De gelijkenis van de arbeiders

06-06-2010 door Dr. K.D. Goverts

Dit is een verhaal uit het onderwijs van Jezus dat mij al heel lang fascineert. Ik weet niet of het je weleens opgevallen is, maar deze gelijkenis staat in een bepaald kader. Kijk maar eerst eens naar  de laatste tekst van hoofdstuk 19: Mat. 19:30 “Maar vele eersten zullen de laatste zijn, en vele laatsten de eersten” Daar gaat die gelijkenis over; over eersten die de laatsten worden en de laatsten die de eersten worden.

En dan hoofdstuk 20: Mat. 20:16 “Alzo zullen de laatsten de eersten en de eersten de laatsten zijn”. In Mat. 20:16 heb je weer een uitspraak over “eersten en laatsten”. En als je Mat.19:30 en Mat. 20:16 naast elkaar zet, dan zie je dat de volgorde inmiddels ook nog omgedraaid is. Binnen dat kader wordt dit verhaal verteld; dus waar gaat het over in Mat. 20? Over eersten en laatsten. Nu gaan we lezen: Mat. 20:1Want het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een heer des huizes, die des morgens vroeg arbeiders voor zijn wijngaard ging huren” En wie is “de heer des huizes”? Dat is God. God heeft een wijngaard. Dat is ook een bekend beeld. In dit geval Jesaja 5. Want daar gaat de profeet zingen: Jes. 5:1 “Ik wil van mijn geliefde zingen, het lied van mijn beminde over zijn wijngaard” En die “geliefde is God. God heeft een wijngaard en Hij gaat ‘s morgens vroeg arbeiders huren.

En nu moet je opletten wat staat er dan?

Mat. 20:2 “Toen hij het met de arbeiders eens geworden was voor een schelling ‘s daags, zond hij hen in zijn wijngaard” Dus die arbeiders beginnen ‘s morgens vroeg en er wordt een contract afgesloten, een C.A.O. en in die C.A.O. wordt vastgelegd: weet je hoeveel jullie krijgen: één schelling per dag. En dat is het gebruikelijke, normale dagloon. Daar is helemaal niets verkeerd mee, dat is heel redelijk, zij krijgen hun loon uitbetaald. Geen vuiltje aan de lucht.

Mat. 20:3 “En omstreeks het derde uur ging hij naar buiten en zag nog anderen werkloos op de markt staan” Het “derde uur”, dat is 9 uur ‘smorgens, want de dag begint te tellen om 6 uur ‘s morgens. Dus om 9 uur ‘s morgens gaat die heer weer de markt op. En wat ziet hij: er zijn arbeiders die hebben nog geen werk. Let op het woord “werkloos”.

Het is zo belangrijk dat je de Bijbel leert lezen met je gevoel, want de Bijbel is geen informatieboek. En nu staan daar die mensen werkloos en je voelt: er schuilt achter dat ene woord een hele tragiek. Die mensen hebben geen werk. Ze willen wel werken, maar er is niemand die hen wil hebben. En ‘s morgens om 9 uur komt daar die heer des huizes langs en vraagt: wil je ook meedoen? Ik heb nog plek in m’n wijngaard: kom maar. En dan blijkt dat ze best willen; het is geen werkschuw tuig. Ze willen best werken. En dus worden die ook aangenomen. Prachtig toch? En dan komt in vers 4 de sleuteltekst:  Mat. 20:4en hij zeide tot hen: Gaat ook gij in de wijngaard en wat billijk is zal ik u geven. En zij gingen. Wat zal ik u geven? En daar heb je de clou van het hele verhaal. En daarom is het weer ontzettend jammer wat onze lieve N.B.G.-vertaling gedaan heeft. Want die hebben nu uitgerekend het sleutelwoord waar het in de hele gelijkenis om draait in feite wegvertaald. Want ze zeggen: wat billijk is zal ik u geven”. En wat is “billijk”? Dat is een heel rekbaar begrip.

