De lofzang van Simeon

23-05-2010 door Joop Neven

door Ds K.H.Kroon

De inmiddels overleden Amsterdamse predikant K.H.Kroon schreef  in 1950 een boekje getiteld “Verwerp de oudwijfse fabelen” (Amsterdam: Het Wereldvenster). Hij ontleende de titel aan 1 Timotheüs 4:7.  Wie rekening houdt met de Joodse wortels van het christendom, zal veel fabels gaan ontdekken. We geven hier enkele voorbeelden (met bronvermelding)

Laat mij nu maar sterven?

Als men terug denkt aan de vele ’Adventspreken’ over de ’Lofzang van Simeon’, wat heeft men dan gehoord? Welke is de gangbare gedachte? Dat een oud en eerbiedwaardig man met een baard (de ’grijze’ Simeon) het kindeke Jezus in zijn armen houdt (hoe een teder en aanminnig tafereel) en vraagt: ’Laat mij nu maar sterven, nu ik dit kindeke heb aanschouwd’ Een opvatting duidelijk in de lijn van het piëtistisch ideaal omtrent het ‘heengaan in vrede’. Op het eerste gezicht en gehoor schijnt dit inderdaad de rechte uitlegging te zijn. Ondertussen betekent dit, dat men over zulk een tekst dan alleen tot ouden van dagen kan spreken, of, indien tot jongeren, met de opwekking om aan hun dood te denken! In ieder geval zo, dat het géén betrekking zozeer op het leven heeft als wel op het sterven. En zo, dat het niet zozeer slaat op het komende Godsrijk als op het zelf ‘in de hemel komen’, het ‘zalig afsterven’, van de vrome enkeling. Bij nauwkeuriger toezien staat er van dit alles in het gehele bericht niets. Er staat opzettelijk, dat Anna, de profetes, oud was. Maar van Simeon staat dat juist niet! Er staat verder, dat hij de verzekering had ontvangen dat hij ‘de dood niet zou zien eer hij de Messias des Heren had gezien’. Maar dat wordt, in de kracht van hun leven, later in bijna letterlijk gelijke woorden tot de discipelen door Jezus zelf gezegd. En wat de doorslag geeft: er staat allerminst een wens of een gebed, maar een constatering of althans een vaste verwachting van Simeon uitgedrukt. ‘Nu laat Gij, Heer .. .’ geeft (niet alleen in de Statenvertaling, maar ook in de grondtekst) geen wens maar een geconstateerd feit weer en wel omtrent Gods dienstknecht Israël en niet omtrent Simeon persoonlijk. Hij zegt (op grond van de aanschouwing, dat dit kind aan de Heer wordt voorgesteld, eigenlijk: geofferd) lettterlijk vertaald: ‘Nu ontslaat Gij uw slaaf van zijn dienstbaarheid, O despoot, overeenkomstig Uw woord in vrede’. En dan volgt de argumentatie, waarom hij Gods dienstknecht Israël (want dat wordt bedoeld) van diens wachtpost, diens slavernij onder een donkere Heer en Gebieder, afgelost ziet: ‘Want mijn ogen hebben Uw heil gezien, dat Gij voor het aangezicht van alle volkeren bereid hebt’. De lofzang van Simeon zingt er dus van, dat door de komst van de Messias de messiaanse nood en moeite, het messiaanse leed en de messiaanse duisternis van Israël door God zal worden afgenomen. Dat het niet gaat over het ‘in de hemel komen’, blijkt niet alleen uit de hele lofzang, maar vooral uit het slot: hij voorziet nu een licht tot verlichting (na zoveel verblinding) der volkeren en tot heerlijkheid (na zoveel smaad) van Gods volk Israël. Kon hij dat reeds zingen, deze Simeon? De beantwoording van die brandende vraag zal een prediking anders doen uitvallen dan de interpretatie, die men gewoonlijk aan het vervolg van dat lied geeft. Want Simeon was verheugd, dat het Rijk Gods was aangelicht. Maar hoe en waartoe was het aangelicht? Dit met en door Jezus in de wereld gekomen Licht zou de volkeren bevrijden van hun verblinding en Israël van zijn versmading. Dáárover brak Simeon in zingen uit! Helaas hebben wij dit Licht leren zien als een licht tot wegneming van de verblinding van het volk Israël en tot heerlijkheid der volkeren. Dat is precies het omgekeerde van wat Simeon bezongen heeft. Daarom kan Simeon’s lofzang niet meer goed, ja, eigenlijk geheel niet meer gezongen worden. Zo lang wij, christenen, deze zang nog steeds in die verdraaide volgorde zingen: heerlijkheid voor niet-Joden en wegneming der Jóódse verblinding, zijn wij nog heidense dwazen en verblinden. De lofzang van Simeon kan niet goed gezongen worden tenzij Israël ons voor zingt. Dan gaan wij om die Advent bidden: om wegneming van onze verblinding en van Israël’s smaad. Want nog steeds zijn wij meer heidens-hoogmoedig dan christelijk ootmoedig en nog steeds is de smaad van Israël niet weggenomen van de gehele aarde. (Jesaja 25 vs 7 en 8; I Corinthe 15 vs 54).

 

Commentaren zijn gesloten.

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

410031 bezoekers sinds 07-06-2010