De symboliek van het Hebreeuwse alfabet Deel 4

04-06-2010 door Dr. K.D. Goverts

De dertiende letter t/m de zestiende letter

De mem, de nun, de sameg en de ajin

De mem 

De dertiende letter  

In dit hoofdstuk is de letter mem m aan de orde van behandeling. Er is ook een ‘sluitmem’ M in gebruik. De getalswaarde waarde van de mem is 40. Het woord mem wordt geschreven met een mem, een jod en een sluitmem.  (m y M)

De mem, het getal van de tijd en van het water

Veertig is in de bijbel het getal van de tijd. Daar zou je een groot aantal voorbeelden van kunnen noemen. Dat aspect kom je telkens tegen in bij­belse verhalen. We denken aan een weg van 40 dagen; aan een woestijn­reis van 40 jaren. Daarbij zien we meteen iets heel opmerkelijks, want het wóórd mem heeft ook een betekenis. Dat hebben we bij vorige letters ook gezien, het vertegenwoordigt namelijk het begrip majim, water. En zo is het water (de mem) in de Joodse traditie het symbool geworden van de tijd. Je gaat door de wateren van de tijd heen, door verleden, he­den en toekomst. Misschien is dat ook één van de unieke geheimenissen van de mens, dat hij ook terug kan denken en vooruit kan denken. De mens kan terug­gaan in de tijd of vooruitblikken in de tijd. Voor zover bekend, is dat in de dierenwereld niet het geval. De dieren leven in het moment, in het nu, ook al kunnen bepaalde ervaringen daarin meespelen.

Besef van verleden en toekomst

Er is een interessant artikel verschenen, waarin wordt beschreven hoe er onder­zoek is gedaan naar een stam, de Pirahā-stam, in het Braziliaanse Ama­zonegebied. Zij kennen in hun taal geen woorden om ‘tijd’ mee uit te druk­ken. Ze leven altijd in het hier en nu. En zo blijkt deze taal flink af te wijken van de universele taalregels die verder alle mensen delen. Merkwaardig, één zo’n kleine stam van 350 mensen. Een etnoloog, Dan Everett, woont al sinds 1977 bij deze mensen. Hij heeft daar onderzoek verricht, maar werd in eerste instantie daar niet bepaald gastvrij ontvan­gen. Er werd een plan beraamd om hem te doden, maar hij is er toch in geslaagd om vriendschap met deze mensen te sluiten en verder onder­zoek te doen. Algemeen is men er altijd van uitgegaan, dat elk mens vanaf zijn ge­boor­­te begrip heeft van taal. Men veronderstelt een aangeboren univer­seel taalvermogen. Dat standpunt is voor het eerst geïntroduceerd door de taalkundige Noan Chomsky. Volgens Chomsky is dat taal­vermogen dus aangeboren. In alle talen komt dat gegeven naar voren. Ook dat besef van verleden en toekomst is in elke taal en bij elk mens aan­wezig. Alleen blijkt er nu in dat Braziliaanse Ama­zonegebied een heel kleine stam te zijn die deze theorie schijnt te logenstraffen. Een van de opmerkelijke ontdekkingen is dus, dat er in deze taal geen woorden zijn om de tijd uit te drukken. De werkwoorden hebben dan ook geen ver­le­dentijds-vormen. Zij hebben in hun denken absoluut niet de mo­ge­lijk­heid om vooruit te gaan of terug te gaan. Ze zijn helemaal gericht op het hier en nu. Woorden die naar tijd verwijzen hebben ze ook niet. Vandaar dat deze onderzoeker gezegd heeft: zij hebben een ‘carpe diem cultuur’; pluk de dag, dat is hun levensmotto. Zij kennen ook niet het ge­bruik van bij­zinnen. Ook dat brengt een universeel aspect van de gram­­­matica aan het wankelen. Normaal kun je met bijzinnen een zin ein­­de­loos uit­breiden. We gaan eens doordenken op dat principe van de mem, de wateren van de tijd. En dan willen we ook wat woorden onderzoeken die met die mem te maken hebben. Zo komen we ook nog op enkele aspecten van tijd en eeuwigheid in de bijbel. Dat is op zich een heel intrigerend onder­werp.

Eeuwig en eeuwigheid

Vanouds bestaat er natuurlijk het begrip ’olam.

