De opname

23-05-2010 door Joop Neven

door Bert Boersma,

“Doch wij willen u niet onkundig laten, broeders, wat betreft hen, die ontslapen, opdat gij niet bedroefd zijt, zoals de andere (mensen), die geen hoop hebben. Want indien wij geloven, dat Jezus gestorven en opgestaan is, zal God ook zo hen, die ontslapen zijn, door Jezus wederbrengen met Hem. Want dit zeggen wij u met een Woord des Heren: wij, levenden, die achterblijven tot de komst des Heren, zullen in geen geval de ontslapenen voorgaan, want de Here zelf zal op een teken, bij het roepen van een aartsengel en bij het geklank ener bazuin Gods, nederdalen van de hemel, en zij, die in Christus gestorven zijn, zullen het eerst opstaan; daarna zullen wij, levenden, die achterbleven, samen met hen op de wolken in een oogwenk weggevoerd worden, de Heer tegemoet in de lucht, en zó zullen wij altijd met de Here wezen. Vermaant elkander dus met deze woorden” (1Tess. 4: 13-18). Dit bijbelgedeelte is de basis van de gangbare mening dat de gemeente van de Here Jezus Christus in de hemel opgenomen zal worden. Het tijdstip van deze opname wordt dan meestal geplaatst vlak voor de grote verdrukking, die over de aarde komen zal onder leiding van satan, die dan zijn troon zal hebben in de tempel te Jeruzalem. Voor veel gelovigen is de “opname” een geweldig mooi iets om in te geloven, en om aan vast te houden, want het is toch heerlijk om te weten, dat we bij de Here in de hemel opgenomen zullen worden, voordat de grote verdrukking over deze aarde losbreekt. Het is toch geweldig zegt men, dat we zo’n Here hebben, die ons thuis haalt voordat alle vreselijke dingen uit Openbaring over de aarde uitgestrooid zullen worden? En dan worden er bijbelse voorbeelden bij aangehaald, om aan te tonen dat de Here inderdaad zo werkt:

– Voordat Sodom en Gomorre verwoest werden, werden Lot en de zijnen eruit geleid.

– Voordat de zondvloed kwam, werden Noach en de zijnen in veiligheid gebracht. En zo zijn er meerdere voorbeelden te noemen. En dus zó zal het ook met de“opname”gaan, zeggen velen. Voordat de grote verdrukking over de aarde losbreekt, brengt de Here de zijnen in veiligheid. Maar ik wil in deze bijbelstudie de vraag neerleggen: Is het waar? Worden de gelovigen van nu (anno 2006) door de Here opgenomen in de hemel?

 De Hoop van Israël

Om te begrijpen waar het in dezen om gaat, gaan we ons eerst verdiepen in de Hoop van Israël”. In de tijd van Handelingen was de Komst van de Here Jezus Christus als Koning in Israël een zeer actuele, levende verwachting. Men verwachtte de wederkomst zeer spoedig. Dit was de “Hoop van Israël”. De bijbel spreekt veelvuldig over deze Hoop, en om over deze Hoop een duidelijk beeld te krijgen, lezen we de volgende bijbelteksten: Matth. 24:42: “Waakt dan, want gij weet niet, op welke dag uw Here komt”. Matth. 24:44: “Daarom, weest ook gij bereid, want op een uur, dat gij het niet verwacht, komt de Zoon des mensen”. Joh. 21:22: “Jezus zeide tot hem: Indien Ik wil, dat hij blijft, totdat Ik kom, wat gaat het u aan?” Hand 3: 19 en 20: “Komt dan tot berouw en bekering, opdat uw zonden uitgedelgd worden, opdat er tijden van verademing mogen komen van het aangezicht des Heren, en Hij de Christus, die voor u tevoren bestemd was, Jezus, zende.” Rom.13:11 en 12: “Gij verstaat immers de tijd wel, dat het thans voor u de ure is om uit de slaap te ontwaken. Want het heil is ons nu meer nabij, dan toen wij tot het geloof kwamen. De nacht is ver gevorderd, de dag is nabij. Laten wij dan de werken der duisternis afleggen en aandoen de wapenen des lichts.”

1 Kor. 7:29: “Dit bedoel ik broeders: de tijd is kort.”

1 Kor. 7:31B: “Want het uiterlijk van deze wereld is bezig te verdwijnen.”

1 Kor. 10:11B: “Voor ons, over wie het einde der wereld gekomen is.”

1 Tess. 4:15: “Want dit zeggen wij u met een Woord des Heren: wij, levenden, die achterblijven tot de Komst des Heren, zullen in geen geval de ontslapenen voorgaan.”

Hebr. 1:1: “Nadat God eertijds vele malen en op vele wijzen tot de vaderen gesproken had in de profeten, heeft Hij nu in het laatst der dagen tot ons gesproken in (de) Zoon.”

Hebr. 10:25B: “Naarmate gij de dag ziet naderen.” (de dag = de Dag des Heren)

Hebr. 10:37: “Want nog een korte, korte tijd, en Hij, die komt, zal er zijn en niet op Zich laten wachten.”

Jac. 5:3B: “Gij zijt schatten gaan opleggen, terwijl het de laatste dagen zijn.”

Jac.5:8: “Oefent ook gij geduld, sterkt uw harten, want de komst des Heren is nabij.”

1 Petr. 4:7: “Het einde aller dingen is nabij gekomen.”

2 Petr. 3:4: “Waar blijft de belofte van Zijn komst?”

2 Petr. 3:12: “Vol verwachting u spoedende naar de komst van de dag Gods.”

1 Joh. 2:18: “Kinderen, het is de laatste ure.”  Het moge duidelijk zijn, dat bovenstaande geïnspireerde schrijvers de wederkomst van de Here zeer spoedig verwachten, ja zelfs tijdens hun leven. Het is opmerkelijk dat deze spoedige verwachting van de wederkomst alleen genoemd wordt in twee groepen brieven, die Paulus schreef tijdens de Handelingen periode: De eerste groep is een groep van zeven brieven aan gemeenten, namelijk: Galaten, 1 en 2 Tessalonicenzen, Hebreeën, 1 en 2 Korinthiërs en de Romeinen brief . De tweede groep is een groep van zeven algemene zendbrieven, namelijk: Jacobus, 1 en 2 Petrus, 1 en 2 en 3 Johannes en Judas. Nóg opmerkelijker is het dat deze verwachting, deze “Hoop van Israël”, totaal ontbreekt in de latere brieven, die Paulus in zijn gevangenschap na de Handelingen periode heeft geschreven. Dit is de derde groep van zeven brieven: Deze derde groep van zeven brieven die na de Handelingen periode door Paulus zijn geschreven zijn: Efeze, Kolossenzen, Filippenzen, Filemon, 1 en 2 Timotheüs en Titus. De “Hoop van Israël” wordt ons in het hele bijbelboek Handelingen zeer duidelijk gepresenteerd.