Daar kun je alle kanten mee op. En “billijk” dat is eigenlijk een heel modern woord uit deze huidige maatschappij. En als je nu gaat kijken wat er in de grondtekst staat, dan speelt hier een centraal woord waar het in heel Mattheüs om gaat. Er staat namelijk: “wat rechtvaardig is zal ik u geven”. Dan gaat de hele bijbeltekst als een prachtig perspectief voor je open. Wat rechtvaardig is zal ik je geven. Want waar gaat het in heel Mattheüs over? Mattheüs is het evangelie van de gerechtigheid. Als je heel Mattheus in één woord wil samenvatten dan gaat het om die gerechtigheid en niets anders. En in Mattheüs daar wordt Jezus gepresenteerd als de “Koning der gerechtigheid”. Daar zou je op zich een heel verhaal over kunnen vertellen, maar het allereerste woord dat Jezus Zelf in Mattheüs spreekt is: “want aldus betaamt het ons alle gerechtigheid te vervullen (Mat. 3:15). Dat staat alleen bij Mattheüs.

En in heel Mattheüs daar wordt Jezus getekend als de melekh, als de Koning, die tsedaqah gaat doen, die gerechtigheid gaat doen, want Mattheüs is zo Hebreeuws als het maar kan. En in dat kader past hier ook dat de heer tot de arbeiders zegt: en wat tsaddiq is, wat rechtvaardig is, dat zal ik je geven. Dus waar gaat het nu om in heel deze gelijkenis? Wat is nu rechtvaardig? En dat is iets anders dan “billijk”. Want billijk is een maatschappelijk begrip, maar rechtvaardig is een Goddelijk begrip. Dat ligt in een totaal andere orde. Ik zal je geven wat rechtvaardig is. Als je wilt weten wat rechtvaardig is bij Mattheüs en eigenlijk wat rechtvaardig is in het hele Hebreeuwse denken, dan kan ik het heel kort zo samenvatten: rechtvaardig is dat God meer doet dan Zijn plicht. Rechtvaardig is dat God zegt: wat jij te weinig hebt, zal Ik teveel doen, dat is gerechtigheid. Dat is dat Hij de tweede mijl gaat en de derde en als het moet de laatste mijl gaat. Dat is dat Hij gaat tot voorbij alle grenzen en dat Hij zegt: heb je tekort? Ik heb teveel. “want aldus betaamt het ons alle gerechtigheid te vervullen” (Mat. 3: 15)

 Dus zegt Hij: we doen het allemaal in één pot. Doe jij je tekort er maar in en doe Ik mijn teveel erin en dan wordt het toch vol. Dat is gerechtigheid. Maar dat is iets dat zou je nog allemaal een keer moeten uitwerken, want dat is één van die prachtige onderwerpen. Dat heb ik ook geleerd van W.G. Overbosch die schrijft daar een schitterend artikel over, eigenlijk een preek die hij ooit gehouden heeft. Alle gerechtigheid moet vol worden. En nu zegt die heer tot die arbeiders: wat rechtvaardig is, dat ga ik je geven. En dus in de rest van de gelijkenis zal nu tot uiting komen: wat is dat nu als hij rechtvaardig gaat handelen met die arbeiders? Hoe gaat hij dat doen? Dan moeten we even verder lezen en dan komen wij bij vers 5. Mat. 20:5 “Omstreeks het zesde en het negende uur ging hij wéér naar buiten en handelde evenzo” Dan denk je: die heer des huizes blijft maar lopen naar die markt. Het zesde uur dat is twaalf uur ‘s middags. Het negende uur, dat is drie uur in de middag. En dan loopt hij weer naar de markt en hij vindt er nog een stel. En hij zegt: wil je ook meedoen? En dan moet je opletten dan staat er: “en hij handelde evenzo”. En dan komt vers 6. Mat. 20:6 “Toen hij omstreeks het elfde uur naar buiten ging, vond hij nog anderen staan en zeide tot hen: Waarom staat gij hier de gehele dag werkloos?”  Nu wordt het helemaal een vreemd verhaal.