Majim drukt eigenlijk een meervoud uit, wateren. Zo zijn er wel meer van die woorden die in de vertalingen dan wat ‘verenkelvoudigd’ wor­den. Zo wordt het woord sjamajim, hemelen, ook altijd als een meer­vouds­vorm geschreven. In de moderne vertalingen wordt dat woord sja­­majim echter ook veren­kelvoudigd.

Dat woord ’olam wordt heel vaak in bijbelvertalingen weergegeven met het woord eeuwigheid, of ook wel met eeuwig. Het komt 437 keer in de bijbel voor, dus het speelt nogal een belangrijke rol. Als je dat woord gaat bekijken en je gaat terug in de taalgeschiedenis, dan komt het oorspronkelijk voor in het Ugaritisch met de woordstam ’alam. Die woordstam ’alam betekent Dauer of duur. In het Ugaritisch is het ‘de lange duur’. Dat hoeft natuurlijk nog niet te betekenen dat het eindeloos duurt. Er zijn ook Joodse denkers die zeggen: aan Dauer, duur, zit ook weer een andere kant. Want soms als iets heel lang duurt, moet je dat bedauern, dan moet je dat betreuren. Dat ligt soms heel dicht bij elkaar, de lange duur en de treurnis. In het Duits is dat bijna als een woordspeling te gebruiken. Dan moet ik denken aan een gedicht waarin staat: “de lange duur van de dingen heeft zovelen reeds gebroken”. Als iets maar eindeloos voort­duurt, zoals een beproeving, kan dat een mens breken. Die wateren blijven dan maar komen en je komt er maar niet doorheen. Dan kunnen die ‘veertig’ eindeloos lijken. Dan zie je dat zo‘n woord ook een gevoelswaarde heeft. Zo moest het volk Israël veertig jaar door de woestijn gaan. Ik moest denken aan professor Eerdmans uit Leiden. Professor B.D. Eerd­mans was oudtestamenticus in Leiden; hij heeft ook nog in de Eerste Kamer gezeten. Dege­nen die hem gekend hebben, noemen hem een heel markante figuur. Hij begon als predikant ergens in Noord-Holland. In 1898 werd hij hoogleraar in Leiden. In 1938 ging hij met emeritaat. Hij is dus 40 jaar hoogleraar geweest. In zijn leven heeft hij ook heel wat teleurstellingen meegemaakt. Hij schreef boeken die niet begrepen werden. Toen hij zijn afscheidscollege gaf in 1938, zei hij: mijn loopbaan is een woestijnreis van 40 jaren. Hij herkende zichzelf in de weg van het volk Israël achter Mozes aan. Veer­tig jaar gaan door de woestijn, door het woeste land, door de steppe.

Daar zit wat van tragiek in, als je zo je leven moet ervaren, een leven als een woestijngang. Soms is het kennelijk dan ook heel moeilijk om de weg te vinden naar het hart. Dus dat ’olam is in het Ugaritisch de duur; in het Akkadisch weerge­ge­ven door het woord ullû, wat ver of vroeger betekent. ’Olam betekent dus de tijd die heel ver weg is of die heel vroeger was. Die uitgang ‘am’ van ’olam kan duiden op einde. Dus dan krijgt het de betekenis: de tijd van het einde of een eindtijd. Dat is de verre tijd in het verleden of de verre tijd in de toekomst. Het Hebreeuwse werkwoord ’alam betekent verbergen. Dus het bete­kent dan: de ver­borgen tijd. Dat kan dus zijn als je achterom kijkt. Je probeert te zien en te schouwen en je probeert nog verder terug te kij­ken. Je probeert zo ver te kijken als je kunt, maar daarachter ligt nog een verborgen tijd. Om die verborgen tijd te kunnen zien, heb je hemels licht nodig. Dat geldt voor het verleden en dat geldt ook voor de toekomst. Aan het eind van Genesis, in Genesis 49, lezen we dat vader Jakob op zijn sterfbed ligt. Hij roept dan al zijn zonen bij zich. En dan ligt Jakob daar, steunend op zijn staf. Hij richt zich wat op en gaat over die twaalf zonen profetische woor­den spre­ken; je zou het ‘telescopische woorden’ kunnen noemen. En hij zegt: mijn zonen, hoort toe, en ik zal u melden wat gaat gebeuren in het ach­terste van de dagen. Daar zien we ook dat begrip verborgen tijd. En dan vertelt hij zaken die je normaal niet weet, die je met het natuurlijke oog niet kunt zien. Dat is te zien met het oog, door goddelijk licht bestraald. ’Olam duidt dus op de verre tijd, de verborgen tijd. Dus dan merk je al dat het woord ’olam niet betekent ‘eeuwigheid’. Een Joodse denker zegt: de eeuwigheid is ook nooit begonnen. Hij zegt: het is in feite inconsequent om te zeggen: we zijn op weg naar de eeu­wig­­heid. Het begrip ‘eeuwigheid’ op zìch houdt in, dat het allang be­gon­­nen is. Het is nooit begonnen, maar het is er al lang, en het zal er ook altijd zijn. Dus die eeuwigheid omspant ons van alpha tot omega en daar nog voorbij.