Enkele voorbeelden:

1. In het eerste hoofdstuk van Handelingen lezen we: “Zij dan, die samengekomen waren, vroegen Hem, zeggende: Here, zult Gij in deze tijd aan Israël het Koninkrijk weder oprichten?” (Staten Vertaling, Hand 1:6)

2. Speciaal tegen de mannen broeders, tegen de Joden, sprak Petrus op de Pinksterdag over de “Hoop van Israël” in Hand 3:17-26: “En nu, broeders, ik weet, dat gij uit onkunde hebt gehandeld, gelijk ook uw oversten; maar zo heeft God in vervulling doen gaan wat Hij bij monde van alle profeten tevoren geboodschapt had, dat Zijn Christus moest lijden. Komt dan tot berouw en bekering, opdat uw zonden uitgedelgd worden, opdat er tijden van verademing mogen komen van het aangezicht des Heren, en Hij, de Christus, die voor u tevoren bestemd was, Jezus, zende; Hem moest de hemel opnemen tot de tijden van de wederoprichting aller dingen, waarvan God gesproken heeft bij monde van Zijn heilige profeten, van oudsher.”

3. Hand. 3:26: “God heeft in de eerste plaats voor u Zijn Knecht doen opstaan en Hem tot u gezonden, om u te zegenen, door een ieder uwer af te brengen van zijn boosheden.” Paulus spreekt hier tegen de mannen broeders van Israël.

4. Aan het eind van Handelingen spreekt Paulus nog steeds over dezelfde “Hoop

van Israël: Hand.26:6 en 7: “En nu sta ik voor het gerecht om mijn hoop op de belofte, die door God aan onze vaderen gedaan is; welke onze twaalf stammen, door voortdurend nacht en dag God te vereren, hopen te bereiken. Om deze hoop, o koning, wordt ik door Joden aangeklaagd.”

5. Hand. 28:20: “Want om de Hoop van Israëldraag ik deze keten.” Dat Paulus tot dan toe aan de Joden niets nieuws (geen verborgenheden of geheimenissen) had verkondigd, blijkt uit Hand 28:23, waar Paulus de voormannen der Joden poogde te overtuigen betreffende de Hoop van Israëluit de wet van Mozes en uit de profeten. Ze hadden het immers moeten weten, want Paulus haalde alleen maar de “Schriften” aan: Hand. 28:23: “En nadat zij (de voormannen van Israël) een dag met hem hadden afgesproken, kwamen verscheidene tot hem in zijn verblijf, wie hij met nadruk het Koninkrijk Gods voorstelde, pogende hen te overtuigen ten opzichte van Jezus, uit de wet van Mozes en de profeten, van de vroege morgen tot de avond toe”. Toen werd duidelijk dat Israël zich niet bekeerde, en dat de belofte van Hand. 3 vers 19-26 werd ingetrokken in Hand 28 vers 27 en 28. Tot die tijd was Israël verbonden met de Hoop van Israël”. De realisering van die Hoop was afhankelijk van de Nationale bekering van Israël. Maar Israël bekeerde zich niet, en alles wat met Israël verbonden was, werd opgeschort. Nu al ongeveer 2000 jaar. Nu terug naar ons uitgangspunt: De opname uit 1 Tess. 4. Maar alvorens wij dat doen, eerst iets over beide Tessalonicenzen brieven. Vaak nemen gelovigen 1 Tess 4 (uit de Handelingen periode) als de openbaring van hun hoop. Maar men leest vaak de twee Tessalonicenzen brieven als twee geheel afzonderlijke brieven. En in het bijzonder past men 1 Tess. 4 vers 13 tot 18 op zichzelf toe, zijnde de opname van de gelovigen. Maar 2 Tessalonicenzen het tweede hoofdstuk, is nog toekomst zegt men. Wanneer wij eens de moeite nemen om beide brieven in één keer achter elkaar te lezen, dan zullen wij bemerken, dat de twee Tessalonicenzen brieven één geheel vormen, en zeer nauw aan elkaar zijn verbonden, ja, zelfs elkaar aanvullen. Nadat Paulus zijn eerste brief aan de Tessalonicenzen had geschreven, rees er een misverstand. En om dit misverstand uit de wereld te helpen, schreef Paulus een tweede brief aan de Tessalonicenzen. Deze tweede brief is een nadere toelichting van het onderwerp uit de eerste brief. Maar gek genoeg wordt meestal op de tweede brief aan de Tessalonicenzen niet ingegaan, als zijnde niet van toepassing op de eerste. In het vervolg van deze bijbelstudie zullen we mogen zien, dat we heel duidelijk kunnen stellen, dat de twee Tessalonicenzen brieven zijn:

