De raad van God

29-09-2010 door Dr. K.D. Goverts

 De raad des HEREN houdt eeuwig stand

Maar d’altoos wijze raad des HEREN houdt eeuwig stand, heeft altoos kracht. niets kan zijn hoog besluit ooit keren, ’t blijft van geslachte tot geslacht”.   (Ps.33:6 – oude berijming)

Dit vers van de oude berijming van Psalm 33 geeft in duidelijke be­woor­din­­gen weer wat de ‘raad van God’ betekent. Eigenlijk hoef je daar dan ver­der niets meer aan toe te voegen.  “De HERE verbreekt de raad der volken,  Hij verijdelt de gedachten (berekeningen) der natiën (‘ammim – volkeren); De raad des HEREN houdt eeuwig stand, de gedachten zijns harten van geslacht tot geslacht”. – Ps.33:10,11. In het tekstverband wordt ook gesproken over de ‘raad van de vol­ke­ren’. De gojim, de volkerenwereld bedenkt en maakt ook allerlei plan­nen. Psalm 33 begint met de woorden: “Zingt de Here een nieuw lied”. (v.3). In vers 10 wordt gezegd dat ‘Adonai de raad der volken ver­breekt en de bere­keningen van de natiën verijdelt’. “De raad (‘atsat Adonai) des HEREN staat overeind, staat vast, heel de eeuw door, tot in eeuwigheid. En de gedachten van zijn hart tot in geslacht op ge­slacht”. – Ps.33:11. (letterlijk) ‘Atsat Adonai (de raad van de Eeuwige) zijn de eerste woorden van v.11. De volgorde van deze woorden in de Hebreeuwse tekst is heel opmer­ke­­lijk, want het subject, het onderwerp wordt helemaal naar voren ge­haald. Parallel wordt daar aan de ene kant gesteld ‘de raad’ en daar­naast de gedachten van zijn hart’. Hier wordt dus aangegeven dat die raad in Gods hart ligt. Het is goed om dat te onderstrepen. Die raad is niet iets wat ex­tern is, maar die is intern. Er zijn gedachten die van bui­ten naar je toe­ko­men, maar dit is een gedachte die bij God van binnenuit komt. Dan zit het dus veel dieper. Het is bij Hem niet iets, dat op een ge­ge­ven mo­ment naar Hem is toe­ge­komen, maar het is iets wat vanuit Hem, uit zijn hart, is opgekomen. Hier komen we in feite bij de diepste bo­dem, bij de meest fundamentele laag die je kunt vinden in de Schrif­ten. Dit gaat die­per dan alle uit­wen­dige factoren. De oude dogmatici zeiden: God neemt de redenen uit Zichzelf. Dat is in feite het meest fundamentele aspect in dit verband. Het komt uit zijn hart. God neemt redenen uit Zichzelf. Er was geen bepaalde aanleiding voor te vinden, Ook was er geen aanleiding voor te vinden in de mens, om­dat men­­sen eigenlijk toch wel sympathiek wa­ren of hun best hadden gedaan. Dit is echter de gedachte van zijn hart, de gedachte vanbinnen. Dus de raad van God is helemaal voortgekomen uit Gods innerlijk. Als je iets in alle behoed­zaam­heid, in alle voorzichtigheid kunt zeggen over Gods diep­ste we­zen, dan zegt deze psalmtekst: ‘het komt uit Gods wezen’. Tegenover de raad van de gojim staat de raad van Adonai. In de ge­schie­­­­denis van deze we­reld gebeurt er van alles. Als je kijkt naar het we­reldgebeuren, naar alle balling­schap­pen en omzwervingen, dan kan er voor het oog heel veel scheef gaan. En toch gaat er niets ver­lo­ren…. Er gaat niets verloren in de ont­wik­ke­lingsgang van de geest. God raakt nooit iets kwijt. Het kan soms lijken als­of die raad van God he­le­maal onder het stof is verdwenen, maar Gods raad komt altijd weer boven.

De restauratie van de tempel

In 2 Kronieken 34 wordt een bijzondere gebeurtenis verteld. Josia wordt op achtja­rige leef­tijd koning en hij besluit op een gegeven moment om het huis van God te gaan herstellen. De tempel wordt gerestaureerd; ‘om de tem­pel te ver­ma­­­ken en te verbeteren’, zegt de Statenvertaling. Er wordt hard gewerkt door allerlei arbeiders en dat is ook heel wezen­lijk, want de tempel is het ‘Huis des Heren’. Maar de tempel staat model voor de hele schepping. Als de tempel hersteld wordt, heeft dat te ma­ken met het herstel van het heel­­al, het herstel van de hele kosmos. Wat God in het klein laat ge­beu­ren, is dan ook in het groot aan de orde. Die tempel is model, ma­quet­te, blauw­druk van het geheel. We zien bij de tabernakel en later bij de tempel, dat daar ook veel sym­bo­lie­­ken in zitten, die te maken hebben met dat grote geheel. Het herstel van de tempel is niet zomaar een onderneming in de trant van: nu staat er weer een prachtig bouwwerk en dat is toch mooi om naar te kijken! Die tem­pel heeft te ma­ken met het hele herstelplan in de gees­telijke we­reld. “Josia was acht jaren oud, toen hij koning werd, en hij regeerde eenendertig jaar te Jeruzalem”. – 2 Kron.34:1. Acht is het getal van de nieuwe schepping. “In het achttiende jaar zijner regering, toen hij bezig was het land en de tempel te reinigen, zond hij Safan, de zoon van Asaljahu, en de stadsoverste Maäseja en de kanselier Joach, de zoon van Joachaz, om het huis van de HERE, zijn God, te herstellen (om te versterken het huis van de Eeuwige, zijn God)”. 2 Kron.34:8. Achttien (chai) is het getal van het leven. Josia gaat dus in het 18e jaar van zijn regering het land en de tempel rei­ni­­gen. Deze jonge koning heeft in zijn hart besloten om het oude af te bre­­ken en om de oorspronkelijke tempel weer in ere te herstellen. In de volgende verzen staat dat er een inzameling wordt ge­­houden om de werkzaamheden te kunnen realiseren. In een of­fer­kist, een soort schat­­kist, wordt al het benodigde geld ge­­de­po­neerd. Dat wordt ter hand ge­steld aan degenen die daar aan het werk gaan. Dan wordt in vers 14 ver­teld dat er iets bijzonders gebeurt.