Onder het juk van de tijd

Er zijn ook Joodse denkers die zeggen: als je nu de mem van het woord ’olam afhaalt, krijg je ’ol. Het Hebreeuwse woord ’ol betekent juk. Dat wil zeggen dat deze wereld, deze eeuw, het karakter van een juk heeft. We leven onder het juk van de tijd. Het is het gebonden zijn aan de ma­terie; we zijn begrensd en zijn licha­melijk gebonden aan de aarde. We kunnen ons niet zomaar losmaken van deze materiële wereld. Misschien innerlijk nog wel, maar uiterlijk zit je er nog altijd met duizend draden aan vast, je kunt niet zomaar ‘opstijgen’. ’Olam is dus ’ol met de mem (veertig) erachter, met de tijd erachter. Dan zit je onder het juk van de tijd. Daarna komt een nieuwe ’olam, een nieu­we eeuw. En dat betekent dat je terugkeert naar je oorsprong. Dat woord ’olam betekent dus niet: eeuwig. Maar wat moeten we er dan van denken als er staat dat God eeuwig is. Dat kun je dan toch moeilijk gaan vertalen met: Hij is de God van de eeuw. Er is een schitterende studie verschenen van de Joodse denker Franz Rosen­zweig, die samen met Martin Buber de bijbel heeft vertaald.

De Godsnaam in de verschillende vertalingen

Rosen­zweig heeft in de zomer van 1929 – dat was bijna aan het einde van zijn leven – een studie geschreven. Hij had op zijn 43e jaar al een ern­stige spier­ziek­te. Hij heeft toen nog een prachtig stuk geschreven over der Ewige, over de Eeuwige. Deze studie gaat dan inzonderheid over de naam van God, die onnoembare naam JHWH. Dat is die naam die je niet uit­spreekt, de naam die een geheimenis is. Maar wat moet je dan zeggen als je de bijbel voorleest? Die naam komt ruim 6800 keer voor in de He­breeuwse bijbel. Daar heeft men eeuwenlang over nagedacht en naar ge­zocht. Wat moeten we nu doen met dat tetragrammaton, met die vier letters. En soms zijn het er maar twee: JH. Eerdmans zei zelfs: het waren er oorspronkelijk drie: Jahu. Maar wat moet je nu doen als je die Godsnaam tegenkomt? De Masoreten hebben daar wat op gevonden. Als je de Hebreeuwse bijbel leest, zie je bij de Godsnaam al auto­ma­tisch de klinkers van Adonai eronder staan. Dat om aan te geven: je moet die naam niet uitspreken, maar zeg maar ‘Adonai’. Maar dan hebben wij in het Nederlands weer een probleem, want om nu telkens in de schrift­lezing ‘Adonai’ te zeggen, werkt ook haast weer wat vervreemdend. Buber was het daar dan ook niet mee eens en zegt: Dan maak je het ook weer tot een eigennaam. “Een ieder draagt zijn eigen naam behalve Gij, wie kan u noemen”. Nu zijn er ook heel wat verschillende tradities ge­weest die gezegd hebben: dan gaan we toch maar gewoon het woord Adonai vertalen en zet­ten we: de Heer of ook wel de Here.

Dat is dan de oplossing.