Want dat is altijd het wonderlijke met al die gelijkenissen van Jezus, dat zijn altijd van die vreemde verhalen. Alleen hebben wij ze al tien of twintig keer gehoord en daarom horen wij het vreemde er niet meer in. Maar als je ze hoort alsof ze voor het eerst worden uitgesproken, dan worden ze zo bijzonder. Het elfde uur, dat is vijf uur ‘s middags. En wij spreken dan zo gemakkelijk van de werkers van het elfde uur, ja die heb je ook. Karel Eykman heeft daar eens een populaire versie voor de kinderen van gemaakt, dat werden de werksters van half vijf. Moet je je eens indenken. Om vijf uur ‘s middags komt die heer op de markt en wat ziet hij daar staan? Mensen op de markt.

En hij stelt ze één vraag: “Waarom staat gij hier de gehele dag werkloos”?

En wat is het antwoord?

Mat. 20:7 “Zij zeiden tot hem: Omdat niemand ons gehuurd heeft- Hij zeide tot hen: Gaat ook gij in de wijngaard” En in dat ene kleine zinnetje: “Omdat niemand ons gehuurd heeft”, klinkt de hele pijn door van hun leven. Want de hele dag dat is je hele levenstijd. Die dag dat is het leven. Dus als ze daar een hele dag hebben gestaan, betekent dat ze daar hun hele leven hebben gestaan. Op de markt. En waarom? Denk je dat ze daar stonden voor hun plezier? Och ja, het is zo gezellig op de markt. Nee! Zeer beslist niet. Ze hebben daar op de markt gestaan omdat zij dachten: ja, misschien, maar er kwam geen mens. En iedereen werd geaccepteerd en die werd meegenomen en de één mocht hier gaan werken en de ander daar, maar voor hen was er niemand. Altijd maar gepasseerd: voor jou is er geen belangstelling; jij valt buiten de prijzen. Er is geen enkele werkgever die belang heeft bij jou. En nu is het vijf uur ‘s middags en tot hun stomme verbazing komt er een baas die zegt: kom, kom erbij. Heb je de hele dag niets gedaan? De hele dag geen kans gehad? Nee, ze hadden geen kans gehad. Ze wilden best, ze stonden daar ook niet voor hun plezier. Want denk je dat het leuk is die hele dag op de markt hangen en maar de uren tellen en maar het gevoel hebben dat je tot niets nut bent. En dat je leven voorbijgaat en dat je het als een film voorbij ziet trekken en denkt: straks zijn alle kansen gepasseerd en wat heb ik dan gedaan?

En misschien ook nog dat gevoel dat straks vast nog wel iemand zegt: heb je wel dat lied wel eens gehoord: “0 heb ik wel mijn best gedaan voor Jezus?

En straks: moet ik gaan zo met lege handen mijn Heiland tegemoet, zonder één geredde zondaar neer te leggen aan zijn voet”

En dan zeggen ze: Heb jij al wat gedaan? Nee, ik heb nog niets gedaan in mijn leven; ik heb alleen kansen verspeeld zien raken. En denk je mensen: daar sta je dan en je tijd gaat voorbij en straks zijn alle kansen voorbij. En dan komt daar die heer en het is vijf uur in de middag en hij zegt: kom maar, kom maar. Hoor je dat? Dat is toch heel wonderlijk. Moet je eens kijken want er staat aan het eind van vers 7: “gaat ook gij in de wijngaard”

En dan denk je er is geen enkele heer die dat doet. Geen enkele heer. Kom nu. Dat komt niet voor; natuurlijk niet. Welke baas gaat om vijf uur ‘s middags mensen ronselen om te werken en om zes uur dan is de dag afgelopen. Dus die lui hebben zegge en schrijve nog één uurtje te gaan. Je hebt amper tijd om ze in te werken. Die mensen daar heb je alleen maar onkosten van.

