De symboliek van het Hebreeuwse alfabet Deel 2

06-06-2010 door Dr. K.D. Goverts

De zesde letter t/m de negende letter

De waw, de zajin, de ceeth en de teeth

De Wav

Wav, letter en haak

De zesde letter van het Hebreeuwse alfabet, de wav of wau – w is te ver­­ge­lijken met on­ze letter w. Deze letter bevat een bijzonder geheim. Het is eigen­­lijk een heel eenvoudige letter qua vorm, en te­ge­­lijk is deze letter toch ook van heel wezenlijk belang. De wav is niet alleen een letter, maar het Hebreeuwse woord wav bete­kent ook haak. De wav heeft de vorm en betekenis van een haak en drukt daarmee tegelijk het begrip verbinding uit. Het lijkt heel simpel, want behalve dat deze letter een haak is, is het ook een heel klein woord in de He­breeuwse taal, namelijk het woord­je ‘en’. Hemel en aarde. Je komt dat woord in allerlei verbindingen tegen. Wat zou de taal zijn als je het woord en niet had? De eerste keer dat de wav in de Hebreeuwse bijbel voorkomt, namelijk in Genesis 1:1, is op zích al heel bij­­zonder. Het lijkt of alles steeds weer te­rugkomt bij het begin. In Genesis 1 wordt gezegd dat God de hemel en de aarde heeft ge­­scha­pen. «In het begin (of: in een begin, beresjit) heeft geschapen (bara) God (Elohim) de hemelen (‘et hasjamajim) en de aarde (we‘et ha’arets)» Gen.1:1. De wav is de zesde letter. De getalswaarde is ook zes. Als we nu Gene­sis 1:1 gaan bekijken, blijkt ook, dat de wav in de Hebreeuwse tekst het zes­de woord is. Het zes­­de woord begint met de zesde letter. Het zesde woord van die ope­nings­tekst waar­in – om zo te zeggen – de basis wordt gelegd voor heel het werk van God, be­gint met een wav. Je kunt de wóórden gaan bekijken, je kunt ook even aandacht geven aan de lét­ters en dan blijkt dat die wav hier de 22e letter is van de bijbel, waarbij je even be­denken moet dat het Hebreeuwse alfabet ook 22 let­ters om­vat. Dus het is ook weer een heel bijzondere plek die deze letter krijgt in de tekst. Het is de 22e letter van het vers, alsof daarmee alles is gezegd. En dan staat er dus: «Beresjit bara Elohim ‘et hasjamajim we’et ha’arets».

Niets valt buiten zijn schepping! 

Twee keer staat in bovenstaande tekst het woord ‘et. Nu is het lastige hiervan, dat je dat woord ‘et niet vertaalt. Wat achtergrondinformatie over de gram­matica leert ons, dat het woordje ‘et de nota accusativi is. Dat is dus een woordje om aan te duiden dat er nu een lijdend voor­werp komt, een vierde naamval.

Hij schiep: ’et hasja­ma­jim.

