De symboliek van het Hebreeuwse alfabet Deel 1

06-06-2010 door Dr. K.D. Goverts

De eerste letter t/m de vijfde letter

alef, bet, gimel, delet, en de hee

Ik ben de alfa en de ome­­ga  

In bijbelstudies gaan we meestal uit van een bijbelboek of bestuderen we een be­paald onderwerp vanuit verschillende teksten. In deze studie zul­len we juist het alfabet als uitgangspunt nemen en van daaruit naar de teksten gaan. We zullen zien hoe we dan gaan ‘landen’ en waar ons die hele uiteenzetting over het al­fa­bet zal gaan brengen. We zullen schou­­­wen naar woorden, woorden waar we als het ware in kun­nen wó­nen. Het Hebreeuwse alfabet heeft 22 letters, dus iets minder dan in on­­­ze ge­bruikelijke traditie. Het alfabet begint met de alef – a en het ein­digt bij de taw – t. Als er in Openbaring 1 staat: «Ik ben de alfa en de ome­­ga, het begin en het einde», zou je dat terug kunnen ver­ta­­len in het Hebreeuws met de woor­den: «Ik ben de alef en de taw».

Zo doet Chou­raqui het ook in zijn Franse vertaling, waarin hij zegt: «Ik ben de eerste en de laatste». Het Hebreeuwse alfabet heeft dus 22 letters. Dat het alfabet 22 let­ters om­vat, heeft onder andere als achtergrond, dat de klinkers pas la­ter zijn toe­ge­voegd. De klinkers doen niet mee in het rijtje van het alfa­bet. Pas na­der­hand werden de klinkers er bi­j­­geschreven. Oorspronkelijk had je al­leen maar de con­so­nan­ten, de medeklin­kers. Elke letter heeft zijn plaats in het geheel. Je kunt ook zeggen: elke letter heeft zijn betekenis, en ook is elke letter weer een stap in de geschiede­nis van God. Dus al spellend ga je voort op weg naar het einddoel, van alef naar taw. Al spellend, de woorden spel­lend, de woorden heel voor­zich­tig proe­­­­vend, letter na letter, kom je bij de voltooiing. Vandaar ook dat de Baäl Sjem Tov, een Jood­se rebbe uit de 18e eeuw, stich­­­ter van het chassidisme zei: “De letters hebben een ziel”. Een letter heeft een ziel in zich. De letters krijgen als het ware dan ook vleu­gels, ze stijgen op en vereni­gen zich.

* De vier niveaus van de letters

Vandaar dat je een letter ook op verschillende niveaus kunt be­kij­­ken. Je hebt een letter gewoon op het aardse niveau, dat is het eer­ste niveau; je kunt ook zeggen: het fysieke niveau. Bij ons is dat meest­­­al het gebruike­lij­ke niveau en in het gang­bare spraak­ge­bruik kom je ook niet zoveel verder dan dat niveau. Elke letter, of dat nu een a is of een b of een c, heeft gewoon een betekenis op het aard­­­se vlak en daar blijft het dan bij. Het maakt niet zoveel uit of je a zegt of z; het gaat alleen maar om een func­tioneel gebruik. Dat is het ge­bruik van de letters op het fysieke ni­veau.

* Het tweede niveau is dat van het spirituele. De letters krijgen als het wa­re zíel, ze krijgen geest, ze worden doorademd. Er komt dan iets in van de ruach, van de adem van God.

* Daarmee ga je over naar het derde niveau en dat is het god­de­lij­ke ni­ve­au. Vandaar dat de rab­­bijnen ook zeggen: “Elke letter heeft een li­chaam en een ziel”. Een letter heeft een lichaam, dat is de uiterlijke verschijningsvorm.

Dan heeft een letter ook een ziel, dat is de nephesj, dat is de klank van de medeklinker. Er komt nephesj in, er komt een ziel in. Op het derde niveau krijgt die letter ook ruach, geest, adem van God. De klinker komt erbij, de klank en de kleur. De letter wordt tot klinken gebracht.

* Het vierde punt is, dat een letter nesjama krijgt. Nesjama be­­­te­kent ook zo­iets als geest, maar het kan ook betekenen me­lo­die.

De let­ter wordt opgenomen in een verhaal.

