­lijk: omhoog geboren worden of: van boven ge­boren worden.

Van deze ‘jongeling’ staat dus dat hij ‘omhoog ging zitten’.

Het resultaat is dan: allen verheerlijkten God. Ook daar zie je weer die we­derkerigheid. Als je die lijn in het Lucas-Evangelie volgt, dan zie je, dat daar steeds weer die­zelfde grondgedachte in naar voren komt: de mens komt om­­hoog, dus de mens krijgt heerlijkheid, en dan gaat de mens heer­lijk­heid aan God ge­ven. «En Hij legde haar de handen op, en terstond richtte zij zich op en zij ver­heerlijkte God».  Luc.13:13. Het gaat hier om die vrouw, die reeds achttien jaar verkromd was en «zich in het geheel niet kon oprichten». (Luc.13:11). Hier staat dus ook weer: «zij kon zich niet omhoog richten». Jezus legt haar dan de han­den op, Hij maakt zich één met deze vrouw, en het resultaat is dan, dat zij zich omhoog richt. Letterlijk staat er: «zij werd omhoog recht gemaakt». Ze komt dus weer in haar oorspronkelijke staat. Dan gaat die vrouw God verheerlijken; zij komt met­een in die weder­kerig­heid te staan. Daarmee ‘maakt zij God compleet’. Je zou haast kun­nen zeg­gen: God is nog niet compleet zolang zijn schepping nog zucht. G­od wordt eerst ten volle God, als Hij alles is in allen. «En één van hen keerde terug, toen hij zag, dat hij genezen was, met  lui­der stem God verheerlijkende».  Luc.17:15. Hier gaat het om de genezing van tien melaatsen. En één van hen keert dan terug, een Samaritaan. Deze man komt vrij van de ban van de melaatsheid. En als hij dan ge­ne­zen is, gaat hij aan zijn bestemming beantwoorden, dan komt daar die wederke­righeid weer; hij gaat God verheer­lijken.

Het merkwaardige is nu, dat meteen op deze geschiedenis van die tien ge­rei­nigde melaatsen de vraag komt, wanneer het Koninkrijk  Gods zou ko­men: «En op de vraag der Farizeeën, wanneer het Koninkrijk Gods komen zou, antwoord­de Hij hun en zeide: Het Konink­rijk Gods komt niet zó, dat het te berekenen is». L­uc.17:20. Wij hebben vaak geleerd om in stukjes te lezen, in perikopen. We zeg­gen dan: dat stukje begint bij vers 11 want bij vers 19 houdt het op. Dat is het ge­vaar van die indeling, die wij in onze vertaling heb­ben. Maar Lucas 17:20 sluit heel nauw aan op die verzen 11 tot en met 19; daar zou je dus gewoon dóór moeten lezen. Wanneer komt nu dat Koninkrijk Gods? Waarom nu juist tien me­laat­sen? Je ziet dat getal tien ook bij de geschiedenis van Sodom. Er waren tien recht­vaardigen nodig om Sodom te redden.Wat was er no­dig om het Koninkrijk Gods te doen komen: tien rechtvaardigen. Dan komen er tien melaatsen, die alle tien rechtop worden gesteld. Alleen vàn die tien vallen er weer negen af. Er is er maar één die in die weder­ke­rig­heid komt te staan. In feite hebben die negen God al­leen maar ‘gebruikt’. Ze hebben gebruik gemaakt van de hulp en het heil en toen waren ze verdwe­nen. Ze hadden niet begrepen, dat het om iets veel diepers ging dan alleen maar hun genezing. Het ging erom, dat God Gòd zou worden. En dan komt uitgerekend die ene, die Samaritaan, die rand­figuur, in het centrum te staan. En dat wordt dan de mens waarin het Koninkrijk komt. Er was een regel die luidde: er zijn tien mannen nodig, om een syna­go­ge-sa­menkomst te kunnen houden. Die tien genezen melaatsen, die tien rechtvaardigen, had­den dus in­der­daad het Koninkrijk Gods kunnen brengen. Hier zie je dus, dat het erom gaat, dat ze gaan beantwoorden aan hun bestemming.

