De Vader naam in het Marcus-Evangelie

13-07-2010 door Dr. K.D. Goverts

Wanneer je het Marcus-Evangelie met de andere Evangeliën verge­lijkt, valt het op, dat de Vadernaam in het Marcus-Evangelie zo wei­nig voor­komt. In Johannes 119 keer, in Lucas 15 keer, in Mattheüs 42 keer en in Marcus 4 keer. «De Zoon des Mensen zal Zich ook voor hem schamen, wanneer Hij komt in de heerlijkheid zijns VADERS, met de heilige engelen» M­arc.8:38. Hier gaat het dus om de heerlijkheid van de Vader en dan speciaal in verband met de komst van de Zoon des Mensen. We zitten hier, wat de structuur van het Marc.Ev. betreft in het gedeelte dat loopt van 8:27 tot 10:45. Dit is het tweede gedeelte van de vier hoofddelen van Marcus. Het tweede deel gaat vooral over het lijden, dat komt. En als mijlpa­len zien we de eerste, de tweede en de derde aankondiging van het lijden. Dit gedeelte loopt dus tot 10:45. «Want ook de Zoon des mensen is niet gekomen om Zich te laten die­nen, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen» M­arc.10:45. Deze laatste tekst is ook een sleuteltekst. Die vormt ook tegelijk de over­gang naar het volgende deel. Dit is in wezen een tekst, waar­in de totale roeping van Jezus is vervat. Wanneer dat lijden ter sprake komt, wordt in Marcus dus voor het eerst gesproken over God als Va­­der. En dan speciaal met het oog op de toekomst, de heerlijk­heid.

Uw VADER in de hemel en vergeving

«Vergeeft wat gij tegen iemand mocht hebben, opdat ook uw VADER in de hemelen uw overtredingen vergeve» Marc.11:25. «Indien gij echter niet vergeeft, zal ook uw VADER, die in de hemelen is, uw overtre­dingen niet vergeven» v.26. Het gaat hier dus om vergeven. Er is sprake van zijn Vader en van uw Vader. Hier zitten we in het derde deel van Marcus. En dat loopt van 10:46 – 13:37. Dat is de inleiding op het lijdensverhaal. Je ziet de weg van Jezus naar Jeruzalem. Dat zie je speciaal in H.11.

H. 10:46 speelt in Jericho.

H. 11:12-27 is een afgerond gedeelte.

In dit gedeelte komen drie zaken aan de orde 

1. De vijgenboom. (v.12-14)

2. De tempel. (v.15-19)

3. Een gesprek over die vijgenboom. (20-27a).

En in dat gesprek over de vijgenboom gaat het in het bijzonder over vertrouwen. «Hebt geloof in God» Marc.11:22. «heb geloof van God» AV. «heb het vertrouwen van God» AV. Zo kom je dus bij het geloof uit, dat bergen verzet. «Wie tot deze BERG zou zeggen, hef u op en werp u in de zee, en in zijn hart niet zou twijfelen, maar geloven……..het zal hem geschieden» Mc.11:23. «Al wat gij bidt en begeert, gelooft, dat gij het hebt ont­vangen, en het zal ge­schieden».   Mc.11:24. Hier komt dat bidden erbij. En via: «als je bidt, moet je vergeven…..» Het vormt als het ware een snoer, waar steeds weer iets wordt aan­ge­­re­gen. Via geloof en vertrouwen krijg je vergeving. De eerste gedachte was dus: de heerlijkheid van de Vader. En dan het vertrouwen en het vergeven van de Vader.

En dan de DERDE tekst. Alleen de Vader weet die ure

«Maar van die dag of van die ure weet niemand, ook de engelen in de hemel niet, ook de Zoon niet, alleen de VADER» Marc.13:32. Hier vertelt Jezus over de laatste tijden. En dat is hier dan spe­ciaal over het lijden, dat de discipelen te wachten staat. Er is een parallel tussen deel 2 en deel 3. In deel twee ging het over het lijden van Je­zus. «daarvan weet alleen de Vader» Marc.13:32. In deze teksten gaat het over het weten en het niet-weten. Weten speelt hier een belangrijke rol. Je weet van de vijgenboom… «Want gij weet niet, wanneer het de tijd is» Marc.13:33. «Waakt dan, want gij weet niet» v.35. Vergelijk ook: «wanneer gij dit ziet geschieden, weten, dat het nabij is» v.29. «weet gij daaraan, dat de zomer nabij is» v.28. «die dag of van die ure weet niemand» v.32. Steeds: je moet weten…Het middelpunt van deze teksten is: «dat weet de vader alleen, die ure» v.32. Dat is een gedachte over het Vaderschap: het weten van de tijden. Dit vers staat in tussen de gelijkenis van de vijgenboom en die van de Heer des Huizes. Alleen de Heer weet hoe laat hij thuiskomt. Dus je kunt wel weten dat het nabij is, maar alleen de Vader weet hoe laat het is. Die kent de tijd. Hier staat het woord kairos. En kairos bete­kent het moment, waarop iets belangrijks gaat gebeuren; de heilstijd, de crisistijd.

