De oorlogen des Heren

04-06-2010 door Dr. K.D. Goverts

De Tenach

De benaming Oude Testament is onjuist, want dit boek is niet oud en het is geen testament. We gebruiken daarom liever het woord Tenach. We kunnen ons afvragen hoe we al die oorlogsverhalen uit het boek Rich­teren moeten verstaan.

Tenach: * Torah  (5 boeken van Mozes)

Nebuïm  (=Profeten)

Ketubim (=Geschriften)

Soms hoor je wel eens zo’n griezelige, discriminerende uitspraak als: ‘Wij willen een Nieuwtestamentische gemeente zijn.’ Het kan zijn dat we moeten genezen van kreten en ook van teksten­graai­­erij. Er is geen tegenstelling tussen het NT en het OT. Mar­ci­on vond van wel en zei: ‘De God van het OT is een andere dan die van het NT.’ Adolf von Harnack (ong.1400) zei nog: ‘Doe het OT maar weg’. Tekstengraaierij vind je vooral bij de zogenaamde vrije groepen. Je moet de Bijbel weer in het verband leren lezen, want vanaf Mattheüs tot Openbaring kom je namelijk woorden en begrippen tegen, die ge­wor­­teld zijn in het Hebreeuwse denken. «Als Hij spreekt van een nieuw verbond heeft Hij daarmede het eerste voor verouderd verklaard. En wat veroudert en verjaart is niet ver van verdwijning».  Hebr.8:13. Het Oude Verbond en het Oude Testament zijn twee verschillende be­­­­­grip­pen. Het gaat hier niet om het Oude Testament, maar om het Oude Verbond. Het Oude Testament is trouwens geen testament. Oor­spronkelijk sprak men van De Schrift en niet van OT en NT. Pas in de tweede en derde eeuw ging men spreken van Testament. Nog eer­der sprak men van ‘De Lezing’ (Miqrah). Dat betekent: ‘Dat, wat je uit­roept’. De Bijbel bestaat niet uit losse teksten, woorden of verhalen, zelfs niet uit losse boeken.

Richteren,  niet de an­na­len van een knokploeg

In Richteren 4 staat het verhaal van Deborah en Barak. Elk boek heeft ook weer zijn plaats in de structuur van het geheel. Je zou het haast kunnen vergelijken met een estafette: elke bijbel­ver­­­­teller draagt weer wat over aan de volgende. De Tenach begint dus met de Torah, het fundament. Jozua is het eerste profetische boek. De vroegere profeten zijn: Jozua, Richteren, Samuël en Koningen. De latere profeten zijn de overige profeten. In Richteren ben je dus met een stuk profetie bezig. Ten onrechte wor­den ze soms nog historische boeken genoemd. Het gaat er niet zozeer om om het verleden vast te leggen, maar om zich te richten op de toekomst. De Duitsers spreken van ‘Geschehende Geschichte’; geschiedenis, die be­zig is zich te voltrekken. Profetie is toegepaste Torah. De profeten bren­gen het volk terug bij de To­­rah, bij hun oorsprong. Richteren geeft dus profetisch de oorlo­gen des Heren aan. Het zijn niet de an­na­len van een knokploeg, het be­schrijft geen pri­mi­tief verleden, maar het geeft een profetisch licht op wat gaat komen. Jozua 1 tot 2 Koningen 25 is één doorlopende geschiedenis. Het be­gin van Jozua beschrijft de intocht in het land en 2 Koningen 25 ver­telt over de ballingschap. Je kunt dus boven dit verhaal zetten: Van In­tocht tot Bal­ling­­schap. Het land in en het land uit. Hierin ligt een grote tragiek.

Redactie in de ballingschap

Het gedeelte van Jozua tot Koningen heeft zijn redactie gekregen in de bal­lingschap. Juist in de ballingschap hebben ze zich bezig ge­hou­­den met het voeren van de oorlog. Juist met déze verhalen en met oorlogs­ver­halen hebben ze zich bezig gehouden, toen oorlog voe­ren voor hen on­mo­ge­lijk was. Ze zijn zich toen gaan bezinnen. Is dat nu het recht van de sterkste, die oorlogen des Heren, of is dat een an­der recht. Het boek Richteren zou weinig waarde hebben, als het al­­leen maar een verslag was. Uiteindelijk werden ónze oorlogen ge­voerd door de ban­­kiers. Het klassieke Hebreeuws heeft niet eens een woord voor historie. In het boek Spreuken staat: «Wie antwoordt voordat hij hoort, is tot dwaasheid en smaad».