Alleen die vreemdeling, die Samaritaan, heeft begrepen waarom het gaat. En dan staat er zo merkwaardig in dat 19e vers: «En Hij zeide tot hem: Sta op, ga heen, uw geloof heeft u behouden».  L­uc.17:19. Letterlijk staat er weer: «Sta omhoog». Uw geloof heeft u behouden. En dat behouden betekent veel meer dan ‘alleen maar’ genezen. Dat woord behouden betekent: heel worden (maken). Uw ge­loof heeft u heel ge­maakt. Uw vertrouwen heeft u gaaf gemaakt. En dat be­te­­kent meer dan alleen maar een gaaf lichaam. Jij bent een mens ge­wor­den, die weer is, zoals God hem bedacht heeft. «En terstond werd hij ziende en hij volgde Hem, God lovende. En al het volk zag het en gaf Gode lof».  Luc.18:43.

Hier gaat het over Bartimeüs, die weer ziende wordt. Voor het woord ziende worden wordt een woord gebruikt met een dub­bele betekenis. Dat woord kan betekenen: weer zien, maar het kan ook betekenen: omhoog kijken. Je kunt dus ver­talen: de blinde werd weer ziende, maar je kunt ook verta­len: de blinde zag omhoog. Je hebt dus telkens, in al die genezingen het begrip: omhoog, over­eind ko­men, omhoog komen, omhoog zien, rechtop komen. En dan staat er weer: «en hij volgde Hem, God verheerlijkende». En al het volk zag het en gaf Gode lof. Hier staat dan een ander woord; al het volk prees God. Je ziet hier dus twee werkingen: die blinde gaat God verheerlijken, die komt in die wederkerigheid. Het volk daar om­heen gaat God prijzen. «Toen Hij reeds dichterbij kwam, aan de glooiing van de Olijfberg, be­gon de gehele menigte der discipelen vol blijdschap God te prijzen, met lui­der stem, om al de krach­ten, die zij gezien hadden, en zij zeiden: Gezegend Hij, die komt, de Koning, in de naam des Heren; in de hemel vrede en ere in de hoogste hemelen».  Luc.19:37,3. «In de hemel vrede en ere in de hoogste hemelen».

Dat is het antwoord op de engelenzang. Want die engelen zongen in Lucas 2: «Ere zij God in den hoge, en vrede op aarde bij mensen des welbe­ha­gens».  Luc.2:14.

Vrede in de hemel roept het volk.

Vrede op aarde zingen de engelen.

De engelen zingen van boven naar beneden en de mensen zin­gen van be­­ne­den naar boven. Zo geeft de aarde antwoord aan de hemel. In de he­mel moet het ook nog vrede worden, daar is ook nog een oorlog  aan de gang. «En heerlijkheid (letterlijk) in de hoogste hemelen». Luc.19:38. Dat is ook opmerkelijk: de engelen begìnnen met heerlijkheid en spre­­ken dan over de vrede op aarde. De mensen begìnnen met vrede in de hemel en eindigen dan met heer­lijk­heid. «Heerlijkheid in de hoogsten» Zo staat er letterlijk. Hemelen staat er in de grondtekst dus niet bij. Zo komt die wederkerigheid ook in deze teksten weer tot uiting. Lucas 2 het woord en in Lucas 19 het wederwoord.