Ja, die zijn toch niet productief; daar heb je nu letterlijk niets aan. Die lopen je alleen maar voor de voeten. Die mensen kosten je alleen maar tijd, aandacht en administratiekosten. Je kunt er geld op toe leggen. En voordat ze weten waar al het gereedschap ligt en voor ze eigenlijk precies weten wat ze moeten doen, dan gaat de bel en is het zes uur. Ja, uitbetalen. Dan denk je: mensen daar heb je niets aan zulke arbeiders die werkers van het elfde uur. Waardeloos. Niets mee te beginnen.

Dan moeten we even doorlezen, want daarmee eindigt het eerste deel van de gelijkenis. En dan komt vers acht. Nu wordt het helemaal spannend. Het is zo’n ongelofelijk spannend verhaal.

Mat. 20:8 “Toen de avond viel, zeide de heer van de wijngaard tot

zijn opzichter: Roep de arbeiders en betaal het loon uit, te beginnen bij de laatsten, tot de eersten”. Dus wie komen er vooraan in het rijtje? Die mensen van vijf uur ‘s middags. En wat betekent dat? De mensen die van ‘s morgens vroeg al bezig zijn, die mogen het hele bedrijf meemaken. Die staan er met hun neus bovenop. Eens kijken hoe dat hier gaat. Die krijgen dus even een stukje pastorale training om u tegen te zeggen. Ja, want die kunnen nu eventjes zien hoe die heer met die laatsten omgaat. Dan wordt er de uitbetaling verricht. En moet je kijken wat er dan gezegd wordt: Mat. 20:9 “Toen zij, die omstreeks het elfde uur gehuurd waren, kwamen, ontvingen zij ieder een schelling”. Hé! En die eersten, wat denken die dus? Die mensen kunnen ook rekenen. Die zitten inmiddels te tellen en denken: die mensen hebben één uur gewerkt en krijgen één schelling. Nu dan weet ik hoeveel ik krijg, want ik heb van ‘s morgens zes tot ‘s avonds zes, dat is twaalf uur, gewerkt. En twaalf keer één is twaalf, dus die zitten inmiddels keurig uit te tellen van ik weet hoeveel ik straks mee naar huis krijg.

Dat gaat goed zo; tellen maar jongens. Mat. 20:10 “En toen de eersten kwamen, meenden dezen, dat zij meer zouden ontvangen. En zij ontvingen eveneens ieder een schelling” Die denken daar klopt niets van. Het gevolg was: Mat. 20:11,12 “Toen zij die ontvingen morden zij tegen de heer des huizes, en zij zeiden: Deze laatsten hebben één uur gewerkt en gij hebt hen met ons gelijkgesteld, die een zware dag en de hitte hebben doorstaan”. Ze zeggen: wij hebben de hele dag gewerkt. Wij hebben de zwaarte van de dag gedragen staat er eigenlijk. Wij hebben de hitte gedragen. En nu komen we aan het eind van de dag en krijgen we hetzelfde als zij. Dat kan toch niet. Dat is toch niet “billijk” (Mat. 20:4). Nee, dat is ook niet “billijk” .

Maar het is wel rechtvaardig, dat zullen we straks zien. Dat is het verschil.

Mat. 20: 13 “Maar hij antwoordde een van hen en zeide: Vriend, ik doe u geen onrecht. Zijt gij het niet eens geworden voor een schelling? En dit woord voor “vriend” betekent eigenlijk “makker”. Dat woord makker komt 3x voor in het Evangelie en dat is alle drie de keren in een heel speciaal geval.

a. dat is hier in Mat. 20:13

b. dat is bij die man zonder bruiloftskleed (Mat. 22:12)

c. dat is bij Judas in de hof van Gethsémane (Mat. 26:50)

Dus die drie worden allemaal aangesproken met hetzelfde woord: kameraad, makker. Wat zegt de heer in vers 13? “Kameraad, ik doe je geen onrecht”. Daar heb je weer dat sleutelwoord het gaat om die gerechtigheid. Zijt gij het niet eens geworden voor een schelling”. Hij zegt tegen die eersten: wij hadden toch een C.A.O.? Dat heb je vanmorgen zelf met me zitten af te spreken; één schelling zou je krijgen. Nu die heb je toch gehad?