De proloog: Richteren 4 : 1-5

«Nadat Ehud gestorven was, deden de Israëlieten (de zonen Israëls), wat kwaad was in de ogen des HEREN». Rich.4:1. Het woord Israëliet kende men in het Hebreeuws niet. Je hebt wel na­men zoals Ammonieten, Moabieten, Jebusieten enzovoort, maar men ken­de niet het woord Israëlieten. Het volk Israël werd aangeduid met zonen Israëls om aan te geven, dat ze tot dat ene volk behoren en zonen van die ene stamvader zijn.

Letterlijk: «Ze gingen voort kwaad te doen».

«Deden kwaad». Rich.3:7

«Gingen voort». Rich.3:12

«Gingen weer voort». Rich.4:1

Hieruit blijkt, dat drie verhalen hier met elkaar verbonden worden en dat het dus een kwaad in drie fasen beschrijft. «Toen gaf de HERE hen over in de macht van Jabin, de koning van Ka­na­än, die regeerde te Hasor, en wiens krijgsoverste Sisera was, die te Cha­roset-Haggojim woonde». Rich.4:2

Letterlijk: «Verkocht hen in de hand van Jabin». Die hand gaat een belangrijke rol spelen. De koning van Kanaän staat voor het machtsblok van het noorden. Je kunt Jabin en Sisera vergelijken met Filips de Tweede en Alva uit on­­ze vader­land­se geschiedenis. Letterlijk: «De vorst van zijn legerschare (van zijn zebaoth) was Si­se­ra». Sisera zetelde (hij ‘zat’) in Charoset-Haggojim en dat woord betekent: ‘het mengsel van de heidenen’ (een soort smeltkroes). Dus er staat niet woon­­de, maar zat. «De kinderen Israëls riepen (lett.:schreeuwden om hulp) tot de HERE». R­ich.4:3. De reden was, dat Jabin 900 strijdwagens bezat. De farao had er 600. Het kenmerk van zijn bewind is dus ijzer. Hij hield het volk met har­de hand onder de duim. Twintig jaar lang zaten de Israëlieten on­der de knoet van Sisera.

De profetes Debora

«De profetes Debora, de vrouw van Lappidot, richtte destijds Israël; en was gewoon zitting te houden onder de Debora-palm….….en de Israë­lie­ten kwamen bij haar voor een rechterlijke uitspraak». Rich.4:4,5. (Letterlijk: De profetes Debora, een vrouw….). Een vrouw wordt hier gesteld tegenover het mannelijk geweld. Een pro­fe­tische gestalte tegenover al dat geweld. Het NBG heeft het woord vrouw maar weggelaten. De centrale profeet in de profetische boeken is Elia en zijn navolger Eli­sa. Maar de eerste profetische gestalte in de boeken Jozua tot Ko­nin­­­gen is een vrouw. En de laatste profetische gestalte in Koningen, vlak voor de bal­ling­schap, is ook een vrouw, namelijk Hulda. Veel vragen omtrent fe­mi­nis­me vinden in de Tenach hun antwoord.

Debora betekent: bij, honingbij. Zij draagt honing aan; haar woord zal zijn als honing.

Dabar betekent: het woord dat geschiedt (het daadwoord). Dabar wordt ook gebruikt voor het woord van God. Dat dabar speelt in de naam van Debora ook een rol en zo is Debora de draagster van het woord geweest. Vergelijk hiermee wat Jesaja zegt over: «Het woord, dat uitgaat en zal doen wat God behaagt».

De betekenis van tijd in het Hebreeuwse denken

«Zij richtte in die tijd» Rich.4:4 (letterlijk: in dat tijdsgewricht) Debora was niet alleen profetes, maar ook richteres. In het Hebreeuws betekent tijd of tijdsgewricht niet zo maar tijdsver­loop. Dan zou er in het Grieks chronos staan. Het gaat om de tijd, waar­in iets gebeurt. Het Hebreeuws heeft geen woord voor tijd in algemene zin. Dat komt pas later in het Middel­eeuws Rabbijns-He­breeuws. Dan wordt het woord tijd gebruikt in de zin van moment. In ‘moment’ zit ook het woord ‘mobile’, dus het heeft iets dynamisch. Vergelijk daar­mee het Engelse woord move.

