De kostbare parel

01-06-2010 door Dr. K.D. Goverts

Het Evangelie van het Koninkrijk

«Evenzo is het Koninkrijk der hemelen gelijk aan een koopman, die schone parelen zocht. Toen hij een kostbare parel gevonden had, ging hij heen en verkocht al wat hij had, en kocht die». Matt.13:45. We willen wat gaan bekijken in verband met het loskopen van de mensheid en van de schepping. En tevens over de losprijs, die voor deze verlossing moest wor­den betaald. Aan bovengenoemd onderwerp zit nogal het een en ander vast.

Matteüs 13:45 geeft een vrij korte gelijkenis waarover nogal wat ver­schil­len­­de uitleggingen bestaan. We zullen proberen deze gelijkenis in zijn verband te plaatsen, dan kom je ook op het spoor van deze gelijkenis. Het probleem over de uitleg ontstaat vaak, als je de­ze korte verzen op zichzelf blijft beschouwen, zon­der op het grote verband te let­ten. Dan is het moeilijk om eruit te komen. We willen dit gaan bezien in het geheel van het Matteüs-evangelie. Daarom moeten we eerst eens wat gaan bezien, dat om­ de­ze tekst heen staat. Je komt steeds weer onder de indruk van de rijkdom van het Matteüs-evan­gelie. We zullen eerst een paar grondlijnen gaan bezien. Je kunt niet zeg­gen: Matteüs is een wat langere vorm van Marcus. Matteüs heeft wel­licht het evan­gelie van Marcus gebruikt, maar heeft er op een heel eigen wij­ze vorm aan gegeven. Elk woord in het Matteüs-evangelie heeft zijn be­doe­ling, het is een Evangelie met een prachtige opbouw.

«En Hij trok rond in geheel Galilea en leerde in hun synagogen en verkondigde het Evangelie van het KONINKRIJK en genas alle ziekte en alle kwaal onder het volk». 

Matt.4:23. ‘Het Evangelie van het Koninkrijk’ is een heel typerende uitdrukking, die je nogal vaak bij Matteüs tegenkomt. Juist zó wordt het speci­aal bij Matteüs aangeduid. Matteüs 4:23 is een centrale tekst.

Jezus deed in feite drie dingen:

Lerendeverkondigende (proclame­rende)genezende….

Dat verkondigen hoort bij het leren. In feite kun je dus zeggen, dat je het samen kunt vatten in twee elementen: leren, de didactiek en het genezen, de therapie. Dat zijn ook de grondwoor­den, die hier worden gebruikt. In dat verband staat er dan, dat Hij het Evangelie proclameert – en dan niet zomaar – maar het evangelie van het Koninkrijk. Dat is het kernpunt van heel Matteüs. Het gaat om de boodschap van het Koninkrijk. «In die dagen trad Johannes de Doper op en hij predikte in de woestijn van Judea, en zeide: Bekeert u, want het KONINKRIJK der hemelen is nabij­gekomen».  Matt.3:1. «Van toen aan begon Jezus te prediken en te zeggen: Bekeert u, want het KONINK­RIJK der hemelen is nabij­gekomen».  Matt.4:17. Jezus en Johannes verkondigen dezelfde boodschap. Vanuit de Hebreeuwse achtergrond kan het woord Koninkrijk ook be­teke­nen: koningschap. Dus als er gesproken wordt van het evangelie van het Ko­ninkrijk, kun je ook zeggen: het evangelie van het koning­schap, na­me­lijk het koningschap van God, want dat is, waar het van­ouds om gaat. Vanuit de Psalmen en de Profeten gaat het om dat ko­ningschap van God. Hier wordt het dan genoemd: het Koninkrijk of het Koninkrijk der heme­len. Want de hemelen kan ook een aanduiding zijn van God. Omdat men de naam van God niet uitsprak, gebruikte men soms deze term.

Het kenmerk van Gods Koninkrijk is gerechtigheid

Dan nu een tweede punt dat we nodig hebben om deze gelijkenis te ver­staan. Want wat is nu het kenmerk van dat Koninkrijk (koning­schap)?

Een tweede punt is het begrip Gerechtigheid.

