De Here doodt en doet herleven

01-06-2010 door Dr. K.D. Goverts

«De HERE doodt en doet herleven,

 Hij doet naar het dodenrijk afdalen en daaruit opkomen».  1 Sam.2:6

Deze uitspraak wordt nogal eens geciteerd en roept dan tevens nogal wat vraag­tekens op. Soms wordt dan gezegd: wat hier staat is Oudtestamentisch, daar denken wij nu toch wel anders over. Maar dan maak je je er toch wel te gemakkelijk van af. Je gaat dan ook een split­sing aanbrengen tussen Oude Testament en Nieuwe Testament; het is niet de bedoeling om die uit elkaar te halen. Op die manier haal je het Oude Testament in feite naar beneden. Het Oude Tes­tament zou dan minder zijn dan het Nieuwe. En dan wordt er zelfs ge­zegd: de schrijvers in die tijd hadden nog niet zoveel inzicht in de geeste­lij­ke wereld als wij dat hebben. Het Oude Testament is in geen enkel opzicht minder dan het Nieuwe. Daarom gebruiken we ook liever niet de woor­den Oude Testament en Nieuwe Testament. Wat dat betreft moe­ten we toch wel benadrukken, dat er één doorgaande lijn is door heel de Schrift heen. Wat dat inzicht betreft: de mensen in die tijd hadden vaak meer geestelijk inzicht dan wij vaak denken. Je kunt in dat verband nog wel eens voor ver­ras­singen komen te staan.

In 1 Samuël 2 gaat het dan over de Lofzang van Hanna.

Als je deze lofzang zo leest, moet je wel tot de conclusie komen: Hanna heeft een groot inzicht in de geestelijke wereld gehad. Op een andere ma­nier zou je deze tekst ook niet kunnen verklaren. Er wordt dan wel gezegd: de mensen in die tijd schreven al­lerlei dingen aan God toe, waar God part noch deel aan had. Ze maakten niet het onder­scheid tussen wat God deed en wat de duivel deed. Maar met zo n bijbeluitleg kom je toch wel in de problemen.

«De HERE doodt en doet herleven» zou je dan als volgt moe­ten lezen:

‘De duivel doodt en de HERE doet herleven’.

Op die manier krijg je toch wel een wat moeizame manier van Bij­bellezen. Een eerste grondregel is: lees de tekst in zijn verband. De fout die dan ook vaak gemaakt wordt, is: men tilt dat zesde vers uit zijn context, waardoor zo’n tekst echter dan een eigen leven gaat leiden. Dat is altijd het gevaar bij ‘losse teksten’. Als je dan zo’n tekst als kapstok ge­bruikt, kun je er ook weer van alles aan gaan ophangen.

Wat is nu het verband waarin deze tekst staat?

Dat verband kun je in een paar cirkels bekijken. De eerste cirkel is dan het lied van Hanna; dat zijn dan die tien verzen. De tweede cirkel is dan het boek Samuël. Oorspronkelijk was het boek Samuël één boek. Later is het dan opgedeeld in 1 en 2 Samuël. Het is trou­wens ook een doorlopend verhaal. De derde cirkel wordt gevormd door ‘de Vroegere Profeten’. Samuël maakt namelijk deel uit van de Vroegere Pro­feten. De vier boeken, die vanouds worden aangeduid als ‘de Vroegere Pro­feten’ zijn: Jozua, Richteren, Samuël, Koningen. Het boek Ruth hoort daar dus niet tussen. Een belangrijk gegeven in dit verband is dus, dat het boek Samuël een pro­fetisch boek is; in het boek Samuël krijgen we dus een profetisch verhaal. Het boek Samuël vertelt dus niet zozeer wat was, als wel wat zal komen. Het boek Samuël is niet zozeer geïnteresseerd in het verleden als wel in de toe­komst. Het boek Samuël is een profetische doorlichting. In dat kader moet je ook het boek Samuël lezen en dus ook die betreffende tekst. Een opmerkelijk gegeven in het boek Samuël is, dat het steeds gaat over twee figuren. Dat zie je al meteen in het eerste vers: «Er was een zeker man uit Ramataïm-Sofim, uit het gebergte van Efraïm, die Elka­na heette, de zoon van Jerocham, de zoon van Elihu, de zoon van Tochu, de zoon van Suf, een Efratiet. Deze had twee vrouwen: de ene heette Hanna en de andere Pe­ninna; Peninna had kinderen, maar Hanna had geen kinderen». 1 Sam.1:1,2

In het Hebreeuws staat er: «Er was één man».