1. De letter heeft een lichaam. Dat is eigenlijk alleen de bui­ten­kant, dat is de uiterlijke gestalte.

2. De letter krijgt nephesj, ziel, dat is de klank van de me­de­klin­ker.

3. De letter krijgt ruach, geest of adem. Dat is de klinker die er­bij komt; de klank en de kleur.

4. Dan krijgt de letter nesjama, geest en melodie. Hij wordt op­ge­no­­­men in een verhaal.

De oertaal van het menselijk geslacht

We gaan deze gegevens illustreren aan de hand van de verschillende let­­­­ters van het alfabet en dan krijgt ons verhaal wat meer vorm en in­houd. De let­­ters vormen samen een door God gegeven geheim, een oor­­spron­ke­­lijke taal. Je zou kunnen zeggen: een oertaal. Er wordt wel gezegd, dat het Hebreeuws de oertaal is van het men­­­selijk geslacht. Het is de taal waar het mee begonnen is; het is de taal van je oorsprong. Het is maar de vraag hoeveel je daar­van kunt bevatten. Er is een oude traditie, waarin gezegd wordt: “In het begin, toen de men­­­sen nog heel dicht bij God leefden, was hun hart heel ruim. Er was veel ruimte in hun ziel en hun harten hadden poorten als grote zalen”. Poorten als van reusachtige paleizen en hallen. Hoe ruim is je hart ei­gen­­lijk? De poorten van hun hart gin­gen wagenwijd open en men zei: “Heer spreek maar, want uw knecht hoort”. Ze kon­­den Gods gedachten ontvangen en hadden rúimte in hun binnenste. Ze kon­den inderdaad zin­gen:

Zie, heel mijn hart staat voor U open,

doe in­tocht Heer in mijn gemoed.

Dat was hun lijflied. Ge­zang 118 uit het liedboek was hen uit het hart ge­­­­gre­pen. Zo zetten ze de poorten van hun diepste wezen wa­­­gen­­wijd open, en de Eeuwige kon als het ware met zijn wa­­­gens binnenrijden. Maar – zo zegt het oude verhaal – langzamerhand werd het wat minder open in het binnenste van de mensen. Het werd er wat krapper en be­nauw­der. Er waren in hun hart alleen nog maar deu­ren in plaats van poorten. Die deuren werden in de loop van de tijd ook nog steeds klei­ner. Misschien werden ze kleiner naar­mate de men­sen kleiner werden. Iets dergelijks zie je ook bij die oude plag­gen­hutten in Drente. Daar wordt op het platteland soms alleen maar de bo­ven­ste helft van het deur­­tje open­gedaan. Dan kun je over de on­derste helft heenhangen om de men­sen te woord te staan. De poorten werden dus tot deurtjes, en de deur­­­tjes wer­­­den ook nog steeds kleiner. Het oude verhaal zegt dan: in deze tijd heeft de moderne mens vaak al­leen nog maar het oog van een naald als ingang. Wat kan dààr dan nog door naar bin­­­nen!? Hoeveel ruimte heb je dan nog, hoeveel entree is er nog voor het goddelijke? Dan zie je ook hoe nodig het is, dat de mens weer op­nieuw geboren wordt, van bòven ge­boren. Hoe nodig is het, dat het hart weer goddelijk geopend wordt en dat daar weer plaats komt voor Hèm!

Gij verruimt mij het hart

Het gaat er dus om, dat er plaats komt, dat er ruimte komt, dat de poor­­­ten van het hart weer opengaan. En dan zal blijken, dat er nog steeds méér naar binnen kan. Als de mens van boven geboren wordt, gaat het hart weer open en wordt het waar wat er staat in Psalm 119: «Ik zal de weg van uw geboden lopen, want Gij verruimt mij het hart»  Ps.119:32.

«Dan zal ik wandelen op ruime baan, want ik zoek uw bevelen»  Ps.119:45. In iedere letter en in ieder woord is God aanwezig. Vandaar dat ook de ou­de Joodse wijsheid zegt: “Er zijn in de Torah net zoveel let­­ters als er kinderen Israëls waren bij de uittocht uit Egypte”. Ze staan bij de uit­tocht uit het diensthuis bij de zee, die voor hen opengaat, zodat er een pad komt op weg naar het Land der Belofte. Dan staan daar net zo­veel Benee Jisraël, kinderen van Israël, als er letters staan in de Torah, in de boeken van Mo­zes. De Joodse wijsheid zegt: “Dat betekent, dat er voor elke zoon van Israël een eigen letter was in de vijf boeken van Mozes”. Elk van de kinderen Israëls heeft dus zijn eigen wortel in de Torah.