Richten is rechtzetten

Richten heeft twee aspecten: rechtspreken en bevrijden. Recht­spre­ken in de zin van rechtzetten. Het woord gericht in de Schrift heeft voor velen een afschrikwekkende klank. Er zit echter juist muziek in. Er is een lied, waarin gezegd wordt:

   Nog eens zal Hij verschijnen

    als Richter van ‘t heelal,

 «De HERE, die Richter is»­Rich.11:27

Die richters zijn dus afspiegeling van wat God zelf doet. Dat richten heeft ook te maken met schikken. Je kunt daarmee het bloemschik­ken vergelijken. De bloemen worden op hun plaats gezet, zodat ze het beste tot hun recht komen en bloem­schikken is ‘vakwerk’. «De HERE, die Richter is» Rich.11:27

Eén keer wordt het dus in het boek Richteren van God zelf gezegd. Jammer, dat ze het hier vertaald hebben met Rechter. Je moet de Bijbel in stereo leren beluisteren. Je moet stem en te­gen­stem horen,  ‘antifonaal’, dan klinkt er iets in mee.

Lappidoth, de fakkel

«De vrouw van Lappidoth». Rich.4:4. Lappi betekent fakkel en ook bliksem. In een donkere tijd zijn er fak­kels om licht te verspreiden in de nacht. Vergelijk daarmee het ver­haal van Gide­on, die fakkels gaf aan zijn medestrijders. God ging zijn volk ook voor in een vuurkolom, als een fakkel in de nacht. In Openbaring zijn daar weer de zeven fakkels voor Gods troon. Ook in Genesis 15, bij het sluiten van het verbond met Abra­ham, wordt gesproken over een vurige fakkel.  Hier is het ook een aandui­ding van de sjechina, de tegenwoor­digheid van God.

De zittingen van Debora

«Zij was gewoon zitting te houden onder de Debora-palm tussen Rama en Bet-El». Rich.4:5. Letterlijk: «Zij was zittende onder de Debora-palm. «Zij was zittend». En dat staat er ook van Sisera. Sisera zat in Charoset-Haggojim. Charosjet betekent mengsel en ook smidse. De smidse van de heidenen. Daar worden die heidenen, die strijdwagens gesmeed tot een leger. Tegenover het zitten van Sisera staat het zitten van Debora. Het zit­ten van de tiran en het zitten van de profetes.

Vergelijk hiermee Psalm 2:

«De volken maken zich op met geweld».

«Hij, die in de hemel zit, zal lachen».

Daar hoor je ook nog de naam Isaak in doorklinken. Dat zitten van die vrouw weegt op tegen het zitten van de macht­heb­bers. Tegenover het geweld het recht; want Debora zit daar om te rich­ten. Het gaat er dus maar om, hòe je zit. Debora zit daar onder die palm tussen Rama en Bet-El. De gruwelverhalen aan het eind van Richteren, die op geen enkele zon­­dags­­school verteld worden, zijn toch buitengewoon diep en tra­gisch en vol betekenis. Vooral de plaatsnamen geven dan ‘dwars­ver­bin­dingen’ naar andere bijbelboeken. Bij Rama denk je aan Rachel en vooral aan Samuël. Dan komt ineens Samuël in beeld. Zelfs die plaatsnamen zijn profetisch. Debora wijst al heen naar de gestalte van Samuël, die dan uiteindelijk David tot ko­ning zal zalven. Dit is geestelijke aardrijkskunde. Letterlijk: «De kinderen Israëls gingen óp tot haar». Ze zat immers op de berg en geestelijk gezien zat ze ook op een berg. «Ze gingen óp tot het recht». Je gaat altijd op naar het land van je bestemming. Omgekeerd is het ook zo: wie naar Egypte gaat, daalt af. Naar het dodenrijk gaan is ook afdalen.

Debora en Barak

Rich.4:1-5 is de inleiding.