Franz Rosenzweig heeft daar ook het hoofd over gebogen en dan komt hij terecht bij Mozes Mendelssohn. Mozes Mendelssohn is in zijn tijd, in de 18e eeuw, de bijbel gaan vertalen, de Hebreeuwse bijbel voor Joodse oren. Mendelssohn heeft toen gezegd: de Naam ga ik vertalen met ‘der Ewige’. Op die formulering van de Godsnaam is die bijbel van Mendels­sohn ook verschillende ke­ren weer uitgegeven. De oudere Joodse Duitse bijbelvertalingen hebben de Naam vertaald met: Gott. Zij hadden die oplossing gevonden, we zetten ‘Gott’ voor de naam die we niet uitspre­ken. Later in de 19e eeuw doet Samson Raphael Hirsch dat ook weer. Hij zegt: ‘der Ewige’ is ook niet de goede bena­ming. Daarom is hij weer teruggegaan naar die oudere tradities; hij zette in zijn commentaren weer gewoon ‘Gott’.

Baruch en de Godsnaam

Als je nu heel ver teruggaat, wat Rosenzweig ook doet, dan kun je zeg­gen: om die naam te vertalen met ‘der Ewige’ gaat eigenlijk terug op een apocrief boek. Dat is de brief van Baruch. Baruch was de secretaris van Jeremia. Je zult maar de secretaris zijn van een profeet! Dat is soms echt een hon­denbaan. Dan kun je inderdaad wel zeggen: Jeremia was de her­der en Ba­ruch was de herdershond. Baruch gaat alles keurig opschrijven wat Jeremia had geprofeteerd. En dan wordt het geschrevene voorgelezen in het Winterpaleis van de ko­ning. Maar iedere keer neemt de koning zijn pennenmes en snijdt een kolom van het epistel af. Ieder gedeelte dat voorgelezen is, verdwijnt ver­volgens in de open haard. Al die woorden van Jeremia, heel dat per­kament, gaat in vlammen op. Dat moet toch wel een erg frustrerende er­varing zijn ge­weest. Baruch komt dan weer bij Jeremia, en tot overmaat van ramp zegt Jeremia: we gaan weer opnieuw beginnen. Pak maar weer een boek­rol. En dan moet hij het allemaal nog een keer opschrij­ven. Hij moet het weer woord voor woord opnieuw opschrijven, en, staat er dan, ‘nog vele woorden daartoe’. En dan komt er, heel ontroerend, in Jeremia 45 nog een speciaal woord voor Baruch zelf.

«Het woord dat de profeet Jeremia sprak tot Baruch, de zoon van Neria, nadat hij deze woorden uit de mond van Jeremia te boek gesteld had in het vierde jaar van Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda:»  v.1

«Zo zegt de HERE, de God van Israël, van u, o Baruch:» v.2 

«Gij zegt: wee mij toch, want de HERE heeft smart bij mijn lijden gevoegd, ik ben moede van mijn zuchten en rust vind ik niet.»  v.3 

«Aldus zult gij tot hem zeggen: Zo zegt de HERE: zie, wat Ik gebouwd heb, breek Ik zelf af en wat Ik geplant heb, ruk Ik zelf uit,» v.4

«en zoudt gij voor u grote dingen zoeken? Zoek ze niet! Want zie, Ik breng ramp­spoed over al wat leeft, luidt het woord des HEREN, maar Ik geef u uw leven ten buit in alle plaatsen waar gij zult heengaan». Jer.45:1-5. God zegt als het ware: Baruch, jongen, Ik heb je moeiten gezien. Zoek nu geen gro­te dingen, je krijgt je ziel als buit en daar moet je het mee doen. Je ziel krijg je mee en meer heb Ik niet voor je. En dan zie ik Baruch daar gaan, je zou haast zeggen net als die Joodse mensen in Anatevka, die allen daar hun koffers pakken en dan op trektocht gaan, weer de zoveel­ste ballingschap tegemoet. “Wat staat er op het programma” vragen ze aan de gids, “waar gaan we heen; weer in ballingschap zeker!?“ Dan zie ik Baruch daar gaan, maar het enige wat hij meekrijgt is zijn nephesj, zijn ziel. Jeremia was trouwens ook 40 jaar profeet, hij is ook door diepe wateren gegaan; 40 jaar profeet, dan zou je inderdaad zeggen: hoe houd je het vol! Je zou haast kunnen zeggen: van Jeruzalem tot Egypte, want daar vindt Jeremia zijn einde. Je kunt ook zeggen: van Babel tot Egypte. En als je aan Jeremia vroeg: hoe is het gegaan, zei hij: af en toe had ik mijn tra­nen en wist ik het ook niet meer. Af en toe heb ik mijn klaagzang gezongen.