De Allerhoogste spreekt heel uniek tot jóuw hart

Dat is toch wel een heel mooi gegeven. Het is ook een heel diep gees­telijk prin­­­cipe, dat ieder mens, als hij tot het woord van God komt, daar zijn eigen wortel vindt. Ieder mens vindt daarin iets van zichzelf te­rug.Als je komt tot het woord, als je komt tot het spre­­ken van God, als je komt tot het hart van God, spreekt het woord heel per­soonlijk tot jóu. En dat geldt voor ieder mens. Het woord van God is nooit zomaar al­ge­meen. Het is maar niet een al­ge­­mene waarheid of iets dat er­gens over de hoof­den heengaat. Maar het woord is heel to the point, het spreekt heel persoonlijk tot het hart! Dat woord wordt op je hart gelegd, dat spreekt je aan. Het woord heeft die heel per­soon­lijke stem, alsof jij de enige mens bent op de hele we­reld en alsof de Allerhoogste heel uniek spreekt tot jóuw hart. Dat is iets wat we in deze tijd weer mogen gaan leren, want we zijn dat principe vaak wat kwijtgeraakt door de veelheid van woor­­den. Er is zo­veel re­cla­me, er zijn zoveel folders en boeken. We worden door al die woor­den zodanig overspoeld, dat we het zicht op de woorden die wer­ke­lijk waardevol zijn ook dreigen kwijt te raken.

Een stap ten hemel en een stap ter helle

Als de uitvinder van de boekdruk­kunst even had kunnen rond­kij­ken in de wereld van vandaag, even de hoeveelheid oud papier had kunnen zien die wij heden ten dage produceren, dan had hij zich misschien nog wel eens bedacht. Mis­schien had hij wel gezegd: ik weet niet of die boek­­­­­druk­­kunst nou wel zo’n mooie uitvinding is. Tenslotte hebben de oude Chinezen en ook andere volkeren be­paal­­de uit­­­­­­vindingen gedaan, die ze niet ten uitvoer hebben gebracht. Er zijn eeu­­wen te­rug bepaalde ontdekkingen en uit­­­­vindingen gedaan, waarbij die oude volke­ren hebben besloten om deze niet in de praktijk toe te pas­sen. Pas in de moderne tijd zijn allerlei uit­vin­din­gen in­der­daad voor het voet­­­licht gebracht. Die ou­de volkeren had­­den blijk­baar nog een bepaald besef van schroom en het bewustzijn om niet verder te gaan. Ze konden op het ge­bied van tech­niek en op andere terreinen al bepaalde zaken ten uit­voer brengen, maar heb­ben tegen elkaar gezegd: laten we er het zwij­gen toe doen, want hier ko­men we op een levensgevaarlijk terrein. Misschien is de boekdrukkunst één van die gevaren. Het druk­werk, de krant, je zou er ein­de­loos over dóór kunnen denken. Snel even lezen; wat vandaag ge­schre­ven wordt, is morgen al weer oud nieuws.