Rich.4:6-10 is de eerste scène, waarin het gesprek tussen De­­bo­ra en Barak wordt weergegeven. «Zij nu ontbood Barak, de zoon van Abinoam uit Kedes in Naftali, en zeide tot hem: Heeft de HERE, de God van Israël, niet geboden: ga heen, trek naar de berg Tabor en neem met u tienduizend man Nafta­lieten en Zebulonieten» Rich.4:6. Letterlijk: «Zij zond en riep». De NBG-vertaling heeft nog wel eens de gewoonte om twee He­breeuw­­se woor­­den samen te vatten in één Nederlands woord. Hier bij­voorbeeld staat ‘zij ontbood’. Maar er staat: zij ‘riep’. Dit wordt dus een roe­pingsverhaal. Barak betekent bliksem. Hij is geroepen om die ontlading van kracht te brengen. Als je langs het zwerk de bliksem ziet, weet je dat er  zwaar weer op til is. Jezus zegt: «De komst van de zoon des mensen zal zijn als de bliksem». En ook in het boek Openbaring zien we die bliksem steeds terug.

In Rich.4:6 begint een dialoog in drie onderdelen.

Scène l a. Het woord van Debora: «Heeft de HERE….». Zij noemt hier de verbondsnaam, die je niet uitspreekt. «De God van Israël».

Het eerste woord, dat Barak hoort, is: ga !! En dat is ook het laatste woord, wat tot hem gezegd wordt. De Tabor is een ronde, eenzame berg in de vlakte van Jisreël en daar moet Barak heen. «Neem met u zoveel mannen uit Zebulon en Naftali en Ik (de HERE) zal naar u toe voeren». Rich.4:6,7

Er staat: «Naar u toetrekken». Dus jíj zult trekken naar Tabor en Ik zal naar jou toetrekken. Letterlijk: «En Ik zal hem in uw hand geven». Het gaat hier om de hand van Barak. In Rich.4:7 staat het woord hamon, wat hier vertaald is met troepen. Letterlijk betekent dat zoiets als ‘tumult’. Met heel zijn ‘Getümel’, zou de Duitser zeggen, zal Ik hem naar je toe­­voeren.

Baraks voorwaarden

Hier krijgen we de voorwaarden, die Barak gaat stellen. «Barak echter zeide tot haar: Indien gij met mij gaat, zal ik gaan, maar indien gij niet met mij gaat, ga ik niet». Rich.4:8

De held….In het Hebreeuws hoor je allemaal ie-klanken. Je hoort hem piepen. Richteren 4 is een van die verhalen, waarin afgerekend wordt met het men­se­lijke heldendom. Wat doet de held? Piepen!

In dit gedeelte valt de monotome herhaling van het woord gaan op.

In de hand van een vrouw 

De beperkingen van Debora. «Zij zeide: Ik ga met u mee». Rich.4:9. In het Hebreeuws zie je een herhaling van de werkwoordsvorm. «Gaan, gaan zal ik met u, maar gij  zult geen eer behalen». Letterlijk: «Sieraad zal u niet geworden op de weg, die gij gaat». Nog steeds zie je dat motiefwoord gaan. «Want in de hand van een vrouw zal de HERE Sisera verkopen»

Weer zie je dat woord hand.

Rich.4:7: «Uw HAND». Rich.4:9: «De HAND van een vrouw». Als je het verhaal niet zou kennen, zou je zeggen: dat is natuurlijk de hand van Debora.

«Toen stond Debora op en ging met Barak naar Kedes. Barak riep Ze­bu­lon en Naftali te Kedes samen en tienduizend man trokken op in zijn gevolg». Rich.4:9,10

Weer zie je dat woord opgaan. De uitdrukking ‘in zijn gevolg’ gaat straks ook weer een rol spelen. Letterlijk: «Op zijn voeten». Zij gingen óp in zijn voetsporen; zij volg­den hem op de voet. Het woord voet moet je in de vertaling dan ook wel laten hó­ren. En dan eindigt deze scène in Rich.4:10 met: «En ook Debora ging met hem mee». Debora staat er in het Hebreeuws als laatste woord. En dit gedeelte be­gon ook met Debora. Zij is begonnen met zenden en roepen in Rich.4:6, dus zij is begonnen met opgaan.

Barak en Sisera

Dan zou je verder kun­nen gaan met Rich.4:

«Toen ze Sisera hadden meege­deeld». Rich.4:12

Letterlijk staat er: hadden gemeld’ en dat woord betekent: «hoog doen op­rijzen».

Je hebt dus in het Hebreeuws melden en vertellen. Ze meldden, dat Ba­rak de berg Tabor had bezet. Letterlijk: «Òp was gegaan naar de berg Tabor».