Elie Wiesel zegt: we kennen wel de woorden van Jeremia, maar niet zijn zwijgen. En zijn zwijgen zegt nog veel meer. We kennen wel de woor­den die hij sprak, en die Baruch dan moest opschrijven. Of Baruch ook de stilten van Jeremia moest opschrijven, vermeldt de historie niet. Schrijf nu maar op, zegt Je­re­mia dan bij wijze van spreken tegen Baruch, wat ik gezwegen heb. Een uur zwijgen is makkelijk te resumeren. Nou, dat moet je maar eens proberen! Schrijf al het zwijgen van een profeet maar eens op. Woorden opschrijven gaat nog wel, maar het zwijgen van een profeet opschrijven, als hij door die diepe wateren gaat, is ondoenlijk. Nu is er ook een brief van Baruch, die dus nooit in de bijbel gekomen is; het is een van de apocriefe boeken. Naar alle waarschijnlijkheid is die brief van Baruch oorspronkelijk geschreven in het Grieks. Nu is het heel frappant, dat als je in hoofdstuk vier van de brief van Baruch komt, daar zeker zes keer de naam van God staat. Maar dan wordt die naam van God dus in het Grieks weergegeven als Hò-aioonios, en dat woord bete­kent ‘de Eeuwige’. Je kunt dit natuurlijk dan eventueel vertalen met: ‘de aeoonische’. Daar heeft in ieder geval het woord aeoon in gezeten, wat weer in de vertaling is van ’olam, tijdperk. Buber vertaalt dat met Weltzeit, wereldtijd. Je zou eventueel nog kunnen zeggen: Hò-aioonios is de God van ‘de verborgen tijd’. Zo zou je het ook nog kunnen omschrijven. In de brief van Baruch ligt de eerste aanzet om de naam, het tetragrammaton, weer te geven met ‘de Eeuwige’.

Le Seigneur – l’ Eternel – de Eeuwige

Met deze weergave van de Naam met ‘de Eeuwige’ zijn we dus een paar eeuwen voor Christus. Daarna is het heel lang stil geweest. We zien dan die Godsnaam (de Eeuwige) weer terug­ko­men bij Calvijn. Calvijn is zijn commentaar gaan schrijven op de eerste zes boeken van de bijbel, ge­naamd de Hexateuch. Dat zijn dus de boeken van Genesis tot en met Jozua. Dat commentaar verscheen in het Frans in 1564. Daar geeft Cal­vijn de naam van God weer met: l’ Eternel. Zo komt die naam dus weer terug. Aanvankelijk was dat echter nog niet het geval, want in zijn eerste jaren zette Calvijn nog Le Seigneur, de Heer. Later gaat Calvijn ‘Le Seig­neur’ dus vervangen door l’ Eternel. In de bijbel van Genève van 1535 staat nog ‘Le Seigneur’; af en toe wordt het dan l’ Eternel. Maar lang­zamerhand gaat dat dus veranderen. En dan wordt het algemeen ge­bruik om te schrijven ‘de Eeuwige’. En dan verschijnt Mendelssohn op het toneel. Rosenzweig zegt: Mendels­sohn heeft de puntjes op de i gezet. Mendelssohn heeft dus ook de bijbel vertaald en ook allerlei commentaren daarop geschreven. En dan komt Men­delssohn op die centrale tekst in Exodus 3:14, waar Mozes zich bij het brandende braambos bevindt. Mozes vraagt: als ik nu naar de kin­deren Israëls ga, en ze vragen: hoe is zijn naam, wat moet ik dan zeg­gen? Mozes raakt daar dan aan het diepste geheim. Dat bete­kent na­tuur­lijk niet, dat ze zullen vragen: hoe heet God, maar hoe is hij? Buber zegt zo mooi: was ist um seine Nahme? Hoe is het met zijn naam? Want de kinderen Israëls zitten daar al jaar en dag in de misère, in de verdrukking, in de benauwenis. Wat ze dan vragen is natuurlijk een exis­tentiële vraag, die hun hele existentie, hun hele bestaan omvat. Hun vraag is een vraag van­uit de beproeving; geen theoretische vraag. En die beproeving duurt al geslachten lang. En dan zullen ze vragen, zegt Mo­zes, ‘hoe zit dat met zijn naam?’ Mozes vraagt: wat moet ik dan ver­tellen? Mozes kan niet volstaan met een mededeling te doen vanuit het ‘godenregister’. Als Mozes later bij de farao komt, vraagt deze vorst:

“Wie is die God?“.