Koningschap en Gerechtigheid horen bij elkaar. Die vormen als het ware een twee-eenheid. Vandaar ook, dat het eerste woord, dat Jezus in het Mat­teüs-evangelie uitspreekt een woord is over gerechtigheid. «Laat Mij thans geworden, want aldus betaamt het ons alle gerechtigheid te ve­r­vul­len».  Matt.3:15. Bij het koningschap van God hoort gerechtigheid, want het is een totaal an­der koningschap dan alle andere koningschappen op aarde. Het is na­me­lijk het koningschap van de hemelen en dat wordt gekenmerkt en be­paald door Gerechtigheid.

In deze tekst horen we Jezus voor het eerst spre­ken in het Mat­teüs-evan­ge­lie.

«Ons». 3:15

Dat wil zeggen: Johannes en Jezus.

Johannes wordt erbij betrokken als voor­­loper of wegbereider.

En dan gaan ook inderdaad de hemelen open als Jezus gedoopt is en daalt de Geest Gods neer. Dan zie je inderdaad dat het koningschap der he­melen baan begint te breken; de hemelen openen zich. Je kunt het nog na­der om­schrijven: de hemelen openen zich voor de aarde, om dat koning­schap dan op aarde te doen nederdalen.

Een dubbele weerstand

In verband met dat koningschap moet een dubbele weerstand overwonnen worden, beschreven in hoofdstuk 3 en 4. Matteüs 3 – Matteüs 4:11. De eerste weerstand wordt gevonden bij Johannes de Doper. «Maar deze trachtte Hem daarvan terug te houden». Matt.3:14. Het is heel merkwaardig, dat vanuit Johannes de Doper, als beeld van de vrome mens de eerste weerstand komt. De tweede weerstand komt van de duivel, bij de verzoeking in de woestijn. De duivel komt daar met allerlei listen en infiltraties en toont Jezus al de koninkrijken der wereld (tegenover het Ko­ninkrijk der hemelen).

«Ga weg, satan! (hinderaar)». 4:10

«Toen liet de duivel Hem met rust»4:11

En dat laatste is niet goed vertaald. Hier staat in het Grieks letterlijk hetzelfde woord als in Matteüs 3.

«Toen liet de duivel Hem begaan….(geworden)».  4:11

Vergelijk: «Laat Mij thans begaan…. (..geworden…)». 3:15

Iemand laten begaan is heel iets anders dan iemand met rust laten.

De dui­vel laat op dat moment Jezus zijn gang gaan. De duivel heeft Jezus nooit met rust gelaten, al die jaren niet. Maar Hij liet Hem wel geworden, hij kon Hem niet meer tegenhouden wat betreft de uit­voering van het plan Gods. De duivel moest op een gegeven moment erkennen: ik kan Jezus niet meer tegenhouden. Maar de duivel pro­beerde Jezus nog wel op allerlei ma­nieren dwars te zitten. Eerst: Johannes laat Hem begaan, dan: de duivel laat Hem begaan. Zo gaat het Koninkrijk der hemelen zich baan breken.

De duivel neemt nooit het initiatief

Dit heeft wel belangrijke consequenties. Als je het Matteüs-evangelie en zijn gedachtegang goed leest, dan zie je dat de duivel nooit het initiatief neemt. Dat is een belangrijke conclusie. Het enige wat hij probeert is hin­deren. De duivel is nooit degene die de zaak op touw zet, hij is nooit de­gene die het ini­tiatief neemt. We zou­den daar nog meer voorbeelden van kun­nen noe­men. Zelfs in de laat­ste fase van het evangelie, ook als Jezus de weg gaat naar het kruis, ook dan heeft de duivel niet het initiatief. Dat is wel be­lang­rijk om in te zien, want daar zit heel wat aan vast. Bekijk in dit verband: «En het geschiedde, toen Jezus al deze woorden geëindigd had». Matt.26:1. Dat is ook weer zo’n uitdrukking, die telkens bij Matteüs terug­komt. Hier begint de lijdensgeschiedenis. Deze uitdrukking bezigt Matteüs om een be­paal­de reeks van woorden af te sluiten, een vaste slotformule. Die komt dan ook 5 maal in het Matteüs-evangelie voor. Steeds staat er dus: «Toen Jezus deze woorden geëindigd had».

En nu dus voor de 5e keer.