De Torah wordt teruggevonden

“Toen zij het geld dat in het huis des HEREN gebracht was, te voorschijn haal­den, vond de priester Chilkia het boek van de wet des HEREN, gegeven door Mo­­­zes (door de hand van Mozes)”. – 2 Kron.34:14. Het boek der wet wordt teruggevonden en dat is een heel ontroerend mo­­ment. Het boek van de Torah, dat er in feite al eeuwenlang was, zijn ze blijkbaar helemaal vergeten. Het is het ‘vergeten boek’, het is het ‘ver­bor­gen boek’. Vergeten en verborgen, dat zijn twee heel wezenlijke pun­ten, maar tegelijk is dat het boek waarin Gods plan, Gods bestek, zijn blauw­druk ligt verzegeld. In 2 Kronieken 34 wordt de offerkist opengedaan om het geld daarin te de­po­ne­­ren. Dan blijkt die schatkist nog een heel andere schat te bevat­ten, na­me­­lijk de Woorden van de Eeuwige. Dat boek ligt daar te wach­ten. Dat is als een prachtige symboliek te zetten boven ons verhaal, want dit is heel belangrijk, heel wezenlijk. Het boek van de Torah, dat Woord, die blauw­­druk, dat originele bestek van God, kan heel lang onder het stof ver­dwenen zijn en daardoor verborgen blijven, maar toch komt het weer te voorschijn. Iedereen is het dan vergeten en er wordt niet meer aan ge­dacht. Het boek van de Torah is echter bewaard in de tempel, in het Gods­huis. Op een goede dag, op een gezegende dag, komt het weer te voor­schijn. Het plan van God gaat nooit verloren, maar wacht totdat het weer gevonden wordt. Dit wordt vermeld in 2 Kronieken 34, waarbij we moeten bedenken dat Kro­­nieken het laatste boek is van de Hebreeuwse canon. Het is niet toe­vallig, dat deze gebeurtenis plaatsvindt, juist aan het eind van de Jood­se canon. Het boek Kro­nie­­ken heet in de oorspronkelijke canon: dibree ha­ja­mim, de woorden van de dagen. ‘Dibree hajamim’ betekent ook de geschie­denis. ‘De woorden van de dagen’ heeft toch ook een diepe betekenis. De dagen zijn van God en die Woorden zijn ook van Hem. Hij heeft zíjn dagen en in die dagen gaat Hij zijn Woor­­den spreken en laat Hij ze in vervulling gaan. Dat is de finale, dat is het laatste wat gezegd moet wor­den. Je kunt op allerlei manieren naar de wereldhistorie kijken, maar het gaat er uiteindelijk om dat achter dat hele wereldgebeuren God er is. Hij schrijft zijn woorden en Hij maakt zijn dagen. ‘De woorden van de da­gen’, dat is die àndere geschiedenis, dat is dat àndere verhaal. Dat is het verhaal dat wellicht niet in de krant komt. Dat is zijn verhaal, his story. Daarom moet je dat woord his­to­­ry eigenlijk met een dubbele s schrijven, want het is ‘his story’, het is zíjn verhaal, het zijn zíjn debarim, zíjn woor­den. Zoals Wil­liam Cowper zo mooi zegt: God gaat zijn ongekende gang (God moves in a mys­te­rious way). Dat boek kan misschien wel generaties lang daar ergens in een kist lig­gen en ten dode opgeschreven lijken. Het boek dat ergens in een offer­kist is ver­dwe­­nen. Dat boek dat daar misschien wel helemaal onder het stof ver­bor­­gen ligt, vergeten en kwijtgeraakt. In dit verhaal wordt de tra­­giek daar­­van ook voelbaar. Mensen lopen ontelbare malen de tempel in en uit en niemand heeft er ooit aan ge­dacht dat daar nog een bóek kon liggen! Kro­nieken is het laatste boek van de hele canon en 2 Kronieken 34 staat bij­­­na aan het eind van dat laatste boek. Daarna volgen alleen nog de hoofd­stukken 35 en 36 en dan gaat het volk in ballingschap. In 2 Kro­nieken 36 wordt beschreven, dat het volk naar Babel wordt weggevoerd. Koning Josia is een van de laatste koningen voordat de ballingschap be­gint. Hij regeerde zo ongeveer van het jaar 638 tot 608. Zijn regering ein­­digt in het jaar 608 en in 592 begint reeds de ballingschap. Tijdens de re­ge­­ring van koning Josia zie je de schaduwen van de ballingschap zich al aftekenen. De ballingschap werpt haar donkere tinten al vooruit. Vlak voordat de ballingschap be­gint, wordt het boek gevonden. Dat is nu iets van die Goddelijke raad, dat is die hemelse orde, dat is een besturing van hogerhand. De bal­ling­schap staat al voor de deur en de mensen wor­­den gedeporteerd. Maar voordat dit zich zal gaan voltrekken, wordt het boek ge­von­den.

Met de Torah aan de rivieren van Babylon

De priester Chilkia vond het boek van de wet des Heren (2 Kronieken 34:14) en dat ‘vinden’ is ook typisch een priesterlijke zaak. Priesters vin­den het boek, want zij hebben iets begrepen van het hart van God. Pries­ters zijn ook in de tempel aanwezig, want dat is ook hun terrein. Het gaat ten­slot­te om dat Huis. In het He­breeuws is de naam van die pries­ter: Chil­­­kijahu (mijn deel is de Here). Die priester loopt daar rond met zijn naam als een getuigenis. Het zijn in­derdaad de laat­ste dagen, voordat de ballingschap begint en je kunt bij­na gaan af­tel­len. Die priester heeft niet beseft, dat na hem alleen nog maar Kronieken 35 zou volgen, want in hoofdstuk 36 gaat het doek val­len. De tempel is nèt opgeknapt en wordt dan vervolgens door Nebu­kad­nessar verwoest. Je zou je haast wat cy­nisch kunnen afvragen, wat nu het nut is van zo’n tempelopbouw. Waar doe je het voor? Je hebt net goed en wel die tempel helemaal in ere her­steld en vervolgens wordt de he­le zaak ver­woest. En toch…. niet tever­geefs! Net op tijd is het boek ge­von­den! Ze hebben in ieder geval een boek om de ballingschap mee in te gaan en ze vertrekken niet met lege handen naar Babel. Ze moeten het land ver­la­ten en de tempel in vreem­de handen achterlaten. Er zijn ook geen pries­ters meer, om het met de woorden van P.A. de Génestet te zeg­gen:

Er is geen priester die Hem verklaart, in raadselen wandelt de mens op aard’.

Dat konden die ballingen wel zingen. En toch…. nooit wacht iemand te­ver­­­geefs op Hem. Ze nemen het boek van de Torah mee en met dat boek ko­­­men ze bij de rivieren van Babylon. Dat boek is gevonden en nog net op tijd wordt het voorgelezen. “Ook deelde de schrijver Safan de koning mede: De priester Chilkia heeft mij een boek gegeven. En Safan las de koning daaruit voor. Zodra de koning de woor­­­­­­den der wet hoorde, scheurde hij zijn klederen”. – 2 Kron.34:18,19. Zo is er nog een koning die zijn klederen scheurt. De koning beseft waar het in dat boek om gaat. Het raakt zijn hart. Als we op die manier lezen wat daar bijna aan het eind van Kronieken is op­ge­­tekend, dan is dat toch heel kostbaar. ‘De priester vond het boek’, die ene klei­­ne tekst daar in vers 8 vertelt ons toch heel wat over de raad des Heren. Daar ontdek je dat ach­ter alle dingen iets is van die Goddelijke orde. Dat is zijn raad, zijn plan, zijn ‘project’.

De bouwmeester van alles is God

In dit verband kunnen we denken aan een tekst uit Hebreeën 3, waar dit ook heel mooi naar voren komt. Daar gaat het ook over dat ‘huis’. Er wordt eerst van Mozes gezegd dat ‘hij getrouw was in geheel zijn huis’. Er is een huis in de ruimte, maar er is ook een huis in de tijd. Dat huis in de tijd wordt door de geschiedenis heen gebouwd en gerealiseerd. “Want elk huis wordt door iemand gebouwd, maar de bouwmeester van alles (let­­terlijk: Hij die alle dingen gereedgemaakt, toebereid heeft) is God”. – Hebr.3:4. ‘Die alles heeft gecreëerd,’ zegt de Vulgata. Dat is een prachtige tekst om ook in donkere tijden vast te houden. Het is ook een woord dat òns vasthoudt. Hij is de bouwmeester die alle dingen heeft bedacht en geschapen, gere­a­li­seerd en toebereid. Hij is de bouwmeester van alles, Hij, die dwars door alles heen en ook dwars tegen alle weerstanden in, zijn plan reali­seert. Hij zorgt er ook voor dat op het juiste moment, vlak voordat de bal­­ling­schap begint, het boek van de Torah, dat wetboek, weer te­rug­ge­von­den wordt.