«Toen riep Sisera». Rich.4:13. Vergelijk daarmee Rich.4:10, waar staat:

«Barak riep Zebulon en Naftali te Kedes samen, en tienduizend man trok­­ken op in zijn gevolg; ook Deborah ging met hem mee». Rich.4:10. Wàt roept Sisera? «Riep hij al zijn wagens, negenhonderd ijzeren strijdwagens, en al het volk, dat bij hem was». Rich.4:13. Uit de smidse der heidenen komen dus strijd­wagens.

«En hij trok hen tezamen bij de beek Kison». Rich.4:13. Die beek wordt ook genoemd in Rich.4:7.

Rich.4:10 en Rich.4:13 geven samen de mobilisatie weer. Van twee kanten wordt er een leger op de been gebracht. Rich.4:11 lijkt nu een tekst, die verdwaald schijnt te zijn.

Een tent tussen twee legers

«De Keniet Cheber nu had zich afgescheiden van de Kenieten, van de zo­­­nen van Chobab, de zwager van Mozes, en had zijn tenten (lett.tent) op­­ge­slagen tot aan de terebint van Saännaïm dat bij Kedes ligt». R­ich.4:11. Waarom nu wordt die tent hier genoemd? In Rich.4:17 staat weer de naam Cheber, want daar wordt over de vróuw van deze Keniet ge­spro­­­ken. Logischerwijs had Rich.4:11 bij vers 17 kunnen staan, dus v.11 moest achter v.17 worden gezet. Dit is nu echter weer bijbelse vertelkunst. Bijbelvertellers doen alles met voorbedachte rade. Zo móet het er staan en het kan op geen án­de­­re manier worden opgeschreven. Dat is een grondregel voor exe­ge­se. De bijbelschrijvers, trouwens alle goede schrijvers, zetten hun ge­ge­­­vens doelbewust neer. Bijbelschrijvers zijn meester-componisten. Met de plaatsing van deze tekst-volgorde tekent de schrijver het strijd­­to­neel.

Rich.4:10: Barak met zijn leger.

Rich.4:13: Sisera met zijn leger.

 Structureel komt Rich.4:11 hier tussenin en het had ook nergens an­­ders moeten staan. Twee legers en daartussen een tent!! Er wordt wel gedacht, dat die Kenieten iets van smeden waren. Er wordt ook nog wel eens een link gelegd naar Kaïn. Dan is er ook nog de zoge­naam­de Kenieten-hypothese. Daarin wordt zelfs gezegd, dat Mozes dáár het geloof in de God van Israël heeft ge­leerd. Een tent van een man, die zich heeft afgescheiden van de Kenieten. Een tent als een oase tussen de legers. Aan de ene kant het leger van Si­se­ra, aan de andere kant dat van Barak. En heel schitterend: daar­tussen die tent… En wat is er nu kwetsbaarder en weerlozer dan een tent. Zeker, als je met negenhonderd strijdwagens hebt te doen. Maar die Ke­niet heeft daar zijn tent uitgespannen. Het doet haast wat Abrahamitisch aan. Ook van Abraham staat er steeds, dat hij zijn tent uitspande, bijvoorbeeld bij een eikenboom. Dit is een intermezzo. Maar de verteller plaatst het heel mooi, niet als me­de­deling vooraf hij vers 1, maar hij zet het in vers 11. ­Eerst heb je Debora gezien en Barak met zijn tienduizend man. In Rich.4:12 krijg je de andere kant: Sisera met zijn negenhonderd wa­gens.

Want dit is de dag

Dan komt Rich.4:14 en in dit vers lezen we het tweede woord, dat Debo­ra spreekt namens God. «Toen zeide Debora tot Barak: Breek op (lett.:kum), want dit is de dag, dat de HERE Sisera in uw macht gegeven heeft». Rich.4:14. Letterlijk: ‘kum’. Vergelijk daarmee, wat Jezus zegt in Marcus 5:41:

«T­alita koem, hetgeen betekent: Meisje, Ik zeg u, sta op!».

«Want dit is de dag».

De Hebreeuwse mens, de geestelijke mens, denkt altijd in dagen. «De dag, dat de HERE Sisera in uw hand gegeven heeft». In het Hebreeuws wordt met ritme en rijm dit profetisch woord ver­teld. «Want de HERE is uitgetrokken voor uw aangezicht». Een motief, dat je veel in de oorlogen des Heren tegenkomt. Barak moest dus achter de HERE aan. Je ziet, dat het geen gewoon oorlogs­ver­haal is.