De midrasj zegt dan: Farao laat de Naam opzoeken door de wijzen en de tove­naars. En dan komen de wijzen bij de farao en zeggen tot hem: “O Farao, leef in eeuwigheid, maar deze God staat niet in het register”. Hij is de gans Andere, Hij past niet in een register. Als Hij daar wèl zou staan, zouden al die andere goden er ineens niet meer zijn. Maar dan zegt Mozes Mendelssohn: hoe moeten we nu Exodus 3:14 bezien? Op de vraag van Mozes komt dan als antwoord: Ik ben die Ik ben. Of: Ik zal zijn, die Ik zijn zal.

Mendelssohn heeft persoonlijk dat commentaar geschreven, en dan ligt daarin ook zijn verdienste, dat hij een stap verder gegaan is dan Calvijn. Exodus 3:14 parafraseert hij dan als volgt: God sprak tot Mozes: “Ik ben het Wezen, dat eeuwig is”. Hij sprak namelijk: Zo zult gij spreken tot de kinderen Israëls: ‘het Eeuwige Wezen’ heeft mij tot u gezonden. Het is wel heel mooi wat Men­delssohn daar zegt, maar het klopt eigen­lijk niet met het Hebreeuw­se origi­neel. Toch is het wel de moeite waard om naar Mendelssohn te luisteren, want hij gaat daar heel diep op door. Ook Joodse uitleggers hebben daar over nagedacht en hebben gepro­beerd het geheim van de Naam in beeld te krijgen.

De jod tussen de wateren

Het woord majim, wateren, beeldt dat in feite ook uit. We zien in het woord majim drie letters:

Mem (40) – jod (10) – (sluit)mem (40). (m y M)

Je hebt dus wateren aan het begin en wateren aan het eind. En als je het volk Israël dit dan vraagt, zeggen ze: dat is ook helemaal onze ervaring. We zitten helemaal rondom in de wateren. We trokken door de Rode Zee, dat was het begin. En toen trokken we 40 jaren door de woestijn en daar­na ook nog door de Jordaan; wateren voor en wateren na. Zo kan een mens dat vaak ook herkennen; dat herken je als het verhaal van je leven. Misschien als een mens zijn levensverhaal zou opschrijven, zou je die wateren weer tegenkomen. Elie Wiesel heeft zijn autobiografie geschreven, die pas vertaald is in het Nederlands, en hij heeft daaraan als titel meegegeven: “Alle rivieren stro­men naar zee”. Als je het verhaal van Elie Wiesel beluistert, zeg je: ja, dat kan ik plaatsen. Er zijn heel wat wateren over hem heengegaan.

«Een bedevaartslied. Van David.  Ware het niet de HERE, die met ons was,

  – zegge nu Israël –  v.1 ware het niet de HERE, die met ons was, toen mensen tegen ons opstonden, v.2 dan hadden zij ons levend verslonden, toen hun toorn tegen ons ontbrandde; v.3 dan hadden de wateren ons overstroomd, een wilde beek ware over ons heengegaan; v.4 dan waren de overstelpende wateren over ons heengegaan.  Ps.124:1-5. Maar, zegt David dan aan het eind: «Geprezen zij de HERE, die ons niet overgaf ten buit aan hun tanden!  v.6. Onze ziel is ontkomen als een vogel uit de strik van de vogelvangers; de strik is gebroken, en wij zijn ontkomen!  v.7 Onze hulp is in de naam des HEREN, die hemel en aarde gemaakt heeft.  Ps.124:6-8. Dat woord majim begint dus met een mem en eindigt met een mem, maar daartussen staat nog een heel kleine lettertje, namelijk de jod. Te midden van die wateren staat daar de jod. De jod, de kleinste letter, heeft als waarde 10. De jod is het symbool van het koningschap. Het is de harmonie van de vormen. De jod is ook het teken van de komende wereld. Dat is die komende eeuw, de ’olam habah. Te midden van die wateren even een signaal: het Koninkrijk komt! Dat signaal wordt gegeven met de kleinste letter van het alfabet, want de jod is nederig. Maar de jod is ook het fundament. De jod is de eerste oor­zaak, het principe van alle princi­pes. De jod is die oorspronkelijke drup­pel, waaruit alles voortkwam. De jod is als het ware het oergeheim, van waaruit alle letters zijn opgebouwd. De jod heeft als waarde 10; dat is ook het symbool van de 10 woorden. Dus tussen die mem aan het begin en die mem aan het eind staat het woord van God. God zegt: Ik geef je 10 woorden mee, en daarmee leer Ik je spreken. Zo gaat het volk van God door de wateren van deze we­reld heen. Maar te midden van al die wateren staat daar de jod. Daar staat het eeuwige Woord, gegrift in de harten; geschreven eerst op de stenen tafelen, en daarna op de tafelen van het hart. Daarom is dat woord majim ook weer zo’n vertroostend woord.