De raad van God in Jesaja en in Handelingen

Er zijn nogal wat teksten die te maken hebben met de ‘raad van God’. Als je dat in kaart gaat brengen, valt het op dat er een paar bijbelboeken zijn waar veel over dit thema wordt gesproken. Dat is aan de ene kant in het boek Handelingen en aan de andere kant in het boek Jesaja. Mis­schien is dat niet zonder een duidelijke zin. Het boek Handelingen heeft heel speciaal te maken met de geschiedenis van de ontwikkeling van de ge­­meente. De opdracht was om getuige te zijn “te Jeruzalem en in geheel Ju­­dea en Samaria en tot het uiterste der aarde” – Hand.1:8. Al die lotgevallen over de voortgang van het evangelie worden beschre­ven in het boek Handelingen. Vanuit het middelpunt Jeruzalem wordt het evangelie door de apostel Paulus verkondigd in Athene, in Rome…. Athe­ne moet het horen, Rome moet het weten! Er worden heel wat rei­zen ondernomen, ook zeereizen. De apostelen hebben stormen meege­maakt en ze hebben zelfs schip­breuk ge­le­den, maar door dat alles heen komt telkens in het boek Han­delingen die raad van God naar voren. Het is heel fascinerend dat ook bij de profeet Jesaja over die raad van God wordt gesproken. Een uitlegger heeft naar voren gebracht, dat het woord ‘raad Gods’ bij Jesaja zo ongeveer de betekenis heeft van ‘ge­schie­denis’. Dus ‘de raad Gods’, is de geschiedenis van God. Dan is dat ook de laat­ste grond, de diepste bodem, ons houvast, de grond­­structuur van ons ge­loof. God heeft een raad, Hij heeft een plan be­­dacht en dat is uit Godzelf voortgekomen. In die raad zit ook iets van dat onwankel­ba­re, dat onveranderlijke.

Het onveranderlijke van Gods raad

In Hebreeën 6 wordt dat ‘onwankelbare’ heel treffend aangegeven. Een van de centrale motieven in de Hebreeënbrief is het begrip vastheid. “Daarom heeft God, toen Hij des te nadrukkelijker aan de erfgenamen der be­lof­­te het onveranderlijke van zijn raad wilde doen blijken (letterlijk: meer over­vloe­­dig wilde aantonen aan de erfgenamen van de belofte het onveranderlijke van zijn raad), Zich onder ede verbonden, opdat door twee onveranderlijke din­­­gen, waarbij het onmogelijk is, dat God liegen zou, wij, die (tot Hem de) toe­vlucht genomen hebben, een krachtige aansporing zouden hebben om de hoop te grij­­pen, die voor ons ligt”. – Hebr.6:17,18. In deze tekst gaat het dus om twee onveranderlijke dingen: een belofte en een eed.

Hij heeft het beloofd en Hij heeft het gezworen.

Ametatheton = onveranderlijk. A = on, dus dat kan niet veranderen.

Meta duidt op iets wat in een andere toestand kan worden geplaatst; iets wat een andere gedaante kan aannemen of wat in een andere si­tu­a­tie terecht kan komen, iets wat onderhevig is aan wijziging, aan cor­rec­tie. Theton betekent: het is geplaatst, gezet, neergezet zonder dat er iets aan kan veranderen. Dat wordt in verband gebracht met Gods raad. Deze kan op geen enkele wij­­­ze verwrikt, verbeterd of teruggenomen worden. Zijn raad is onwan­kel­­­­baar. Juist in de Hebreeënbrief gaat het over mensen die moeite heb­ben om het vol te houden. Ze zijn goed begonnen, maar dan komt daar toch heel wat weerstand, vervolging, verdrukking en benauwdheid. Te mid­­den van al die pogingen om hen in de war te brengen en onderste­bo­ven te ha­­len, komt telkens in Hebreeën het motief van de vastheid naar vo­ren. Dat is een van de sleutelwoorden in de Hebreeënbrief. Het woord Hebreeër (‘iw rie = overtrekker, passant) heeft te maken met ‘men­sen die onderweg zijn, die naar de overkant gaan’. Je  bent on­der­weg als reiziger, als pelgrim en je gaat van hier naar de overzijde…. Je maakt die overtocht door de woestijn heen naar het beloofde land. Wij zijn allemaal passanten, reizigers. De Hebreeënbrief vertelt waar het nu eigenlijk om gaat. Wat is nu vast, wat blijft nu overeind?! Aan het eind van Hebreeën 12 staat dat alles nog één keer zal gaan wankelen. Er gaat nog heel wat ondersteboven. ‘Nog eenmaal zal ik de hemel en de aarde doen wan­kelen’, zegt het slot van Hebreeën 12. Telkens komt in dat sleutelwoord naar voren: wat is nu vaststaand, wat is nu on­ver­­anderlijk? Het Oude Verbond gaat voorbij, dat is bezig te ver­dwij­nen. Het Nieuwe Verbond komt. Er is veel dat verschuift, maar te mid­­den van dat alles weten die pelgrims, die Hebreeën: de raad van God (‘atsat Ado­­nai) staat vast! Deze staat vast als een onwankelbaar huis. Als er soms tijden zijn van verduistering, dan wordt dat boek weer gevonden. Dat is toch altijd weer een beeld dat met je meegaat. Soms in donkere tij­den, als je het gevoel hebt dat je bijna aan het eind van de ge­schiedenis bent gekomen, wordt het boek (sefer torah) terug­ge­von­den! De raad des Heren zal bestaan. Het program van het boek Handelingen In Handelingen 4 staat een fascinerende tekst, waaruit blijkt dat vanuit die raad van God de eerste apostelen een bepaalde visie hadden. Zij had­­­den daardoor een innerlijk bewustzijn, een innerlijke kracht. “Om te doen al wat uw hand en uw raad tevoren bepaald had  (of: van tevoren had gedetermineerd, tevoren had begrensd), dat geschieden zou”. – Hand.4:28. Het is opmerkelijk dat deze tekst in een gebed staat. Het 28e vers spreekt over Gods hand en over zijn raad. Het staat wel in een be­paal­­de con­text en het is goed om dat erbij te betrekken. De Latijnse vertaling zegt: Uw raad (consilium) gedecreteerd. Het was als het ware een goddelijk decreet, een goddelijke ordinantie dat het zo zou ge­­beuren. Nu staat dit in een gebed, want dat gebed begint in vers 24. Al biddend kun je soms heel wat zeggen. Bidders kunnen meer zeggen dan andere men­sen. Al biddend kun je soms ook veel verder kijken, want dan kom je in die priesterlijke dimensie. Dan gaat dat boek voor je open. De eerste ge­meente – de apostelen zijn net vrijgelaten (vs.23) – ver­heft een­parig haar stem tot God (v.24). De apostelen hebben net een ver­hoor ach­ter de rug. Ze zijn voor de religieuze rechtbank geroepen en heb­­­­­ben zich moe­­ten verantwoorden, nog wel voor de genezing van een zieke! De eer­ste ge­nezing in het boek Handelingen is die van de verlam­de man, ge­zeten bij de Schone Poort van de tempel. Als je dit gebeuren in een nog wijdere context zet, dan gaat het over Han­­­­­delingen 3 en 4. In hoofdstuk 3 wordt verteld over deze verlamde man die genezen wordt. In een studie wordt door de auteur daarvan ge­steld, dat hoofdstuk 3 in feite programmatisch is voor het hele boek Han­­­delingen. Daar wordt in we­zen het hele program