De zegen van de beperking

Onlangs heeft iemand een boek geschreven onder de titel: “De haast van Albertine.” ‘Haast hebben’ is typerend voor de moderne tijd. Het boek gaat over een jonge vrouw in de 19e eeuw, die tot de ont­dek­king komt, dat ze met de moderne vervoermiddelen van toen wel twee dor­pen op één dag kon bezoeken. Wat kun je niet allemaal op één dag doen, maar wat zíe je dan nog, wat hóór je dan nog!   Daarom is het zo wezenlijk, dat we weer teruggaan en bij wijze van spre­­­­ken, stilstaan bij één letter of bij één woord. Misschien brengt dat je dan ook wel tot ontspanning en behoedt dat je ook voor krampachtig­heid, omdat je misschien denkt dat je vandaag niet genoeg hebt gele­zen. Als ik van­daag één let­ter heb gelezen, is dat mis­schien meer waard dan honderd bladzijden. Al die bladzijden kan je toch niet bevat­ten. De Joodse filosoof George Steiner heeft ook met dit probleem gewor­steld. Hij zegt ergens: “Toen ik jong was, had ik het gevoel, dat  ik alles moest omvat­ten.” Hij maakte lijsten van koningen, lijsten van pausen, lijs­­ten van bomen en van bloemen. Hij had het idee dat hij dat al­le­maal in kaart moest brengen. De angst be­kroop hem dan als hij dacht: “Stel je voor, dat ik één naam zou missen en dat daardoor mijn in­­for­ma­tie niet com­pleet zou zijn. Dan kan ik met mijn denken het gehéél niet meer om­vat­ten”. Steiner vertelt het verhaal van de En­gel­se Koningin-Moeder, die in een groot paleis woonde met wel tweehonderd ramen. Elke keer pro­beer­de ze om die ramen te tellen, maar het lukte maar niet. Toen be­dacht men daar iets op: voor elk raam werd een kaars geplaatst. Als we dan die kaar­­­­­sen tellen, komen we er wel uit. Maar steeds kwamen ze toen tot de ont­­­­dek­king, dat er nog een raam was, waar geen kaars voor­ stond. Steeds komt de mens weer tot de ontdekking, dat zijn armen te kort zijn. Er is altijd nog weer een raam zonder kaars. George Steiner zegt dan: “Het be­lang­rijkste is, dat je je leert beperken”. Je moet gewoon tot het besef komen, dat je niet alles weet. En dat moet je dan ook leren aan­vaarden. Je hòeft niet alles te bevatten en te om­vat­ten.

Gekend worden

Daarmee komen we nu bij de eerste letter. Laat het ge­noeg zijn, dat er Eén is, die mìj omvat. Ik kan het niet allemaal om­vatten, maar ik kan wel zeggen: ìk word omvat. Ik kan niet alles wéten, maar het is genoeg, dat er Eén is die wèl alles weet. Ik kan niet het geheel kennen, maar laat het genoeg zijn, dat er Eén is, die mij kent. Laat het genoeg zijn om door Hem gekend te worden.

De eerste letter – de alef

De eerste letter van het alfabet is de alef – a. Daarbij is het goed er nog even iets aan toe te voegen. Elke letter heeft in het He­breeuw­se denken ook een ge­tal bij zich. Letters hebben namelijk een ge­tals­waarde. De alef heeft als getalswaarde één. Daarmee zijn we meteen bij een heel kostbaar geheimenis, want elke letter ís ook een geheimenis. Genesis begint met een bet – b. Het boek Ge­ne­sis begint niet met een alef, maar begint met de tweede letter van het alfabet, de bet. Beresjit – in den beginne, of: ‘in een begin’.

De alef, de één, is de letter van God.

Je zou je af kunnen vragen: wat zijn we ons hele leven bezig te doen? Wat is die lange weg van het geloof, de weg van het herstel? Die weg is: terug naar de alef, terug naar de één, naar de eenheid, terug naar God. Dus heel het evangelie – alles wat daar gebeurt in het evangelie van Mat­teüs, van Mar­cus, van Lucas en van Johannes, die ver­scheidenheid van evangeliën, al die verhalen over Jezus – gaat in wezen om dit punt: Hij brengt ons terug naar de alef. Hij brengt ons weer bij de één, bij de Ene, bij het hart van Godzelf.

Het boek Genesis begint met een bet

Als je nu de eerste bladzijde van de bijbel opslaat, Genesis 1, zie je dat het eerste woord met een bet – b begint. Waarom begint de bijbel met een bet? Waarom begint de bijbel niet met een alef? Dat was toch eigenlijk wel zo mooi geweest, als je de eerste blad­­­zijde van de Torah had opgeslagen en je had daar als eerste woord gevonden een woord met de eerste letter van het alfabet. Dat had natuurlijk wel gekund, want het derde woord in Genesis 1:1 be­gint wèl met een alef: Elohim – God. Als de schrijver dat nu voor­op­ge­zet had, dan was de bijbel begonnen met een alef. «Elohim bara be­re­sjit»  «God schiep in het begin»