Destijds zou je in het Nederlands zeggen: Hij schiep den hemel en Hij schiep de aarde. Het woordje ‘et is om aan te duiden, dat er nu iets komt dat het object, het voorwerp van het scheppen is: wàt wordt er gescha­pen? Vroeger waren er bij zinsontleding van die leuke voorbeelden, zoals: Hij geeft de jongen een klap. In deze zin is ‘een klap’ lijdend voorwerp en ‘de jongen’ mee­werkend voorwerp. Dat is dus duidelijk en simpel en dat begrijpt iedereen. Zo werkt dat in de grammatica. Hier heb je dan in het Hebreeuws de manier om aan te ge­ven, dat er nu een lij­dend voorwerp komt. Je kunt dus ook zeg­gen: wat er volgt op het woord ‘et, houdt in wát er nu al­le­maal geschapen wordt, het voorwerp van Gods schep­pen­de werk­zaam­heid wordt dan genoemd. God gaat schep­pen, Hij gaat creëren en nu komt er als het ware een dubbele punt en daarna volgt heel dat schep­pings­werk van Hem. De rabbijnen zeggen: nu is er toch wel heel iets merkwaardigs aan de hand, want dat woordje ‘et (wat voor ons nog steeds wat moei­lijk ver­taal­­baar is) wordt geschreven met de eerste en de laatste letter van het alfabet, met de alef en de tav. Dat heeft dan deze betekenis: dat kleine woordje (wat je niet eens kunt vertalen), – bestaande uit een alef a en een tav t – omvat eigenlijk alle letters, want die zitten daar­tussen, die worden daardoor omsloten, die worden daardoor omvat. God gaat alef en tav scheppen, dus Hij schept daarmee eigenlijk alles! Niets valt er buiten de schepping! En dat wordt hier al even aangeduid in dat kleine on­­vertaalbare woordje dat dan hier ook nog tweemaal voor­­komt. Alles is van Hem, er valt niets buiten Hem. Er is niets wat kan zeggen: ja maar, ik was er al. Alles is cre­a­tie van Hem. Alef, tav, daar­tussen ligt alles besloten wat er zou kunnen zijn. Uit­ein­de­lijk is al het denkbare, al het mogelijke wat je zou kun­nen zeggen of zou kun­nen bedenken, van a tot z schepsel, creatie van Hem. Dat is toch ook heel ge­na­dig en heel ver­troostend, dat het alles uit Hem voortkomt. In wezen ligt daar in Ge­ne­sis 1:1 al be­sloten wat Paulus zal zeggen aan het eind van Romeinen 11: «Want uit Hem en door Hem en naar Hem toe zijn alle dingen»  Rom.11:36. Het begin van Genesis vertelt dat op een iets andere manier. Daar wordt het dan op deze wijze gezegd met dat kleine woordje ‘et. Je zou het haast in het Ne­der­lands met een dubbele punt kun­­nen weergeven. Hij schiep: de hemelen en: de aar­de. Hiermee wordt aangegeven: alles wat daar is – wat de Grieken noemen de kos­mos, maar wat de Hebreeën noe­men de hemelen en de aarde – wordt gezet on­der dat voorteken ’et. Het is alles object van Hem en dus uiteindelijk is er eigen­lijk maar één sub­ject. Er is maar één onderwerp en dat is God, Elohim. Dat is de genade, die daar staat aan het begin. Jíj hoeft het niet te maken, het wórdt ge­maakt. Daarmee wordt de mens meteen ontheven van al­le kramp­ach­tig­­heid: wij moeten toch nodig eens iets gaan cre­ëren. Daar­mee wordt alles ge­legd in de handen van Hem, die be­gon en die niet laat varen, wat zijn hand een­maal be­gonnen is. Dat woord ‘et represen­teert het hele alfabet, het om­­vat alle verschillende objecten van de schepping, die in de hemel en de aarde be­staan. Daar zit dan iets in van die schep­pings­kracht, net alsof de verteller van Ge­nesis wil zeggen: begin nu maar eens met te wandelen met je Maker en dan zul je veran­de­ren. Dan zul je geschapen en herschapen worden.

Het gereedschap van de Maker

De zesde letter is dus een haak, die verbinding tot stand brengt. Nu zijn er in hoofd­zaak in verband met die wav twee basispunten. Een mooie uit­spraak luidt: ‘het Hebreeuws is de taal van de diepte’. De taal is ei­gen­­lijk een vorm van gereedschap. Dat zie je hier ook weer: er is sprake van een haak. Dat is ook zo’n stukje gereedschap, gereedschap om naar de diepte te gaan. En de diepte is in de stilte, in het zwijgen. Zo zijn die letters ook het fundament van de wereld en te­gelijk ook een plaats waar je thúis bent. De letters vormen ook de bouwstenen van de schepping. Het zijn de oersymbolen van de god­delijke energie. God zet als het ware die letters neer om met behulp van die letters aan het werk te gaan. Dat is het ge­reed­schap van de Maker. Zo kun je ook zeggen dat die letters uni­ver­se­le wijsheden bevatten, die de basis van de schepping ont­hul­len.