voor het boek Han­­­delingen neerge­legd, want die verlamde man is representatief voor het gehele volk. Hij staat pars pro toto, hij staat als deel voor het geheel. Die verlamde man zit daar in Han­delin­gen 3 in de poort en dat is ook weer sym­bo­lisch. Wie is er in de poort? De poort was vanouds de plaats van de recht­spraak. De poort was ook de plaats waar de bidders bin­nengingen, want zo begint Han­delingen 3.”Petrus nu en Johannes gingen op naar de tempel tegen het uur des gebeds, dat is het negende. En een man, die verlamd was van de schoot zijner moeder aan, zodat hij ge­dragen moest worden, zetten zij dagelijks bij de poort van de tem­­­pel, genaamd de Schone, om een aalmoes te vragen van de tempelgangers”. – Hand.3:1,2. “De poort van de tempel” doet onmiddellijk denken aan Psalm 118, waar ge­­­­zegd wordt dat de rechtvaardigen, de tsaddiqim, daardoor naar bin­nen­­gaan. Het is de poort waar je binnengaat om te bidden, de poort naar die andere wereld, de poort naar de dimensie van God. Deze man echter komt niet verder dan de poort. Daar wordt hij neer­ge­zet en het enige wat hij dan nog kan doen, is om een aalmoes vragen. Het wonderlijke is, dat het woord voor aalmoes in het Hebreeuws tse­da­qah is geworden. Tsedaqah betekent van origine gerechtigheid. Alle passanten denken dat die man om een aalmoes vraagt. Hij bedelt voor zijn dagelijks onderhoud. De mensen deponeren een paar pen­­nin­gen bij de man, zodat hij weer zijn dagelijks brood kan kopen. Die man vraagt in feite: geef mij heden mijn dagelijks brood. Langzamerhand is dat woord aalmoes helemaal gekomen in de sfeer van de liefdadigheid, de fi­­lan­tropie. Mensen komen langs en denken: la­ten we die arme man wat ge­ven. Dan voelen ze zichzelf misschien weer heel mens­lievend en den­ken: ik heb mijn goede daad voor vandaag weer ver­­­­richt. Mijn dag is weer goed en zijn dag meteen ook. In feite gaat het veel dieper als die man om ‘tsedaqah’ vraagt, want dan vraagt hij in we­zen om gerech­tig­heid. Hij roept om een tsaddiq, om een recht­vaar­dige. Hij roept om die ene Rechtvaardige die hem zal redden en hem uit die poort of liever ge­zegd ín die poort zal binnenbrengen, zodat hij niet lan­ger bij de poort hoeft te bivakkeren. “De rechtvaardigen, de tsaddiqim gaan binnen”, zegt Psalm 118. Als Petrus daar later op ingaat, zegt hij in Handelingen 3: “Doch gij hebt de Heilige en Rechtvaardige (Tsaddiq) verloochend en begeerd, dat u een man, die een moordenaar was, geschonken zou worden”. – Hand.3:14. De eerste letter van het woord tsaddiq is de tsadee, de vishaak. De tsaddiq is eigenlijk degene die de mensen uit de tijd, uit het water vist. De vishaak, die de mensen ophaalt uit de tijd om ze te bren­gen in het eeuwige. Daar roept de verlamde in wezen om. Die man zit daar in de Scho­­ne Poort en iedereen denkt dat hij om wat geld vraagt. Het gaat ech­ter niet om je geld, maar het is ‘je geld of je leven’. Het gaat om het Le­ven. Het gaat erom dat die man in wezen roept: haal mij uit de tijd en breng mij in het eeuwige. Breng mij in die andere dimensie, breng mij bij het hart van God. Die man is in wezen het hele volk, want dat hele volk is verlamd, lamgeslagen, lamgelegd. Dat hele volk kwam in wezen niet ver­der dan de poort. Die man is verlamd vanaf de schoot van zijn moe­­der. Hij moet gedragen worden en hij wordt elke dag bij die poort neer­gezet. Dat is dan zijn wereld. Dat is de blokkade waar hij niet voor­bij­­komt. Verder kan hij zich ook niet voortbewegen. “Maar Petrus zeide: Zilver en goud bezit ik niet, maar wat ik heb geef ik u; in de naam van Jezus Christus, de Nazoreeër: Wandel! En hij greep hem bij de rech­­terhand en richtte hem op, en terstond werden zijn voeten en enkels stevig. en hij sprong op en stond en liep heen en weer en hij ging met hen de tempel bin­­nen, lopende en springende en God lovende”. – Hand.3:6,7,8. Dan gaat hij eindelijk dat station van die poort voorbij. Hij wordt een mens die binnengaat. Dat is in wezen programmatisch voor het hele boek Handelingen: binnengaan in het huis des Heren. Niet alleen maar staan op de drempel, maar de ingang mogen vinden, omdat de toegang ge­o­pend is. Dat is de toonzetting van heel het boek Handelingen. Tsedaqah en tsè­deq zijn twee varianten van hetzelfde woord en dat komt naar voren in de be­lofte van Jeremia 23:5 en 6 en Jeremia 33:15 en 16: “Zie, de dagen komen, luidt het woord des HEREN, dat Ik aan David een recht­­­vaardige Spruit zal verwekken; die zal als koning regeren en verstandig handelen, die zal recht en gerechtigheid doen in het land. In zijn dagen zal Juda behouden worden en Israël veilig wonen; en dit is zijn naam, waarmede men hem zal noemen: de HERE onze gerechtigheid”. Jer.23:5,6. “In die dagen en te dien tijde zal Ik aan David een Spruit der gerechtigheid doen ontspruiten, die naar recht en gerechtigheid in het land zal handelen. In die dagen zal Juda verlost worden en Jeruzalem veilig wonen, en zó zal men het noemen: De HERE onze gerechtigheid”. – Jer.33:15,16. ‘De Eeuwige is onze gerechtigheid (Adonai tsidqenuh)’. Die verlamde man heeft in feite geroepen, dat die belofte van Jeremia aan hem ver­vuld zou worden. Het is zo mooi dat het boek Handelingen daarmee be­gint. Lu­cas begint daar zijn tweede verhaal mee om aan te geven, dat die ver­lam­de man daar staat als prototype voor het hele volk van die da­­gen. In Handelingen 4 gaan ze bidden vanuit een toch ook wel wat frustre­ren­­­de situatie. Als reactie op de genezing van die man worden ze bij het Sanhedrin op het mat­­je geroepen. Ze krijgen een reprimande, want het wordt hen niet in dank afgenomen. Wat ga je dan bidden? Je kunt zeggen: ach Here, we zitten toch wel in een slechte tijd. Of: de bodem is hier toch wel hard en wat zijn er veel weer­­standen en wat is het toch moeilijk om hier uw woord te moeten bren­­gen. Kunt U ons misschien zenden naar een ander gebied, waar de har­­ten en de deuren wat meer openstaan, want we hebben het hier toch wel slecht getroffen. Deze man staat model voor het ganse volk en dat is ook in de lijn van de pro­­feten. Je kunt hierbij ook denken aan Jesaja 35: “De lamme zal sprin­gen als een hert”. Jesaja 35 is eigenlijk een slotlied, want daar wordt een bepaalde cyclus af­­­gesloten. Daar wordt gezegd: “dan zal de lamme springen als een hert (v.6) en de vrijgekochten des HEREN zullen wederkeren en met gejubel in Si­on ko­men (v.10)”. Dat is de lijn: Handelingen 3 is de vervulling van de profeten.