1. Onafscheidelijk.

2. Geschreven door dezelfde schrijver.

3. Geschreven zijn in dezelfde periode.

4. Geschreven is aan dezelfde mensen.

5. Handelen over hetzelfde onderwerp.

Nadat de gemeente van de Tessalonicenzen de eerste brief van Paulus had ontvangen, was de gemeente verontrust geworden door het circuleren van nog een andere brief. Deze brief, ofschoon niet van de hand van Paulus, claimde dat wél te zijn. De brief verdraaide het onderwijs van Paulus over de Komst van Christus en de toevergadering tot Hem, daarom schrijft Paulus de Tessalonicenzen direct een tweede brief, die hij persoonlijk ondertekent. Het gaat om: 2 Tess 2: 1-15: “Maar wij verzoeken u, broeders, met betrekking tot de komst van [onze] Here Jezus Christus en onze vereniging met Hem, dat gij niet spoedig uw bezinning verliest of in onrust verkeert, hetzij door een geestesuiting, hetzij door een prediking, hetzij door een brief, die van ons afkomstig zou zijn, alsof de dag des Heren (reeds) aanbrak. Laat niemand u misleiden, op welke wijze ook, want eerst moet de afval komen en de mens der wetteloosheid zich openbaren, de zoon des verderfs, de tegenstander, die zich verheft tegen al wat God of voorwerp van verering heet, zodat hij zich in de tempel Gods zet, om aan zich te laten zien dat hij een god is. Herinnert gij u niet, dat ik, toen ik nog bij u was, u dit meermalen gezegd heb? En gij weet thans wel, wat hem weerhoudt, totdat hij zich openbaart op zijn tijd. Want het geheimenis der wetteloosheid is reeds in werking; (wacht) slechts totdat hij, die op het ogenblik nog weerhoudt, verwijderd is. Dan zal de wetteloze zich openbaren; hem zal de Here (Jezus) doden door de adem Zijns monds en machteloos maken door Zijn verschijning als Hij komt. Daarentegen is diens komst naar de werking des satans met allerlei krachten, tekenen en bedrieglijke wonderen, en met allerlei verlokkende ongerechtigheid, voor hen, die verloren gaan, omdat zij de liefde tot de waarheid niet aanvaard hebben, waardoor zij hadden kunnen behouden worden. En daarom zendt God hun een dwaling, die bewerkt, dat zij de leugen geloven, opdat allen worden geoordeeld, die de waarheid niet geloofd hebben, doch een welgevallen hebben gehad in de ongerechtigheid. Maar wij behoren God te allen tijde om u te danken, door de Here geliefde broeders, dat God u als eerstelingen Zich verkoren heeft tot behoudenis, in heiliging door de Geest en geloof in de waarheid. Daartoe heeft Hij u ook door ons evangelie geroepen tot het verkrijgen van de heerlijkheid van onze Here Jezus Christus. Zo dan, broeders, staat vast en houdt u aan de overleveringen, die u door ons, hetzij mondeling, hetzij schriftelijk, geleerd zijn.” Paulus waarschuwt de Tessalonicenzen, dat zij niet door allerlei wind van leer hun bezinning moeten verliezen m.b.t. de komst van de Here Jezus Christus en hun vereniging met Hem (opname van 1Tess. 4). De Tessalonicenzen zouden beter moeten weten. Voordat “de Hoop van de Tessalonicenzen” gerealiseerd kon worden, moesten er eerst nog belangrijke profetieën in vervulling gaan, voordat de Komst des Heren en de toevergadering tot Hem (de opname) kan aanbreken:

1. Eerst moet de afval komen (2 Tess. 2:3)

2. Eerst moet de zoon des verderfs komen, de tegenstander, die zich verheft tegen al wat God, of voorwerp van verering heet, die moet zich eerst openbaren. Die tegenstander zal zich in de tempel Gods zetten, om te laten zien dat hij een god is (2 Tess. 2:4).

3. De komst van die mens der wetteloosheid zal gepaard gaan met allerlei krachten, tekenen en bedrieglijke wonderen. Dit zal zijn een satanisch na-apen van de pinkstergaven (2 Tess. 2:9).

4. De Here zelf zal deze mens der wetteloosheid doden door de adem Zijns monds, en machteloos maken door Zijn verschijning (2 Tess. 2:8). Dit alles moet eerst gebeuren, voordat de dag des Heren, de wederkomst des Heren aanbreekt, en dit alles moet ook gebeuren voordat “de opname” bij die Komst zal plaatsvinden. Paulus had er bij de Tessalonicenzen meermalen op gehamerd dat deze dingen eerst moesten geschieden: 2 Tess. 2:5: “Herinnert gij u niet, dat ik, toen ik nog bij u was, u dit meermalen gezegd heb?” Dit geld ook voor ons, die anno 2006 leven: “Mijn beste broeders en zusters, laat niemand u misleiden, op welke wijze ook, want eerst moet de afval komen, en de mens der wetteloosheid zich openbaren, de zoon des verderfs.” (2 Tess. 2:3). Als u echt wilt vasthouden aan de gangbare mening, dat er “een opname” zal komen voor de leden van Het Lichaam van Christus, dan is dat uw goed recht, maar dan kunt u hier beter stoppen met lezen, want dan zal het vervolg van deze bijbelstudie u alleen maar verdriet geven. Maar als u echt wilt ontdekken wat Gods Woord zegt, dat er voor de gelovigen van nu een véél hogere Hoop is weggelegd in de hemelen, dan moet u doorlezen.

 Kunnen wij vandaag de opname verwachten? 

“Ja”, zeggen vele gelovigen, “er hoeft niets meer vervuld te worden. De Here kan ieder moment komen, zijn wij er dan klaar voor?” Dit is onbijbels en niet waar. Want als wij 1 Tess. 4:13-18 als onze Hoop nemen, als wordt aangenomen dat wij, de gelovigen van nu, vóór de verdrukking opgenomen zullen worden, en daarna bij de Here in de hemel zullen zijn, dan is 2 Tess. 2:1-15 daar in het geheel niet mee in overeenstemming, want eerst moeten de genoemde gebeurtenissen van 2 Tessalonicenzen in vervulling gaan. In 1 Tess. 4:13-18 vinden wij de Hoop van de gemeenten uit de Handelingen periode heel duidelijk uiteengezet. Zij, die nu, anno 2006, deze Hoop nemen als de openbaring van hun eigen Hoop, zien deze beschreven “opname” als een gebeurtenis die geheel apart staat van de wederkomst van Christus op aarde. Men ziet dit als een aparte Komst van Christus in de lucht, waarbij de gemeente Hem tegemoet gaat, en alzo wordt opgenomen in de hemel. En dit zou dan geschieden voordat de verdrukking, de antichrist, de afval, de eindtijd, enz, over deze wereld komt. Nergens vinden we in de bijbel zo’n aparte komst van de Here beschreven, en als dat echt zo zou gebeuren, dan zou dat feit toch belangrijk genoeg moeten zijn om beschreven te worden. Waar zijn de gelovige ontslapenen in de Handelingen periode? Op deze vraag geeft 1 Tess.4 een duidelijk antwoord. Vers 14: “Want indien wij geloven, dat Jezus gestorven en opgestaan is, zal God ook zo hen, die ontslapen zijn, door Jezus wederbrengen met Hem”.

 Wanneer zal dit geschieden?