De overwinning op Sisera

«En Barak daalde af van de berg Tabor». Rich.4:14

«Sisera in úw hand»

Dat verwacht je niet; het zou toch in de hand van een vrouw zijn?  «En de HERE bracht Sisera met al zijn wagens en zijn gehele leger door de scherpte des zwaards in verwarring, vóór Barak, zodat Sisera van zijn wagen klom». Rich.4:15. «De HERE bracht in verwarring (ook weer zo’n motief-zin­sne­de) Sisera en zijn Getümel (zegt de Duitser)». Wat die tienduizend man van Naftali en Zebulon deden, staat er niet bij. Het is dus geen gewoon oorlogsverhaal. Hij, Adonai, han­­delt en de mensen staan erbij en kijken ernaar. Je zou haast moe­­ten verta­len: «De HERE bracht in tumult, de HERE bracht de troepen, das Getümel, in tu­mult door de scherpte van het zwaard (lett.: door de mond van het zwaard) en voor het aangezicht van Barak». Dan valt ‘de schrik des Heren’ op de vijanden. Dat is ook een mo­tief, dat je veel tegenkomt. ‘En niemand had meer enige moed’ is ook een motief. Dat zie je bij­­­voor­beeld bij Jericho. Vóórdat ze slag hadden geleverd is er een soort verlamming, een moreel, dat als een pudding in elkaar zakt. Er staat dan heel merkwaardig:

«Zodat Sisera van zijn wagen klom (lett.: Sisera daalde af)». Rich.4:15

In het vorige vers staat: «Barak daalde af van de berg».

«En tienduizend man van Naftali en Zebulon trokken op (op hun voeten) in zijn gevolg (op zijn voeten) ». Rich.4:10. In Rich.4:15 staat, dat Sisera afdaalde en vluchtte, op zijn voe­ten. Hij wordt teruggebracht tot het niveau van een gewoon mens. Er komt straks trouwens ook een enorme regen, zodat de wagens vast­lo­pen en men alleen nog maar te  voet kan vluchten. Het boek Richteren heeft de tendens om strijdverhalen terug te voe­ren tot men­se­lijke proporties en dan wordt het een heel gewoon, soms ontroerend verhaal, een confrontatie van mens tot mens. Rich­te­ren kent geen knokpartijen. En dan vallen de ware beslissingen. Niet in de massa (God kent geen mas­sa), maar daar waar de mens weer mens wordt. Daar, waar de macht­­heb­ber van zijn troon komt – hier van zijn wagen – en ontdekt, dat hij soms ook nog zijn voeten nodig heeft.

Een prachtig staaltje vertelkunst

Twee draden liepen door dit verhaal: de draad van Barak en die van Sisera. Eerst worden deze draden apart gegeven. In Rich.4:10 de eer­ste draad, die van Barak en in Rich.4:13 de andere draad, die van Si­se­ra. In Rich.4:15 komen deze twee draden samen. Er is een con­frontatie en daar­­na weer een splitsing. In Rich.4:16 staat, wat Barak doet en in Rich.4:17 wat Sisera doet. Dit is een prach­tig staaltje van vertelkunst. Barak achtervolgt Sise­ra. In dit beeld zie je de bliksem en de donder tekeer gaan. Het hele le­ger van Sisera viel ‘door de mond van het zwaard’. Letterlijk: «Niets bleef er over tot één toe». Ook in Exodus 14:28 staat: «Niets bleef er van hen over tot één toe». Wat in de Torah gebeurt als model, vind je in de profetie terug. Zo gaat het met tirannen, of het nu de Farao is of Napoleon of Hitler. In Exodus 10:19 staat: ‘niet één (sprinkhanen)’. In dezelfde zee, waar­­in de sprinkhanen verdwijnen, verdwijnt ook de Farao. Farao had beter naar die sprinkhanen moeten kijken. Rich.4:17-21: de draad van Sisera. In Rich.4:22 zien we Barak weer. Barak rent maar. Het knappe van dit verhaal zijn de lijnen die sa­men­komen en weer uit elkaar gaan.