Dat kan dan betekenen: «Er was ‘un’ man».

Het kan ook betekenen: «Er was één man».

Dat laatste dus als telwoord.

Die man kwam uit Ramataïm. Woorden, die op aïm eindigen, duiden altijd een tweevoud aan. Elkana kwam dus uit ‘dubbel-Rama’. Rama wordt straks een heel belang­rijke plaatsnaam; Rama wordt de stad van Samuël. Met dat ‘dubbel-Rama’ kun je ook twee kanten op. Dat zal ook in het vervolg van het boek Samuël blijken: Rama kan zowel positief als negatief worden bedoeld.

«Uit het gebergte van Efraïm»

Dat is dus weer een dubbele aanduiding. Die naam betekent ‘dubbel-vrucht’. Elkana betekent: God ijvert. Peninna had kinderen, maar Hanna had geen kinderen. In die eerste twee verzen heb je meteen al het spanningsveld van het hele boek Samuël. Het boek Samuël heeft een enorm hoog niveau van vertelkunst. Het boek is lite­rair gezien razendknap geschreven. In die eerste twee verzen wordt meteen de hele problematiek van het boek Samuël genoemd: het conflict tussen twee per­sonen.

Hier krijg je dan Peninna en Hanna.

Verderop krijg je Eli en Samuël.

Dan krijg je Saul en David.

Daarna krijg je ook nog: David en Absalom.

Steeds dus dat conflict tussen twee figuren. Bovendien lopen daar dan weer andere conflicten doorheen, zoals het conflict tussen David en Joab. Hier in het eerste vers zien we meteen al die tweedeling in één gezin. Als we het tweede vers dan lezen, zien we: de één heeft en de ander heeft níet. Dat is toch ook wel het con­flict door de eeuwen heen: het conflict tussen de mens die heeft en de mens die níet heeft. Het conflict tussen de be­zittende klasse en de kansarmen. Daarom is dat boek Samuël ook zo profetisch, want dat gege­ven komt altijd weer terug. Dat is dan ook weer tegelijk beeld van de eindtijd.

Peninna heeft en Hanna heeft niet. In de volgende verzen zien we ook, dat Peninna dat verschil breed gaat uitmeten. De naam Hanna betekent: Hij is genadig. Het leven van Hanna staat dus he­le­maal in het teken van de genade. Het is opmer­kelijk, dat die naam Pe­ninna ook helemaal uit het verhaal verdwijnt. In het begin komt Peninna even voor als tegen­speelster, maar verderop is die naam dan helemaal ver­dwe­nen, terwijl de naam Hanna nog blijft terugkomen. In die eerste verzen wordt de conflict-situatie als het ware al geopend. Dat is zo de inzet van het hele verhaal. Als je een goed verhaal wilt schrijven, moet er een conflict in zitten. De eerste zin, waarmee een boek begint, is vaak al beslissend; beslissend voor of de mensen doorlezen of niet. Hier, in die eerste twee verzen van Samuël, zit de spanning er meteen in. De lezer wil weten: hoe loopt dat af met die Peninna en Hanna. Hierbij moe­ten we ook bedenken, dat in die tijd het een schande was, als je geen kin­deren had, dat zette ook een stempel op je leven. Peninna heeft de situatie klaarblijkelijk wel uitgebuit: ik ben de gezegende, dat kun je wel zien, kijk maar naar mijn kinderschaar.

Kinderloosheid werd als een soort vloek ervaren. «Haar mededingster echter tergde haar voortdurend om haar tot drift te prikkelen, om­dat de HERE haar moederschoot toegesloten had». 1 Sam.1:6. Peninna wordt hier de mededingster genoemd. In het Hebreeuws staat een woord, dat benauwdster betekent. Benauwdheid is een belangrijk woord in de Schrift. Heel vaak zie je, dat het volk van God in de benauwdheid zit. Dat zie je al, als ze in de slavernij zitten in Egypte. Ook in de Psalmen kom je dat woord heel vaak tegen.

«Uit de benauwdheid heb ik tot de HERE geroepen».

«De HERE heeft mij uit de benauwd­heid gered».