De middelste letter van de Torah

De wav is dus de letter van de verbinding, de samenbinding. De rabbij­nen hebben daarover doorgedacht en zij hebben op een ge­­ge­ven mo­ment ook de vijf boeken van Mozes, die met elkaar één geheel vormen, van Genesis tot en met Deutero­nomium, onder­zocht in verband met de plaats van de letters in de Torah. Ze ontdekten toen, dat de middelste letter van de Torah een wav is. Van al die dui­zen­den letters – volgens de Hebreeuwse tel­ling zijn het er zo’n 600.000 – is uit­ge­re­kend de middelste van al die letters die éne letter, die de verbinding vormt. Dus in het hàrt van de Torah, in het hart van die onderwijzing van God staat een haak. De vijf boeken van Mozes zijn de vijf boeken van de ontferming. Je kunt ook zeggen: het zijn de vijf boe­ken van de verzoening en in het hàrt van de ontferming, in het hart van de verzoening, staat die haak, die samenbindt. De tekst, waar de wav als middelste letter staat, is Leviticus 11:42. In dat verband gaat het niet speciaal om het punt welke func­tie die wav dáár heeft, maar het gaat er wel om – en dat zie je dan ook in de He­breeuwse teksten ­- dat die letter extra groot wordt geschreven. In Levi­ti­cus 11:42 staat dan een kolossale wav. Het staat daar zomaar in al de voorschriften, die gegeven wor­den over de reine en de onreine dieren. In Leviticus 11:42  wordt gesproken over «al wat gaat op zijn buik». En dat woord buik is in het Hebreeuws gachōn en daarin zit dan die ene letter ver­borgen, die het middelpunt vormt van heel de Torah. Het zit zomaar ver­­­­scholen in zo’n klein woord. En opeens is daar dan die letter, die dan extra groot wordt geschreven en die ons wil vertellen: kijk, dit is nu het hart van alles wat God doet en geeft: ver­bin­ding, samenbinding. In wezen kun je zeggen, dat het ook een van de oergeheimen van de goddelijke wijsheid is. Daarom kun je ook zeggen: die letter is een van de bouwste­nen van de schep­ping, een van die oerbeelden, een van die grondprin­ci­pes van de god­de­lijke wijsheid. De basis van de schepping is de samenbinding. De derde letter van het woord gachōn is de wav w. Deze wordt dus ex­tra groot geschreven en staat op de helft van alle letters van de Torah. Als je daar­­over zou doordenken, dan zou je kunnen zeggen, dat het in­der­daad om dat diepste innerlijk, om dat diepste wezen van de Torah gaat. 

Levend water uit zijn binnenste

Het woord gachōn zou je zelfs nog kunnen verbinden met Johan­nes 7:38. «Wie in Mij gelooft, gelijk de Schrift zegt, stromen van levend water zullen uit zijn binnenste (koilia) vloeien»  Joh.7:38. Koilia (binnenste) is het Griekse woord voor in­ge­wanden.

In Johannes 7:38 wordt gesproken over het binnenste, het innerlijk van de mens. Als je dit als metafoor, als symbolisch woord bekijkt, zie je dat daar wordt gesproken over het geheim van die ver­binding, het samen­bin­den van datgene wat verdeeld is. Want in wezen is dat het geheim van de zesde letter. De zonde is altijd de scheur­maker. De zonde is dat­gene wat verdeelt, wat in tweeën doet breken, waardoor er breuken komen, waar­door er zo­veel kapot­ge­maakt wordt. Maar het Evangelie is toch altijd weer dat­gene wat sa­­men­bindt, wat het hart weer héél maakt, wat de scherven van het leven weer bij elkaar brengt. Het Evangelie is de genezende kracht, de ver­­zoe­nende wer­king, de héélmakende kracht, waardoor dat­gene wat be­scha­digd is weer sa­men­ge­bracht wordt, weer wordt vere­nigd.