De vierde keer zien we de VADERnaam in: Abba, VADER, alles is U mogelijk. «En Hij zeide: Abba, VADER, alles is U mogelijk, neem deze beker van Mij weg» Marc.14:36. We zijn hier in het vierde deel van Marcus. Het gaat in deze gedeelten over het lijden en de opstanding. En dan, op het diepste moment staat daar het woord ABBA. En Abba was oorspronkelijk een woord uit de kindertaal. Hiermee wordt dus de ver­trouwelijke omgang met de VADER uitgedrukt. In de diepste crisis van zijn bestaan zegt Jezus: Abba. Jezus vraagt dan vanuit zijn mens-zijn: Vader, als er een andere weg is, wilt U dat dan geven? En dat was het ergste voor Jezus, dat Hij Zich één moest maken met àl die zonde, terwijl Hij altijd onbesmet was gebleven. Jezus werd tot zonde gemaakt. De last van de schuld van de ganse mens­heid druk­te op Hem. Maar ook, Hij werd totaal van God verlaten en door zijn broe­ders verlaten. En dat is in wezen hetzelfde. Zonde is: totaal zon­der God zijn, maar ook: totaal zonder broeders zijn. «Doch niet wat Ik wil, maar wat Gij wilt» Marc.14:36. «en Hij kwam en vond hen slapende» v.37. Dat was die verlatenheid. En juist aan Petrus wordt gevraagd: «Simon, slaapt gij» v.37. Het was de laatste waarschuwing in verband met de verloochening. Je­zus wil zeggen: Petrus, als je nou slaapt, kunnen ze straks alles met je doen. «Waakt en bidt, dat gij niet in verzoeking komt» v.38.

Deze tekst staat in het meervoud; dat geldt voor alle drie. Dit zijn de vier zogezegde teksten met “VADER”. Het zijn ook vier heel belangrijke momenten.

Een tekst over de toekomst.

Een tekst over vertrouwen en vergeven.

Een tekst over de eindtijd.

Een tekst over het gebedsleven.

En die laatste tekst is van Jezus ook een soort aanhankelijkshéids­verklaring: Vader, U kunt op Mij rekenen. Er zal, toen Jezus dit bad in Getsemane, wel wat door de Vader zijn heengegaan. Want God heeft ook een ziel, God heeft ook gevoelens. Bij Marcus heeft die Vadernaam in die vier teksten dus vooral te ma­ken met het lijden en met de eindtijd. Waarom maar vier keer? Een eerste reden kan zijn: dan valt het meer op. Marcus begint met: «Begin van het Evangelie van Jezus Christus»  Marc.1:1.         

Marc.1:1-15 is de voorrede.

Daarna begint Deel 1.

Marc. 1:16 – 8:26

Marcus gebruikt ook steeds het woord terstond. De eerste 15 verzen zijn het Marc.Ev. in een notendop.

V.1-8 gaan over Johannes de Doper.

V. 9-15 gaan over Jezus.

Jezus Christus; Hebreeuws: Jezus de Messias (= Gezalfde). Marcus gaat Jezus dus speciaal als de Gezalfde belichten. Dat is een sleutel. Het thema van het Johannes-Evangelie is: Jezus als de ge­zon­­dene van de Vader. Vandaar dat daar zo vaak de Vadernaam voor­­­komt.