Dergelijke zinsneden komen talloze malen in de Psalmen voor.

Hanna bevindt zich hier in de benauwdheid. Dat betekent, dat Hanna mo­del staat voor het ware volk van God. Peninna staat hier als model van de be­nauwers, van de verdrukkers. Hier zie je ze dus tegenover elkaar: Penin­na, die de be­nauwdster is en Hanna, die in de benauwdheid zit. En Hanna gaat dan ook inderdaad uit de benauwdheid roepen tot God. «Eens, nadat men te Silo gegeten en gedronken had, stond Hanna op – de priester Eli zat op een stoel bij de deur­post van de tempel des HEREN – en bitter bedroefd bad zij tot de HERE en weende zeer».  1 Sam.1:9. Deze tekst begint in het Hebreeuws met het opstaan van Hanna. ‘Hanna stond op’, zo begint die tekst. Dus vanuit haar be­nauwdheid staat ze op. Op zich is dat al een wonder, dat wanneer je in de benauwdheid zit, je nog op kunt staan. Er zijn mensen genoeg, die niet meer kunnen opstaan vanuit hun benauwdheid.

Opstaan is het begin van de bevrijding.

In vers 9 zie je ook zo mooi het contrast: Hanna stond op en de priester Eli zat. Je ziet het als het ware voor je: Hanna, die opstaat en Eli die zit. Eli zat op een stoel. In het Hebreeuws staat er zelfs: op de stoel. Kennelijk was dat de stoel, waar hij altijd op zat. In hoofdstuk 4 zit Eli trouwens nog altijd. «Viel Eli achterover van zijn stoel».  1 Sam.4:18. Overigens was de goede man al achtennegentig jaar en kon ook niet goed meer zien. (v.15). En dan bidt Hanna een heel wonderlijk gebed. Het sleutel­woord is dan uw dienstmaagd; dat woord komt er driemaal in voor.

«Toen deed zij een gelofte en zeide: HERE der heerscharen, indien Gij werkelijk naar de ellende van uw dienstmaagd omziet en mij gedenkt en uw dienstmaagd niet vergeet, maar aan uw dienstmaagd een mannelijke nakomeling geeft, dan zal ik die voor zijn gehele leven aan de HERE geven en geen scheermes zal op zijn hoofd komen». 1 Sam.1:11

Een wonderlijk gebed; Hanna zegt: als U mij een zoon geeft, geef ik hem aan U. Daar proef je iets van de diepte van het gebed van Hanna. Ze vraagt niet een zoon voor haarzelf, het is haar er niet om te doen om nu ook te heb­ben. Ze pro­beert niet om op hetzelfde niveau als Peninna te komen, zo­dat ze als lievelingsvrouw van Elkana kan terugpesten. Hanna zoekt niet het­zelfde niveau als Peninna, maar ze zoekt een zoon, die waarde heeft voor God. Er zal geen scheermes op zijn hoofd komen. Het zal dus een Nazireeër wor­den, aan God gewijd. Voordat ze het kind heeft, geeft ze het al weg. ‘Voor zijn gehele leven’ staat er dan in vers 11. In het Hebreeuws staat: ‘al de da­gen van zijn leven’.

«Toen zij lang bleef bidden voor het aangezicht des HEREN, lette Eli op haar mond; en omdat Hanna bij zichzelf sprak en slechts haar lippen zich bewogen, maar haar stem niet te horen was, dacht Eli, dat zij dronken was».  v.12,13. ‘Ze sprak bij zichzelf’; in het Hebreeuws staat: ‘Ze sprak in haar hart’. Haar stem was niet te horen; hieraan zie je ook, dat hardop bidden in die tijd nor­maal was. Trouwens, als men las, deed men dat ook hardop. Lezen met je mond dicht kwam niet voor.

«En Eli zeide tot haar: Hoelang zult gij u als een beschonkene gedragen? Zorg, dat gij uw roes kwijtraakt. Doch Hanna antwoordde: Neen, mijn heer, ik ben een diep­bedroefde vrouw; wijn noch bedwelmende drank heb ik ge­dronken, maar ik heb mijn hart uitgestort voor het aan­gezicht des HEREN. Houd uw dienstmaagd niet voor een nietswaardige; want door grote zorg en smart gekweld heb ik zo lang ge­spro­ken». 1 Sam.1:14-16. Uit de woorden van Hanna kun je toch ook opmaken, dat ze Eli, als hoge­priester, respecteert. Het kind waarom ze bad, wilde ze aan God opdragen; dat zou dan een nazireeër worden. Die zou dan geen wijn of bedwelmende drank mogen drinken. En dan is het wonderlijk, dat Hanna ook die woor­den tot Eli be­zigt: «Wijn noch bedwelmende drank heb ik gedronken».