De Naam van God

De zesde letter heeft dus een bijzondere be­tekenis in het gehele heils­plan van God. We gaan daar een paar aspecten van bekijken en we be­­gin­­nen bij de naam van Adonai, de naam van God, de naam die je ei­genlijk niet uit­spreekt. Dan kom je bij het diep­ste geheim van het geloof: JHWH, de vier letters waarin in wezen zo­veel verborgen ligt. Daar ligt het hart van ons den­ken, van ons ge­lo­ven, van ons verwachten, want uit­eindelijk ligt al­les be­slo­ten in zijn naam. Als je nu kijkt naar de vier letters, die de naam van God spel­len, waar ook vanouds heel veel over nagedacht is, mag je de vraag stellen: zou je die naam kúnnen uitspreken? Die naam blijft toch altijd een geheimenis, een verbor­­genheid, een mysterie. De naam JHWH – yhwh begint met een jod, dan komt de hee, het ven­ster, dan komt er aan het eind nog een keer een hee, een venster en daar­tus­sen staat de wav, de ver­binding. Dus in de naam, in het wezen van God, zit twee keer een venster of twee keer een adem­tocht en daartussen is die ver­bindingsschakel. Dus daar ont­dek je al weer zoveel over Gods hart, over hoe Hij eigenlijk is. In het wé­zen van God is twee keer dat venster, twee keer die adem­tocht en daar­tussen die haak als verbinding tussen alles wat uit el­kaar geval­len is. Gods we­zen is verbinding maken. Daar is het ven­ster van God en het venster van de mens, maar Hijzelf legt de ver­binding tussen boven en beneden, tussen het ene hart en het andere hart. Hijzelf brengt die schakel tot stand. Als we nu de jod weglaten, ontstaat er een woord, dat hiermee te maken heeft: HWH – hwh. Kùn je zomaar een letter weglaten en wat houd je dan over? HWH spreek je uit als: howeh. Howeh is een vorm van het werk­woord zijn. Howeh be­tekent: de Zijnde oftewel: Hij die is.

Dat kennen we uit het boek Open­ba­ring. Daar staat dat meteen al in de eerste ver­zen. «Genade zij u en vrede van Hem die is en die was en die komen zal»  Op.1:4. «Hij die is» Terugvertaald vanuit het Grieks in het He­breeuws, staat er dan Howeh.

«Hij die is (howeh), die was (hajah), Hij zal zijn (jihjèh)». Daar heb je die drie vormen van heden, verleden en toekomst. God omvat alle tijden. Howeh, HWH betekent: de Zijnde. Met die drie letters wordt aangegeven dat God de bron is van alle zijn, van alles wat bestaat, alles wat ge­ko­men is en wat geworden is. Hij is de oorsprong van alles wat leeft of wat er kan zijn. Het is allemaal gegrond in Hem. Die drie letters geven al zo­veel aan waar het eigenlijk op aan komt. Je ziet met­een ook dat daarmee die vijfde en zesde letter in één woord wor­den be­vat. In God is het abso­lu­te zijn. Daarin zijn de twee hee’s – dat ene venster en dat an­dere, die ene ademhaling en die an­dere adem­tocht – tot eenheid gemaakt door de wav die daar in het mid­den staat. En dan is daar alleen nog het zijn, on­be­grensd. Dit is het reser­voir, de bron van alle zijn. En dat zijn is alleen maar adem, adem­tocht, de levensadem, die gegeven wordt.

Ik ben de Zijnde

Tegelijk merk je dat het woord howeh eigenlijk een ‘heel zacht woord’ is. Daar zit geen enkele scherpe medeklinker in. Het is een ademtocht en de wav heeft ook alleen maar een heel zachte klank; die letter ligt ook haast op de grens van het materiële en het immateriële. Dat is bijna on­stoffelijk, alleen maar spiri­tu­eel, in de geest aan­we­zig, puur gees­­telijke kracht. Niet door geweld, niet door druk uit te oefenen, niet door scherp­te, maar van­uit de innerlijke ademtocht van Hem die leeft, wordt alles tot stand ge­bracht. Zo is daar de aanwezigheid van Hem, die alles tot stand brengt en tot aan­zijn roept, het ab­so­lute zijn. Daarom is het ook weer zo mooi dat het woord howeh, de Zijnde, eigen­lijk ten grond­slag ligt aan de openbaring, die God geeft aan Mozes: Ik zal er zijn. De Septuagint heeft in Exodus 3:14 ook ver­taald: «Ik ben de Zijnde». Terugvertaald is dat: «Ik ben, Hij die is, Ik ben de Zijnde (Ani howeh)». Het mooie hiervan is, dat dit als het ware de basis is voor heel de uit­tocht. Van daaruit komt de exodus tot stand. Gods volk wordt uit­­geleid. Dat gaat allemaal ge­beu­ren vanuit dat howeh, de adem van God, die al­les tot leven brengt, die in be­­we­ging zet. Het is ook weer heel treffend, dat datzelfde woord ook staat aan het begin van het boek Openbaring. Daarmee wordt dat laatste boek ge­toon­­zet met die drie letters: HWH. Met die drie letters wordt, om zo te zeggen, het hele boek Openbaring ingeleid, ingeluid.