De wegbereider

«Zie, Ik zend mijn bode voor uw aangezicht uit, die uw weg bereiden zal» Marc.1:1. En Johannes de Doper is die wegbereider. Bereid de weg…. Marcus speelt gelijk terug naar het O.T., de Schrift. En Marcus vat dat alles samen onder ‘Jesaja’. Jesaja heeft ook gesproken over die vreugdebo­de. Die tekst: «bereid de weg» komt ook voor een deel uit Maleachi. Maleachi eindigt met iemand aan te kondigen en wel: Elia. «Zie, Ik zend u de profeet Elia, voordat de grote en geduchte dag des He­ren komt» Mal.4:5. «maakt recht zijn paden». Dat is een woordspeling met de grondtekst; het woord recht hangt sa­­men met het woord terstond. Letterlijk: «maakt zijn paden gelijk». In Kapernaüm gaan ze op de sabbath ‘gelijk’ naar de synagoge. En als die paden ‘gelijk’ gemaakt worden, dan kan er heel wat gebeu­ren. Zo speelt Marcus met het woord gelijk en terstond. Als die paden gelijk zijn (geëffend) en er geen blokkades meer zijn, kan het ook gelijk (ter­­stond) komen. Johannes was gekleed in kameelhaar en had een gordel om zijn len­de­nen. Dan denk je aan Elia. En heel Jeruzalem liep uit en liet zich dopen. De doop tot bekering, de terugkeer, de geestelijke terugkeer uit de ballingschap. Die mensen zullen oprecht zijn ge­weest; Jo­han­nes ac­­cepteerde niet iedereen als dopeling. En als later de menigte roept ‘kruisigt Hem’, dan geldt ook wat Jezus bad: «Vader, ze weten niet wat ze doen». Mogelijk zijn degenen, die op de Pinksterdag wer­den gedoopt, ook al door Johannes gedoopt. Hierbij wel te beden­ken, dat er vele Jo­den uit de verstrooi­ing met Pink­steren in Jeruzalem waren. ‘Bekeert u’ zegt Johannes. Letterlijk: Keer terug!. En dat knoop­te wel aan bij het heimwee, dat in het volk leefde, het heimwee naar de tij­den van Elia. Het was ook al de boodschap van Jeremia en zelfs van Mozes. In wezen heeft Johannes dus niets nieuws verteld. Dan wordt Jezus in de woestijn verzocht. «En Hij was bij de wilde die­ren». Dat zullen geen demonen zijn geweest, want Marcus ge­bruikt verder altijd gewoon het woord demonen. Johannes wordt hier gezien als de nieuwe Elia en Jezus als de nieuwe Adam. Zo wordt de heer­schappij, die Adam over de wilde dieren had, bij Je­zus hersteld. Heel de schepping voelt zich bij Hem thuis. Ook de engelen; die komen om Hem te dienen. De zichtbare en de onzicht­bare schepping staan rond­om Hem. Een nieuw begin; zelfs de die­ren zijn bij Hem rustig. Een voorproefje van het Duizendjarige Rijk. Je zou denken: in de woestijn zijn maar weinig wilde dieren en dan nog meest zeer schuwe. Je moet hierbij bedenken, dat je hier dichtbij de Pronk van de Jordaan zat. En daar waren zelfs leeuwen. De afstanden in Israël wa­ren relatief ook klein. Jordaan en woestijn lagen dicht bij elkaar. Van Johannes staat ook nog, dat hij in de woestijn doopte. Je kunt ook nog een lijn trek­ken naar Israël: ze werden gedoopt in de wolk en in de zee. Veertig dagen en veertig jaar. Die wilde dieren zullen bij de verzoeking in de woestijn concreet aan­we­zig zijn geweest. Bij die engelen, die Hem dienden, zit je al in de geestelijke wereld. En die hoge berg zal wel een visi­oen zijn geweest. Die stenen in ver­band met dat brood, zullen weer wel concreet aan­we­zig zijn geweest. En die tempel was natuur­lijk ook niet in de woes­tijn. Het geestelijke en het natuurlijke vloeien hier in elkaar over.