De school van het gebed

Nadat de apostelen vrijgelaten waren, gaan ze bidden. Handelingen 3:24-31 is ‘de school van het gebed’. Daar ko­men de apos­te­len tot een heel wezenlijk gebed, een soort modelgebed. Ze heb­ben blijk­baar de juis­­te snaar kunnen raken, want dit bidden is geen jam­mer­klacht. Het is ook geen plichtmatig gebed of zomaar een pre­ve­le­ment.

In Handelingen 2 staat aan het eind de oproep om ‘terug te keren’. Pe­trus doet daar een appèl op de mensen om  terug te keren tot God, terug tot het hart, terug tot de eigenlijke bestemming (v.38).

In Handelingen 3 vindt de genezing plaats van de verlamde man. Dat is een basisverhaal in het boek Handelingen.

In Handelingen 4 worden de apostelen eerst gearresteerd, maar dan is er het gebed: “zij verhieven eenparig hun stem tot God”, (v.24).

Dit is al de eerste sleutel als het gaat om dat gebed. Daarbij moet je dus ook bedenken dat het dan ook de sleutels zijn van het Koninkrijk. Hoe gaat die poort open? “En toen dezen het hoorden, verhieven zij eenparig hun stem tot God en zei­den: Gij, Here, zijt het, die geschapen hebt de hemel, de aarde, de zee en al wat daar­in is”. – Hand.4:24. Zij gaan in hun gebed terug naar de schepping. ‘Gij, Here’, hier staat het woord ‘Despota’ dat Heerser betekent. Het woord ‘despoot’ komt daar van­­daan en dat heeft bij ons een wat ne­ga­tie­ve klank gekregen. In de oor­spronkelijke tekst is het in feite een heel po­sitief woord: de Heerser. Chou­raqui vertaalt het met ‘Maître (Mees­ter)’. “De God van hemel en aarde”, Hij, die de hemel en aarde gemaakt heeft en de zee en al wat daarin is. Deze woorden zijn van fundamenteel belang, want nu komt dat gebed te staan in de grote ruimte van de Schepper al­ler dingen. Ze zitten niet uitsluitend meer in hun kleine wereldje, in dat klei­­ne circuit waar ze op dat moment in verkeerden, maar daar is die gro­­­­te wereld van God. Het is net alsof dat gebed de vensters openzet naar die andere wereld, naar die andere dimensie. We zijn begonnen met Psalm 33 en daar gebeurt dat in feite ook. Daar gaat het ook over die hele kosmos, die hele schepping. “Hij schept in ’t heilig recht behagen, Zijn wijsheid is al om verspreid. Men hoort al ’t wereldrond gewagen van zijne goedertierenheid.  ’s HEREN alvermogen bracht de hemelbogen door zijn woord in ’t licht”.  (Ps.33:3a – oude berijming)

 Het eerste punt is dus: het gebed brengt je in de grote wereld van God, of­­tewel: het gebed haalt je uit de kleine beperkte gevangenis van je ei­gen denkpatroon. Het Hebreeuwse woord voor tempel betekent eigen­lijk ‘een venster op het al’. De apostelen bevinden zich in Jeruzalem en ze weten dat er van alle kan­­­­­ten tegenstand en weerstand is, maar er is een venster geopend! Je bent in die grote wereld van Godzelf, de Schepper van hemel en aarde, de zee en al wat daarin is. Zo komen ze helemaal in de ruimte van Ge­nesis 1, van dat oorspronkelijke plan van God. De middeleeuwse Joodse denker Rasji (1040-1105) zegt: daarom begint de bijbel met Genesis 1 om je in de grote ruimte van God te brengen en om van daar­­­uit te weten dat God ook een land kan geven aan wie Hij wil, want de hele aarde is van Hem. Toen Mozes de Torah ging schrij­ven vanaf Genesis, heeft hij heel diep beseft: ik moet heel wijd beginnen. Mozes was op de berg Sinai bij God geweest en daar had hij de ‘Tien Woor­den’ ontvangen, dat is de kern. De theoloog G.A. van Senden heeft ooit eens gezegd: ‘de kern ziet wijd!’ Vanuit de kern, vanuit dat brandpunt, kun je heel ver schouwen. Als de mensen in Handelingen 4:24 gaan bidden, zijn ze daar bij el­kaar in Je­ru­­­zalem. Ze zitten ze daar in het brandpunt, maar het is wel het brand­punt van alle dingen. ‘Gij in uw klein hoekje’, maar vanuit dat kleine hoek­­­je ben je wel verbonden met die grote, machtige, majestu­eu­ze We­reld­­­maker. Bidden, de ‘school van het gebed’, houdt ook in: je ven­­sters open­­­gooien. Daniël had ook open vensters naar Jeruzalem. Dat is altijd het geval geweest bij de apostelen en profeten. Paulus zat vaak in de ge­van­­genis, maar vanuit de gevangenis had hij vergezichten en wist hij: er is een groter geheel en ik mag deel uitmaken van Gods grote plan.

God boog de hemel door

Dat gebed in Handelingen 4 gaat dus helemaal terug naar Genesis 1. Al bid­dend zijn ze bij de schepping. ‘Schepping, openbaring en verlossing’. Ze gaan helemaal terug naar het begin, dat allereerste hoofd­stuk. Daar raken hemel en aarde elkaar. God sprak op de berg Sinai, maar er zijn ook teksten, waarin wordt gezegd: God sprak vanuit de hemel. De rab­bij­­nen vroegen zich af hoe dat nu kon. Was God nu op de berg of was God in de hemel toen Hij tot Mozes en tot het volk Israël sprak? De rabbijnen ge­brui­­ken bij de uitleg van de Schriften een bepaalde methode. Als twee tek­­sten elkaar lijken tegen te spreken, moet je een tekst zoeken, die die twee met elkaar verzoent. Dat noemen ze de weegschaal. De derde tekst brengt tekst a en tekst b met elkaar in balans.

Tekst a: God spreekt vanuit de hemel.

Tekst b: God spreekt op de Sinai.

Hoe kan dat nu? Is Hij nu in de hemel of is Hij op de Sinai? De oude jood­­se wijzen zoeken dan naar de derde tekst die a en b met elkaar ver­e­nigt. Die hebben ze dan gevonden in Psalm 18: ‘En God boog de hemel en Hij open­baarde zich.’ Hij neigde de hemel en daalde neder, donkerheid was onder zijn voeten”. – Ps.18:10.

De meeste vertalingen zeggen: God neigde de hemel. Er staat eigenlijk: ‘God boog de hemel door’. God liet de hemel helemaal doorbuigen tot deze op de berg Sinai landde. Hij was in de hemel, maar tegelijk ook op de berg. De hemel kan doorbuigen en dat is eigenlijk het evangelie! God kan zijn hemel als een soort hangmat helemaal laten doorbuigen tot de­ze op aarde terechtkomt. De hemel is zo rekbaar en kan als het ware als een soort koepel naar beneden dalen. Dan is God nog steeds in de he­mel. Daar spreekt Hij, maar tegelijk spreekt Hij op de berg Sinai. Hij neig­­­­de zijn hemel en sprak tot Mozes. Datzelfde gebeurt ook in Handelingen 4. Er gebeurt iets vanuit de he­­mel op de aarde, vanuit de hoogte gaat er iets gebeuren in de diepte. Psalm 18:10 is een bijzondere tekst waar waarschijnlijk niet zoveel over ge­­­preekt wordt. Er staat letterlijk: “Hij boog de hemelen en Hij daalde af. Duisternis, donkerheid was onder zijn voeten”.  Zo was het ook bij Mozes op de Sinai.”En Hij boog den hemel, en daalde neder en donkerheid was onder Zijn voeten”. – SV: Ps.18:10. Hij boog het zwerk en daalde neer: de grond, waarop Hij trad, was in het oog der volken gans zwart door dicht opeengepakte wolken. Zijn wagen was een Cherub, ja gezwind voer Hij en vloog op vleug’len van den wind. (Ps.18:3b – oude berijming). God heeft er zoveel voor over dat Hij als het moet, de hemel laat door­bui­­­gen om de aarde te kunnen bereiken. Dat is een heel troostende ge­dachte. Toen Mozes bij God op de berg vertoefde, was de hemel daar op aarde neergedaald. Dat was letterlijk ‘de hemel op aarde’. Daar zie je dat God als het ware ook de hele kosmos, ook de hele hemelse we­­­reld in dienst stelt van zijn plan. God wil zijn heilsplan realiseren en bij de men­sen komen. Hij wil dat zijn woord bij de mensen komt en Hij heeft er al­les voor over om dat tot stand te brengen. Heel de kosmische we­­­reld staat in dienst van Gods open­baring aan Mozes, aan Israël, aan zijn volk om daar Sjabu’ot, het We­kenfeest te kunnen vieren. Dat is het feest van de Torah, de ‘mattan Torah’, de gave van de Torah. Aan het eind van Deuteronomium staat: ‘Wie zal ten hemel opklimmen om het woord te halen’. Dat hoeft niet, zegt God, de hemel komt wel naar be­ne­­den. Het is makkelijker voor Mij om naar beneden te komen dan voor jou om naar boven te gaan. Ik zal wel afdalen, Ik kom wel naar beneden. Ik laat de hele hemel, dat hele zwerk wel naar beneden komen daar op de berg Sinai. Dat werd de ‘berg van de openbaring’, maar ook de berg waar de hemel neder kwam. Sjamajim (hemelen) betekent ‘twee keer dáár’. Sjam betekent dáár. Dáár werd toen híer. De hemelen kwamen heel dicht­­­bij. ‘Hoe dicht kwam U ons nabij’, staat er ook in een lied. Chris­tus is ons nabij gekomen net zoals God ons destijds op de Sinai ook na­bij­­gekomen was. Bakens uitzetten in de nacht

De eerste sleutel in het gebed van Handelingen 4 is dus, dat ze het ven­ster wijd openzetten. “Gij Heerser (Despota), Gij die geschapen hebt de hemel, de aarde, de zee en al wat daarin is”. Dat is een woord vanuit de psalmen.

Dan komt de tweede sleutel.