HWH; dat zijn als het ware de geboorte­wee­ën van de Schepper. Het is de adem waarmee Hij het nieuwe leven te voorschijn perst en te voor­schijn brengt. Ik ben de Zijnde. Dan kan er nog wel van alles gebeuren en er kunnen al­lerlei mach­­ten en krach­ten gaan opspelen: er komt een beest uit de aarde en er komt een beest uit de zee. Maar eigenlijk is het be­langrijkste al gezegd: HWH; daar kan geen tegen­kracht tegen­op. Dat is Gods eerste woord, dat is zijn schep­­pingswoord en daarin wordt dan de eenheid bewerkt. Dat is die grote ver­bin­ding die gelegd wordt, waardoor al het zijnde uit Hem voort­komt. Er kan ook niets zijn wat niet deze naam tot grondslag heeft. Wat niet vanuit deze bron komt, kan er in wezen niet zijn. Dat kan wel een poosje proberen zich te verheffen, dat kan wel even­tjes de kop op­ste­ken, zoals dat beest zijn kop gaat opsteken, maar uit­ein­de­lijk ver­pul­vert het, valt het in elkaar en wordt het van ­binnenuit ont­man­­teld. Het heeft geen bestand, het heeft geen be­staan, want het heeft geen wor­tel. Alles wat wer­ke­lijk ís, begint vanuit dat HWH, Hij die is.

Het getal van de Godsnaam – 26

Het getal van de Godsnaam JHWH – yhwh is 26.

Jod = 10, hee = 5, wav = 6, hee = 5.

Die letters vormen een geheimenis. En dat is toch wel heel in het bij­zonder het geval met dìt geheim, die naam van God, het getal 26. Ik zal er zijn. Of zoals het oorspronkelijk geweest moet zijn: een soort uit­­roep, een evocatie als mensen iets van Hem mochten erva­ren en zei­den: Daar is Hij! Een uitroep als een herkenning, als een uiting van ver­won­­de­ring. De Leidse professor Eerdmans zei: Je moet waar­schijnlijk uit­­spreken: Jahu, als een uitroep, zoals je het ook in veel eigen­na­men te­gen­komt, zoals Elijahu, Jesjajahu. Al die eigennamen ein­di­gen op jahu, de ver­bor­gen naam van God. Zo was daar die uitroep van ver­won­de­ring en verbá­zing: daar is Hij!

Zesentwintig is de weg naar de voltooiing

De voorgaande schep­pin­­gen waren ook wel van God, dat was – om zo te zeggen – het voor­­spel, het voorbereidende handwerk, waarbij de mate­rie vaak ook heel weer­barstig was. Daar zit natuurlijk wel in, dat er des­tijds zich van alles heeft afgespeeld. Je kunt natuurlijk ook zeggen, dat de rab­bijnen in we­zen het hele probleem van het kwaad weer hebben te­rug­­ge­pro­jec­teerd naar vóór de schepping, maar hoever kun je het terug­plaatsen? Het getal 26 betekent ook, dat je dan je weg door het leven hebt af­ge­legd; dan ben je aan het eind van al je omzwervingen, dan ben je thuis­ge­komen. Dan kom je thuis in dat heiligdom, in die naam van God, dan kom je thuis bij zijn hart. De rabbijnen zeggen: In Genesis 1 wordt gesproken over ‘woest en ledig’ (to­hu wa bohu). Dat waren die vorige scheppingen, want er zijn al 26 schep­pingen geweest, voordat deze schepping tot stand kwam. Die 26 schep­pingen vormen het voorspel en dan komt de eigenlijke schepping. Dan gaat God tot stand brengen wat in zijn hart was. Zesentwintig is de weg naar de voltooiing, de weg naar het hart van God, de weg om thuis te ko­men. Bij 26 ben je eindelijk aangekomen bij het Va­der­huis. Dan is het doel bereikt, dan is de naam van God tot een wo­ning geworden, tot een plek waar je mag zíjn. Dan ben je gekomen bij de bron van al wat ís.