Bekeert u en gelooft het Evangelie

Een oproep tot omkeer en vertrouwen. Wat opvalt, is de geweldige re­ac­tie bij Johannes de Doper: heel Jeruzalem. Bij Jezus lezen we daar niets van. Dat is ook het punt in het eerste hoofddeel van Marcus: de mensen zijn blind voor zijn optreden; geen respons. Ze begrijpen Hem niet en zijn discipelen begrijpen Hem ook niet. En het slot is, dat er een blinde komt. En die blinde is in feite het beeld van àl die mensen. Dat is die blinde in Bethsaïda. Het eerste deel sluit af met een blinde en het derde deel begint weer met een blinde. Het tweede deel staat tussen die twee blin­den in. Een blinde in Marc.8 en een blinde in Marc.10. En daar­ tussenin gaat het over het lijden. Zo heeft Marcus zijn Evangelie schitterend ge­com­po­neerd. Het staat niet zomaar in een willekeu­rige volgorde. Tegen zijn discipelen zegt Jezus na die tweede wonderbaarlijke spijzi­ging: «hebben jullie een verhard hart….» De Farizeeërs begrijpen Hem niet, de heidenen ook niet. Vergelijk de geschiede­nis van die bezetene van Gardara. En ook zijn eigen volk begrijpt Hem niet. Dat is het the­ma bij Marcus. Jezus gaat een verborgen weg. Hij zal zijn stem niet ver­heffen op de pleinen. Jezus kiest bewust de weg van het onop­val­len­de. Dat is wat Marcus wil laten zien: Jezus is de Messias, maar Hij komt om te dienen op een onopvallende manier; nederig. Hij wordt ge­toond in een heel menselijke gestalte, en juist daar­door zal de gestalte van de Vader ook verborgen blijven. En als die ge­toond wordt, is dat voor­al met het oog op de toekomst. In de toe­komst zul je merken, dat Jezus een Vader achter Zich heeft staan. Dan zal Hij komen met de heerlijkheid van de Vader. Maar op dit mo­­ment zie je die heerlijkheid nog niet, alleen maar de Zoon des men­sen. De Vader speelt eerst een rol in die ure waarvan niemand weet. En de Vader leer je ook pas ken­nen, als je gaat bidden. (in ver­band met die vergeving). Dat bespeu­ren we ook, als Jezus bidt in Geth­semane. Als je die weg van Jezus bekijkt, zie je alleen maar de weg van een mens, die moet lijden. Jezus kwam niet om gediend te worden. Waarschijnlijk is het ook daar­om, dat die Vadernaam in het verborgene blijft. In die geschiedenis van de bezetene van Gardara zijn het juist de demonen, die zeggen: wij weten wel wie Gij zijt, de zoon van de Aller­hoogste God. Jezus wil daarom ook juist niet, dat die demonen Hem be­kend maken. Zo wil Jezus juist niet rondgebazuind worden; Hij stelt geen prijs op dát soort reclame. Vergelijk in dat verband ook dat meis­je met de waarzeggende geest, dat Paulus achterna liep. Je­zus wil niet, dat ze horen: Hij is de Zoon van God en dat ze Hem dáárom zullen volgen. Jezus wil, dat ze Hem volgen op die verborgen weg; in die weg van het dienen, in de weg van de gehoorzaamheid. Een van de kenmerken van het Marcus-Evangelie is de typering van de beschei­denheid van Jezus. Hij laat eerst zien wie Hij is door zijn da­den en door de weg, die Hij gaat; de weg van het dienen. En als de mensen dáárdoor gepakt worden, gaan ze wel achter Hem aan. Dat zijn ook de­genen, die Hij als volgeling wil hebben. Niet de mensen, die zeggen: Ha, de Zoon van God, dat is interessant, daar worden we be­ter van. Jezus brengt Zèlf in toepassing: aan de vruchten ken je de boom. Jezus zegt: volg Mij maar en kijk, welke weg Ik ga. Zijn weg was de weg van de Torah, het één zijn met je broeder. Doordat Jezus Zich openbaart als de ware Broeder, verwijst Hij naar de Vader, die in het verborgene is.

Ik zend u de profeet Elia

«Zie, Ik zend u de profeet Elia, voordat de grote en geduchte dag des He­­ren komt» Mal.4:5. Twee dingen zien we hier: Elia en die geduchte dag. En de voorrede van Marcus bestaat ook uit twee gedeelten: v.1-8, daar zien we Johannes, oftewel Elia. «En het geschiedde in die dagen» v.9. En dan zou je verwachten, dat er zou staan: «dat de grote en geduch­te dag des Heren kwam». Maar dan komt er een mens in knechts-ge­stalte. Die maakte geen grote en geduchte indruk. Daar komt die dienst­knecht, die zegt: waarmee kan Ik je dienen, kan Ik een broeder voor je zijn? En dàt is nu juist het grote en geduchte van God. Groot en geducht, dat is die volmaakte mens. Wat de we­reld groot en ge­ducht noemt, daarvan zegt God: het is maar klein. Voor de boze is het juist groot en geducht. Elia en Johannes de Doper zijn de twee gestalten, die in het Marcus-Evangelie identiek zijn. Bij de andere Evangeliën kan dat soms wel even anders liggen.

De volledige studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds 

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

384771 bezoekers sinds 07-06-2010