En nu komt het hoogtepunt van het verhaal. Mat. 20:14,15 “Neem het uwe en ga heen; ik wil deze laatste hetzelfde hetzelfde geven als u. Staat het mij niet vrij met het mijne te doen, wat ik wil? Of is uw oog boos, omdat ik goed ben?” Weet je waar het om gaat? Om het uwe en het mijne. Tot die eersten zegt hij “neem het uwe en ga heen”. Die krijgen het hunne, die krijgen waarvoor ze gewerkt hebben. Ze hebben de hele dag gewerkt en nu krijgen ze het loon naar dat ze hebben gewerkt: “neem het uwe”.

Tot die laatsten zegt de heer: “staat het mij niet vrij met het mijne te doen”.

Tot die laatsten zegt hij niet: neem het uwe.

Tot die laatsten zegt hij: neem het mijne. Die eersten betaalt hij uit de kas. Dat is logisch. Want elk bedrijf heeft een post voor het arbeidsloon. Dat is van te voren bepaald en dat staat in de C.A.O. en elke werkgever weet: ik moet straks die arbeiders uitbetalen. Nu, dat is in de kas gereserveerd. Maar die laatsten kan hij niet uit de kas betalen. Die hebben bijna niets gedaan, daar was ook geen C.A.O. Daar was niets geregeld. En wat doet dan die heer? Dat is het grandioze van dit verhaal. Dan pakt die heer zijn portefeuille en dan zegt hij tot die laatsten: kom eens en die laatsten betaalt hij uit zijn eigen zak. Dat is nu genade. Dat is het geheim. Die eersten worden betaald uit de kas en de laatsten, daarvan zegt de heer die doe ik zelf. De heer geeft zoveel om die laatsten dat hij bereid is er zelf bij in te schieten. Hij zegt: desnoods eet ik vanavond een boterham minder.

Als jullie maar te eten hebben. En dan staat er aan het slot van vers 15: “Of is uw oog boos, omdat ik goed ben?’ Nu komt het?

Op een keer dacht ik: deze gelijkenis ga ik voor me zien.