“Die door de heilige Geest bij monde van onze vader David, uw knecht, gezegd hebt: Waarom hebben de heidenen gewoed en de volken ijdele raad bedacht?”  Hand.4:25. Waarom hebben de volken zoveel rumoer, zoveel tumult gemaakt en waar­­om heb­ben ze ‘lege dingen’ (letterlijk) bedacht? Waarom hebben ze zich be­zig­gehouden met ledigheden, met lege zaken? De tweede sleutel in dit ge­bed is dus een citaat uit Psalm 2. Dat gebed begint bij Genesis 1 en gaat vervolgens door naar Psalm 2. Het is net een soort rijgdraad, waar­­bij teksten aan elkaar worden geregen. In een verhaal wordt gezegd: Eens waren een aantal rabbijnen teksten aan elkaar aan het knopen. Op een gegeven moment begonnen er vlam­me­tjes over te springen van het ene vers naar het andere. In Handelingen 4 gebeurt dat ook, net zoals in Handelingen 2 waar ge­zegd wordt: “tongen van vuur die zich verdeelden en het zette zich op ieder van hen.” – v.3.  Hier beginnen ook die vlammen over te springen. Eerst wordt Genesis 1 ge­­noemd en vervolgens Psalm 2. Het is net alsof ze bakens aan het uit­zet­­ten zijn. We staan hier in de oneindige dimensie van ‘de hemel en de aar­de, de zee en al wat daarin is’, maar nu moeten we wel bakens uit­­zet­ten, zodat we weten waar we ons bevinden. Af en toe moet je even de zaak in kaart brengen. Ze zeggen bij wijze van spreken: we zitten hier zo ongeveer aan de noord­­­pool en het is één grote ijsvlakte. Er is nergens een haven of een vuur­­toren of een ander baken te bekennen. We moeten zelf een paar ba­kens uitzetten, zodat we weten waar we zitten en op die manier kunnen we onze koers bepalen. De geschiedkundige en cultuurfilosoof Johan Huizinga heeft een boek ge­­­­schreven getiteld: Herfsttij der Middeleeuwen. In de Middeleeuwen wa­­ren de klokken erg belangrijk, want bij allerlei gelegenheden werden die geluid. De klokken hadden vaak ook namen. De mensen herkenden de klok­ken aan het geluid en wisten dan precies hun naam te noemen, zo­als ‘de Jakoba’ of ‘de Stefanus.’ Er was klokgelui als er een boetedag was of een dag van rouw. Toen er een nieuwe paus werd gekozen, luidden de klokken in Parijs de hele dag, van ‘s morgens vroeg tot ‘s avonds laat. Het won­der­­­lijke was, dat de mensen door dat gebeier toch niet afge­stompt raak­ten. Je zou denken dat ze dat eindeloze klokgelui op het laatst niet meer hoorden. De men­sen beluisterden er elke keer weer een boodschap in. Als het mistig weer was, werden de klokken ook geluid, zodat de vis­sers op zee konden weten waar de kust was. Ze voeren op het geluid van de klokken af. Zo waren die klokken als het ware een baken in zee. Als iemand ergens in het bos verdwaald was, werden de klokken ook ge­­­luid, zodat degene die verdwaald was, de weg weer terug kon vin­den. Zo kon men door dat klok­gelui de weg terugvinden naar de stad en naar huis. In Handelingen 4 doen de mensen in feite hetzelfde. Ze zeggen: we zit­ten hier nu helemaal in de mist, we zitten in het don­ker, maar we gaan de klokken luiden. Klok één: Genesis 1. Klok twee: Psalm 2. Ze weten nu hun richting te bepalen om weer uit de mist te ge­raken. Deze tekst­ge­deel­­ten zijn voor hen als een vuurtoren in de nacht. Soms moet je de din­­­­gen weer in een kader, in een omlijsting zetten.

Ver­ga­­derd tegen de Here en zijn Gezalfde

“Waarom hebben de heidenen gewoed en de volken ijdele raad bedacht?” Hand.4:25b. Psalm 2 gaat over de gojim, de heidenen hebben gewoed en ijdele din­­gen bedacht. De NBG-vertaling zegt ‘ijdele raad’, maar daar staat nu net níet het woord raad. De volkeren hebben wel van alles proberen te be­den­­ken. Letterlijk: “Waarom hebben ze geraasd, die volkeren en die natiën”.  “Ze hebben leeg­­te gemurmeld of gemediteerd (Hebreeuws)”. “De koningen der aarde hebben zich opgesteld en de oversten zijn tezamen ver­ga­­derd tegen de Here en tegen zijn Gezalfde (ze hebben zich verenigd tegen of over de Here en over zijn Gezalfde)”. – Hand.4:26. Eerst lezen ze Psalm 2 en dan komt de toepassing en plaatsen ze die hun eigen tijd. Die psalm van David wordt geactualiseerd. Die psalmen zijn ook nú, híer, in déze situatie van toepassing. “Want inderdaad (naar waarheid) zijn in deze stad vergaderd (verzameld) te­gen uw heilige knecht Jezus, die Gij gezalfd hebt, Herodes zowel als Pontius Pi­la­­tus met de heidenen en de volken van Israël”. – Hand.4:27. “Heilige knecht (Grieks – pais) Jezus”.  Het woord pais (Hebr. ‘ebed) betekent knecht maar ook kind. SV: ‘uw heilig kind Jezus’. Hier ligt tegelijk de verbinding met datgene wat Jesaja allemaal gespro­ken heeft over de ‘knecht des Heren’. Ze geven een hele royale toepassing aan psalm 2: Herodes, Pilatus, de go­­­­jim en de volken van Israël. Ze voegen alles tezamen als een heel gro­te samenzwering, als een groot complot. In vers 28 komen ze bij hun vierde sleutel. Zo krijgen we aardig wat sleu­­­­tels van die geestelijke wereld in dit gebed aangereikt.

Allereerst: Genesis 1.

Ten tweede: Psalm 2.

De derde sleutel is de actualisering van Psalm 2.

De vierde sleutel komt in vers 28 naar voren.

Predestinatie en menselijke verantwoordelijkheid

“Om te doen al wat uw hand en uw raad tevoren bepaald had, dat geschieden zou”. – Hand.4:28. Dit is in feite een heel spannende en uitdagende tekst. Je houdt haast je adem in, want dan krijg je in een ogenblik tijds verschillende gedachten die in je hoofd door elkaar buitelen. Het is te hopen dat die gedachten weer op hun pootjes terechtkomen! Het is allemaal van tevoren bepaald, ge­­determineerd, wordt er dus in feite gezegd. Als je echt filosoof wilt wor­­den, moet je uiteindelijk altijd weer uitkomen bij Spinoza. Handelingen 4 zegt hetzelfde als Spinoza. Hij zei: het is allemaal be­paald, alles ligt vast. Vrije wil… doen we niet aan! Het is allemaal van te­vo­­ren uitgestippeld, beschikt. Uiteindelijk is er alleen maar God. Daar ben jij ook ergens een deeltje van. Dat kun je, om zo te zeggen, wis­kun­dig uitrekenen, dus het is pure geometrie. Je kunt het allemaal uit­re­­ke­nen, bepalen. Spinoza was een Jood, hij was ook een ketterse Jood, ze heb­ben hem dan ook uit de synagoge gebannen. Je moet nooit te veel den­­ken, want dan pas je niet meer in het gangbare denkpatroon. ‘Stop thin­king’, maar Spinoza wilde niet ophouden met denken en voor die op­­vat­ting moest hij dan ook duur betalen, want hij werd geëxcommu­niceerd, uit­ge­wor­­­pen. Als je te veel gaat denken, zeggen de mensen: wij worden hier zo moe van. We kunnen het niet meer vatten en niet meer volgen. Barthold van Ginkel zei in dit verband: ‘nu wilde ik liever slapen gaan bij mij­nen lieven Here’. Filosofen zijn ook meestal eenzaam en zitten er­gens op hun eenzame heuvel alles uit te denken. Handelingen 4:28 geeft de ene kant weer en daar is ook iets heel kost­baars in. Soms moet je de moed hebben om die woorden gewoon te la­ten staan en door te laten klinken. ‘Al wat uw hand en uw raad tevoren be­paald had.’ In je gebed kun je een heleboel zeggen en zelfs de dogmatiek scheef­trek­ken. Je mag in je gebeden heel ver gaan. Je hoeft niet zo keurig afgepast te bidden en op te passen met wat je zegt. Ze durven in hun gebed heel ver te reiken en ze zeggen: in Psalm 2 staat het al geschreven. Als David het gezegd heeft, gaat het dus ook gebeuren, want het is profetie. David heeft daar in Psalm 2 al over ge­zongen, dus gebeurt dat ook een keer. Hier heb je ze bij elkaar: Herodes, Pilatus… noem ‘t hele rijtje maar op… het hele Romeinse rijk. Alles spant samen. Dat is de grote reikwijdte van Psalm 2. “Wat drift beheerst het woedend heidendom en heeft het hart der volken ingenomen? De koningen verheffen zich alom, de vorsten zijn vermetel sâamgekomen, om God, den Heer, zelfs naar de kroon te steken en tegen zijn Gezalfde op te staan. Zij spreken saâm: ‘Laat ons hun banden breken, en van hun juk en touwen ons ontslaan!” (Psalm 2:1 – oude berijming)