Gaat gij door rivieren, zij zul­len u niet wegspoelen

Dan staat er ook zo’n kostbare tekst in Jesaja 43: «Maar nu, zo zegt de HERE, uw Schepper, o Jakob, en uw Formeerder, o Israël: Vrees niet, want Ik heb u verlost, Ik heb u bij uw naam geroepen, gij zijt Mijn». «Wanneer gij door het water trekt, ben Ik met u; gaat gij door rivieren, zij zul­len u niet wegspoelen; als gij door het vuur gaat, zult gij niet verteren en zal de vlam u niet verbranden».  Jes.43:1,2. Dat doet me denken aan dominee Lamain, die vertelde dat hij eens bij de jaarwisseling als jonge kandidaat moest preken in Aagtekerke. Hij zegt: ik had het al helemaal voorbereid en dacht: ik spreek op oude­jaars­avond over Psalm 90. Het eerste gedeelte van deze psalm gaat over de vergankelijkheid van de mens. «Een gebed van Mozes, de man Gods». «Here, Gij zijt ons een toevlucht geweest  van geslacht tot geslacht;  eer de bergen geboren waren, en Gij aarde en wereld hadt voortgebracht,  ja, van eeuwigheid tot eeuwigheid zijt Gij God. v.2. Gij doet de sterveling wederkeren tot stof, en zegt: Keert weder, gij mensenkinderen. v.3 Want duizend jaren zijn in uw ogen als de dag van gisteren, wanneer hij voorbijgegaan is, en als een nachtwake.  v.4 Gij spoelt hen weg; zij zijn als een slaap in de morgen, als het gras dat opschiet;  v.5  in de morgenstond bloeit het en het schiet op, des avonds verwelkt het en het verdort».  Ps.90:1-6

Op nieuwjaarsmorgen spreek ik over het slot van Psalm 90: «Verzadig ons in de morgenstond met uw goedertierenheid, opdat wij jubelen en ons verheugen al onze dagen». Ps.90:14

Hij zegt: ik had het al allemaal klaar liggen, maar toen kreeg ik in mijn hart: nee, het moet anders. Ik moet over een andere tekst spreken. En die tekst werd Jesaja 43. Er bleek toen in de kerk iemand te zitten, die dat woord juist zo nodig had om uit de benauwdheid te komen. «Vrees niet, want Ik heb u verlost, Ik heb u bij uw naam geroepen, gij zijt Mijn».

Die tekst begint met dat heel kostbare: maar nu… Dat is ook een tijdsbegrip. Maar dat komt als het ware loodrecht in die zee van de tijd. In de tijdzee komt dat goddelijke woord: maar nu…. Het is als het ware een goddelijke incisie, een insnijding van boven. God gaat spreken, en dan klinkt dat woord: uw Schepper, uw Formeer­der. Wees niet bang, Ik heb u verlost. Daar staat het woord ga’al, ver­want met lossen (go’el). Ik heb u geroepen bij uw naam. En dan staat er in het tweede vers: als gij trekt door de wateren, met u zal Ik zijn. Gaat gij door rivieren, zij zullen u niet wegspoelen. Als gij door het vuur gaat, zult gij niet verteren en zal de vlam u niet verbranden… Een woord om mee te nemen op de reis door het leven. Een woord dat God ook zo teder en persoonlijk tegen jou kan zeggen. Mijn kind, als jij trekt door het water, Ik ben bij je!

De volledige studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

410212 bezoekers sinds 07-06-2010