Hierin zie je ook weer zo prachtig die opbouw van het Matteüs-evangelie. Je hebt in dit evangelie eigenlijk vijf blokken van woorden van Jezus. Je hebt ook vijf boeken van Mozes, daarin zie je weer zo mooi de over­een­komst.

 Het vijfde blok wordt dan afgesloten met de tekst:

«Gij weet, dat het over twee dagen Paasfeest is, en alsdan wordt de Zoon des men­sen overgeleverd om gekruisigd te worden». Matt.26:2. «Toen kwamen de overpriesters en zij beraamden een plan om Jezus te doden». v.3. Dat ‘toen’ heeft bij Matteüs ook altijd een heel geladen betekenis. Let op de volgorde. Jezus kondigt in vers 1 en 2 aan wat er gaat gebeuren en pas in vers 3 en 4 gaan de overpriesters en de oudsten hun plannen maken. Daar zie je weer heel duidelijk, dat niet de duivel het initiatief neemt, maar Jezus. Jezus begint en Hij brengt dat hele gebeuren op gang door zijn woor­den. Daaruit blijkt heel duidelijk, dat Jezus niet het slachtoffer was van een sa­menloop van omstandigheden, maar dat Hij heel duidelijk degene is, die de zaak in handen heeft. Hij beheerst de situatie. En als de gemeente geheel door de Geest wordt geleid, is dat in wezen ook het geval bij de gemeente. Ook de gemeente is dan niet afhankelijk van de initiatieven van de boze, maar de gemeente neemt de initiatieven. Dat zie je bijvoorbeeld ook bij Paulus. Ook als hij allerlei narig­heid mee­maakt, neemt hij weer het initiatief. Dat zie je bijvoorbeeld heel mooi bij die schipbreuk. In Matteüs 26 loopt in feite die lijn nog door: de duivel moet Jezus laten be­gaan.

De opbouw van het Matteüs-evangelie

Iets over de opbouw van het Matteüs-Evangelie.

1e Hoofddeel: Matteüs 3:1 – Matteüs 16:20

Het begint in feite in Matteüs 3:1. De eerste twee hoofdstukken vormen de geboortegeschiedenis, ook zeer de moeite waard om daar in de toekomst ook nog eens mee bezig te zijn. Dat eerste hoofddeel loopt dus t.m. Matteüs 16:20, dus t.m. de belijdenis van Petrus (‘Gij zijt de Christus’). Die belijdenis is een hoogtepunt.

Het eerste deel kun je weer in twee stukken onderverdelen:

A. Matteüs 3:1 – Matteüs 11:24.

Weer die prachtige opbouw.

Matteüs 3:1 begint te spreken over Johannes de Doper en Jezus.

Matteüs 11 eindigt met te spreken over Jezus en Johannes de Doper.

B. Matteüs 11:25 – Matteüs 16:20.

Ook weer een schitterende compositie. Matteüs 11 begint met: «Te dien tijde hief Jezus aan…»  Matt.11:25

De Vader en de Zoon openbaren elkaar

«Te dien tijde hief Jezus aan en zeide: Ik dank U, Vader, Heer des hemels en der aar­­de, dat Gij deze dingen voor wijzen en verstandigen verborgen hebt, doch aan kin­derkens geopenbaard». Matt.11:25           

En dan in vers 27: «Alle dingen zijn Mij overgegeven door mijn Vader, en niemand kent de Vader dan de Zoon en wie de Zoon het wil openbaren». Matt.11:27. In dit gedeelte gaat het er dus om, dat de Zoon openbaart wie de Vader is. De Zoon maakt de Vader bekend aan de mensen.

Dat is dus het begin van deel 1B.

En het slot van deel 1B is, dat Petrus die belijdenis uit­spreekt.

En dan zegt Jezus: «Jezus antwoordde en zeide: Zalig zijt gij, Simon Barjona, want vlees en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar mijn Vader, die in de hemelen is». Matt.16:17. Dat deel 1B eindigt dus met: de Vader openbaart wie de Zoon is.

Het begin was: de Zoon openbaart wie de Vader is.

Te dien tijde’

In dat deel 1B valt dan Matteüs 13 met al die gelijkenissen. Dan zie je dus een beetje het verband. Matteüs 13 staat dus in het kader: de Zoon open­baart de Vader, wat uitloopt in: de Vader openbaart de Zoon.