De apostelen zeggen: David heeft het al gezegd. Dus wat Herodes doet, stond gewoon in het draaiboek. En wat Pilatus doet, had de grote Re­gis­seur al in het stuk opgenomen. Nu moet je het van twee kanten bekijken, want een mens heeft na­tuur­lijk wel zijn verantwoordelijkheid. Als je Herodes bent, kun je je daar niet achter verstoppen. Je kunt je er niet achter verschuilen en zeggen: ja, ik heb wel een heleboel kwaad gedaan, maar er stond in Psalm 2, dat ik dat zou doen. Dus mij treft geen blaam! Dan zou je dus nooit meer schuld hebben. Extreem doorgedacht zou elke tiran en elke vol­ke­n­moor­­denaar – van Saddam Hoessein en Pol Pot tot noem ze allemaal maar op – kun­­nen zeggen: wij staan allemaal in Psalm 2. We staan gewoon in de plan­­ning en je moet òns er niet op aankijken! Wij zijn alleen maar ma­ri­o­net­­ten. Er wordt gewoon ergens aan de touwtjes getrokken en dan doen we wat van tevoren al beschikt is. Een mens heeft echter wel zijn ver­ant­woordelijkheid. Je moet re­­ken­schap afleggen van wat je doet op jouw vier­kante meter, op jouw grond­ge­bied. Of je wandelt in de wegen van de Torah of niet, daar ben jij aan­spra­kelijk voor. Romeinen 1:32 geeft duidelijk aan dat ze de Torah, die rechtseis kenden. De­­ze stond in hun hart geschreven en ze moeten ook handelen naar die in­­geschapen wet. Wat is jouw plek in de geschiedenis…. De mens heeft zijn eigen ver­­­­antwoordelijkheid. Dan is er ook het rijk van de tegenpartij dat  ook nog een rol speelt. Er zijn tegenkrachten, maar die kunnen zich er ook niet achter verschuilen in de zin van: wij zijn alleen maar speel­goed in de handen van Adonai, ook al staat er dan in Psalm 104:  “De Leviatan, die Gij geformeerd hebt om ermee te spelen”. – Ps.104:26. Je kunt ook vertalen: “God heeft de Leviatan gemaakt om erin te spelen (na­me­lijk in de zee)”. Is de Leviatan dan alleen maar een soort speelgoed van de Aller­hoog­ste?

God heeft het kwaad ten goede gedacht

Er blijft dan toch het punt, dat uiteindelijk Herodes en Pilatus en al die par­­tijen die daar verder bij vertegenwoordigd waren, ‘kwaad hebben ge­dacht’. God heeft het echter ten goede gekeerd. Je zou het kunnen zeg­gen met een woord uit het slot van Genesis: “Gij hebt wel kwaad tegen mij gedacht, maar God heeft dat ten goede gedacht, ten einde te doen, zoals heden het geval is: een groot volk in het leven te be­hou­den. Vreest dus niet….  Gen.50:20,21a. Gij hebt gedacht over mij kwaad. God heeft haar (namelijk dat kwaad) gedacht tot goed (ten goede) om te doen overeenkomstig deze dag om te doen leven een groot volk. En daarom vreest dan niet” (letterlijk).

 De broers van Jozef hebben hem verkocht naar Egypte, maar God heeft dat ten goede gekeerd. Dat is een principe, een soort grond­ge­dach­te, een soort basispunt zoals uitgesproken in Genesis 50:20. Jozef zegt dit tegen zijn broe­­ders, maar dat is ook weer profetisch. Het hele ge­hei­menis is in we­zen, dat mensen kwaad kunnen denken en dat het rijk der duisternis kwaad kan denken, maar ‘God heeft dat ten goede gedacht’. Herodes en Pilatus en andere betrokkenen hadden alleen maar het ne­ga­tie­­ve voor ogen. God heeft echter ‘dat kwade gedacht tot goed’ om een me­­­­nigte van volk te doen leven, om de hele mensheid te redden. Jezus wordt aan het kruis gebracht, maar God maakte daar iets goeds van. Hij gaat dat kwaad inzetten ten goede. William Cowper heeft dat zo mooi weergegeven in een lied: ‘Godzelf vertaalt de duisternis in eindelijk eeuwig licht’. God gaat het kwaad vertalen in goed. Hij maakt er iets moois van. Het wordt een heilsplan. Als de beheersers van deze eeuw geweten hadden wat ze deden, hadden ze het niet gedaan. Dan hadden ze gedacht: dàt be­­doelen we niet. Zij dachten onkruid te zaaien en God gaat met dat on­kruid iets heel moois doen. Hij gaat daar zijn paradijs mee beplanten. Ida Gerhardt zegt in een gedicht:

‘Het onkruid baant zich een weg door asfalt en beton’.

De laatste regel luidt:

‘Het onkruid wint het laatst gevecht’.

Dwars door de starre machten van het kwaad heen, baant het onkruid zich een weg naar boven. Het onkruid wint alle gevechten. Je ziet in dit gedicht dat het onkruid een bestemming heeft en een heel mooie functie blijkt te hebben. Overigens heeft onkruid in de bij­bel in andere ver­ban­den een negatieve betekenis. “Opwaarts gaat ons pad naar boven,naar het hemels Huis”. In het gebed van de apostelen worden dus achtereenvolgens Genesis 1, Psalm 2 en de actualisatie van deze psalm genoemd.

De ‘muziek van de predestinatie’

In de vierde plaats zeggen de apostelen dat het al­­lemaal al is voorbe­schikt. Dat is dan de ‘muziek van de predestinatie’. Het is riskant om dat op die manier te zeggen, maar in dit geval is het wel zo, dat er ook muziek in kan zitten. God heeft dat allemaal zo gepland. God heeft dat in Psalm 2 neergezet en nu gaat het ook nog gebeuren. En àls het dan ge­beurt, wordt het voor God de bodem waar Hij goud gaat delven. Voor God wordt het een vruchtbare bodem, een grond waar Hij kost­ba­re schat­­­ten uit te voorschijn kan gaan halen. Als de apostelen in Handelingen 4 dit gebed uitspreken, stijgen ze daar­mee in feite boven hun omstandigheden uit. Ze verbinden hun situatie li­nea recta met Psalm 2. Ze zeggen dat deze psalm ook op hen van toe­pas­sing is en dat ze daardoor op heilige bodem staan. Dan kan er dus in we­zen ook niets misgaan, want dan bevinden ze zich alleen maar in de ver­vulling van die Psalm. Als mensen in de bijbel het begin van een bepaalde psalm citeren, be­doe­­­len ze in feite de hele psalm. Als Jezus aan het kruis het begin van Psalm 22 uitspreekt, ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?’, be­­doelt Hij in feite de hele psalm die er achteraan komt. In deze psalm staan ook nog heel positieve uitspraken: “Ik zal uw naam aan mijn broeders verkondigen,  in het midden der gemeente zal ik U lofzingen. v.23. Want Hij heeft niet veracht noch versmaad de ellende van de ellendige, en zijn aangezicht niet voor hem verborgen, maar Hij heeft gehoord, toen hij tot Hem riep. v.25. zij zullen zijn gerechtigheid verkondigen aan het volk dat geboren zal worden, omdat Hij het gedaan heeft”. v.32.