Met een kleine omzetting was het probleem opgelost en had­den we een bijbel gehad, die met een alef begon. Dat is natuurlijk wel aardig, al­leen zo staat het er niet! Dat zou een menselijke in­greep zijn, een be­denksel van òns. Waarom is het op déze manier geordend, waardoor er een bet aan het be­gin staat? Daar zijn verschillende verklaringen voor. Maar één punt wil ik spe­ciaal naar voren brengen: de bijbel begint met de tweede let­ter. Dat betekent dat tot ons gezegd wordt: jouw we­reld begint met de twee. Onze mensenwereld wordt altijd gekenmerkt door het getal twee. Dat zul­­­­len we ook verder in heel het boek Genesis zien: het is altijd jíj en je broeder, jíj en de ander. Het is altijd een duo, of dat nu een duet of een duel wordt, dat kan dan nog verschillende kanten op. Het is altijd de één en de ander. Je bent nooit mens alleen, althans zo ben je niet be­doeld. Je bent altijd mens in een relatie. Je hebt altijd op de een of andere manier de ander nodig. Jouw wereld begint met de twee. Dat is meteen ook het geval met alle aspecten, die daaraan verbonden zijn. Dat er twee zijn is toch wel mooi, want dan kun je elkaar ont­moe­ten, pa­nim el pa­nim, van aangezicht tot aangezicht. Dat er twee zijn, kan je blik verruimen, want daardoor leer je za­ken ook van een andere kant te bezien. Dat betekent een aanvulling, een com­ple­te­ring, een blikver­rui­ming, en nog veel meer aspecten. Maar het kan ook het conflict be­te­­ke­nen, de weerstand en de tegenstand. Vandaar dat de rabbijnen zeggen: het woord naaste is rea’, maar van de­zelfde stamletters is ook het woord ra’ gevormd, wat ‘het kwaad’ be­te­­­kent. Je naaste en het kwaad. Wat is het nu? Aan de ene kant kan het heerlijk zijn, dat er een naaste is, dat er iemand tegenóver je is. Het is niet goed dat de mens alleen zij, staat er ook in Ge­nesis 2:18. Maar aan de andere kant kan die naas­­te je ook in een con­flict of in een spanningsveld brengen. Dat kan ook heel wat pro­­blemen veroorzaken. Probeer maar eens een boek te schrijven over één persoon, dan zal je wellicht een boek krijgen, waar he­le­maal niets in gebeurt. Je hebt dan geen conflicten, maar er zit ook geen spanning in.

God heeft het eerste woord

We leven altijd in de wereld van ‘de twee’. Als het boek Genesis in­zet, zit je op het­zelf­de mo­­ment in de wereld van de twee, met­een bij de eer­ste zin, bij de eerste re­­gel, zelfs meteen bij het eerste woord, beresjit. Tegelijk word je er dan aan her­­innerd, dat de één daar­aan voorafgaat. Dat is een basis om op terug te vallen. Genesis 1 be­gint vanuit de twee. Maar… halle­lu­ja, de één gaat daaraan vooraf! Voel je, dat is het gran­di­o­ze: er is Eén, die altijd en aan alles voorafgaat!

Jan Wit verwoordt dat in een lied:

God heeft het eerste woord.

Hij heeft in den beginne

het licht doen overwinnen,

Hij spreekt nog altijd voort.  (Gez.1:1)

Er is één (Eén), de alef, die aan onze wereld voorafgaat! Je ziet de alef niet, maar die is er al wel geweest. Als je Genesis 1 opslaat, is daar met­een het besef, dat dit wel ‘een begin’ is, maar dat je het eerste deel niet kent. Eigenlijk zit je bij Genesis 1 al in deel 2. Het eerste deel is ver­bor­gen, dat is de verborgen wereld van God. Dié wereld gaat vooraf aan al ons kun­nen en kennen en aan al ons lezen en schrijven.

De volledige studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds

2 comments on “De symboliek van het Hebreeuwse alfabet Deel 1”


  1. kindt lie says:

    Beste

    voor mijn kalligrafie wil ik hebreeuwse tekens gebruiken;

    wat zijn vb de tekens voor :”MEDEDOGEN”?(religie)

    dank


  2. Valies Armand E says:

    Dit is het, waar ik al jaren naar zoek.

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

406064 bezoekers sinds 07-06-2010