Want bijbelteksten moet je niet alleen maar horen, je moet ze zien. Die laatste hoe denk je dat die naar huis gegaan is? Juichend en springend natuurlijk. Want hij was de koning te rijk. Moet je eens indenken. Die man stond de hele dag op de markt. En maar wachten en ‘s morgens ging hij daar staan en dacht: misschien kan ik vandaag aan het werk. En als er nu vandaag iemand komt om me te huren, dan ga ik vanavond fijn naar huis met een dagloon. Maar de dag verstreek en het werd middag en het liep al tegen de avond en hij dacht: dat wordt niets. En het liep al tegen vijven en hij dacht nog één uurtje en dan is de dag voorbij en dan ga ik naar huis en m’n vrouwen m’n kinderen zitten te wachten. En die kinderen horen de voetstappen van vader en denken: ha, fijn pappa komt thuis. Dan gaan we eten. En ik stap de deur binnen en de kinderen willen al gaan juichen: 0, pappa wat fijn dat je er bent. En dan moet ik zeggen: jongens stil maar, want pappa heeft vandaag de hele dag op de markt gestaan en er kwam niemand. Voor anderen wel maar voor mij niet. En pappa heeft vandaag niets verdiend. Er is vanavond geen eten, geen brood op de plank. Gaan jullie maar vroeg naar bed en probeer maar te slapen en probeer te vergeten dat je honger hebt. Morgen zal vader weer op de markt gaan staan en dan zal ik het weer proberen. En misschien dat pappa morgenavond thuis komt met een dagloon. Maar vandaag, het spijt me voor jullie, het ging niet. Ik had het graag anders gehad. Maar toen om vijf uur ‘s middags, oh mensen je kunt je haast niet voorstellen. Denk je eens in, die vader, om zes uur en dan staat hij daar bij die afrekening en hij krijgt een heel dagloon in zijn handen, een hele schelling. En die vader rent naar huis en hij stormt daar die deur binnen en zegt: vrouw, kinderen, kom, moet je eens horen wat er vandaag gebeurd is. Om vijf uur stond ik nog op de markt en ik dacht het wordt niets en ik kom straks met lege handen bij jullie thuis. En toen kwam er toch een baas naar mij toe en die zei: wil je bij mij werken? Toen zei ik: dat is goed en dacht dat kan nooit veel wezen. Maar om zes uur kwam hij naar me toe en stopte hij dit in mijn handen alsof ik een hele dag gewerkt had. Ah, zegt die man: vrouw, kinderen kom aan tafel want we gaan eten. En kun je je voorstellen wat die laatste gedaan heeft toen ze daar aan tafel zaten. Hij is een hele dankstond gaan houden met zijn vrouwen zijn kinderen en hij zegt: vrouw ik ben de koning te rijk. Er was een baas, zo heb ik het nog nooit ontmoet. Ik heb te weinig gewerkt en hij heeft me teveel uitbetaald. Dat is nu gerechtigheid. Ik heb maar één uurtje wat gedaan, amper een uurtje en ik kreeg het loon voor een hele dag. Zal ik je eens wat vertellen vrouw? Morgenochtend om zes uur dan sta ik weer bij die man op de stoep want bij die baas ben ik niet weg te slaan. Voor de rest van mijn leven ben ik aan hem verknocht. Zo’n rechtvaardige man heb ik nog nooit ergens gevonden. Dit is de ontdekking van mijn leven. Dat is nu gerechtigheid. Dat is het verhaal van die laatste. En nu ga ik nog één stap verder, want weet je wat er ook nog is? Moet je eens kijken naar dat laatste zinnetje: “of is uw oog boos, omdat ik goed ben?’ Dat is het probleem van die eersten.

Het boze oog. Dat kun je ook hebben.

Weet je wat het boze oog is? Dat komt twee keer in Mattheus voor, dat betekent dat je jaloers bent. (Mat. 6:23 en Mat. 20:15) .

Die eersten hebben één probleem ze hebben dat boze oog”; ze zijn jaloers. En de laatste vraag voor vandaag: dat “boze oog” kan dat nog genezen? Daar zal ik ook een verhaal over vertellen. Want misschien dat God ook iets aan dat “boze oog” kan doen. Misschien. Moet je je even voorstellen: de feestzaal van de koning (Mat. 22:1-14). Daar is de feestzaal van de koning en de uitnodiging wordt gedaan: kom, want alle dingen zijn gereed en wat zie je gebeuren daar komen ze van heinde en ver. Ze komen van achter alle grenzen en je kijkt je ogen uit. En weet je wie daar bij de deur van de feestzaal staat? Zo’n eerste. En hij staat zo te kijken, en denkt wat gaat daar allemaal naar binnen. Alle mensen gaat dat zomaar? Gaat dat zo gemakkelijk. Moet je dat zien en dat huppelt maar allemaal die feestzaal binnen. Daar een tollenaar en kijk daar heb je ook iemand die staat er ook gekleurd op en daar heb je nog iemand met een heel verhaal achter de rug. Nou zeg wat er allemaal naar binnen gaat en daar nog een Romeinse soldaat en daar nog een of andere N.S.B. ‘er en daar nog iemand, dat is ook geen zuivere koffie en ja, moet je dat allemaal zien!