Dat hele gedeelte moet verstaan worden vanuit de aanhef: te dien tijde’.

Daar begint het mee (11,25). Dus dit wordt allemaal geplaatst in één bepaal­de tijd.

Die uitdrukking ‘te dien tijde’ komt in het N.T. alleen voor bij Matteüs. In het O.T. komt het 64 maal voor. Het woord dat hier gebruikt wordt voor tijd duidt aan: de tijd waarin iets beslissends gebeurt, dus nu gaat het be­slis­sen­de plaatsvinden. Niet zomaar een stopwoord, maar een woord met een heel ge­la­den inhoud.

In 12:1 komt deze uitdrukking weer terug:

«Te dien tijde ging Jezus op de sabbat door de korenvelden en zijn discipelen kregen honger en begonnen aren te plukken en te eten». Matt.12:1

En dan voor de derde keer:

«Te dien tijde hoorde Herodes, de viervorst, wat van Jezus verteld werd». Matt.14:1

De drie keren, waar deze uitdrukking gebruikt wordt, vormen als het wa­re het raam, waar dit hele stuk op gebouwd is. In dàt kader, in die BESLISSENDE TIJD, wanneer Vader en Zoon elkaar gaan open­baren, gaat Jezus gelijkenissen vertellen. (Matteüs 13). Daaraan voor­af gaat Matteüs 12, waar het gaat om de bestrijding van de Farizeeërs. In Matteüs 13 komen dus zeven gelijkenissen naar voren. Dan zien we, dat Jezus sommige gelijkenissen spreekt tot de scharen en an­de­re spreekt Hij alleen tot de discipelen. Bovendien is het dan ook opval­lend, dat er nog twee gelijkenissen zijn, die dan speciaal aan de discipelen worden uitgelegd. «Op die dag ging Jezus het huis uit en Hij zat bij de zee. En vele scharen verga­der­den zich bij Hem, zodat Hij in een schip ging en daar nederzat». Matt.13:1

Het ‘uitgaan’ van Jezus

Dat UITGAAN speelt ook nog verschillende keren een belangrijke rol bij Mat­­­teüs. Er zit een bepaalde lijn in dat ‘uitgaan’. Dat woord uitgaan komt in vers 3 weer terug.

«Zie, een zaaier ging uit». Matt.13:3

Dat loopt dan door, totdat Jezus in Matteüs 15 het land Israël UITGAAT. Dat is dus een steeds verder uitgaan.

«En Jezus ging vandaar uit en Hij week uit naar de omgeving van Tyrus en Sidon (letterlijk)». 15:21. «En zie, een Kananese vrouw uit dat gebied (letterlijk ‘van dat gebied UITGAAN­DE’) … kwam en riep». 15:22. Dus Jezus gaat UIT Israël en die vrouw UIT dat gebied van Tyrus en zo ont­moeten ze elkaar. Van weerskanten is daar een UITGAAN. Zo gaat de zaai­er uit en zo gaat de vrouw uit om van Hem te ont­vangen. Dat UITGAAN wordt in Matteüs 13 reeds als een voorspel aangekondigd. Dan is er nog iets dat we moeten opmerken. We zien in Matteüs steeds de lijn, dat Jezus uitgaat vanuit Israël richting heidenen. (‘de volkeren’ staat er ei­genlijk). Steeds verder gaat Jezus als het ware uitwijken, want dat is ook weer een motiefwoord, dat telkens door het Matteüs-Evangelie heenspeelt, steeds verder en tenslotte zelfs uit het land Israël, om de heidenen te berei­ken. Niet, dat Hij daarbij Is­raël afschrijft, maar dat is de beweging van het Koninkrijk, vanuit Israël naar de heidenen.

Daarom dan ook dat hoogtepunt met die Kananese vrouw als vertegen­woor­­digster van de heidenwereld. En deze vrouw ontvangt het brood, dat van de tafel valt.

Matteüs 13: zeven gelijkenissen

Dan krijgen we dus nu zeven gelijkenissen.