Ook hierop geeft 1 Tess. 4 antwoord: Vers 16: “Want de Here zelf zal op een teken, bij het roepen van een aartsengel en bij het geklank ener bazuin Gods, nederdalen van de hemel, en zij, die in Christus gestorven zijn, zullen het eerst opstaan”, enz. Nadat de ontslapenen zijn opgestaan, zullen zij tezamen met de gelovige levenden, die veranderd zullen worden (in een ogenblik), de Here tegemoet gaan in de lucht. Lees in dit verband ook: 1 Kor. 15:51-55: “Zie, ik deel u een geheimenis mede. Allen zullen wij niet ontslapen, maar allen zullen wij veranderd worden, in een ondeelbaar ogenblik, bij de laatste bazuin, want de bazuin zal klinken en de doden zullen onvergankelijk opgewekt worden en wij zullen veranderd worden. Want dit vergankelijke moet onvergankelijkheid aandoen en dit sterfelijke moet onsterfelijkheid aandoen. En zodra dit vergankelijke onvergankelijkheid aangedaan heeft, en dit sterfelijke onsterfelijkheid aangedaan heeft, zal het woord werkelijkheid worden, dat geschreven is: De dood is verzwolgen in de overwinning. Dood, waar is uw overwinning. Dood, waar is uw prikkel?” Had iemand van deze opgestane ontslapenen, die opgestaan waren met een verheerlijkt lichaam, de Heer al eens ontmoet? Nee, ze zullen nu voor de eerste keer de Here ontmoeten, en wel in de lucht. Misschien vindt u dit een vreemde vraag, maar ik zal u uitleggen, hoe ik er toe kom: Wat wordt er heden ten dage door velen, ook door voorgangers gezegd, bij het graf van een overledene, en wat wordt er tegen de achterblijvende bedroefden gezegd om hen op te beuren? Wordt er dan niet heel vaak gezegd: “Hij (of zij) heeft het nu beter, hij is bij de Here.” Maar als u 1 Tess 4:13-18 geloofd, en toepast voor uzelf, dan is dat niet waar, want dan ligt de overledene in het graf. Stel, dat u gelijk heeft, als u tegen het achterblijvende familielid zegt: “Hij is bij de Here”, dan is die gestorvene nú IN Christus in de hemel met een verheerlijkt nieuw lichaam. Maar als u daarnaast ook gelooft in de opname van 1 Tess 4, dan moet diezelfde verheerlijkte nieuwe mens, die nu in de hemel is, dat nieuwe lichaam weer afleggen, om vóór “de opname” weer in het aardse graf te gaan met zij aardse afgetakelde lichaam, om dan, vlak vóór “de opname” weer opgewekt te worden, en voor de tweede keer een verheerlijkt nieuw lichaam ontvangen bij de Komst van de Here bij de opname van de zijnen. Kunt u het nog volgen? Deze gedachte komt nergens in de bijbel voor, deze gang van zaken is onbijbels. Voor alle duidelijkheid: Toen, in de Handelingen periode, predikte Paulus, wat er in verband met Gods beloften, gegeven aan Israël, en het spoedig komende Koninkrijk, aanstaande was. En dat geloofde Paulus ook. Het was Paulus niet toegestaan om in de Handelingen tijd méér te openbaren. Paulus predikte in de Handelingen periode uitsluitend: Mozes en de profeten! Alles wat Paulus in de Handelingen tijd verkondigde was na te speuren in de Schriften. Geen andere “Hoop”was er openbaar gemaakt in het Oude Testament of tijdens de rondwandeling van de Here Jezus op aarde, en ook in de Handelingen tijd was alles na te speuren in de toen bestaande Schriften.

 Wat er wél bekend was tot en met de Handelingen periode:

Hieronder enkele teksten waaruit blijkt wat er tot het einde van Handelingen wel bekend was gemaakt in de geïnspireerde Schrift: Joh. 5:28 en 29: “Verwondert u hierover niet, want de ure komt, dat allen, die in de graven zijn, naar Zijn stem zullen horen, en zij zullen uitgaan, wie het goede gedaan hebben, tot de opstanding ten leven, wie het kwade bedreven hebben, tot de opstanding ten oordeel”. Joh. 6:39: “En dit is de wil van Hem, die Mij gezonden heeft, dat Ik van alles wat Hij Mij gegeven heeft, niets verloren late gaan, maar het opwekke ten jongste dage.” Joh. 6:40: “Want dit is de wil Mijns Vaders, dat een ieder, die de Zoon aanschouwt en in Hem gelooft, eeuwig leven hebbe, en Ik zal hem opwekken ten jongste dage.” Joh. 6:44: “Niemand kan tot Mij komen, tenzij de Vader, die Mij gezonden heft, hem trekke, en Ik zal hem opwekken ten jongsten dage.” Joh. 11:24: “Martha zeide tot Hem: Ik weet, dat hij zal opstaan bij de opstanding ten jongste dage.” 1 Tess. 4:15: “Want dit zeggen wij u met een Woord des Heren: wij levenden, die achterblijven tot de komst des Heren, zullen in geen geval de ontslapenen voorgaan,” enz. 1 Kor. 15:42-44: “Zo is het ook met de opstanding der doden. Er wordt gezaaid in vergankelijkheid, en opgewekt in onvergankelijkheid; er wordt gezaaid in oneer, en opgewekt in heerlijkheid; er wordt gezaaid in zwakheid, en opgewekt in kracht. Er wordt een natuurlijk lichaam gezaaid, en een geestelijk lichaam opgewekt. Is er een natuurlijk lichaam, dan bestaat er ook een geestelijk lichaam.” Daniël 12:2: “Velen van hen die slapen in het stof der aarde, zullen ontwaken, dezen tot eeuwig leven en genen tot versmading, tot eeuwig afgrijzen.” Job 10:18-22: “Maar waarom deed Gij mij uit de moederschoot voortkomen, gaf ik de geest niet, eer een oog mij zag? Ik zou dan zijn, alsof ik niet geweest ware; van de moederschoot zou ik grafwaarts zijn gedragen. Zijn de dagen mijns levens niet weinige? Laat van mij af, opdat ik een weinig vreugde beleve, voordat ik heenga, zonder terug te keren, naar het land van donkerheid en diepe duisternis, het stikdonkere land, waar diepe duisternis en wanorde heersen en waar het licht gelijk is aan de duisternis.” Job 14:10-12: “Maar wanneer een man sterft, dan ligt hij krachteloos neer; geeft een mens de geest, waar is hij gebleven? Zoals water verdampt uit een meer, en een rivier verloopt en uitdroogt, zo legt een mens zich neer en staat niet weer op; totdat de hemelen niet meer zijn, ontwaken zij niet en worden niet wakker uit hun slaap.” Job 17:13-16: “Wanneer ik het dodenrijk verwacht als mijn tehuis, in de duisternis mijn leger spreid, tot de groeve zeg: Gij zijt mijn vader, tot de wormen: Mijn moeder en mijn zuster, waar ergens is dan mijn hoop? Ja, mijn verwachting, wie kan haar ontdekken? Zij zullen naar de diepten van het dodenrijk nederdalen, wanneer wij tezamen in het stof nederzinken.” De apostel Paulus blijft in 1 Tess. 4 en in 1 Kor. 15 volledig in lijn met het onderwijs van de Here Jezus Christus. Daarom kan hij ook met recht tot de Tessalonicenzen spreken met “een woord des Heren.” (1 Tess. 4:15). De Here zal straks bij Zijn Komst gelovigen opwekken. De ure komt, dat allen, die in de graven zijn, Zijn stem zullen horen. Hij zal niets verloren laten gaan, van hen die Hem toebehoren. Maar Paulus ging niet de bedroefde Tessalonicenzen troosten met de gedachte dat de gestorvenen nu al bij de Here in de hemel zijn. Dat kon Paulus ook helemaal niet, want dat was niet “de Hoop van Israël”. Dan zou Paulus in de Handelingen periode buiten zijn boekje zijn gegaan, en tegen het getuigenis van heel de Schrift zijn ingegaan. Paulus vertroost de gelovigen van de Handelingen tijd met de Hoop op de opstanding bij de Komst des Heren, als de laatste bazuin klinkt. En tot die tijd liggen de ontslapen gelovigen van de Handelingen periode in het stof der aarde. Voor alle duidelijkheid herhaal ik het nog eens: In de Handelingen periode leert Paulus in alle brieven, die Paulus tijdens die Handelingen periode heeft geschreven, dat de ontslapenen in het graf zijn. Paulus leert in deze brieven nergens, dat die gelovigen in de hemel bij (In) Christus zijn. Nadat de Here zelf Israël, en daarmee de Hoop van Israël” terzijde had gezet (dus na Handelingen 28), schrijft Paulus door de openbaring en inspiratie van God zelf nog zeven brieven vanuit zijn gevangenis, waar Paulus zeker twee jaar verbleef (Hand 28:30). In deze laatste zeven brieven mag Paulus aan ons nieuwe verborgenheden (geheimenissen) bekendmaken, die eeuwen her verborgen zijn gebleven in God. Dus deze verborgenheden waren aan niemand bekend, en waren nergens na te speuren, maar waren alleen bekend bij God zelf. Efeze 3:8-10: “Mij, verreweg de geringste van alle heiligen, is deze genade te beurt gevallen, aan de heidenen de onnaspeurlijke rijkdom van Christus te verkondigen, en in het licht te stellen (wat) de bediening van het geheimenis (inhoudt), dat van eeuwen her verborgen is gebleven in God, de Schepper van alle dingen, opdat thans door middel van de gemeente aan de overheden en de machten in de hemelse gewesten de veelkleurige wijsheid Gods bekend zou worden.” Deze latere zeven brieven (Efeze, Kolossenzen, Filippenzen, Filemon, 1 en 2 Timotheüs en Titus) verkondigen ons een Hoop, die de Hoop van een “opname” verreweg overstijgt. Deze nieuwe Hoop is een opstanding, die aan de opstanding uit de doden bij de Komst des Heren van 1 Tess. 4, allang vooraf is gegaan. Dit is de bijzondere Hoop van de leden van de Gemeente der verborgenheid, die nu alreeds zijn mede-opgewekt met Christus, mede zijn opgestaan en mede zijn gezet met Christus in de hemelse gewesten. Deze Gemeente van Jezus Christus, het Lichaam van Christus, de complete Man, bezit de Hoop van Fil 3:10-14: “(dit alles) om Hem te kennen en de kracht Zijner opstanding en de gemeenschap aan Zijn lijden, of ik, aan Zijn dood gelijkvormig wordende, zou mogen komen tot de opstanding uit de doden. Niet dat ik het reeds zou verkregen hebben of reeds volmaakt zou zijn, maar ik jaag ernaar, of ik het ook grijpen mocht, omdat ik ook door Christus Jezus gegrepen ben. Broeders, ik voor mij acht niet, dat ik het reeds gegrepen heb, maar één ding (doe ik): vergetende hetgeen achter mij ligt en mij uitstrekkende naar hetgeen vóór mij ligt, jaag ik naar het doel, om de prijs der roeping Gods, die van boven is, in Christus Jezus.” Er staat: “tot de opstanding uit de doden”, maar eigenlijk zou er moeten staan volgens de grondtekst: “De uitopstanding van tussen de doden uit”. Dit is de uitopstanding van tussen de overige doden uit, een individuele opstanding, die plaats heeft nadat de gelovige is gestorven, nadat hij de goede strijd heeft gestreden en de loopbaan heeft gelopen (Fil. 1:20-24 en 2 Tim. 4:6-8). Dus als u zegt dat uw overleden broeder of zuster bij de Here is, dan zegt u het juist, als uw Hoop is: De Hoop van Fil 3:10-14. Maar het is het één of het ander. Tegelijk geloven dat Fil 3:10-14 onze Hoop is, en ook geloven dat 1Tess 4:13-18 onze Hoop is, dat is tegenstrijdig met elkaar.

 Het “Tegemoet” gaan

De gangbare gedachte is, dat de opgestane gelovigen tezamen met de levende (veranderde) gelovigen, de Here tegemoet zullen gaan in de lucht, en dan tezamen met de Here naar de hemel zullen gaan. Maar opnieuw stel ik de vraag: Is dit zo? De vraag die we ons moeten stellen is: Wie gaat wie tegemoet? Het woord “tegemoet gaan” komt drie keer in de bijbel voor:

1. Matth. 25:6: “En midden in de nacht klonk er een geroep: De bruidegom, zie, gaat uit Hem tegemoet!”

2. Hand. 28:14B-16: “En zo gingen wij naar Rome. En vandaar kwamen de broeders, die van onze aangelegenheden gehoord hadden, ons tot Forum Appii en Tres Tabernae tegemoet, en toe Paulus hen zag, dankte hij God en greep moed. En toen wij te Rome aangekomen waren, kreeg Paulus verlof op zichzelf te wonen met de soldaat die hem bewaakte.”