Want zijn goedertierenheid zal bestaan in eeu­wigheid

In Psalm 136 staat 26 keer: God is goedertieren. «Want zijn goedertierenheid (zijn chesed, zijn verbondstrouw) zal bestaan in eeu­­wigheid»  Ps.136. Goedertierenheid, chesed, is eigenlijk – als je het zou willen om­schrij­­­ven naar zijn diepste betekenis – dat God trouw is aan zijn ver­­bond. Buber vertaalt het met het Oud-Duitse woord Huld, de Gotteshuld, de ver­­­bondstrouw van de Eeuwige. Ein Holder is iemand die een verbonds­re­la­tie heeft met een ander en die daar dan bestendig in is. Dus het is ei­genlijk de bestendigheid in de verbondsrelatie. Het verbond om­­vat ál­les, daar valt niets buiten. Dat zei Breukelman ook al: Er is in heel de bij­bel geen andere mens dan de verbondsmens en er is geen andere God dan de Verbonds-God. Dus dat verbond omvat in wezen alles van Ge­ne­sis tot en met Openbaring.

De vloed en de toren

Je gaat ont­­dekken dat de naam van God (JHWH) zijn wezen, zijn ka­rak­ter is. Maar je ontdekt tegelijk ook, dat de naam van God mee­­gaat door de ge­schie­de­nis heen. God gaat door de we­reld­ge­schie­­denis heen. God gaat mee door heel die weg van de volkeren. Als God niet zou mee­gaan, zou heel de geschiedenis van de volkerenwereld alleen maar chaos en wan­orde zijn. Dan zou het een doodlopende weg zijn. Af en toe zie je ook iets van dat ‘doodlopende’, van dat cha­­otische, zoals bij de zond­vloed en de toren van Babel. Dat zijn dan van die momenten, waarop je denkt: nu breekt het kwaad he­le­maal open. Kan het nu ooit nog weer goed worden? Hoe kun je dat nog weer héél maken! In Genesis 1 tot en met 11 zijn er twee dieptepunten: de zondvloed en de toren van Babel. Maar, zegt de schrij­ver van het boek Genesis: de naam gaat mee, JHWH!

God is incognito aanwezig

Af en toe zie je er iets van hoe de naam van God meegaat. Bij Abraham kun je er iets van ontdekken, en zie je, dat in heel die gang van Abra­ham ook dat ‘gaan van God’ is. ‘Ik zal met u gaan uit Ur kasdim, uit het oerland door Egypte heen’. Daar zie je hoe die naam meegaat, de Zijnde, Hij die is. Hij gaat mee met Abraham op zijn halakhah, op zijn gang door de wereld. Maar kun je vóór Abraham ook een beetje ontdekken dat God mee­gaat, dat daar iets van die naam is? Je zou zeggen, dat ze toen eigenlijk die naam nog niet kenden. Die naam wordt in we­zen ook pas geopenbaard bij Mozes. Mozes is bij het brandende braambos en dan gaat het gebeuren: Ik zal zijn, die Ik zijn zal. Mozes krijgt dat geheimenis van die naam verklaard. Dus die naam wás er al wel, alleen incognito. De profeet Jesaja zegt ook: «Gij zijt een God die zich verborgen houdt».