De gelijkenis van de parel begint met te spreken over een koopman. En dan is de vraag natuurlijk: wie is nu die koopman? Als je die zeven gelijkenis­sen op een rijtje zet, dan beginnen deze telkens met te spreken over een be­paal­de figuur. «Zie, DE zaaier ging UIT om te zaaien». Matt.13:3

Er staat dus niet ‘een’, maar de zaaier. Van God uit gezien is er dus maar één zaaier. De zaaier ging uit, de rest telt niet eens mee. De verklaring van deze gelijkenis wordt er dus bij gegeven:

«DE zaaier is de Zoon des mensen». Matt.13:37         

Letterlijk: «De zaaiende het goede zaad».

De zaaier is de Zoon des mensen; dat is dus een sleuteltekst. «Het Koninkrijk der hemelen komt overeen met iemand, die goed zaad gezaaid had in zijn akker».  Matt.13:24. Letterlijk: «Het Koninkrijk der hemelen werd vergeleken met een MENS die zaait»       

Dus weer: een mens.

Dus in plaats van iemand staat er: een mens.

Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een MENS

In het Matteüs-Evangelie kom je heel wat gelijkenissen tegen, die allemaal be­ginnen met ‘een mens’. «Welk MENS zou er onder u zijn, die één schaap heeft en die, als dit op een sabbat in een put valt, het niet grijpen zal en eruit trekken?».  Matt.12:11. «Daarom is het Koninkrijk der hemelen te verge­lijken met een koning, die afreke­ning wilde hou­den met zijn slaven». 18:23. Letterlijk: «Werd vergeleken met een MENS-koning».

Dus mens en bijstelling koning.

Dus een mens, die koning is.

«Want het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een MENS – HEER des HUIZES».  20:1

«Wat dunkt u?…. een MENS had twee kinderen». 21:28. Uit het vervolg blijkt wel, dat het nog zonen moesten worden. De één zegt ‘nee’ en gaat wel en de ander zegt ‘ja’ en gaat niet; dat kun je nog geen zonen noemen.

«Het Koninkrijk der hemelen is gelijk geworden aan een MENS, een ko­ning». 22:2   

Dus veel gelijkenissen beginnen met:

«Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een MENS».

Ook nog:

«Een MENS, een heer des huizes». 21:33

Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een mens, oftewel: aan de Zoon des mensen. En die mens kan dan soms staan voor God in het beeld, zoals bij die Mens­-koning, die een bruiloft aanrichtte voor zijn zoon. God, die een brui­loft aan­richt voor zijn Zoon. Maar in de gelijkenis is die mens dus òf beeld van God, òf beeld van de Zoon des mensen. In veel handschriften staat nu het volgende:

Het Koninkrijk der hemelen gelijk aan een MENS, een koopman

«Evenzo is het Koninkrijk der hemelen gelijk aan een MENS, een koopman».  Matt.13.45

Ook weer een antropos, een mens – een koopman. Als je dus al deze gelijkenissen, die spreken over een mens, op een rijtje zet, dan volgt daaruit al vrij zeker de conclusie, dat die mens-Koopman, de Zoon des Mensen is!!

Voor zover ik kan nagaan, is er maar één uitzondering en dat is: «Dat heeft een vijandig MENS gedaan». Matt.13:28. En hier is dat dus de duivel!

Letterlijk:  «Dat heeft een MENS – een VIJAND gedaan». (of: ‘een vijand-mens’).

Hier staat dus ook ‘antropos’.

Maar hier is ook weer duidelijk, dat die vijandige mens niet de ini­tiatief­ne­mer is. Die mens die zaait, begint. Dat is dus God of de Zoon des mensen. En de duivel probeert dat weer te verhinderen. Dus als je al die gelijke­nis­sen op dat patroon bekijkt, dan kom je tot de conclusie dat die koopman is: de Zoon des mensen!! Want het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een koopman. Dus het Koningschap van God is gelijk aan een Koopman. Je kunt nooit zeggen: Het Koningschap van God is gelijk aan de duivel!! De duivel is ook niet degene, die het initiatief neemt. Dus het kan in onze gelijkenis ook niet zijn, dat je zegt: de duivel gaat zoeken. De Zoon des men­sen is degene die zoekt! Die zoekt het verlorene, die zoekt datgene wat is kwijtgeraakt.

De volledige studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

384917 bezoekers sinds 07-06-2010