3. 1 Tess. 4:17: “Daarna zullen wij levenden, die achterbleven, samen met hen op de wolken in een oogwenk weggevoerd worden, de Here tegemoet in de lucht, en zó zullen we altijd met de Here wezen.” In Matth. 25:6 lazen we dat de wijze maagden de bruidegom tegemoet gaan. De bruidegom, die komt, is daar op reis naar de bruiloftszaal, en de wijze maagden, die Hem verwachten, gaan uit hem tegemoet. Nadat zij Hem tegemoet zijn gegaan, gaan zij met Hem mee naar het doel wat de bruidegom had, namelijk: Zij gaan met Hem de bruiloftszaal binnen. In Hand 28:14B-16 lazen we dat de broeders van Rome hoorden, dat Paulus naar Rome kwam, gingen zij Paulus op weg tegemoet. Nadat zij hem tegemoet gegaan waren en hadden verwelkomd, kwamen zij te Rome aan. Niet Paulus ging de broeders tegemoet, nee, de broeders die in Rome woonden, gingen Paulus tegemoet, en begeleiden Paulus tijdens het laatste stukje van de reis naar Rome, naar het doel wat Paulus had. In Tess. 4:17 lazen we dat de opgestane gestorvenen en de dan levende gelovigen de Here tegemoet gaan in de lucht. Dan zijn er twee mogelijkheden: 

1. Of de Here gaat de Tessalonicenzen tegemoet, in dat geval hebben de Tessalonicenzers een reisdoel. Dan gaan allen tezamen met de Here naar de hemel.

2. Of de Tessalonicenzers gaan de Here tegemoet, Dan heeft de Here een reisdoel. In dit geval gaan allen tezamen naar de aarde. Wat zegt de tekst: 1 Tess. 4:17: “Daarna zullen wij, levenden, die achterbleven, samen met hen op de wolken in een oogwenk weggevoerd worden, de Here tegemoet in de lucht, en zo zullen wij altijd met de Here wezen.” Dus er staat: Wij zullen de Here tegemoet gaan in de lucht. Dan wil dat dus zeggen, dat allen tezamen het reisdoel vervolgen dat de Here had, namelijk naar de aarde toe! Uit het voorgaande weten we, dat deze “opname”, deze tegemoettreding plaatsvindt tijdens, of vlak voor de wederkomst van de Here op deze aarde.

 De Komst des Heren

Elk hoofdstuk in de Tessalonicenzen brief spreekt van de “Komst” des Heren. De Hoofdstukken 2, 3, 4 en 5 van de eerste Tessalonicenzen brief geven aan deze “Komst” een naam, namelijk: “de Parousia.” De Schrift is uiterst consequent in zijn gebruik van woorden. De eerste keer dat een woord in de Schrift wordt gebruikt, levert altijd de sleutel tot zijn betekenis. Het is de Heiland zelf die dit woord “Parousia” (= komst, aanwezigheid) voor het eerst gebruikt in Matth. 24 vers 3, 27, 37 en vers 39. Vanuit Matth. 24 leren we dat de “Parousia” te maken heeft met de Dag des Heren, te maken heeft met de grote verdrukking, en te maken heeft met de antichrist.

 Vergelijkingen met Matth. 24 en de Tessalonicenzen

1. De gruwel op de heilige plaats (Matth. 24:15 en 2 Tess 2:4)

2. De grote verdrukking (Matth. 24:21 en 2 Tess. 1:6-7 en Dan 12:1)

3. De valse Christussen en de valse profeten (Matth. 24:24 en 2 Tess 2:3-8)

4. De grote tekenen en wonderen (Matth. 24:24 en 2 Tess 2:9-10)

5. De schitterendheid van Zijn komst (Matth. 24:27 en 2 Tess.1:8 en 2 Tess 2:8)

6. De komst als een dief in de nacht (Matth. 24:43-44 en 1 Tess. 5:2-4)

7. De komst de Heren na de verdrukking en de terugverzameling van Zijn uitverkorenen (Matth. 24:29-31 en 2 Tess 2:1 en 1 Tess. 4:13-18)

8. De engelen (Matth. 24:31 en 1 Tess. 3:13 en 2 Tess. 1:7)

9. De gelijkenis van de vijgenboom: Wanneer gij dit alles ziet, dan is het nabij (Matth. 24:32-33 en 2 Tess. 2:1-9)

10.De volharding van de gelovigen (Matth. 24:13 en 1 Tess. 1:3 en vers 9 en 2 Tess. 1:4 en 2 Tess. 3:3-5). Uit deze opsomming (die het nalezen in de bijbel meer dan waard is) blijkt temeer dat het onmogelijk is de “Hoop van Israël” te scheiden van de “Hoop van de gemeenten” in de Handelingen tijd. Anders gezegd: De “Hoop van Israël” is gelijk aan de “Hoop van de gemeenten” in de Handelingen tijd. De gelovigen van Tessalonica, dus van de Handelingen periode stonden midden in de verdrukking van die dagen, en zagen uit naar de Dag des Heren, zagen uit naar de Komst (Parousia) des Heren en hun vereniging met Hem (2 Tess. 2:1). En zij wisten zeer wel wáár die vereniging gestalte zou krijgen, en waar ze na die vereniging heen zouden gaan. Paulus had het hun immers meermalen gezegd.

 Punten die bij “de Opname” horen

1. Een teken. 1Tess 4:16: “Want de Here zelf zal op een teken,………” teken = keleuma. Het woord betekent het geven van een bevel aan soldaten, bijvoorbeeld: “Geef acht,” of “Voorwaarts mars”. Er wordt dus een bevel (teken) gegeven in de hemelen aan een hemelse legermacht, die de Here vergezelt als Hijzelf zal nederdalen van de hemel. De hele hemel komt in beweging als de Here dat bevel (dat teken) geeft. Een hele legerstoet met Christus aan het hoofd (Openbaring 11-16).