Sisera’s vlucht en einde

«Sisera vluchtte te voet». Rich.4:15

Een mens hoort op zijn voeten. Wie zich verhoogt, wordt vernederd. Wie knielt krijgt een kroon. Geen selfmade troon. Het onderste komt bo­ven. Sisera vlucht naar de tent van Jaël (=gems). Jaël heeft voeten als die der hinden. Wat een contrast is dat met die lompe strijdwa­gens. De hin­de op de bergen; de strijdwagens konden alleen maar in de vlak­te ope­reren. Ze konden alleen rijden daar waar het ‘laag’ is. «Sisera dan vluchtte te voet naar de tent van Jaël, de vrouw van de Ke­­niet Cheber, want er was vrede tussen Jabin, de koning van Hasor, en het huis van de Keniet Cheber». Rich.4:17. ‘Er was vrede (sjalom)’. In verband met die tent wordt er over vrede ge­­­sproken. Vrede in de tent is een beeld van de gemeente. Juist in die oorlogsverhalen komt de vrede aan de orde. «Jaël nu kwam naar buiten, Sisera tegemoet, en zeide tot hem: Kom bin­­­nen, mijn heer, kom bij mij binnen. Wees niet bevreesd».  Rich.4:18. «Kom binnen, mijn heer, kom bij mij binnen». 

In het Hebreeuws hoor je in deze tekst allerlei zoete a-klanken.

S­traks horen we het stac­ca­to-­con­trast in het Hebreeuws met het ha­meren van de pin in Sisera’s slaap. «Wees niet bevreesd». Wees maar niet bang hoor, wordt tegen die mach­­tige legeroverste gezegd. «En zij bedekte hem met een deken».  Rich.4:18. Dat woord bedekken gaat een belangrijke rol spelen.

 «Ik heb dorst».  Rich.4:19

Sisera wordt steeds menselijker. Jaël geeft hem melk en dekt hem weer toe. De machtige generaal krijgt een glaasje melk voor het sla­pen gaan. Een liefelijk tafereeltje. Straks zie je het contrast als er een stuiptrekkende Sisera ligt met een tentpin door zijn hoofd. De laat­ste woorden van Sisera zijn:  «En hij zeide tot haar: Ga bij de in­gang van de tent staan en wanneer er iemand aankomt en u vraagt: Is hier iemand? Zeg dan: Neen». R­ich.4:20. Letterlijk: «Indien er een man komt, gevraagd wordt: is hier een man, zult gij zeggen: geen».

Want dan ìs Sisera er niet meer. Dit verhaal heeft hier dus ook een dub­­­bele bodem. Sisera spreekt hier zijn eigen doodvonnis uit. Alleen de vrouw is er dan nog, de mannen zijn uitgeteld. Als er straks een man komt, is er geen man meer…. Dan drijft ze de tentpin door Si­se­ra’s hoofd. Ze nam de tentpin in haar handEr was gezegd ‘door de hand van een vrouw’. In het Hebreeuws hoor je de staccato-klanken van de hamer op de tent­pin als contrast met de honingzoete woor­den: ‘Mijn heer, kom toch binnen, mijn heer, loop niet door’. Die pin kwam in Sisera’s slaap. (AV. in zijn gehemelte). Baraqquato betekent ‘slaap’ of ‘gehemelte’. Je moet je voorstellen, dat Si­­sera met open mond ligt te slapen. Baraqquato…Je hoort de naam Ba­­rak hierin; de bliksem is ingeslagen. Door de hand van een vrouw. Door de hand van een vrouw in de tent van de vre­de wordt het hoofd van de vijand vernietigd. Vergelijk hiermee de teksten uit Romeinen en Genesis:

«De God nu des vredes zal weldra de satan onder uw voeten vertre­den». Rom.16:20

«Maar gij zult het de kop vermorzelen».  Gen.3:15

Barak zelf was er niet bij; hij is nog niet zo ver om zijn hand te ge­brui­ken. Hij gebruikt alleen nog maar zijn voeten, want Barak rent nog steeds. «Hij was verdoofd, hij was uitgeput en hij stierf».  Richt.4:21. Drie werkwoorden vormen het Einde van de Held. Het lijkt een ver­traag­de filmopname.

De rol van Barak

«En zie, daar kwam Barak, die Sisera achtervolgde». Rich.4:22

In Rich.4:22 zie je weer de draad van Baraks rol in het verhaal. Kom en zie. Zo’n uitspraak is altijd een aandachtstrekker. Het boek Rich­teren is een anti-helden verhaal. De rol van Barak is nog wel be­lang­rijk, maar Jaël heeft het in feite reeds gedaan. Kracht­pat­sers niet gewenst…

De volledige studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

410820 bezoekers sinds 07-06-2010