Hij ís er dus wel, maar op een verborgen manier. Dat zie je van­daag de dag ook, dus wat dat betreft is het ook heel actueel. Ook in deze tijd is er veel chaos, veel ‘tohu wa bohu’, or­de­loos en vormeloos. Maar die naam van God is incognito aanwezig. Misschien is dat juist het spe­ci­ale, ook wel het unieke van deze God, dat Hij er kennelijk behagen in schept in­cog­nito aanwezig te zijn. God zegt: Ik hoef niet zo nodig op het podium, laat Mij maar er­gens in de zaal zitten, maar Ik heb wel de regie. Een goede re­gis­seur zìe je ook niet. Je ziet de acteurs op het toneel, maar het zou een heel slechte regis­seur zijn als hij de hele tijd over het toneel zou lopen. De aanwijzingen geeft Hij in het verborgene. Je ziet de spelers, die hun rol in het grote stuk spe­­len, maar de regisseur blijft ergens achter de scher­­men. Misschien dat hij af en toe éven zichtbaar wordt. Opeens zie je even iets van zijn voorbijgaan! Opeens is daar iets van die voorbijgang van de naam. Degenen die dat herkennen, kun­­nen dan ei­gen­lijk alleen maar vol ver­ba­zing uitroepen: Jahu, daar is Hij! Het grote publiek zegt misschien: Zag je dan wat? Zo is er dat geheim van die naam.

De geschiedenis achter de schermen

Kunnen we die naam ook terugvinden in de eerste hoofdstukken van Ge­­­ne­sis in de gang van de volkeren? Als we dat nu gaan zien, heb­ben we toch al heel wat ontdekt, want dan hebben we in ieder geval weer een basisprincipe gevonden: de aanwe­zig­heid van God in de his­­torie, in de wereldgeschiedenis. Is die wereld­geschiedenis nu zomaar een spel van allerlei krachten? Is dat al­leen maar het recht van de sterk­ste? Is de wereldgeschiedenis het ver­haal van allerlei machthebbers? De ene keer heet hij Nebukadnessar en de andere keer heet hij keizer Nero. Tot op vandaag de dag is er die lange rij van keizers en koningen en allerlei macht­hebbers. Maar is er ook nog een ver­bòrgen geschiedenis, wat Bu­ber genoemd heeft: ‘de geschehende Ge­schichte’, de ‘geschiedende geschie­de­nis’. Dat is de geschiedenis ach­ter de schermen. Er is een soort rode draad achter het wereldgebeuren. Dat komt niet in de krant, maar het komt wel in Genesis. Als je nu Ge­nesis hebt en misschien nog een stukje van Exodus erbij, dan heb je meer dan duizend kranten. Wat duizend kranten u niet kunnen vertellen, dat hoort u in het eerste boek van de Schrift. God zegt: dat zal Ik heel ver­borgen in mijn eer­ste boek neerleggen. Daarom staat er ook telkens: «Wie het leest, geve er acht op». Of: «Wie het leest, moet het verstaan»  Matt.24:15. Filippus zei ook tegen de kamerling: «Verstaat (herkent) gij wat gij leest?»  Hand.8:30. Kun je de letters bij elkaar lezen? Want lezen is oorspronkelijk bij elkaar rapen. Vergelijk daarmee aren lezen, dat ‘aren bij elkaar rapen’ betekent. Kun je ergens in het boek Genesis de naam van God terugvinden? Niet alleen dat er af en toe JHWH staat, maar vind je zijn naam ook in de gang van de wereld? Er staat zo prachtig in een Oud-Engels lied:

God moves in a mysterious way.

God gaat zijn ongekende gang.

Vol donk’re majesteit,

Die in de zee zijn voetstap plant

en op de wolken rijdt.

Hij vertaalt de duisternis

In eind’lijk eeuwig licht.

God zegt: Je ziet wel heel wat duisternis, maar Ik geef de vertaling er wel bij, de ondertiteling. Dan ontdek je die achtergrond. Hij nodigt je uit en zegt: kom nu maar eens even áchter het toneel, achter de coulissen kijken. Dan zit je niet meer in de zaal, maar dan kijk je achter de scher­men, achter de gordijnen. Wat gebeurt er achter de coulissen? Is daar mis­­schien dat geheim van die naam?

De drie symbolieken van de wav

Er wordt vanouds gezegd, dat in de zesde letter in wezen drie symbo­lieken zit­ten.

1. Ten eerste is de verticale lijn van de wav w symbool van de verbinding tus­sen boven en beneden, de hemel en de aarde. De letter duidt op een straal van licht, die zó uit de hemel loodrecht naar beneden komt. Die wav is als het licht van God, een lichtstraal vanuit de hoge, zo ‘senkrecht von oben’, die in de duisternis van de ballingschap schijnt. De Joodse traditie zegt: In de duisternis van de ‘tsimstoem’ (God heeft zich teruggetrokken) komt die lichtstraal. De wav is dat eerste licht, dat ongeschapen licht, dat zo afdaalt naar de aarde, in deze wereld, maar ook in het mensenhart.