De hoofdman verheerlijkt God

«Toen de hoofdman zag, wat er geschiedde, verheerlijkte hij God, zeg­gen­de: Inder­daad, deze mens was rechtvaardig!»  Luc.23:47. Jezus had zojuist gezegd: Vader, in uw handen beveel Ik mijn geest. Beeld van totale overgave van een mens aan God; de mens die zich vol­ledig teruggeeft aan God. Jezus wordt daar de mens, die zich he­le­maal teruggeeft aan de Vader. Het Evangelie begon met: God geeft zijn heerlijkheid aan de mens. En dan eindigt het Evangelie met het verheerlijken van God door een mens. En dat gebeurt notabene door een heiden­se soldaat. De hoofd­man ziet in het zicht­ba­re slechts een totaal ontluisterd mens, maar hij gaat God verheerlijken. Die heidense hoofdman komt in de we­der­kerigheid te staan. Die hoofdman geeft God de heerlijkheid terug. Dan kan God zeggen: het doel is bereikt. De cirkel is rond.

Heerlijkheid zou je ook weer kunnen geven met waardigheid. God geeft waardigheid aan de mens en de mens mag waardig­heid geven aan God; de mens mag God in zijn waardigheid er­kennen. Zo zie je het gesprek tussen God en mens. Dat is een heel wezenlijk ken­merk van God: Hij is de God van het gesprek, Hij is de God van de wederke­righeid. Hij zal niet rusten voordat het Woord van Hem beantwoord is, voor­dat het gesprek helemaal uit de verf gaat komen. Zo zien we, dat het Evangelie van Lucas helemaal het Evan­gelie van de we­der­kerigheid is. De mens komt omhoog en gaat God de heerlijkheid terug­ge­ven, die van God uitgegaan was. Dat is de grondtoon van dit Evangelie. En dat gaat jùist gebeuren, als een vernederde verhoogd wordt. Dat zag je bij die verlamde, bij die verkromde vrouw, die jongeling van Naïn, de blin­de Bartimeüs, die Samari­taanse vrouw, de melaatse man en uiteindelijk Gol­gotha. Juist die vertrapte figuren worden in hun waardigheid hersteld. Het is dus veel meer dan ‘alleen maar’ een licha­melijke genezing. Het ging telkens om men­sen, die van hun waardigheid waren beroofd. Het ging steeds om men­sen, die eigenlijk buitenspel stonden: een melaatse, een verlamde, een ver­groeide vrouw, een blin­de, een dode, een gekruisigde… Juist dìe mensen worden door God in hun waardigheid her­steld. En van­uit die mensen ontvangt Gód zijn waardigheid. Daar zie je de omkering van waarden. De hoogmoedigen worden van hun troon gestoten en de nede­rigen worden verhoogd. Dat heeft Ma­ri­a in haar lofzang al profetisch aangekondigd.

De lofzang van Maria

«En Hij heeft hoogmoedigen in de overlegging huns harten verstrooid; Hij heeft machtigen van de troon gestort en eenvoudigen verhoogd, hon­­­gerigen heeft Hij met goe­deren vervuld en rijken heeft Hij ledig weg­gezonden». Luc.1:51-53. In feite is de Lofzang van Maria het opschrift boven het Evangelie van Lu­cas. In de Lofzang van Maria bevinden zich de draden waarmee het Evan­ge­lie van Lucas wordt geweven. God keert de rollen om. Degenen die denken: wij hèbben het, komen aan de kant te staan. En degenen die denken: voor ons is het niet, wij zijn het niet waard, die worden verhoogd en in hun waardigheid her­steld. En als die vertrapten dan omhoog gericht worden, zijn ze in­­der­daad op Gòd gericht. Het Griekse woord voor mens: anthropos betekent ook: degene, die om­hoog gericht is. Een mens is in wezen een schepsel, dat omhoog ge­­richt is. En als die mens omhoog gericht is, staat hij in het gesprek met zijn Schepper. Zo wordt de mens verheerlijkt. Zo wordt God verheerlijkt. Zo hebben God en mens elkaar nodig.

Oprichten en vallen

Gods Geest richt de mens op.