En dat huppelt allemaal die feestzaal binnen en die zaal wordt steeds voller en voller. En die eerste staat nog steeds bij de deur. Die is helemaal niet in de stemming. En tenslotte is de feestzaal bijna helemaal vol. Dan komt de heer des huizes naar buiten en hij ziet die eerste daar buiten staan. En hij zegt tegen die eerste: moet jij niet naar binnen? Je moet opschieten, want het feest gaat beginnen. Wil je nog meedoen? En die eerste staat een beetje schoorvoetend te kijken, want hij vindt het allemaal helemaal niet zo fijn. Wel, zegt die heer des huizes: kom maar, ik heb nog wel een plaats voor je en hij neemt die eerste mee aan de hand. En die eerste staat een beetje bedremmeld te kijken, want het is overal heel feestelijk en heel vreugdevol en hij vindt dat allemaal niet zo geweldig en hij weet ook niet goed waar hij moet gaan zitten, want bijna alle plaatsen zijn al vol. En de heer des huizes pakt hem bij de hand en leidt hem tussen al die stoelen door en zegt: kijk hier is nog wel een plaats voor je. Ga daar maar zitten en als hij goed en wel zit en hij kijkt een beetje rond, dan komt hij tot de ontdekking dat hij precies zit tegenover een laatste. die laatste zit daar met een stralend gezicht; helemaal met een glimlach van oor tot oor en die zegt tegen die eerste: goedenavond mijnheer, wat fijn dat u er ook bent. Ja, ik had het van mezelf nooit gedacht dat ik hier zou komen. Nee, tot op vanavond dacht ik: ik kom er nooit binnen en nu oh, ik kan het niet begrijpen; ik ben er nog steeds helemaal sprakeloos van, het is een eeuwig wonder dat ik hier binnen ben. Ik begrijp er helemaal niets van. En die laatste die zit daar helemaal te stralen en te glanzen en hij zegt: ik had het nooit gedacht, maar ik heb het toch gekregen. Nu ben ik toch binnen. Ik begrijp het nog steeds niet van geen kant. En dan staat die laatste op en over de tafel heen geeft hij die eerste een hand en zegt: fijn dat je er ook bent, welkom broeder ik hoop dat je je een beetje thuis voelt. En die eerste die kijkt in de ogen van die laatste en dan kan het zijn, in de ogen van die laatste vindt die eerste zijn genezing. Hoe kan die eerste genezen worden van zijn “boze oog”? Misschien door middel van die laatste. Eindelijk thuis. Toch nog welkom, het “boze oog” kan nog genezen.

Ken je dat oude Rabbijnse verhaal? Die rabbijnen vertellen een verhaal.

Het verschil tussen de hemel en de hel.

Kijk, de hel dat is een feestzaal en dan komen de mensen daar binnen en alle tafels zijn schitterend gedekt vol met allerlei heerlijke spijzen, damasten tafellakens. En ze willen gaan eten en wat blijkt dan? Er is één probleem: dat is het bestek. De lepels en vorken zijn langer dan je armen. Dus wat iedereen ook probeert je kunt op geen enkele manier dat eten bij je mond brengen. En iedereen zit maar te proberen en te proberen, heerlijke spijzen, maar je kunt er niet bij. En zegt de rabbijn: weet je wat nu de hemel is? Dat is net zo’n feestzaal. Ook de tafels gedekt, allemaal verrukkelijk en heerlijk en het kan niet op. Schitterend versierd en opgedist. En de mensen die komen daar en gaan zitten en die kijken eens en er wordt gezegd: kom maar want alle dingen zijn gereed. En wat zien ze? Precies hetzelfde bestek. Ook die ellenlange lepels en vorken. Alleen er is één verschil: in de hemel hebben ze het geheim ontdekt. Daar pakken ze die lepels en vorken en stoppen het eten bij elkaar in de mond. Dat is het verschil. Daar geven ze de spijzen aan de ander.

Niet hoe krijg ik het allemaal binnen, maar hoe kan ik die ander te eten geven. Dat “boze oog” kan nog goed worden en misschien gebruikt God daar wel zo’ n laatste voor, om zo’ n eerste te genezen. Dan komen ze toch nog samen thuis in de feestzaal. Alleen de volgorde is omgedraaid. Wat rechtvaardig is, zal ik je geven. Dan krijg je meer dan dat je had gedacht. Want deze God, Hij gaat de tweede mijl en als het moet de laatste mijl.

De volledige studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds 

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

391574 bezoekers sinds 07-06-2010