2. De tweede symboliek heeft ook te maken met de vorm van de letter. De wav w is een pilaar, die als een een zuil van licht staat opgericht.

3. Bij de derde symboliek wordt de wav als zesde letter beschouwd als het symbool w van de rechtopstaande mens, die op de zesde dag werd ge­scha­­pen.

De rabbijnen zeggen: Als je al deze symbolieken met elkaar combineert, dan is de wav ook het symbool van de Messias, want de Messias is het Licht. Je kunt de lijn doortrekken naar Johannes 8: «Ik ben het licht der wereld»  Joh.8:12.

* Ik ben het licht dat uit de hemel nederdaalt, die goddelijke lichtstraal. 

* De Messias is de pilaar van de schepping, maar Hij is ook de pilaar van de toe­kom­stige schepping. Hij is de zuil waar heel die toekomstige creatie op rust.

* Jezus is ook de volmaakte adam, de volmaakte mens, die rechtop kan staan te midden van alle stormen en weerstanden. In het boek Openbaring zie je die prachtige symboliek van dat staan, weer­­ge­geven in de woorden «Hij, die overwint, zal staan». De mens, die staat voor de Eeuwige.

Zitten of staan

Naar aanleiding van het woord ‘staan’ het volgende verhaal.

Er is een klein artikel verschenen met het opschrift: ‘Zitten of staan’.

Goethe schreef staande en dat is eigenlijk heel merkwaardig. Wij zijn gewend zittend te schrijven. Maar de dichter Goethe schreef en dicteerde staande. Zijn hoge lessenaar met daaronder een schitterende ladenkast om de volgeschreven vellen op te bergen, staat nog in zijn werkkamer in het ‘Goethe Haus’ in Wei­mar. De dichter P.C. Hooft schreef ook staande en eenzelfde lessenaar als hij ge­bruik­te, is te vinden op het Muiderslot. In een gedicht van Nijhoff wordt geschreven over een kind, dat aan zijn schrijf­tafel stáát te schrijven op een lei. De schrijver stáát. Staande schrijven geeft – volgens een kenner – de mo­ge­lijk­heid totrondlopen. Als gedachten stokken, breng je ze wandelend weer op gang. Al wandelend krijg je misschien weer inspiratie. En in de Stoa bij de ou­de Grieken is er veel denkend gedrenteld. Wie zittend geen inspiratie meer heeft, moet zich telkens van zijn stoel verheffen en dat is dan meestal een ir­ri­tante be­zig­heid. Je moet steeds weer van je stoel opstaan. Daarom blijf je maar zitten zonder nieuwe gedachten, waardoor er geen woord meer op papier komt. Làs men ook staande? Ik weet het niet. Ik heb altijd gedroomd van een hoge les­­senaar waarop je even een boek legt om dat te kunnen raadplegen. Na ge­bruik zet je het boek weer in de kast en loopt peinzend terug naar je tafel. Maar de hele tijd staande lezen ver­eist een onmogelijke roerloosheid. Denk aan de zittende lezer, die zijn ellebogen op tafel zet en met  twee handen zijn hoofd ondersteunt. Ik waarschuw, door ervaring geleerd, dat je er ontsto­ken slijm­beur­zen van kunt krijgen. De dokters noemen die afwijking: studie­beur­zen. De zitter hàngt vaak over zijn boek, wat ook geen fraai gezicht is en waardoor je een in­gevallen borst krijgt. Wie achterover zit en het boek op een afstand voor zich houdt, wekt de indruk van verveling of onverschilligheid. Ik lees sinds kort aan een tafel­les­se­naar; ik weet me heel gelukkig, maar ook plechtig. Zitten is oneerbiedig tegenover het boek, waarin alles stáát. Het hoort omge­keerd. Wie is er zo nederig, dat hij staande leest? Om over na te denken: in het boek stáát alles.

De volledige studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

384684 bezoekers sinds 07-06-2010