2. Een aartsengel. 1Tess. 4:16: “……..bij het roepen van een aartsengel……….” Wie is deze aartsengel? Gods Woord spreekt maar over één aartsengel: Michaël (Judas 9). Deze aartsengel heeft een speciale opdracht. Hij staat voortdurend één volk op aarde nabij, namelijk het volk Israël. Dan 12:1: “Te dien tijde zal Michaël opstaan, de grote vorst, die de zonen van uw volk (Israël) terzijde staat; en er zal een tijd van grote benauwdheid zijn, zoals er niet geweest is sinds er volken bestaan; tot op die tijd toe. Maar in die tijd zal uw volk ontkomen: al wie in het boek geschreven wordt bevonden”. Hier staat de aartsengel Michaël het volk Israël terzijde. Als de engel Gabriël tegen Daniël spreekt, dan noemt hij Michaël: “Uw vorst” (Dan 10:21). Het is ook Michaël, die de oorlog tegen de draak, de oude slang aanvoert (Openbaring 12:7- 9). Ook kunnen wij Dan 12:1-2 leggen naast 1Tess. 4:13-18, en ook naast 1 Kor. 15:50-55. Dus als de aartsengel van 1 Tess 4 niemand minder is dan de aartsengel Michaël van Daniël 12, dan mogen we concluderen, dat de opstanding van Dan 12:2 exact de opstanding van 1 Tess 4:16 overlapt. In 1 Tess. 4:16 zien wij (als we 2 Tess. 2:1-15 als terechtwijzing ernaast leggen), hoe de aartsengel Michaël, nadat hij het volk Israël 1260 dagen terzijde heeft gestaan tijdens de grote verdrukking, begint te roepen, als daar op het bevel (het teken) de hemelse legermacht zich in beweging zet, en Christus van de hemel begint neder te dalen. Het roepen van de aartsengel is een roepen van grote blijdschap, dat de 42 maanden (3 ½ jaar of 1260 dagen) om zijn, waarin satan in grote grimmigheid jacht maakte op Daniëls volk, en oorlog voerde tegen de overigen van haar nageslacht, die de geboden van God zullen bewaren en het getuigenis van Jezus Christus zullen hebben (Openbaring 12:17). Dan komt Christus, die de wetteloze zal doden door de adem Zijns monds, en machteloos zal maken door Zijn verschijning, als Hij komt (2 Tess 2:8).

 3. De Bazuin.

1 Tess. 4:16: “……………..en bij het geklank ener bazuin Gods…………” Dezelfde bazuin vinden wij ook in 1 Kor. 15:52, het heet daar: de laatste bazuin: “…………..bij de laatste bazuin, want de bazuin zal klinken en de doden zullen onvergankelijk opgewekt worden en wij (gelovige levenden, die toen leefden) zullen veranderd worden.” In Openbaring lezen wij het verslag van de voleinding der eeuw (ook in Matth. 24), en daar in Openbaring klinken in totaal zeven bazuinen. De zevende bazuin is de laatste: Openbaring 11:15: “En de zevende engel blies de bazuin en luide stemmen klonken in de hemel, zeggende: Het koningschap over de wereld is gekomen aan onze Here en aan Zijn Gezalfde, en Hij zal als koning heersen tot in alle eeuwigheden”(letterlijk: Tot in de eeuw der eeuwen). Het gevolg van het klinken van de laatste bazuin (ook die bazuin van 1 Tess 4:16) is, dat de hemel zegt: “Het Koningschap over de wereld is gekomen aan onze Here en aan Zijn Gezalfde,” enz. De laatste bazuin kondigt de Komst van Christus op aarde aan. Bovenstaande drie gebeurtenissen uit Tess 4:16, die gepaard gaan met het nederdalen van de Heiland uit de hemel, geven ons in vergelijking met de overige geïnspireerde getuigenissen in de Schrift omtrent de Komst des Heren, nogmaals de bevestiging, dat het tegemoet gaan van de gelovigen in 1 Tess 4:13-18, een integraal onderdeel uitmaakt van de wederkomst van Christus op aarde, en dat deze Komst géén aparte of andere Komst des Heren is. De Tessalonicenzers moesten het profetisch Woord niet verachten (1 Tess 5:20). Dit geldt uiteraard ook voor ons:

– Uit Daniël 12 konden zij weten (en wij ook), dat de aartsengel Michaël het gelovige Israël terzijde zou staan gedurende die grote verdrukking van 3 ½ jaar, en dat terstond ná die verdrukking de Here Jezus Christus zou wederkomen op de wolken des hemels.

–  Zij (en ook wij) konden weten dat tijdens die wederkomst de opstanding plaats vindt van Dan.12:2, en van 1 Tess 4:16, én van 1 Kor 15:52. Al deze bijbelgedeelten handelen over dezelfde opstanding.

– Zij konden weten door het woord van de apostel Paulus, dat hun doden onvergankelijk zouden worden opgewekt en dat de levenden zouden worden veranderd in een punt des tijds én dat zij allen tezamen de Here tegemoet zouden gaan in de lucht bij die Komst van de Here naar de aarde om Zijn Koningschap op Zich te nemen. De apostel Paulus had de Tessalonicenzen alles verteld en geopenbaard over die Komst (1 Tess. 5:1-3). Over de tijden en gelegenheden was het niet meer nodig dat de Tessalonicenzen geschreven moesten worden. Zij waren uitgebreid door Paulus op de hoogte gebracht uit Mozes en de Profeten! De dag des Heren zou hen niet als een dief overvallen (1 Tess. 5:4-5). Ook voor ons, beste lezer, geldt: Laat niemand u misleiden, alsof “de opname” zeer aanstaande was, want eerst moet de afval komen, en de mens der wetteloosheid moet zich daadwerkelijk openbaren. En dan pas, ná de grote verdrukking, bij de Komst (de Parousia) des Heren zal deze geloofsgroep (en niet wij, gelovigen, die nu leven) de Here tegemoet gaan in de lucht, en zo tezamen op de aarde komen. Deze “Hoop van Israël” van 1 Tess 4 op de Komst des Heren, en hun vereniging met Hem is uitgesteld door de definitieve weigering van Israël om tot berouw en bekering te komen. Israël werd tijdelijk terzijde gezet in Handelingen 28:28. Dit had tot gevolg dat ook de belofte van Zijn Komst is uitgesteld.

De Hoop van Het Lichaam van Christus.