«Houd uw dienstmaagd niet voor een nietswaardige».

Letterlijk staat er «Voor een dochter van Belial». De SV heeft dat ook zo vertaald. Belial is soms ook een aanduiding voor de dui­vel. Merkwaardigerwijs worden in het volgende hoofdstuk de zonen van Eli als zodanig aangeduid.

«Doch de zonen van Eli waren kinderen Belials; zij kenden den HERE niet». 1 Sam.2:12. SV

Daar zie je dan weer het contrast: Hanna is geen kind van Belial, maar nota bene de zonen van Eli zèlf.

«En Eli antwoordde: Ga heen in vrede, en de God van Israël zal u geven, wat gij van Hem gebeden hebt». v.17 Eli wordt hier even een moment profetisch. Het is net, alsof in die ontmoe­ting met Hanna, Eli er even bovenuit wordt ge­tild. Hij wordt hierin door de Heer gebruikt. Hij was ook nog altijd in het ambt als priester. Iets dergelijks zie je wel meer: kijk maar naar Kajafas. Kajafas profeteerde ook, zonder dat hij het in de gaten had. In het boek Samuël kom je dat meer tegen: mensen hebben dan even een hel­der ogenblik en zeggen dan dingen, die verder rei­ken dan het alledaag­se. Ook hier komt dan de ware Eli even te voorschijn. Ook Eli is door zorg en smart gekweld. Zijn zonen waren een bron van voortdurende zorg voor hun vader. Hij zal ook wel eens slape­loze nachten hebben gehad. Ben ik dan helemaal mislukt als mens en als vader?

En dan zegt Hanna:

«Daarop zeide zij: Uw dienstmaagd moge uw gunst verwerven. Toen ging de vrouw haars weegs, zij at weer en haar gelaat vertoonde geen droefheid meer». v.18. In het vervolg van dit hoofdstuk wordt dan beschreven dat Hanna een zoon krijgt, Samuël. En dan, in hoofdstuk 2 komt dat lied van Hanna. Zo zie je het verband, waarin dit gedeelte geplaatst is. Steeds zie je daar die twee figuren. Maar uiteindelijk gaat het in het hele boek Samuël om de één­wording, die twee moe­ten steeds één worden. In dat verband gaan we kijken naar Handelingen 3.

«Hem moest de hemel opnemen tot de tijden van de weder­oprichting aller dingen, waarvan God gesproken heeft bij monde van zijn heilige profeten, van oudsher». Hand.3:21

Het gaat hier dus om de heilige profeten; van oudsher – van oertijd af. En die heilige profeten hebben gesproken over de wederoprichting van alle din­gen. Dat is dus een duidelijke aanwijzing. Die heilige profeten beginnen bij het boek Jozua. En daar hoort Samuël ook bij. Dat staat er trouwens hier ook:

«En al de profeten, van Samuël af en vervolgens, zovelen er hebben gesproken, heb­ben ook deze dagen aangekondigd».  Hand.3:24

De profeten hebben dus gesproken over deze dagen. Dus niet zozeer over het verleden als wel over de toekomst. Zo moet je dus ook het boek Samuël lezen. Boven het boek Samuël zou je kunnen zetten: ‘De Wederoprichting van alle Dingen’. Die wederoprichting heeft dus te maken met die één­wor­ding. Als je zo het begin van het boek Samuël leest, zie je dat het nog niet allemaal koek en ei is. Het was een heel duistere tijd. Je ziet daar die Elka­na, met een heel conflict in zijn gezin. Dan heb je dat heiligdom in Silo met die twee zonen van Eli, die er een puinhoop van maken. Het voornaamste ken­merk van de priester was: een grote vork, hoe krijg ik zoveel mogelijk vlees aan de haak. De godsdienst was verworden tot een stuk zelfzucht.

De volledige studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

406065 bezoekers sinds 07-06-2010