Nu zie je het verschijnsel, dat mensen onder de aanraking van Gods Geest – althans dat wordt dan zo gezegd – vallen! Je zult in de eerste plaats dan moe­ten beproeven, wat er in zo’n situatie aan de hand is. Je kunt alle ge­val­len niet over één kam scheren. Er worden in dit ver­­band dan wel bepaalde teksten aange­haald, waar sprake is van men­sen die ter aarde vallen of die zich ter aarde werpen. Daar is dan dat bekende voor­beeld van die priesters, die niet meer konden blijven staan, omdat die wolk van de heer­lijkheid Gods daar in de tempel was. «Zodat de priesters vanwege de wolk niet konden blijven staan om dienst te doen, want de heerlijkheid des HEREN had het huis des HEREN vervuld». 1 Kon.8:11.

Aan de ene kant moeten we er voor oppassen, dat we niet te snel iets ver­oordelen, wanneer het in oprechtheid be­doeld is. Dat ‘vallen’ komt ook voor bij mensen, die een zuivere bediening hebben. En op grond van die zuiver­heid kun je dat verschijnsel niet zomaar veroordelen. Men spreekt in dit ver­band dan van ‘rusten in de geest’. Dit zou je dan kunnen zien als een voor­bereiding op een innerlijk herstel of een in­­nerlijke genezing. Het pro­bleem is dan vaak, dat het vallen een te gro­te nadruk krijgt. Dat vallen heeft dan een afstotende werking en een vreemd effect. Vallen wordt dan doel op zichzelf.

Er zijn wel bedieningen, waar ik mijn vraagtekens bij zet. Wanneer men­­sen naar voren gaan met het doel om te vallen, dan wordt het een bedenkelijke zaak. Dan krijg je het ver­schijnsel, dat mensen een er­varing willen hebben, een kick. Dit gebeuren is zelfs op de TV geweest; dat is voor buitenstaan­ders dus een vreemd kijkspel. In sommige samenkomsten ging men dan zelfs meer­­dere ma­­len ‘ter bediening’ om opnieuw te kunnen vallen. Dan komt er toch wel een èrg onzuiver element binnen. Dan wordt het meer een ‘gebruik maken’ van iets. In het element ‘rusten in de geest’ kan een positieve factor zitten. Iemand kan God staande aanbidden, maar dat kan ook in zittende houding; van David wordt gezegd: hij ging zitten voor het aangezicht des HEREN. Zo zou je ook bij een liggende houding God kunnen aan­bidden. Elke houding kan een expressie zijn van een bepaald ge­voel of een bepaalde beleving. Bidden wordt vaak gedaan in knie­len­de hou­ding. Maar in de Bijbel staat nergens dat je perse mòet knie­len als je bidt. De Hebreeuwse mens bad altijd in staan­de houding met de handen om­hoog. Bij het verschijnsel van het vallen onder handoplegging kan er soms ook spra­ke zijn van een botsing van geesten. Wat dat betreft moet je de zaak ook wel onderscheiden. Als God de mens zegent, geeft Hij de mens levensruimte. Iemand ze­ge­nen betekent: hem de positie geven die hem toe­komt. Als de mens dus Gòd zegent, geeft de mens aan God levens­ruimte; dan geeft de mens aan Gòd de positie, die Hem toe­komt. Wat dat be­treft, zit die wederkerigheid er dus ook helemaal in; daarin komt die wis­­selwerking dus helemaal tot uiting. Als God de mens zegent, erkent Hij daarmee dus het wezen van de mens. En zo erkennen wìj Gòds wezen. Het zegenen houdt dus ook in: elkaar wederkerig tot zijn recht laten komen. Een vader komt pas helemaal tot zijn recht als vader, als ook zijn kin­deren tot hun bestemming zijn gekomen, tot hun recht zijn ge­ko­men. Als er een kind is, dat een verkeerde weg is inge­sla­gen, is dat te­­gelijk een wond in het vader­schap.

Danken heeft te maken met wat God dòet.

Prijzen heeft te maken met wat God ìs.

Je kunt deze begrippen wel onderscheiden van elkaar, maar ze vloei­en wel in elkaar over.

De volledige studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds 

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

383935 bezoekers sinds 07-06-2010