Direct hierna begint de apostel Paulus een nieuwe boodschap bekend te maken, namelijk de verborgenheid (of het geheimenis) van De Gemeente van Het Lichaam van Christus. Deze nieuwe boodschap spreekt helemaal niet meer over een spoedige verwachting van Zijn Komst. Dit “spoedig verwachten” is volledig afwezig in de zeven brieven die Paulus na Handelingen 28 schreef. Paulus, die eerst heel veel over de Komst, over de Parousia schreef, neemt dan het woord Parousia geen enkele keer meer in zijn mond. Hij zwijgt er in deze zeven latere brieven totaal over (Efeze, Kolossenzen, Filippenzen, Filemon, 1 en 2 Timotheüs en Titus). Daarentegen begint Paulus vanaf die tijd over een nieuwe, hogere Hoop te spreken, namelijk over “Epiphaneia”, dat is “de verschijning in heerlijkheid.”In deze “verschijning in heerlijkheid”, deze “Epiphaneia” van Christus, zal het Lichaam van Christus (het samengevoegde Lichaam) op een heerlijke wijze indelen. Paulus spreekt in deze brieven over een individuele opstanding van de gelovigen direct na het sterven: De uitopstanding, die van tussen de doden uit is. Allen die hier deel aan hebben hebben ook deel aan de “verschijning in heerlijkheid” bij Zijn Komst! Het was in Gods raadsbesluit opgenomen, dat Hij een groep gelovigen, die IN Christus zijn, reeds vóór de grondlegging der wereld uitverkoren had (Efeze 1:4). Dit was een verborgenheid. En deze verborgenheid was tot na Handelingen 28 totaal onbekend gebleven, en met een goede reden. Want als de profeten en/of Paulus dit geheimenis bekend hadden gemaakt, dan zou Israël een goede reden (excuus) hebben gehad om zich niet te bekeren. Want dan had het volk Israël (in de Handelingen periode) kunnen zeggen: “Wat heeft het voor zin om nú de Here te volgen, en om nú deel te krijgen aan Zijn Verbond, als de Here toch binnenkort Zijn plan een andere wending geeft en wij (Israël) naar de achtergrond verdwijnen?” Daarom was de uitroeping van Het Lichaam van Christus tot het einde van Handelingen een geheimenis. Het geheimenis van Zijn wil (Efeze 1:9). Eeuwen en geslachten lang verborgen (Kol. 1:26). Sommige gelovigen, die gedurende de Handelingen periode leefden kregen deel aan Het Lichaam van Christus. Hierbij kunnen we bijvoorbeeld denken aan Paulus, aan Timotheüs en de Filippenzen. Anderen bleven tot de “Handelingen groep” behoren, denk daarbij aan de Twaalven, de twaalf discipelen, die als toekomstige taak onder meer over al de twaalf stammen Israëls zullen regeren, een taak die niet tot Het Lichaam behoort. Na de Handelingen tijd waren er dus twee groepen gelovigen:

1. De eerste groep gelovigen (geënt op de edele olijf, op Israël) stierf na een poosje uit, en wachten in het graf op hun “Hoop”. Deze groep had een collectieve “Hoop”. Zij verwachten een opstandingslichaam te ontvangen bij de “Parousia”, bij de Komst van de Here in de lucht.

2. De andere groep gelovigen bleef bestaan tot op de huidige dag. De gestorvenen van deze laatste groep gelovigen hebben hun “Hoop” reeds ontvangen. Voor deze groep geldt dat ze een heel persoonlijke, individuele “Hoop” hebben. Zij mogen weten dat elke gelovige, die in de afgelopen 2000 jaar is gestorven, individueel direct na zijn of haar sterven het opstandingslichaam heeft ontvangen en naar de Here is gegaan. Ditzelfde geldt voor de gelovigen die nu leven. Toch heeft deze tweede groep gelovigen naast de “individuele Hoop” ook nog een “collectieve Hoop”, want eenmaal, wanneer Christus Zich bij Zijn Komst in al Zijn Heerlijkheid openbaart, zullen deze gelovigen collectief zichtbaar zijn in Het complete Lichaam van Christus. Paulus schrijft hierover het volgende: “Wanneer Christus verschijnt, die ons leven is, Zult ook gij met Hem verschijnen in heerlijkheid”. Om zo met Hem te kunnen verschijnen, is het nodig dat wij reeds bij Hem zijn. Met Paulus mogen wij deze “Epiphaneia”, deze verschijning, liefhebben. Beide groepen hadden gemeen, dat ze beide geloofden in het verzoenend offer van de Here Jezus Christus, en dat ze in Christus nieuw leven hadden ontvangen. Paulus spreekt over een mede opgewekt worden met Christus, en een mede gezet worden met Christus in de hemelse gewesten. Ook hier spreekt Paulus over een zalige Hoop, maar dan een Hoop, die de “Hoop van Israël” op een de Here tegemoet gaan in de lucht, verre weg overtreft. Kennen wij deze, onze Hoop?

 Wat kunnen we nog meer verwachten?

Het ligt in de lijn der verwachtingen (die we uit de bijbel kunnen halen), dat in de nabije toekomst een periode zal aanbreken, waarin de Here weer duidelijk de draad gaat opnemen met Israël, in die zin, dat er een herhaling (van het karakter) van de Handelingen tijd gaat aanbreken. Een tijd, waarin de Here opnieuw Zijn volk zal bepalen bij Zijn verbond. Gedurende die komende periode ligt het in de lijn van de Bijbelse verwachting dat Babel een steeds belangrijker rol zal gaan spelen in de (her)vorming van het oude Romeinse Rijk, waar ook een groot gedeelte van Europa toe behoorde. En in de toekomst zal dat Rijk weer opnieuw gestalte krijgen. Dit betekent, dat er, net als in de Handelingen tijd, ook in Israël met één munt betaald zal worden, en dat Israël door dit toekomstige Rijk overheerst zal worden. Destijds was het Romeinse Rijk ( dat in chronologische zin de vierde openbaring was van het oude Rijk van Babel) immers ook de machthebber in Israël. Het ligt voor de hand dat er (evenals gedurende de Handelingen tijd) een tempel in Jeruzalem zal staan, waar het dagelijks offer weer gebracht zal worden. Net zoals er in de tijd direct na de Handelingen periode twee groepen van gelovigen naast elkaar bestonden (zoals we in bovenstaande hebben kunnen lezen), zo lijkt het aannemelijk dat dit in het begin van deze toekomstige periode ook het geval zal zijn: De hier op aarde levende leden van Het Lichaam van Christus “sterven uit”, en nemen hun plaats in de heerlijkheid bij Christus in, en gelovigen met een andere “Hoop”, die van de Handelingen periode, komen weer op de voorgrond. De hierboven geschetste periode zal uitlopen in wat bekend staat als “de laatste jaarweek van Daniël”, een zevenjarige periode, waarin de strijd tussen het beest en de Here meer en meer in de openbaarheid komt. Het beest brengt het gelovig overblijfsel, vooral in Jeruzalem, in grote benauwdheid, in grote verdrukking. Maar uiteindelijk zal de Here Zich in Zijn glorieuze heerlijkheid (samen met de zijnen) openbaren, en de overwinning opeisen. Zo komt er een einde aan de tegenwoordige boze eeuw, waarin Babel het instrument is, waarvan de satan zich bedient. En dan breekt de toekomende eeuw aan, waarin Jeruzalem de stad van de Grote Koning zal zijn, en waar onze Heiland, Jezus, de Christus, Koning zal zijn.

Commentaren zijn gesloten.

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

406173 bezoekers sinds 07-06-2010