Als de mensen in Handelingen 4 dat lied van David aanhalen, bedoelen ze ook de rest van deze psalm. Er was eens een indrukwekkende kerk­dienst in Katwijk, met wel duizend bezoekers, waar begonnen werd met het zin­­gen van Psalm 2:2 in de oude berijming. Dat vers begint met het woord maar. Het is wonderlijk om een kerkdienst te beginnen met maar. “Maar d’Opperheer, die zijn geduchten stoel op starren sticht en grondvest op de wolken,  zal lachen met dat vruchteloos gewoel en spotten met den waan der dwaze volken”.  (Ps.2:2 -oude berijming). Er gebeurt wat als je zo’n Psalm gaat zingen! ” Die in den hemel woont, zal lachen”. – SV. Die mensen daar in Handelingen hebben dat ook geweten en beseft. Er is een heel complot gaande en het is allemaal bepaald en beschikt, maar dwars door dat alles heen komt God tot zijn doel. Het kwaad wordt als het ware alleen maar een radertje in de grotere raderen waar Ezechiël ook al over sprak. Als de Geest komt in die raderen, beginnen die wie len te draaien. Dan gaat die wagen van Gods troon, die merkabah in op­mars. Zo is er ook een lied, waarin gesproken wordt over de gospeltrain die gaat rij­den. ‘Children, get on board’. Herodes kijkt Pilatus aan en zegt: die gos­pel­­train begint te rijden, maar dat was de bedoeling niet! We had­den toch niet ge­pland dat het evangelie over de gehele wereld zou uitgaan! We hadden niet voorzien dat er een Redder, een Heiland, een Heelmaker, een Be­vrij­­­der en Trooster der natiën zou zijn. De Schrift­ge­leer­den en de Over­pries­­ters vragen zich af of ze dan toch de verkeer­de tekst of de ver­keer­de exegese hebben gebruikt. Er staat in Jesaja ook dat ze helemaal de draad kwijt­­raken. “Die de wijzen vangt in hun sluwheid”.  Ze weten eigenlijk niet meer waar ze het over hadden. De heilige Geest heeft David geïnspireerd tot het maken van Psalm 2. De heilige Geest neemt het over en de raderen beginnen te draaien. Ver­volgens komen de apostelen in hun gebed terecht bij de situatie waar­­­in ze ver­­­keren. “En nu, Here (Kurios), let op hun dreigingen en geef uw dienstknechten met al­­le vrijmoedigheid uw woord te spreken”. – Hand.4:29. Er staat nu niet het woord Despota (Meester), maar Kurios (Degene die ‘het al’ regeert). “Doordat Gij uw hand uitstrekt tot genezing, en dat tekenen en wonderen ge­schie­den door de naam van uw heilige knecht (of kind) Jezus.  En terwijl zij ba­den, werd de plaats, waar zij vergaderd (verzameld) waren, be­wogen (ge­schud); en zij werden allen vervuld met de heilige Geest en spraken het woord Gods met vrijmoedigheid”. – Hand.4:30,31.

Het is net alsof Psalm 2 op hen overspringt en de vonk van de Geest op hen overslaat. Ze krijgen net als David de vrijmoedigheid om te spreken en om, door hen heen, het Woord voortgang te doen hebben. De apos­te­len en de gemeente hebben innerlijke ruimte en innerlijke weerbaarheid ge­­kregen, omdat ze een groot perspectief voor ogen hadden. Wij bevin­den ons in Psalm 2 en wij staan in de Raad van God! God gaat zijn plan vol­voeren. Dan zijn al die koningen en hooggeplaatsten in wezen alleen maar schakeltjes in het grote plan. Eventueel tegen wil en dank moeten ze gewoon hun me­lo­dietje meespelen. Ze zijn ondergeschikt en kunnen Gods plan niet te­gen­houden. Ze werken, in weerwil van zichzelf, alleen maar mee aan dat grote bestek van God. Hij gaat zijn raad volvoeren!

Zelfs de grimmigheid der mensen moet U loven

Psalm 76 heeft een wonderlijk slot: “Zelfs de grimmigheid der mensen moet U loven’. Waarlijk, de grimmige mensen moeten U loven,  (letterlijk: de grimmigheid van de mens moet U loven)  Gij beteugelt de rest der grimmigen”. – Ps.76:11.

Ook die grimmigheid moet uiteindelijk meewerken aan dat volmaakte plan van God. Psalm 76 eindigt heel bijzonder met de woorden: “Die de toorn der vorsten verslaat, (letterlijk: Die de geest der vorsten als druiven afsnijdt) die voor de koningen der aarde geducht is”. – Ps.76:13. In feite moeten die vorsten, de machthebbers nog meedoen om het wijn­­­glas vol te maken. Zij worden ook ingeschakeld. God zegt: als je mee wilt doen, dan doe je mee en als je níet mee wilt doen, dan doe je óók mee! Hier is nog veel meer over te zeggen, maar we kunnen natuurlijk niet alle gedachten in een kort tijdsbestek omvatten. Soms moet je ge­woon iets neerzetten en de volgende gedachte komt dan een andere keer.

Hij snijdt hun geest als druiven af,

Hij, die de koningen der aarde

zelfs op hun tronen vreze baarde.

(Ps.76:7b – oude berijming)

Die koningen vragen zich af wat ze eigenlijk aan het doen zijn. Ook die ru­­ach, die toorn van de vorsten, wordt nog ingeschakeld in Gods uit­ein­de­­lijke plan. ‘Hij vertaalt de duisternis in eindelijk eeuwig licht’. In het gebed daar in Handelingen 4 zijn de mensen bezig om de ruimte in de geest af te palen. Op die manier scheppen ze ruimte voor hun in­ner­­lijke wereld. Er zijn allerlei machten en krachten die proberen om je geest in te dammen en in te perken. Dan is het goed om op het strand van je ziel ruimte te maken en om als ‘geestelijke strandjutters’ ook dat ge­­bied weer te vergroten.

Gods raad en Gods wil

Er zijn soms dingen, die je al biddende kunt verklaren, maar hoe moeten we nu denken over de Raad van God? Is dat dan allemaal van tevoren zo bepaald en bedoeld, of is er misschien toch ook nog een onderscheid te maken tussen Gods raad en zijn wil? Het was blijkbaar in de raad van God dat Jozef in de put werd ge­wor­pen en naar Egypte werd verkocht. Daar­mee wordt Jozef voor­­uit ge­zon­den, zoals zo mooi wordt gezegd in Psalm 105: “God zond een man voor hen uit” – v.17.  Jozef wordt voor­uit­ge­stuurd als een voor­lo­per. ” Toen Hij hongersnood opriep over het land  en alle staf des broods verbrak, zond Hij een man voor hen uit:  (Hij zond voor hun aangezicht een man) Jozef werd als slaaf verkocht. (tot knecht (‘ebed) werd hij verkocht, Jozef) ” – Ps.105:16,17. Jozef werd als voorloper, als pionier, vooruit gezonden om alvast het werk voor te bereiden, waardoor de graanschuren in Egypte konden wor­­den ge­­vuld. Mensen vinden daar brood in overvloed. Hij werd als slaaf ver­kocht. Misschien is het wel goed om hier ook te vertalen ‘hij werd tot knecht’ in alle meerdimensionale gedachten die daarin mee­spe­len. Als hij verkocht werd tot knecht, betekent het dat hij niet alleen maar slaaf was. Hij was daar knecht des Heren, knecht met een roeping, met een be­stemming, zodat hij achteraf ook kon zeggen: niet tevergeefs. Het heeft een zin gehad.

De volledige studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

410336 bezoekers sinds 07-06-2010